Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Limburg

ECLI:NL:RBLIM:2026:9475

2026-09-07 Bestuursrecht Roe 24/5057
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Limburg
Uitspraakdatum
2026-09-07
Publicatiedatum
2026-09-07
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
Roe 24/5057
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl; STAB-OGR-Updates.nl 2026-0213

Inhoudsindicatie

Verzoek om gehele of gedeeltelijke intrekking omgevingsvergunning, of verbinden van voorschriften daaraan, van pluimveehouderij vanwege geurhinder omwonenden. Omwonenden hebben onvoldoende aannemelijk gemaakt dat dit vereist is op grond van strijd met artikel 8 EVRM. Ten aanzien van één eiser heeft verweerder echter onvoldoende gemotiveerd dat geen sprake is van onaanvaardbare geurhinder als bedoeld in artikel 7af BuChw. Beroep van deze eiser gegrond, beroep van overige eisers ongegrond.

Citeert (7)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (27.507 tekens)
RECHTBANK limburg


Zittingsplaats Roermond



Bestuursrecht



zaaknummer: ROE 24/5057


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 september 2026 in de zaak tussen


[eiser 1] , te [woonplaats] ,



[eiser 2]
, te [woonplaats] ,


[eiser 3]
, te [woonplaats] ,


[eiser 4]
, te [woonplaats] ,


[eiser 5]
, te [woonplaats] ,


[eiser 6]
, te [woonplaats] ,


[eiser 7]
, te [woonplaats] ,


[eiser 8]
, te [woonplaats] ,


[eiser 9]
, te [woonplaats] ,
eisers
(gemachtigde: mr. W.A. Verbeek),



en




het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nederweert, verweerder.


Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: HST Agro B.V., te Nederweert
(gemachtigde: P.S.J. van Lier).




Procesverloop


Bij besluit van 31 oktober 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder het verzoek van eisers om aan de omgevingsvergunning van 19 mei 2015 voor de locatie [adres] in [woonplaats] nadere voorschriften te verbinden dan wel deze vergunning geheel of gedeeltelijk in te trekken, afgewezen.



Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.



Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.



Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 juli 2026. Namens eisers is hun gemachtigde verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 1] en [naam 2] . De derde-partij (hierna: vergunninghoudster) is vertegenwoordigd door [naam 3] , bijgestaan door [naam 4] .






Overwegingen



Waar deze zaak over gaat



1. Vergunninghoudster heeft een pluimveehouderij aan de [adres] in [woonplaats] . Voor deze veehouderij is laatstelijk op 19 mei 2015 een omgevingsvergunning verleend
waarmee een of-of-situatie is vergund (situatie 1 zoals die voorafgaand was vergund voor 51.324 vleeskuikens ouderdieren; situatie 2 voor 53.500 legkippen).

2. Vergunninghoudster heeft op 19 januari 2023 om gedeeltelijke intrekking van de omgevingsvergunning van 19 mei 2015 gevraagd om te voldoen aan fijnstofemissienormen en om daarvoor nadeelcompensatie te kunnen krijgen. Bij besluit van 5 januari 2024 is de vergunning van 19 mei 2015 ingetrokken voor zover het betreft de mogelijkheid om vleeskuikens ouderdieren (situatie 1) te houden.

3. Op 20 november 2023 hebben eisers gezamenlijk verzocht om aan de vergunning van 19 mei 2015 nadere voorschriften te verbinden dan wel de vergunning geheel of gedeeltelijk in te trekken vanwege geurhinder. Het verzoek is gebaseerd op artikel 2.33 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en artikel 7af van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet (BuChw). Eisers zijn van mening dat de situatie van artikel 2.33, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo aan de orde is, omdat uit de V-stacks-berekeningen blijkt dat de veehouderij bij meerdere woningen in de omgeving zorgt voor een heel hoge geurbelasting en dus voor een hoog geurhinderpercentage. Eisers beroepen zich op het (civiele) vonnis van de rechtbank Den Haag van 14 september 2022 waarbij de rechtbank heeft geoordeeld dat een geurbelasting van meer dan 19,4 Ou/m³ in strijd is met artikel 8 van het EVRM. Verder wijzen eisers op de kamerbrief van 7 juli 2023 van de staatssecretaris van infrastructuur en waterstaat over mogelijkheden om bestaande geuroverlast te beperken, en op twee uitspraken van de rechtbank Oost-Brabant. Eisers hebben ook gewezen op het onderzoeksrapport “Geur van de veehouderij”, een recente update van onderzoek uit 2015 waaruit volgt dat pluimvee de meeste hinder geeft. Volgens eisers kan de schending van het EVRM worden opgeheven door het aantal dieren in de stal te verminderen.

4. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het verzoek van eisers afgewezen. Daarbij heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat intrekking op grond van artikel 2.33, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo niet aan de orde is, omdat verweerder niet de normering uit het vonnis van de rechtbank Den Haag overneemt. Die norm strookt niet met de jurisprudentie van de Afdeling, aldus verweerder. Verweerder gaat uit van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) als exclusief toetsingskader en de daarin neergelegde mogelijkheid om met een geurverordening een geurnorm vast te stellen tot 35 Ou/m³.

Voor zover het betreft intrekking op grond van artikel 2.33, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wabo meent verweerder dat deze intrekkingsgrond niet aan de orde is, omdat in de vergunde situatie reeds BBT wordt toegepast om geurhinder te beperken.
Intrekking op grond van artikel 2.33, eerste lid, aanhef en onder d van de Wabo is volgens verweerder niet aan de orde, omdat er geen sprake is van ontoelaatbaar nadelige gevolgen voor het milieu nu de buitengrens voor geur niet wordt overschreden.
Tot slot wenst verweerder geen gebruik te maken van de op artikel 7af van het BuChw gebaseerde bevoegdheid om de omgevingsvergunning in te trekken, omdat het gemeentelijk geurbeleid al is gericht op het bereiken van een beter woon- en leefklimaat en vergunninghoudster al haar bijdrage heeft geleverd door de gedeeltelijke intrekking bij besluit van 5 januari 2024, omdat BBT al is toegepast, de vergunning met artikel 3, vierde lid, van de Wgv is verleend en de geurbelasting ruim onder de 35 Ou/m³ blijft.


5. In beroep hebben eisers het volgende aangevoerd.


5.1.

Uit de V-stacks berekeningen blijkt dat de inrichting bij meerdere woningen zorgt voor een heel hoge geurbelasting en dat door het in werking zijn van de inrichting ontoelaatbare gevolgen voor het milieu optreden, terwijl uit het vonnis van de rechtbank Den Haag blijkt dat een geurbelasting van meer dan 19,4 Ou/m³ in strijd is met artikel 8 van het EVRM en de rechtbank die norm van 19,4 goed heeft gemotiveerd (met verwijzing naar de blootstelling-responsrelatie die ten grondslag ligt aan de Wgv).
Verder hebben eisers erop gewezen dat een percentage van 30 geurgehinderden (wat overeenkomt met de kwalificatie ‘zeer slechte milieukwaliteit’) al optreedt bij 11,0 Ou/m³ en dat uit het oordeel van het Hof van Justitie van de Europese Unie blijkt dat lidstaten veel strenger moeten zijn bij het toelaten van bestrijdingsmiddelen. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft geoordeeld dat het nalaten om overtuigend wetenschappelijk bewijs in overweging te nemen in strijd is met artikel 6 EVRM en uit een uitspraak van de Afdeling blijkt dat de beoordelingsruimte voor het bestuursorgaan wordt begrensd door wat uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten voortvloeit.




5.2.
Verder hebben eisers erop gewezen dat vergunninghoudster plannen heeft om zijn veehouderij om te bouwen naar een zorgboerderij en dat deze nieuwe ontwikkeling moet worden betrokken in de belangenafweging bij intrekking van de omgevingsvergunning. Onder verwijzing naar het arrest van het Hof Den Haag, in hoger beroep tegen de aangehaalde uitspaak van de rechtbank Den Haag, hebben eisers nog aangevoerd dat een geurbelasting van meer dan 25 Ou/m³ een schending oplevert van artikel 8 van het EVRM en dat het bevoegd gezag dan verplicht is om maatregelen te treffen.



5.3.
Verweerder mag niet dreigen met het heffen van leges nu het een wettelijk plicht is van de overheid om op te treden tegen geurhinder.



5.4.
Eisers hebben (nogmaals) gevraagd om een dwangsom in verband met niet tijdig beslissen na het bekend maken van het ontwerpbesluit en zijn van mening dat het bij een uniforme openbare voorbereidingsprocedure gaat om duidelijk onderscheiden termijnen zodat de al toegekende dwangsom voor niet tijdig beslissen op de vraag, niet het niet tijdig beslissen na de terinzagelegging van het ontwerpbesluit dekt. Verweerder heeft die laatste beslistermijn met ruim vijf maanden overschreden en daarvoor dient een schadevergoeding te worden betaald van € 500,-.



5.5.
Aanvullend hebben eisers nog naar voren gebracht dat de redelijke termijn van de procedure van twee jaar tot en met de beroepsfase op de dag van de zitting al met acht maanden is overschreden.



Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet



6. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een verzoek om een omgevingsvergunning in te trekken is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op dat verzoek onherroepelijk wordt. Het verzoek om de omgevingsvergunning in te trekken is gedaan op 20 november 2023. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.



Procesbelang/nieuwe ontwikkelingen



7. Voor zover eisers hebben gewezen op nieuwe ontwikkelingen na de datum van het bestreden besluit (beëindiging van de veehouderij), heeft vergunninghoudster ter zitting verklaard dat haar plannen vooralsnog niet tot uitvoering (kunnen) komen en dat zij belang heeft bij het behouden van de uit de omgevingsvergunning van 19 mei 2015 voortvloeiende rechten voor het geval de plannen geen doorgang kunnen vinden.
De rechtbank ziet geen grondslag om nieuwe ontwikkelingen, te meer niet nu die onzeker zijn, te betrekken in de ex tunc beoordeling van het bestreden besluit en ziet gelet op het voorgaande ook geen reden om het procesbelang bij een beoordeling van het bestreden besluit als vervallen te beschouwen.



Beoordeling



8. De rechtbank leest, zoals ter zitting besproken, de beroepsgronden van eisers zo dat bedoeld is te stellen dat de geurhinder die zij van de inrichting van vergunninghoudster ondervinden een schending is van artikel 8 van het EVRM en dat er daarom op grond van artikel 2.33, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo of op grond van artikel 7af van het BuChw aanleiding bestaat om aan de omgevingsvergunning van 19 mei 2015 nadere voorschriften te verbinden dan wel deze vergunning geheel of gedeeltelijk in te trekken.



Artikel 8 van het EVRM



9. Volgens rechtspraak van het EHRM dient voor een geslaagd beroep op artikel 8 van het EVRM sprake te zijn van een situatie waarin klagers direct worden geraakt in hun privéleven. Ook moeten de negatieve effecten voldoende ernstig zijn. Daarbij wordt gekeken naar de concrete omstandigheden van het geval, zoals de intensiteit en duur van de overlast, de effecten op de fysieke en psychische gezondheid, en de aard van de omgeving.
Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, volgt uit de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) dat bij aantasting van het milieu artikel 8 in het geding kan zijn, maar dat degene die zich hierop beroept, aannemelijk moet maken dat een minimumniveau van aantasting van het milieu is overschreden.

10. De rechtbank ziet zich gesteld voor beantwoording van de vraag of eisers voldoende aannemelijk hebben gemaakt dat vanwege de inrichting van vergunninghoudster sprake is van (overschrijding van) een minimumniveau van aantasting van het milieu.
Daartoe hebben eisers gewezen op het genoemde (civiele) arrest van de rechtbank Den Haag, waartegen in hoger beroep door het Hof Den Haag bij uitspraak van 25 maart 2025 is geoordeeld dat in ieder geval bij een voorgrondbelasting van 25 Ou/m³ een sterke indicatie bestaat dat de geurhinder die wordt ondervonden in ieder geval het ‘minimum level of severity’ heeft bereikt en een directe impact heeft op de persoonlijke levenssfeer.

11. De rechtbank stelt vast dat bij acht van de negen eisers geen sprake is van overschrijding van die grens van 25 Ou/m³ bij hun woningen en dat er dus slechts bij één eiser, volgens voornoemde uitspraak, een sterke indicatie bestaat dat de geurhinder ernstig genoeg is om als aantasting van de persoonlijke levenssfeer aangemerkt te kunnen worden, terwijl naar het oordeel van de rechtbank niet met concrete aanwijzingen aannemelijk is gemaakt dat in die situatie het overschrijden van genoemde grens zodanig is dat daadwerkelijk sprake is van een directe impact op de persoonlijke levenssfeer. Hetgeen overigens is aangevoerd over algemene onderzoeken leidt de rechtbank niet tot een andere conclusie.

12. De rechtbank concludeert dan ook dat eisers met hun beroep op de civiele uitspraken van de rechtbank en het Hof onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt dat de ondervonden geurhinder aangemerkt moet worden als schending van artikel 8 van het EVRM en intrekking om die reden vereist is. Dat betekent ook dat verweerder op goede gronden tot de conclusie is gekomen dat er geen grond is om met toepassing van artikel 2.33, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo de omgevingsvergunning van 19 mei 2015 geheel of gedeeltelijk in te trekken. De hierop gerichte beroepsgronden slagen niet.



Artikel 7af BuChw



13. Op grond van artikel 7af, elfde lid van het BuChw kan het bevoegd gezag in aanvulling op artikel 2.33, tweede lid, van de Wabo een omgevingsvergunning geheel of gedeeltelijk intrekken als deze betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van die wet als sprake is van onaanvaardbare geurhinder als bedoeld in het twaalfde lid.
Op grond van artikel 7af, twaalfde lid, wordt bij het bepalen of sprake is van onaanvaardbare geurhinder ten minste rekening gehouden met de volgende aspecten:
a. lokaal geurbeleid;
b. de individuele en cumulatieve geurbelasting ter plaatse van geurgevoelige objecten;
c. de aard, omvang en waardering van de geur die vrijkomt;
d. de historie van de betreffende inrichting en het klachtenpatroon met betrekking tot
geurhinder;
e. de bestaande en verwachte geurhinder van de betreffende inrichting; en
f. de kosten en baten van technische voorzieningen en gedragsregels in de inrichting.



13.1.

Verweerder heeft overwogen in dit geval geen gebruik te maken van de in artikel 7af van het BuChw bedoelde bevoegdheid en daarvoor verwezen naar het lokale geurbeleid (gericht op het bereiken van een emissiestandstill), het feit dat de inrichting recent heeft bijgedragen door de gedeeltelijke intrekking van 5 januari 2024, het feit dat in de inrichting al BBT wordt toegepast en het feit dat de geurbelasting ruim onder de 35 Ou/m³ blijft.
Ter zitting heeft verweerder desgevraagd verklaard daarmee bedoeld te hebben dat er gegeven de (hiervoor genoemde) omstandigheden geen sprake is van onaanvaardbare geurhinder. De rechtbank leidt daaruit af dat verweerder van mening is dat de bevoegdheid die aan artikel 7af, elfde lid, van het BuChw kan worden ontleend, niet is ontstaan, omdat niet is voldaan aan het criterium daarvoor, te weten onaanvaardbare geurhinder.




13.2.
De rechtbank legt de beroepsgronden van eisers zo uit dat er gegeven de in de civiele uitspraken van de rechtbank Den Haag en het Hof Den Haag beschreven grens van acceptabele geurhinder aanleiding is om met toepassing van artikel 7af van het BuChw de omgevingsvergunning van 19 mei 2015 geheel of gedeeltelijk in te trekken.



13.3.
Verweerder heeft voor de vaststelling van onaanvaardbare geurhinder als bedoeld in artikel 7af, twaalfde lid, van het BuChw het lokale geurbeleid, de historie van de betreffende inrichting (voorafgaand aan het bestreden besluit) en de bovengrens van 35 Ou/m³ in aanmerking genomen. De rechtbank stelt vast dat verweerder niet mee in zijn overweging heeft betrokken argumenten die zien op de individuele en cumulatieve geurbelasting ter plaatse van geurgevoelige objecten, de aard en omvang en waardering van de geur die vrij komt, de bestaande en verwachte geurhinder van de betreffende inrichting en de kosten en baten van technische voorzieningen en gedragsregels in de inrichting.



13.4.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder daarmee een te beperkte belangenafweging heeft gemaakt bij de vaststelling of wel of niet sprake is van onaanvaardbare geurhinder. Met verwijzing naar hetgeen onder 11 is overwogen, stelt de rechtbank echter ook vast dat bij acht van de negen eisers geen sprake is van overschrijding van de daar genoemde grens van 25 Ou/m³ bij hun woningen, zodat er in zoverre geen onderbouwing is van de kennelijke stelling dat er bij hen sprake is van onaanvaardbare geurhinder als bedoeld in artikel 7af van het BuChw.
Ten aanzien van eiser Maas is dat anders omdat bij zijn woning sprake is van een geurbelasting van 28,1 Ou/m³ (volgens de V-stacksberekening van 16 augustus 2023), hetgeen volgens het Hof Den Haag een sterke indicatie oplevert voor geurhinder die een minimumniveau van aantasting van het milieu overschrijdt, en daarmee grond geeft om aan te nemen dat sprake is van onaanvaardbare geurhinder.




13.5.
Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank niet gemotiveerd dat en waarom er in het geval van eiser Maas geen onaanvaardbare geurhinder vanwege de inrichting van vergunninghoudster is die aanleiding had moeten zijn om de omgevingsvergunning van 19 mei 2015 geheel of gedeeltelijk in te trekken dan wel om aan die vergunning voorschriften te verbinden die erin resulteren dat de geurhinder ter plaatse van de woning van Maas gereduceerd wordt. De enkele stelling dat die geurbelasting onder de 35 Ou/m³ blijft, is daarvoor onvoldoende in het licht van de landelijke en wetenschappelijke ontwikkelingen en inzichten. In zoverre slaagt de beroepsgrond voor zover het betreft acht van de negen eisers niet en slaagt de beroepsgrind wel voor zover die naar voren is gebracht door eiser Maas. Voor zover het betreft de situatie van deze eiser is naar het oordeel van de rechtbank het bestreden besluit onvoldoende draagkrachtig gemotiveerd.




Mogelijke legesheffing voor handhavingsverzoek



14. Voor zover eisers hebben bedoeld aan te voeren dat er voor verweerder geen grondslag voor legesheffing voor een handhavingsverzoek is - waarmee verweerder volgens eisers heeft gedreigd - zal de rechtbank dat passeren, omdat dit buiten de omvang van het geding en buiten de competentie van de algemeen bestuursrechter valt.



Niet tijdig beslissen door verweerder en overschrijding redelijke termijn voor beslechting geschil



15. Eisers hebben (pro forma) beroep ingesteld op 6 december 2024, gericht tegen het besluit met nummer Z2023-00000639, gedateerd op 31 oktober 2024 (de datum van de bij het besluit behorende aanbiedingsbrief). In de gronden van beroep, die zijn ingediend op 5 januari 2025, staan ook gronden gericht tegen het niet (nogmaals) toekennen van een dwangsom wegens niet tijdig beslissen c.q. overschrijding van de redelijke termijn.

16. Voor zover het betreft het niet toekennen van een dwangsom wegens niet tijdig beslissen overweegt de rechtbank als volgt.



16.1.
De rechtbank stelt vast dat verweerder daarover op 4 november 2024 een apart besluit heeft genomen (vatbaar voor bezwaar), inhoudende dat aan eisers al de maximale dwangsom is toegekend en betaald naar aanleiding van het verzoek daartoe voordat het ontwerpbesluit is genomen. Verweerder is van mening dat een tweede verzoek om een dwangsom wegens niet tijdig beslissen binnen één procedure niet aan de orde is.



16.2.
De rechtbank stelt verder vast dat eisers op 6 december 2024 beroep hebben ingesteld tegen de afwijzing van hun verzoek van 20 november 2023 om aan de omgevingsvergunning van 19 mei 2023 nadere voorschriften te verbinden dan wel deze vergunning geheel of gedeeltelijk in te trekken. Eisers hebben op dat moment niet ook beroep ingesteld tegen verweerders beslissing van 4 november 2024. Dat betekent dat voor zover eisers in hun beroepschrift van 5 januari 2025 zijn opgekomen tegen verweerders standpunt aangaande niet tijdig beslissen, dit niet in beschouwing kan worden genomen omdat het buiten de omvang van het geding valt. De omvang van het geding is immers beperkt tot beoordeling van het besluit op het verzoek van eisers van 20 november 2023 en de inhoud van het besluit van 4 november 2024 kan hierbij niet aan de orde komen. De rechtbank ziet evenmin aanleiding om het beroepschrift van 5 januari 2025 door te sturen aan verweerder met het verzoek om dit te behandelen als bezwaarschrift tegen het besluit van 4 november 2024.



16.3.
Ten overvloede merkt de rechtbank op dat de regeling in paragraaf 4.1.3.2 van de Awb ziet op het niet tijdig geven van een beschikking op een aanvraag (waarvoor verweerder de maximale dwangsom heeft toegekend) en niet op overschrijding van afzonderlijke termijnen in een procedure om te komen tot een beschikking op aanvraag.


17. Voor zover eisers een verzoek om schadevergoeding hebben gedaan voor overschrijding van de redelijke termijn, overweegt de rechtbank als volgt.




17.1.
Ingevolge artikel 6, eerste lid, van het EVRM, voor zover hier van belang, heeft een ieder bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen recht op behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld. De vraag of de redelijke termijn is overschreden, wordt beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van de betrokkene gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van de betrokkene.



17.2.
Met de vaststelling van het bestreden besluit is een beslissing genomen omtrent burgerlijke rechten en verplichtingen naar aanleiding van het verzoek van eisers van 20 november 2023. Hiervan uitgaande begint de in artikel 6 van het EVRM bedoelde termijn in een zaak tegen een besluit dat is voorbereid met toepassing van de uitgebreide voorbereidingsprocedure te lopen bij het instellen van beroep tegen het bestreden besluit. Dat betekent dat, anders dan eisers menen, de tijdsduur die is gemoeid met de voorbereiding en vaststelling van het bestreden besluit buiten beschouwing blijft voor het bepalen van de ingangsdatum van de in artikel 6 van het EVRM bedoelde termijn. De rechtbank ziet geen ruimte om dit wettelijk kader en de jurisprudentie daaromtrent zo uit te leggen als door de gemachtigde van eiser bedoeld: dat de redelijke termijn in het geval van een uitgebreide voorbereidingsprocedure al eerder dan met het indienen van een beroepschrift een aanvang neemt.



17.3.
Nu sinds het instellen van beroep door eisers op 6 december 2024 in de beroepsfase nog geen twee jaar is verstreken, kan niet worden geoordeeld dat daarmee de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM is overschreden. Het verzoek om schadevergoeding voor overschrijding van de redelijke termijn dient dan ook om deze reden te worden afgewezen.





Conclusie


18. Het beroep, voor zover ingesteld door Maas, is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens een motiveringsgebrek zoals beschreven in deze uitspraak onder 13.4 en 13.5. Verweerder zal daarom in zoverre een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. Het beroep voor zover ingesteld door de andere eisers is ongegrond.



18.1.
Het verzoek om vergoeding van schade wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt afgewezen.



18.2.
Omdat de rechtbank het beroep (deels) gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht vergoedt.



18.3.
De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).





Beslissing


De rechtbank:


­ verklaart het beroep, voor zover ingediend door [eiser 9] , gegrond;
­ verklaart het beroep, voor zover ingesteld door de andere eisers, ongegrond;
­ vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij een motiveringsgebrek is vastgesteld;
­ draagt verweerder op in zoverre een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
­ wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn af;
­ draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 187,- aan eisers te vergoeden;
­ veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1.868,-




Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Snijders, rechter, in aanwezigheid van J.N. Buddeke, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 september 2026.







de griffier is verhinderd rechter
deze uitspraak te ondertekenen





Afschrift verzonden aan partijen op: 7 september 2026.







Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.


ECLI:NL:RBDHA:2022:9119.


Van 16 juni 2023, ECLI:NL:RBOBR:2023:2931 en ECLI:NL:RBOBR:2023:2933.


Van 21 juni 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2418.


Van 25 maart 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:431.


Bijvoorbeeld in de uitspraak van 20 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3555.


Fadeyeva tegen Rusland, arrest van 5 juni 2005, nr. 55723/00.


Zie over die bovengrens ook de uitspraak van de Afdeling van 5 augustus 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4569.


Zie ook de hiervoor aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 5 augustus 2026.