Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Limburg

ECLI:NL:RBLIM:2026:9416

2026-09-04 Bestuursrecht ROE 24/2818
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Limburg
Uitspraakdatum
2026-09-04
Publicatiedatum
2026-09-03
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Zaaknummer
ROE 24/2818
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Verweerder heeft het verzoek van eiser om handhavend op te treden ten aanzien van geluidsoverlast door het naastgelegen café toegewezen. Wegens overtreding van de artikelen 2.17 en 2.18 van het Activiteitenbesluit milieubeheer is er aan de derde-partij een last onder dwangsom opgelegd. Het bezwaar van eiser daartegen is bij het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit rechtmatig is. Dat de last onvolledig, niet doelmatig, niet duidelijk (rechtszekerheid) en niet effectief is, volgt de rechtbank niet. Ook de beroepsgronden over strijd met het vertrouwensbeginsel, de modaliteit van de last onder dwangsom en de hoogte daarvan, slagen niet.

Citeert (8)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (25.292 tekens)
RECHTBANK limburg


Zittingsplaats Roermond



Bestuursrecht



zaaknummer: ROE 24 / 2818


uitspraak van de meervoudige kamer van 4 september 2026in de zaak tussen


[eiser] , te [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. W.J.F. Geertsen),


en


het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Beek, verweerder
(gemachtigden: mr. A.J.E. Kleijnen en L.M.M. van den Akker).


Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [derde-partij], te [vestigingsplaats]
(gemachtigde: mr. P.W.A.M. van Roy).





Procesverloop


Bij besluit van 23 oktober 2023 (het primaire besluit) heeft verweerder aan de derde-partij een last onder dwangsom opgelegd.



Bij besluit van 12 maart 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.



Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.



Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.



Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 juli 2026. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. De derde-partij is verschenen, vertegenwoordigd door [naam] (vennoot) en haar gemachtigde.





Overwegingen



Inleiding / feiten en omstandigheden



1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als vóór 1 januari 2024 een overtreding heeft plaatsgevonden, is aangevangen of het gevaar voor een overtreding klaarblijkelijk dreigde, en vóór dat tijdstip een last onder dwangsom is opgelegd voor die overtreding of dreigende overtreding, dan blijft op grond van artikel 4.23, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet op die opgelegde last onder dwangsom het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet van toepassing tot het tijdstip waarop de last volledig is uitgevoerd, de dwangsom volledig is verbeurd en betaald, of de last is opgeheven. Met het primaire besluit van 23 oktober 2023 heeft verweerder aan de derde-partij een last onder dwangsom opgelegd. Dat betekent dat in deze zaak het recht zoals dat gold vóór
1 januari 2024 van toepassing is, waarbij met name het Activiteitenbesluit milieubeheer (Abm) van belang is.

2. Na een eerdere e-mail heeft eisers gemachtigde met een brief van 30 juni 2023 bij verweerder een (herhaald) verzoek tot handhaving ingediend, omdat eiser geluidsoverlast ervaart van het direct naast zijn woning gelegen [derde-partij] (het café). In het verzoek is vermeld dat al een handhavingstraject is doorlopen, hetgeen heeft geleid tot een afwijzing van een eerder handhavingsverzoek, omdat de toezichthouders na het permanent sluiten van de zijdeur naar het terras en het sluiten van het terras geen overtredingen van het Abm hebben geconstateerd. In het verzoek is verder vermeld dat de zijdeur weliswaar nog steeds dicht is, maar dat het terras in strijd met de eerdere aan de Regionale Uitvoeringsdienst Zuid-Limburg (hierna: de RUD) gedane toezeggingen en zonder overleg opnieuw als zodanig in gebruik is genomen. Het terras wordt nu bereikt via een andere deur/keukendeur. Op het terras wordt regelmatig een geluidsbox geplaatst en eiser ervaart opnieuw geluidsoverlast. Eiser verzoekt verweerder om (alsnog) daartegen handhavend op te treden, omdat het café in afwijking van eerder gedane toezeggingen handelt. Verder verzoekt eiser verweerder om handhavend op te treden tegen (geluids)overlast rondom het café, met name de overlast die zich voor de voordeur van zijn woning voordoet. Volgens eiser dient ook tegen de daarmee gepaard gaande overlast bestuursrechtelijk te worden opgetreden tegen het café, omdat het café verantwoordelijk is voor de (geluids)overlast van zijn klanten.

3. Naar aanleiding van dit (herhaald) handhavingsverzoek zijn op 9 en 16 juli 2023 door een geluidsspecialist van de afdeling Advies en Onderzoek van de RUD continue geluidsmetingen bij het café uitgevoerd. De bevindingen daarvan zijn vastgelegd in de geluidsrapportage van 28 juli 2023. Bij het onderzoek is bepaald of het stemgeluid op het terras en overige geluiden, zoals dat van spelende kinderen op een springkussen, aan de geluidsnormen voldoen van de Algemene plaatselijke verordening gemeente Beek 2023 die gelden voor incidentele festiviteiten. Tevens is beoordeeld of aan de geluidsnormen wordt voldaan die voor de inrichting gelden op grond van het Abm. Uitgaande van een melding van een incidentele festiviteit gold op de zondagen 9 en 16 juli 2023 voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) een 10 dB(A) hogere geluidsnorm. Op beide dagen werden geen overtredingen van de verhoogde geluidsnormen voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau gedurende de dag- en avondperiode geconstateerd. Bij de geluidsmeting op 9 juli 2023 is wel diverse keren geconstateerd dat het maximale geluidsniveau overdag (LAmax: 70 dB(A)) op de gevel van gevoelige gebouwen door het harde praten van volwassenen en het schreeuwen van kinderen werd overschreden. Ook in de avondperiode werd het voor de inrichting geldende maximaal geluidsniveau (LAmax: 65dB(A)) hierdoor geregeld overschreden. Op 16 juli 2023 was het stemgeluid op het terras van het café wat rustiger en was geen sprake van hard praten en hard gelach van bezoekers. Het geschreeuw van kinderen was eveneens die dag niet hoorbaar. De geluidsnormen werden op 16 juli 2023 niet overgeschreden. De conclusie van het controlerapport van 14 augustus 2023 luidt dat op 9 juli 2023 sprake is geweest van een overtreding van artikel 2.17, eerste lid, onder a, juncto artikel 2.18 van het Abm.

4. Bij civiel vonnis in kort geding van 22 september 2023 heeft de voorzieningen-rechter de vennootschap onder firma en de beide vennoten van het café hoofdelijk veroordeeld tot het sluiten van het terras en de daarbij behorende toegangsdeuren voor publiek totdat in een bestuursrechtelijke procedure dan wel in een bodemprocedure bij de civiele rechter hierover onherroepelijk is beslist. Bepaald is dat zij een dwangsom verbeuren van € 500,- per dag of dagdeel dat zij hiermee in strijd handelen met een maximum van € 30.000,-. Verder heeft de voorzieningenrechter hen hoofdelijk verboden om de op grond van het Abm geldende geluidsnormen te overschrijden totdat in een bestuursrechtelijke procedure dan wel in een bodemprocedure bij de civiele rechter hierover onherroepelijk is beslist. Bepaald is dat zij een dwangsom verbeuren van € 500,- per overtreding van het Abm met een maximum van € 30.000,-.

5. Bij de behandeling van het beroep ter zitting is gebleken dat het café en de vennoten het civiele vonnis zijn nagekomen en dat het terras en de toegang tot het terras al bijna drie jaar zijn gesloten. Dit heeft volgens de verklaring ter zitting van [naam] tot 30 % omzetverlies geleid en heeft onder andere tot gevolg gehad dat nieuwe nooddeuren moesten worden gerealiseerd. Verder is een geluidssluis bij de ingang van het café geplaatst. Omdat niet binnen mag worden gerookt en het terras is gesloten, gaan klanten echter buiten vóór het café bij de ingang, dus direct bij de woning van eiser, roken en maken dan een praatje. Om overlast tegen te gaan zijn er bordjes in het café opgehangen waarop staat dat men niet met glazen drank naar buiten mag gaan en op straat geen overlast mag veroorzaken. Door inzet van vrijwilligers wordt daarop toezicht gehouden.



Besluitvorming



6. Bij het primaire besluit heeft verweerder de derde-partij gelast de overtreding van artikel 2.17, eerste lid, juncto artikel 2.18 van het Abm, zoals benoemd in de geluidsrapportage van 28 juli 2023, binnen één week na de verzenddatum van het primaire besluit te beëindigen en beëindigd te houden. Verweerder heeft daarbij het volgende vermeld: “U kunt dit bijvoorbeeld doen door het nalaten van activiteiten op het terras waarbij veel geluidsemissie plaatsvindt. Zoals volgt uit het advies van de geluidsspecialist zijn, zelfs met een melding incidentele festiviteiten, activiteiten als BBQ’s, feesten met grotere groepen en een springkussen niet zomaar mogelijk zonder dat de geluidsnormen van het Abm worden overschreden.”Indien binnen de gestelde termijn de overtreding niet is beëindigd en beëindigd blijft, verbeurt eiser een dwangsom van € 500,- per gemeten overtreding per kalenderdag zolang de overtreding voortduurt, tot een maximum van € 10.000,-.

7. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard, onder verwijzing naar het advies van de bezwaarschriften-commissie van de gemeente Beek.

8. Eiser heeft in beroep herhaald hetgeen in bezwaar was aangevoerd, namelijk dat de door het café te nemen herstelmaatregelen onvolledig en niet doelmatig/effectief zijn en dat verweerder in strijd met het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel handelt, dat de vaststelling van de dwangsom in strijd met de rechtszekerheid is en dat de hoogte van de dwangsom niet in een redelijke verhouding staat tot de zwaarte van het geschonden belang.



De omvang van het geding



9. De rechtbank stelt allereerst vast dat eiser in het beroepschrift van 22 mei 2024, waarin de onder 8 samengevat weergegeven gronden van het beroep zijn aangevoerd, niet is opgekomen tegen de omstandigheid dat verweerder niet expliciet heeft beslist op zijn verzoek om handhavend op te treden tegen (geluids)overlast die door klanten van het café aan de voorzijde daarvan voor zijn voordeur wordt veroorzaakt. Die overlast die kennelijk na sluiting van het terras is toegenomen, is wel op zitting besproken. Eiser heeft verklaard dat het toezicht dat de uitbaters van het café (of: de vennoten) houden op het gedrag van hun klanten op straat door het inzetten van vrijwilligers die toezicht houden en het stellen van gedragsregels tekortschiet. Ook zijn op de tijden dat de overlast zich voordoet instanties als de RUD, de politie en de gemeente niet te bereiken en treden die dus ook niet handhavend op, aldus eiser. De rechtbank merkt daarover – in dit geding ten overvloede – op dat deze overlast weliswaar met de exploitatie van het café verband houdt, maar dat dit moet worden gezien als een openbare orde probleem. Tegen stemgeluid van bezoekers die zich buiten het café bevinden, kan niet op grond van het Abm (thans artikel 22.63 e.v. van het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Beek) worden opgetreden. Dat is geen geluid dat wordt veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige installaties en toestellen of door in de inrichting verrichte werkzaamheden en activiteiten. Het betreft ook geen laad- en losactiviteiten ten behoeve van en in de onmiddellijke nabijheid van de inrichting. Daaruit volgt dat verweerder/de RUD tegen die geluidsoverlast niet op grond van de voor de inrichting geldende milieuregels kan optreden. Overlast in de openbare ruimte wordt gereguleerd door de Algemene plaatselijke verordening en strafrechtelijke regels. Toezicht en handhaving daarop is in beginsel een bevoegdheid van de politie en de burgemeester.

10. De rechtbank stelt verder vast dat verweerder met het primaire besluit het café een last onder dwangsom heeft opgelegd, wegens overtreding van artikel 2.17, eerste lid, juncto artikel 2.18 van het Abm, concreet bestaande uit de overschrijding van het maximale geluidsniveau (LAmax) door het stemgeluid van personen op het terras van het café op 9 juli 2023. Uitsluitend deze overtreding is dus aan de oplegging van de last onder dwangsom ten grondslag gelegd.



Het oordeel van de rechtbank over de beroepsgronden



11. De regelgeving die voor dit oordeel van belang is, is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.



Last is onvolledig, niet doelmatig, niet duidelijk (rechtszekerheid) en niet effectief



12. Eiser vindt dat verweerder de herstelmaatregelen onvolledig en onvoldoende nauwkeurig heeft omschreven. Het is volgens eiser, mede gelet op de voorgeschiedenis van (geluids)overlast, in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel om het aan het café te laten welke herstelmaatregelen er worden getroffen.

13. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) vereist het rechtszekerheidsbeginsel dat een last zodanig duidelijk en concreet geformuleerd wordt dat degene tot wie de last is gericht niet in het duister hoeft te tasten over wat gedaan of nagelaten moet worden om de overtreding te beëindigen.
De rechtbank gaat ervan uit dat ook de verzoeker om handhaving – in dit geval eiser – zich hierop kan beroepen, omdat ook deze er een belang bij heeft dat duidelijk is wanneer sprake is van overtreding van een opgelegde last en wanneer dat niet het geval is.

14. Volgens eveneens vaste jurisprudentie van de Afdeling kan de rechtvaardiging voor het opleggen van een last onder dwangsom uitsluitend gelegen zijn in het feit dat sprake is van een overtreding van het bepaalde bij of krachtens een wettelijk voorschrift. Dit betekent dat de last onder dwangsom uitsluitend kan zijn gericht op de beëindiging van die overtreding. Daarbij dient de overtreder een keuze te worden gelaten ten aanzien van de middelen die hij wenst toe te passen om aan de overtreding een einde te maken.

15. De rechtbank is van oordeel dat de last in dit geval duidelijk is, namelijk gericht op beëindiging en het beëindigd houden van de geconstateerde overschrijding van de geluidsnormen voor het maximale geluidsniveau op het terras. De last laat geen ruimte voor twijfel over ‘wat er moet gebeuren’; de last is dus voldoende duidelijk en concreet geformuleerd en niet in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Daarbij is het aan het café om de keuze te maken hoe er aan de last wordt voldaan. Het moet wel mogelijk zijn om aan de last te voldoen en verweerder moet hiervoor op grond van artikel 5:32a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een of meer mogelijke herstelmaatregelen aandragen. Verweerder heeft in dit geval in het primaire besluit een mogelijke herstelmaatregel genoemd om aan de last te voldoen, namelijk door het nalaten van activiteiten op het terras waarbij veel geluidsemissie plaatsvindt. Dat is een naar het oordeel van de rechtbank een doelmatige herstelmaatregel om aan de last te voldoen. Verweerder wijst er in dit verband verder terecht op dat hij de herstelmaatregelen niet dwingend mag voorschrijven en dat de overtreder altijd een keuzemogelijkheid moet worden gelaten.

16. Voor zover eiser aanvoert dat de last niet doelmatig/effectief is, omdat bepaalde door de RUD genoemde essentiële herstelmaatregelen niet zijn voorgeschreven, zoals permanente sluiting van het terras en het aanbrengen van een geluidslimiter, overweegt de rechtbank als volgt.

17. Zoals onder 10 al is opgemerkt, heeft verweerder de last onder dwangsom uitsluitend opgelegd wegens overtreding van artikel 2.17, eerste lid, juncto artikel 2.18 van het Abm, concreet bestaande uit de overschrijding van het maximale geluidsniveau door het stemgeluid van personen op het terras van het café. Verweerder stelt zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt dat hier sprake is van een herstelsanctie ter beëindiging van die overtreding en dat de last daarop moet zijn gericht. Een last en de door verweerder genoemde herstelmaatregelen mogen op grond van artikel 5:31d van de Awb niet verder strekken dan beëindiging van die overtreding. Om die reden zijn een permanente sluiting van het terras of het voorschrijven van akoestische maatregelen voor het café hier niet aan de orde. Akoestische maatregelen voor het café, zoals bijvoorbeeld een geluidslimiter, houden geen verband met het stemgeluid op het terras en dragen dan ook niet bij aan beëindiging van de geconstateerde overtreding. Een sluiting van het terras gaat bovendien verder dan noodzakelijk is om de geconstateerde overtreding te beëindigen, nu de RUD na toetsing aan de geluidsnormen heeft vastgesteld dat het terras wel voor rustige horeca activiteiten gebruikt kan worden. Een last kan er nooit toe strekken om activiteiten die legaal mogelijk zijn, op straffe van verbeurte van dwangsommen te verbieden.



Vertrouwensbeginsel



18. Daarnaast voert eiser aan dat verweerder in strijd met het vertrouwensbeginsel heeft gehandeld, omdat eiser op grond van de adviesrapportage van de RUD van 21 oktober 2021 er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat het café zou worden opgedragen de in deze rapportage vermelde akoestische maatregelen te nemen om geluidsoverlast te voorkomen. Eiser heeft ter onderbouwing gewezen op de uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2019.

19. Bij de beoordeling van een beroep op het vertrouwensbeginsel moeten drie stappen worden doorlopen. De eerste is de juridische kwalificatie van de uitlating en/of gedraging waarop de betrokkene zich beroept. De rechtbank is van oordeel dat verweerder er terecht op heeft gewezen dat aan ‘stap 1’ in dit geval niet wordt voldaan, omdat geen sprake is van een toezegging aan eiser. Van belang is dat uitlatingen aan derden niet zijn aan te merken als een toezegging. Daar komt bij dat de adviesrapportage is opgesteld naar aanleiding van een eerder handhavingsverzoek van eiser en deze rapportage slechts een advies aan verweerder bevat en in het geheel geen toezegging. Reeds daarom kan door eiser geen geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel worden gedaan.



De modaliteit en hoogte van de dwangsom



20. Tot slot stelt eiser ten aanzien van de modaliteit van de dwangsom aan dat de combinatie van de formulering ‘per gemeten overtreding’ en ‘per kalenderdag’ niet mogelijk is en ten aanzien van de hoogte van de dwangsom dat deze niet in een redelijke verhouding staat tot de zwaarte van het geschonden belang.

21. Ingevolge artikel 5:32b, eerste lid, van de Awb stelt het bestuursorgaan de dwangsom vast hetzij op een bedrag ineens, hetzij op een bedrag per tijdseenheid waarin de last niet is uitgevoerd, dan wel per overtreding van de last.

22. De rechtbank overweegt dat verweerder bij het kiezen van een modaliteit een ruime mate van beleidsruimte toekomt. Bij voortdurende overtreding mag niet worden gekozen voor de variant per dag (of andere tijdseenheid) ‘dat een overtreding wordt geconstateerd’, omdat verbeuren dan afhankelijk wordt gemaakt van een constatering terwijl sprake is van een overtreding met een continu karakter. In het onderhavige geval is geen sprake van een continue overtreding en is de last gericht op voorkomen van herhaling van een overtreding. De overtreding betreft de overschrijding van het maximale geluidsniveau geldend tijdens de dag- en avondperiode door stemgeluid. Daarvoor is een meting gedurende die periode vereist. Dan mag verweerder kiezen voor deze modaliteit en de rechtbank acht de gemaakte keuze ook niet onredelijk.

23. Voor zover eiser stelt dat de formulering van de last tot verwarring leidt, volgt de rechtbank eiser hierin niet. De rechtbank is van oordeel dat deze last niet anders kan worden gelezen dan dat er per geconstateerde overtreding een dwangsom van € 500,- verbeurt, met een maximum van één overtreding per kalenderdag, tot een maximum van € 10.000,- aan te verbeuren dwangsommen.

24. Bij de behandeling ter zitting heeft eisers gemachtigde de beroepsgrond in die zin verder verduidelijkt dat eiser van mening is dat de prikkel die van de opgelegde last onder dwangsom uitgaat – bij maximaal één dwangsom van € 500,- per kalenderdag – te laag is.

25. In het derde lid van artikel 5:32b van de Awb is bepaald dat het vastgestelde bedrag van de te verbeuren dwangsom en het maximum aan te verbeuren dwangsommen in redelijke verhouding moet staan tot de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking van de dwangsomoplegging. Ook hierbij komt verweerder een ruime mate van beleidsruimte toe. De bestuursrechter dient die ruimte te respecteren. Uitgangspunt is dat het opleggen van een last onder dwangsom ten doel heeft de overtreder te bewegen tot naleving van de voor hem geldende regels. Van de dwangsom dient een zodanige prikkel uit te gaan dat de opgelegde last wordt uitgevoerd zonder dan een dwangsom wordt verbeurd.

26. De rechtbank stelt vast dat verweerder de hoogte van de dwangsom heeft gebaseerd op de omstandigheid dat in dit geval sprake is van een éénmalig vastgestelde overschrijding
(op 9 juli 2023) van de maximale geluidsniveaus (piekgeluiden), de omvang van de onderneming en het economisch voordeel dat het café zou kunnen hebben als de last niet wordt nageleefd. Verweerder stelt zich wat betreft dit economisch voordeel op het standpunt dat bij evenementen op het terras, waarbij de last zou kunnen worden overtreden, de omzet weliswaar hoger is, maar ook de kosten hoger zijn. Om die reden acht verweerder het door het café bewust ‘incalculeren’ van verbeuring van een dwangsom niet aan de orde. Gelet op de door verweerder betrokken feiten en omstandigheden en bijhorende motivering, is de rechtbank van oordeel dat de hoogte van de dwangsom in een redelijke verhouding staat tot enerzijds de zwaarte van het door de overtreding van het wettelijke voorschrift geschonden belang en anderzijds de beoogde effectieve werking van de dwangsomoplegging. Het dossier bevat geen aanknopingspunten om te oordelen dat een dwangsom met een hoogte van € 500,- per constateerde overtreding voor het café een onvoldoende prikkel zou vormen om aan de last te voldoen.



Conclusie



27. Uit het voorgaande volgt dat de beroepsgronden niet slagen. Het beroep is dus ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling of veroordeling van verweerder tot vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht bestaat geen aanleiding.



Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.



Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.G.H. Seerden, voorzitter, en mrs. A. Snijders en
S.A. Lemmens, leden, in aanwezigheid van mr. F.A. Timmers, griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 september 2026.










voorzitter





De griffier is verhinderd deze uitspraak mede te ondertekenen.






Afschrift verzonden aan partijen op: 4 september







Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.



Bijlage bij de uitspraak ROE 24 / 2818



Algemene wet bestuursrecht




Artikel 5:31d
Onder last onder dwangsom wordt verstaan: de herstelsanctie, inhoudende:

a. een last tot geheel of gedeeltelijk herstel van de overtreding, en
b. de verplichting tot betaling van een geldsom indien de last niet of niet tijdig wordt uitgevoerd.


Artikel 5:32a

1. De last onder dwangsom omschrijft de te nemen herstelmaatregelen.
(…)


Artikel 5:32b

1. Het bestuursorgaan stelt de dwangsom vast hetzij op een bedrag ineens, hetzij op een bedrag per tijdseenheid waarin de last niet is uitgevoerd, dan wel per overtreding van de last.
2. Het bestuursorgaan stelt tevens een bedrag vast waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd.
3. De bedragen staan in redelijke verhouding tot de zwaarte van het geschonden belang en tot de beoogde werking van de dwangsom.



Inmiddels Omgevingsdienst Zuid-Limburg.


Deze geluidsrapportage is nadien verwerkt in het controlerapport van 14 augustus 2023.


Vonnis in kort geding van 22 september 2023 van de rechtbank Limburg, ECLI:NL:RBLIM:2023:5657.


Pagina 7 van het primaire besluit.


Bijvoorbeeld de uitspraak van 13 november 2002, ECLI:NL:RVS:2002:AF0309 en recenter de uitspraak van 15 juli 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3934.


Bijvoorbeeld de uitspraak van 9 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1218.


Zie ook onder 6.


Overigens heeft [naam] op zitting onweersproken verklaard dat hij een geluidslimiter op de muziekinstallatie heeft aangebracht en een geluidssluis bij de voordeur van het café heeft gerealiseerd.


Geluidsrapportage van 28 juli 2023.


ECLI:NL:RVS:2019:1694.


Zie r.o. 11.2 van ECLI:NL:RVS:2019:1694.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 15 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:118.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 6 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:321.