Rechtbank Limburg
ECLI:NL:RBLIM:2026:9326
2026-07-02
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/03/343553 / FA RK 25-1484
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Afwikkeling huwelijkse voorwaarden. Vergoedingsrechten voor en na 2012. Gedeelte vergoedingsrechten onvoldoende onderbouwd.
Citeert (2)
- ECLI:NL:HR:2015:18714
- ECLI:NL:HR:2022:1936 Hoge Raad 23-12-2022
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (61.234 tekens)
RECHTBANK LIMBURG
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Roermond
Zaaknummers: C/03/330730 / FA RK 24-1782 en C/03/343553 / FA RK 25-1484
Beschikking van 2 juli 2026 betreffende de echtscheiding met nevenvoorzieningen
in de zaak van
[de vrouw]
,
wonend in [woonplaats 1] ,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. R.P.F. Rober, kantoorhoudend in Hoensbroek, gemeente Heerlen,
en
[de man]
,
wonend in [woonplaats 2] ,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. A.M. Holmes, kantoorhoudend in Heerlen.
1De verdere procedure
1.1
Bij beschikking van [datum 1] 2025 heeft de rechtbank de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Verder heeft de rechtbank bepaald dat de vrouw tegenover de man het recht heeft om de woning aan [adres 1] te blijven bewonen en de inboedel te blijven gebruiken tot zes maanden na de inschrijving van voornoemde beschikking in de registers van de burgerlijke stand. Tenslotte heeft de rechtbank bepaald dat de man aan de vrouw met ingang van de dag van de inschrijving van de beschikking tot echtscheiding in de registers van de burgerlijk stand een bedrag van € 742,- aan partnerbijdrage dient te betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen. De echtscheidingsbeschikking is op [datum 2] 2025 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
1.2
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
het verweerschrift scheiding en deling activa en passiva met producties 1 tot en met 7 van de vrouw, ontvangen op 2 oktober 2025;
het verweerschrift op zelfstandige verzoeken met producties 28 tot en met 34 van de man, ontvangen op 25 november 2025;
de aanvullende verzoeken van de man, ontvangen op 18 maart 2026;
het verweerschrift scheiding en deling activa en passiva met producties 1 tot en met 4 van de vrouw, ontvangen op 24 maart 2026.
1.3
De zitting heeft plaatsgevonden op 30 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
de man, bijgestaan door zijn advocaat.
De vrouw heeft tijdens de mondelinge behandeling spreekaantekeningen overgelegd.
1.4
Partijen zijn in de gelegenheid gesteld de rechtbank na de mondelinge behandeling te berichten over een eventuele overeenstemming over de inboedel.
De rechtbank heeft na de mondelinge behandeling de volgende stukken ontvangen:
- het F9-formulier van de man, ontvangen op 14 april 2026;
- de e-mail van de vrouw, ontvangen op 15 april 2026;
- het aanvullend verzoek verevening pensioen van de vrouw, ontvangen op 6 mei 2026;
- de reactie op het aanvullend verzoek van de man, ontvangen op 6 mei 2026.
2De nog voorliggende verzoeken
2.1
De (gewijzigde/ aanvullende) verzoeken van de man waarop nog beslist moet worden zijn:
de man verzoekt de vrouw op de voet van artikel 843a Rv te veroordelen om binnen 14 dagen na afgifte van de (eind)beschikking te veroordelen de nodige gegevensdragers en stukken aan de man ter beschikking te stellen, te weten de aangiftes IB en bijbehorende aanslagen over de jaren 1995 tot en met 2020, met inbegrip van de bankafschriften van de Postbank, SNS-bank en ING-bank over de jaren 1995 tot en met 2010, welke zich bevinden op de zolder van de echtelijke woning, in klappers;
de man verzoekt te bepalen op welke wijze de verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap dan wel gezamenlijke vermogensbestanddelen dient plaats te vinden, zulks met inachtneming van de tussen partijen geldende huwelijkse voorwaarden (koude uitsluiting), waarbij wordt vastgesteld:
a. dat partijen ieder recht hebben op de goederen die tot hun privé-vermogen behoren;
b. dat vergoedingsrechten over en weer dienen te worden vastgesteld overeenkomstig artikel 1:87 BW en de daarop toepasselijke jurisprudentie;
- de man verzoekt om bij de bepaling van de verdeling van de voormalige echtelijke woning aan [adres 2] , in aanmerking te nemen dat hij op grond van artikel 1:87 BW en de daarop gebaseerde jurisprudentie, recht heeft op vergoeding van uit zijn privévermogen gedane investeringen in de woning. Concreet verzoekt de man de rechtbank (in het kader van de aanvullende verzoeken) als volgt te beslissen:
a. te bepalen dat de man uit zijn privé-vermogen heeft geïnvesteerd in de aankoop en aflossing van de hypothecaire geldlening op de woning aan [adres 2] , voor een totaalbedrag van € 46.513,35 en dat ten aanzien van dit bedrag aan de man een vergoedingsrecht toekomt;
b. te bepalen dat deze investeringen, als overgegaan bij wege van aankoop in de woning van partijen in [woonplaats 1] aan [adres 1] , kwalificeren als investeringen uit privé-vermogen van de man, gelet op het karakter van de middelen (eigen spaargelden en aan hem persoonlijk gedane schenkingen met uitsluitingsclausule) en dat derhalve sprake is van vergoedingsrechten van de man jegens de vrouw;
c. te bepalen dat de hoogte van het vergoedingsrecht van de man dient te worden vastgesteld overeenkomstig de beleggingsleer zoals vervat in artikel 1:87 lid 2 BW en derhalve dient te worden berekend naar evenredigheid van de waarde van zijn investeringen ten opzichte van de waarde van de woning ten tijde van de investeringen, in verhouding tot de huidige waarde van de woning;
d. te bepalen dat een bedrag van € 18.342,25 aan de man toekomt als vergoedingsrecht uit hoofde van de schenking aan de man op 23 september 1998;
e. te bepalen dat een bedrag van € 5.515,- aan de man toekomt als vergoedingsrecht uit hoofde van de schenking aan de man op 29 december 2020;
f. de vrouw te veroordelen tot betaling aan de man van het aldus vast te stellen vergoedingsrecht, bij voorkeur te verrekenen met haar aandeel in de overwaarde van de woning bij verkoop.
de man verzoekt te bepalen dat de woning, staande en gelegen aan [adres 1] , onverwijld in de verkoop zal worden gebracht;
de man verzoekt te bepalen dat partijen binnen veertien dagen na datum van de te wijzen beschikking in onderling overleg een NVM-makelaar aanwijzen die met de verkoop wordt belast, en – bij gebreke van overeenstemming – te bepalen dat de makelaar wordt aangewezen, althans dat de man bevoegd is een keuze te maken uit drie door hem aan de vrouw voor te leggen NVM-makelaars, welke keuze partijen bindt;
de man verzoekt te bepalen dat de aangewezen makelaar de vraagprijs, laatprijs en verkoopstrategie vaststelt en dat partijen gehouden zijn deze te volgen, waarbij bij verschil van mening het oordeel van de makelaar leidend en doorslaggevend is;
de man verzoekt te bepalen dat de vrouw gehouden is haar volledige en onvoorwaardelijke medewerking te verlenen aan de verkoop, waaronder in ieder geval begrepen:
o het in redelijke staat houden en presenteren van de woning ten behoeve van verkoop en bezichtigingen;
o het toelaten van de makelaar in de woning ten behoeve van opname, fotografie en waardebepaling;
o het dulden van publicatie en aanbieding van de woning op de gebruikelijke verkoopkanalen;
o het toelaten van bezichtigingen op redelijke tijdstippen;
o het ondertekenen van de opdracht tot dienstverlening, de koopovereenkomst en de akte van levering;
de man verzoekt te bepalen dat, indien de vrouw weigert haar medewerking te verlenen, deze beschikking in de plaatst treedt van de voor verkoop en levering vereiste toestemming, medewerking en/of handtekening van de vrouw als bedoeld in artikel 3:300 BW;
de man verzoekt te bepalen dat de levering van de woning plaatsvindt uiterlijk op 3 juni 2026, althans zoveel eerder als de vrouw het gebruik van de woning vrijwillig beëindigt, en dat de vrouw gehouden is de woning uiterlijk op die datum volledig te ontruimen en ter vrije beschikking van de koper te stellen;
de man verzoekt te bepalen dat de netto-opbrengst van de woning, na aflossing van de hypothecaire geldlening en kosten van verkoop, in depot zal blijven bij de notaris die de levering verzorgt, totdat partijen overeenstemming hebben bereikt over de onderlinge vermogensrechtelijke afwikkeling, dan wel totdat daarover is beslist;
de man verzoekt te bepalen dat de vrouw een dwangsom verbeurt van € 250,- per dag, althans een te bepalen bedrag, voor iedere dag dat zij niet voldoet aan de hiervoor omschreven verplichtingen, met een maximum van € 25.000,-.
2.2
De (gewijzigde/ aanvullende verzoeken) van de vrouw waarop nog moet worden beslist zijn:
de vrouw verzoekt de man te veroordelen om met de vrouw over te gaan tot de scheiding en deling van de gezamenlijke activa en passiva toebehorende aan een der partijen, tevens met benoeming van een notaris en een onzijdig persoon als volgens de wet teneinde partijen bij te staan;
de vrouw verzoekt de verdeling van de gezamenlijke activa en passiva van partijen vast te stellen op een gelijke wijze als de algehele gemeenschap van goederen, aangezien partijen gedurende het huwelijk gehandeld hebben als ware zij gehuwd in de algehele gemeenschap van goederen, door het niet bijhouden van administratie en het niet toepassen van het verrekenbeding;
ten aanzien van de woning aan [adres 1] verzoekt de vrouw te bepalen dat bij verkoop de overwaarde van de woning eerlijk verdeeld wordt tussen partijen, om de reden dat de woning is aangeschaft met de overwaarde van de verkochte woning aan [adres 2] die van het gezamenlijk vermogen is aangeschaft;
de vrouw verzoekt ten aanzien van de verdeling van de inboedel productie 7 als uitgangspunt te nemen, dan wel de verdeling van de inboedel te stellen op een dusdanig verdeling als de rechtbank juist acht.
de vrouw verzoekt te bepalen dat de man medewerking dient te verlenen conform het advies verzekeringsagent, inhoudende dat de man het verzekeringspakket dient aan te passen naar aanleiding van productie 2, op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag met een maximum van € 25.000,-;
de vrouw verzoekt te bepalen dat de man aan de vrouw de autoverzekering van de auto van de man, inhoudende een bedrag van € 30,69 per maand voor de Kia Picanto, dient terug te betalen vanaf mei 2024 tot en met de dag dat de man de betreffende verzekering op zich neemt;
de vrouw verzoekt de man te veroordelen tot het betalen van de wettelijke rente te voldoen tot algehele voldoening, primair vanaf mei 2024 dan wel subsidiair de datum van de afgifte van de beschikking.
3De beoordeling
3.1
Partijen hebben beiden verzocht een voorziening te treffen ter afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden van partijen. Deze huwelijkse voorwaarden houden, voor zover hier van belang, in:
Artikel 1: algehele uitsluiting
De echtgenoten zijn met uitsluiting van elke gemeenschap van goederen gehuwd.
Artikel 3: vergoedingen
De echtgenoten zijn, voor zover niet anders bepaald, verplicht aan elkaar te vergoeden hetgeen aan het vermogen van de ene echtgenoot is onttrokken ten bate van de andere echtgenoot, ten bedragen van of naar de waarde ten dage van de onttrekking. Deze vergoedingen zijn terstond opeisbaar, tenzij de redelijkheid en billijkheid zich hiertegen verzetten.
Artikel 5: aansprakelijkheid voor schulden
Voor de schulden van ieder van de echtgenoten is aansprakelijk degene die de desbetreffende schuld heeft doen ontstaan. Voor schulden aangegaan ten behoeve van de gewone gang van de huishouding is ieder van de echtgenoten voor het geheel aansprakelijk.
Artikel 7: kosten huishouding
1. De kosten van de gemeenschappelijke huishouding, daaronder begrepen de kosten van verzorging en opvoeding van de uit het huwelijk geboren kinderen, van de door de echtgenoten geadopteerde kinderen, alsmede van de kinderen die met beider toestemming in het gezin zijn opgenomen, wat de laatste kinderen betreft voor zover deze kosten niet ten laste van derden komen, worden voldaan uit de inkomens van de echtgenoten naar evenredigheid daarvan; voor zover deze inkomens ontoereikend zijn, worden deze kosten voldaan uit ieders vermogen naar evenredigheid daarvan. Onder deze kosten worden mede verstaan premies voor gebruikelijke verzekeringen, huurpenningen, voor de echtelijke woning en renten van geldleningen voor de financiering van de echtelijke woning, de inboedel en de gezinsauto.
Artikel 9: verrekening van inkomsten
De echtgenoten verplichten zich over elk kalenderjaar hetgeen van hun inkomen in de zin van artikel 6, echter met uitzondering van de in artikel 6 lid 1 sub b bedoelde zuivere inkomsten uit vermogen en onder aftrek van hetgeen daarvan is besteed voor de gemeenschappelijke huishouding, overblijft onderling te verrekenen in die zin, dat de ene echtgenoot een vordering verkrijgt op de andere echtgenoot ten bedrage van de helft van het aan diens zijde overblijvende als hiervoor bedoeld. Indien de echtgenoten over en weer een vordering op elkaar krijgen worden de vorderingen door een desbetreffende verklaring verrekend tot het bedrag van de kleinste vordering. Indien aan een echtgenoot langs andere weg iets ten goede komt of is gekomen van het overblijvende van het inkomen van de andere echtgenoot, wordt zijn vordering dienovereenkomstig verminderd.
Artikel 11:
Het recht tot het vorderen van de verrekening verjaart niet en vervalt evenmin door tijdsverloop.
Artikel 12:
Geen verrekening heeft plaats:
a. Over de tijd, dat de echtgenoten anders dan in onderling overleg niet samenwonen of dat tussen hen scheiding van tafel en bed bestaat.
3.2
Partijen zijn tijdens de mondelinge behandeling – in afwijking van de huwelijkse voorwaarden – overeengekomen dat als peildatum voor de verrekening zal gelden 8 mei 2024, zodat de rechtbank hiervan uit zal gaan.
3.3
Blijkens de huwelijkse voorwaarden zijn partijen gehuwd met uitsluiting van elke gemeenschap van goederen. De huwelijkse voorwaarden bevatten in artikel 9 een periodiek verrekenbeding van hetgeen van hun inkomen in de zin van artikel 7 van de huwelijkse voorwaarden niet is besteed ter dekking van de kosten van de huishouding.
3.4
Tussen de man en de vrouw staat vast dat zij tijdens het huwelijk niet hebben voldaan aan de in artikel 9 van de huwelijkse voorwaarden overeengekomen periodieke verrekenplicht.
Nu sprake is van een niet nageleefd periodiek verrekenbeding, geldt het bepaalde in artikel 1:141 van het Burgerlijk Wetboek (BW) dat, indien een verrekenplicht betrekking heeft op een in de huwelijkse voorwaarden omschreven tijdvak van het huwelijk en over dat tijdvak niet is afgerekend, de verplichting tot verrekening over dat tijdvak in stand blijft en deze zich uitstrekt over het saldo, ontstaan door belegging en herbelegging van hetgeen niet verrekend is, alsmede over de vruchten daarvan.
Op grond van artikel 1:141 lid 3 BW wordt, indien bij het einde van het huwelijk aan een bij huwelijkse voorwaarden overeengekomen periodieke verrekenplicht als bedoeld in het eerste lid niet is voldaan, het alsdan aanwezige vermogen vermoed te zijn gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden, tenzij uit de eisen van redelijkheid en billijkheid in het licht van de aard en omvang van de verrekenplicht anders voortvloeit.
Inzage stukken
3.5
De man verzoekt te bepalen dat de vrouw de aangiftes IB over de jaren 1995 tot en met 2020 in het geding dient te brengen, waaronder ook de bankafschriften van de Postbank, de SNS-bank en de ING-bank over de jaren 1995 tot en met 2010. De man heeft deze documenten nodig om aan te kunnen tonen dat hij met privé-vermogen in de voormalige en de huidige echtelijke woning van partijen geïnvesteerd heeft. De man beschikt niet over de betreffende bescheiden; deze documenten staan opgeslagen op de zolder van de echtelijke woning waar de vrouw al geruime tijd alleen woonachtig is. De vrouw weigert de bij haar in het bezit zijnde financiële stukken over te eggen. De vrouw is erbij gebaat dat deze bescheiden niet boven tafel komen, omdat daaruit de investeringen en daarmee de vergoedingsrechten van de man blijken. De man heeft veel inspanningen verricht om over de financiële bescheiden te kunnen beschikken, maar de bancaire instellingen hebben de documenten – gelet op de wettelijke bewaartermijn – niet aan de man kunnen verschaffen.
3.6
De vrouw schendt door haar handelswijze artikel 21 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). De vrouw is namelijk wel in staat om stukken in het geding te brengen die hoofdzakelijk aan de man te relateren zijn, waardoor het vermoeden bestaat dat de vrouw ook over de overige administratie beschikt. De schending van artikel 21 Rv dient ertoe te leiden dat het door de vrouw opgeworpen bewijsvermoeden over het ontbreken van administratie niet ten nadele van de man is, maar dat het ontbreken van volledige openheid aan de zijde van de vrouw in haar nadeel weegt bij de waardering van de feiten. Voor zover de vrouw de stukken niet alsnog in het geding brengt, dient zij op grond van artikel 22 Rv de verlangende gegevens over te leggen, met expliciete aanwijzing per categorie document en bron. Als de vrouw ook daar geen gehoor aan geeft, dient aan artikel 21 Rv de consequentie te worden verbonden dat als de gevraagde bescheiden wel zouden zijn overgelegd, deze de door de man gestelde herkomst van de privé-inbreng en de omvang van de verrekenbare posten zouden ondersteunen.
3.7
De vrouw voert verweer tegen het verzoek van de man. De vrouw heeft de door de man verzochte documenten niet op de zolder van de woning van partijen aangetroffen. Dat de vrouw is staat is het bankafschrift van de schenking die zij in 2002 van haar moeder heeft ontvangen over te leggen, betekent niet dat de vrouw over de door de man verzochte financiële documenten beschikt. De vrouw beschikt enkel over documenten die zien op haar eigen financiële administratie. De vrouw beschikt bovendien op haar beurt niet meer over de bankafschriften van de ABN AMRO bank. Deze bankafschriften tonen ook aan dat de vrouw heeft geïnvesteerd in de woning, zodat de vrouw ook belang heeft bij het boven tafel krijgen van de bankafschriften.
3.8
De rechtbank oordeelt als volgt. Op grond van artikel 843a Rv kan hij die daarbij rechtmatig belang heeft, op zijn eigen kosten inzage, afschrift of uittreksel vorderen van bepaalde bescheiden aangaande een rechtsbetrekking waarin hij of zijn rechtsvoorgangers partij zijn, van degene die deze bescheiden te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft. Onder bescheiden worden mede verstaan: op een gegevensdrager aangebrachte gegevens.
De rechtbank acht de door de man aangeduide bescheiden onvoldoende bepaalbaar. De man heeft inzage verzocht in de IB-aangiftes van partijen over 26 jaren en de bankafschriften over 16 jaren, terwijl de man stelt een vergoedingsrecht te hebben in verband met de investering van privé-vermogen bij de aanschaf van de woning aan [adres 2] in 1996 en een tweetal schenkingen van zijn moeder in 1998 en 2020. Het had op de weg van de man – als verzoekende partij – gelegen om concreet aan te geven over welke (korte) periodes hij bankafschriften wenst te ontvangen. De man heeft weliswaar gesteld dat hij regelmatig met privé-vermogen in de woning van partijen heeft geïnvesteerd, maar hij heeft dit niet nader geconcretiseerd door bijvoorbeeld aan te geven waar de investeringen op zagen of door middel van het overleggen van foto’s. Daarbij is de rechtbank ook niet gebleken hoe de IB-aangiftes van partijen over de jaren 1995 tot en met 2020 een vermeend vergoedingsrecht van de man kunnen onderbouwen. Artikel 843a Rv dient er niet toe om stukken op te vragen waarvan slechts het vermoeden bestaat dat deze mogelijk in de procedure van pas zouden komen. De rechtbank zal het verzoek van de man om alle IB-aangiftes en bankafschriften over de jaren 1995 tot en met 2020 van partijen te overleggen dan ook afwijzen, nu dit verzoek onvoldoende geconcretiseerd is en neigt naar een ‘fishing expedition’.
Afwikkelen huwelijkse voorwaarden
3.9
De vrouw verzoekt de man te veroordelen om met de vrouw over te gaan tot de scheiding en deling van de gezamenlijke activa en passiva toebehorende aan een der partijen, tevens met benoeming van een notaris en een onzijdig persoon als volgens de wet teneinde partijen bij te staan. De rechtbank zal dit verzoek afwijzen. Artikel 1:143 lid 2 BW verklaart de artikelen 677 en 678 Rv, waarin de rechtbank ten aanzien van de verdeling van een gemeenschap bevoegd is de verdeling ten overstaan van een notaris te bevelen, niet van overeenkomstige toepassing in het geval van verrekenbedingen.
Woning
3.10
De man verzoekt te bepalen dat partijen binnen veertien dagen na de datum van de beschikking een NVM-makelaar dienen aan te wijzen die de verkoop van de woning kan realiseren. Voor zover het partijen niet lukt om overeenstemming te bereiken over een NVM-makelaar verzoekt de man een makelaar te benoemen, althans te bepalen dat de man bevoegd is een bindende keuze te maken uit drie door hem aan de vrouw voor te leggen NVM-makelaars. De man verzoekt verder te bepalen dat de aan te wijzen makelaar de vraag- en laatprijs bindend vaststelt en de verkoopstrategie bepaalt. Daarnaast verzoekt de man te bepalen dat de vrouw haar volledige medewerking dient te verlenen aan de verkoop van de woning op verbeurte van een dwangsom van € 250,- per dag met een maximum van € 25.000,-. Voor zover de vrouw dit nalaat verzoekt de man te bepalen dat deze beschikking in de plaats treedt van de voor verkoop en levering vereiste toestemming, medewerking en/of handtekening van de vrouw. Ten aanzien van de overwaarde van de woning verzoekt de man te bepalen dat deze, na aflossing van de hypothecaire geldlening en kosten van verkoop, in depot zal blijven bij de notaris die de levering verzorgt totdat partijen overeenstemming hebben bereikt over de onderlinge vermogensrechtelijke afwikkeling.
3.11
De vrouw verzoekt ten aanzien van de woning aan [adres 1] te bepalen dat de overwaarde van de woning bij helfte dient te worden verdeeld. De woning is (mede) aangeschaft met de overwaarde van de gezamenlijke woning aan [adres 2] die (mede) met overgespaard inkomen is gekocht.
3.12
De rechtbank oordeelt als volgt. Tussen partijen staat niet ter discussie dat zij op 27 juni 1996 de woning aan [adres 2] voor een bedrag van (omgerekend) € 116.848,35 hebben gekocht. Op de woning rustte destijds een hypothecaire geldlening van (omgerekend) € 70.335,-. Partijen hebben deze woning verkocht, waarna zij op 1 december 2010 de woning aan [adres 1] hebben gekocht voor een bedrag van € 294.500,-. Ten aanzien van de woning van partijen is sprake van een eenvoudige gemeenschap.
Tussen partijen staat niet ter discussie dat de woning verkocht dient te worden, zodat de rechtbank hiervoor een “spoorboekje” zal opstellen. Partijen zijn na enig beraad gedurende de schorsing van de mondelinge behandeling overeengekomen dat de woning te koop zal worden aangeboden via [makelaar] in [plaats 1] . Partijen zijn verder overeengekomen dat indien de koper de woning voor een hoger bedrag dan de vraagprijs wenst te kopen, de koper de oplevertermijn mag bepalen. Voor zover dit niet het geval is zal de rechtbank, conform het verzoek van de vrouw, bepalen dat de oplevertermijn drie maanden bedraagt. De vrouw heeft tijdens de mondelinge behandeling immers aangegeven dat zij haar aandeel in de overwaarde van de woning wenst te besteden aan de aanschaf van een nieuwe woning. De vrouw kan pas haar financiële mogelijkheden onderzoeken op het moment dat er duidelijkheid is over de verkoopprijs en daarmee het haar toekomende deel van de overwaarde. Onder die omstandigheden acht de rechtbank het redelijk dat de vrouw een termijn van drie maanden geboden worden om vervangende woonruimte te realiseren.
3.13
De man heeft verder verzocht te bepalen dat de vrouw gehouden is haar medewerking te verlenen aan de verkoop van de woning en dat de beschikking in de plaats treedt van de toestemming van de vrouw voor zover zij dit weigert. Ook heeft de man verzocht te bepalen dat de vrouw een dwangsom van € 250,- verbeurt per dag dat zij niet aan de verplichtingen behorende bij de verkoop van de woning voldoet.
3.14
De rechtbank is van oordeel dat niet gesteld, noch gebleken is dat de vrouw geen medewerking zal verlenen aan de verkoop van de woning. Dit geldt des te meer nu de vrouw tijdens de mondelinge behandeling heeft aangegeven haar medewerking aan de verkoop te verlenen omdat zij behoefte heeft aan rust. De rechtbank gaat er vanuit dat de vrouw deze toezegging zal nakomen. De man heeft bij deze stand van zaken onvoldoende belang bij deze verzoeken, zodat de rechtbank deze verzoeken zal afwijzen. Nu de rechtbank zal beslissen ten aanzien van de verdeling van de overwaarde, zal de rechtbank ook het verzoek van de man te bepalen dat de netto-opbrengst van de woning na verkoop in depot zal blijven bij de notaris afwijzen.
Vergoedingsrechten
3.15
Zoals hiervoor onder rechtsoverweging 3.12. is overwogen, is ten aanzien van de echtelijke woning sprake van een eenvoudige gemeenschap tussen partijen. Beide partijen hebben gesteld dat er vergoedingsrechten zijn ontstaan waarmee bij de financiële afwikkeling ter zake de echtelijke woning rekening dient te worden gehouden. Partijen verschillen van mening over de vraag of de man al dan niet aanspraak kan maken op de door hem gestelde vergoedingsrechten of dat de overwaarde van de woning aan [adres 1] bij helfte dient te worden verdeeld.
De vergoedingsrechten
3.16
De man stelt op basis van artikel 1:87 BW, althans de jurisprudentie voorafgaand aan de invoering van artikel 1:87 BW, aanspraak te maken op een drietal vergoedingsrechten in verband met investeringen van privé-vermogen van de man in de aanschaf dan wel verbouwing van de (voormalige) woning van partijen. Ter onderbouwing van dit standpunt stelt de man het volgende. Partijen hebben op 27 juni 1996 de woning aan [adres 2] aangekocht voor een bedrag van (omgerekend)
€ 116.848,35. Partijen hebben voor de aanschaf van deze woning een hypothecaire geldlening afgesloten van € 70.335,-. Het resterende gedeelte, een bedrag van € 46.513,35, heeft de man uit zijn privé-vermogen voldaan. De man heeft namelijk op 27 juni 1996 een schenking ontvangen van zijn moeder van (omgerekend) € 22.689,-. De rest van het bedrag van € 23.824,35 heeft de man voldaan uit inkomen vergaard tijdens zijn betaalde voetbalcarrière voorafgaand aan het huwelijk van partijen, voornamelijk in de periode 1987 tot en met 1990. Anders dan de vrouw is de man van oordeel dat het niet relevant is dat dit geldbedrag van € 46.513,35 vanaf de gezamenlijke bankrekening van partijen naar de notaris is overgeboekt. Het enkele feit dat de geldstroom via de gezamenlijke rekening van partijen is gegaan, maakt niet dat er sprake is van gemeenschappelijk vermogen. Vervolgens hebben partijen op 1 december 2010 de woning aan [adres 1] aangeschaft. Ten tijde van de aankoop van de woning aan [adres 1] hebben partijen een bedrag van € 44.299,89 aan de notaris voldaan. Een gedeelte van dit bedrag, te weten € 25.474,07, is afkomstig van de polis van Avéro Achmea op naam van de man (productie 31 van de man). Het resterende bedrag van € 18.824,93 is voldaan uit overgespaard inkomen.
Daarnaast heeft de moeder van de man hem op 23 september 1998 een bedrag van (omgerekend) € 18.342,25 geschonken en op 29 december 2020 een bedrag van € 5.515,-. De moeder van de man heeft deze geldbedragen alleen aan hem geschonken, waardoor de schenkingen tot het privé-vermogen van de man behoren. De man heeft deze schenkingen geïnvesteerd in (de verbouwing van) de woning van partijen. De man stelt zich primair op het standpunt dat op zijn vergoedingsrechten de beleggingsleer van toepassing is, subsidiair stelt de man aanspraak te maken op een nominaal vergoedingsrecht.
3.17
De man betwist het standpunt van de vrouw dat het huwelijksvermogen van partijen moet worden afgewikkeld alsof er sprake was van een gemeenschap van goederen. Partijen zijn bij het aangaan van het huwelijk huwelijkse voorwaarden overeengekomen. Dat partijen geen uitvoering hebben gegeven aan het periodiek verrekenbeding maakt dit niet anders. De huwelijkse voorwaarden blijven onverkort gelden. De man betwist dan ook dat de overwaarde van de woning aan [adres 1] bij helfte tussen partijen dient te worden verdeeld.
3.18
Ook het standpunt van de vrouw dat zij eveneens een schenking heeft ontvangen die zij in de woning van partijen heeft geïnvesteerd en daarmee aanspraak kan maken op een vergoedingsrecht betwist de man, maar kan ook niet tot de conclusie leiden dat de overwaarde van de woning aan [adres 1] bij helfte dient te worden verdeeld. De vrouw heeft namelijk slechts één bankafschrift overgelegd waaruit blijkt dat er op de bankrekening met [nummer 1] in 2002 een bedrag van € 19.991,- is bijgeschreven (productie 3 van de vrouw bij verweerschrift scheiding en deling activa en passiva van 2 oktober 2025). Dit toont echter nog niet aan dat de vrouw het bedrag geschonken is onder een uitsluitingsclausule. De vrouw heeft geen inzage verschaft in de titel van de schenking, waardoor er – zo begrijpt de rechtbank – vanuit moet worden gegaan dat de schenking bestemd was voor beide partijen. Voor zover de rechtbank aannemelijk acht dat de geldsom enkel aan de vrouw geschonken is, leidt dit niet zonder meer tot de conclusie dat de vrouw aanspraak kan maken op een vergoedingsrecht. Om aanspraak te kunnen maken op een vergoedingsrecht dient de schenking te zijn aangewend voor waarde vormende investeringen. Consumptieve uitgaven leiden niet tot vermogensvorming en vallen ook niet onder de reikwijdte van artikel 1:141 BW. De vrouw heeft in zijn geheel niet aangetoond waar zij de schenking aan heeft besteed.
Verder betwist de man dat de vrouw aanspraak zou kunnen maken op een vergoedingsrecht doordat hij met gezamenlijk vermogen auto’s heeft aangekocht. Het enkele feit dat de auto’s betaald zijn van de gezamenlijke rekening van partijen, maakt niet zonder meer dat er sprake was van gezamenlijk vermogen. De man schaart de aankoop van auto’s onder consumptieve uitgaven, nu de aankoop van auto’s niet valt onder duurzame vermogensvorming. Deze uitgaven behoren tot het normale bestedingspatroon binnen het huwelijk en vallen niet binnen de reikwijdte van artikel 1:87 BW. Er is bovendien geen sprake van te verrekenen vermogen in de zin van artikel 1:141 lid 3 BW; de man heeft de auto’s jaren geleden al verkocht. Voor zover de vrouw desondanks aanspraak wil maken op een verrekenvordering ligt het op de weg van de vrouw aan te tonen hoe de verkoopopbrengst van de auto’s is geïnvesteerd. De man ontkent tenslotte dat de door hem ontvangen schenkingen zijn besteed aan de aanschaf van auto’s. De schenkingen die de man heeft ontvangen zijn geïnvesteerd in de woning van partijen. Het verzoek van de vrouw dient, als onvoldoende onderbouwd, te worden afgewezen.
3.19
De vrouw voert verweer tegen de verzoeken van de man. De vrouw stelt zich – zo begrijpt de rechtbank – primair op het standpunt dat partijen gedurende het huwelijk hebben gehandeld alsof er sprake was van een gemeenschap van goederen. Partijen hebben geen uitvoering gegeven aan het periodiek verrekenbeding en zij hebben ook geen administratie bijgehouden zoals opgenomen in artikel 13 van de huwelijkse voorwaarden. Het was de geobjectiveerde wil en bedoeling van partijen om te leven alsof er sprake was van een gemeenschap van goederen. Daarnaast heeft niet alleen de man, maar ook de vrouw gedurende het huwelijk van partijen een schenking ontvangen. De vrouw heeft in 2002 namelijk een schenking van € 19.991,- van haar moeder ontvangen. De vrouw heeft deze schenking in zijn geheel in de woning geïnvesteerd en maakt daardoor aanspraak op een vergoeding. Er is hierdoor sprake van een vermogensverschuiving naar de algehele gemeenschap van goederen in plaats van de huwelijkse voorwaarden met koude uitsluiting. De handelingen van partijen zijn in de optiek van de vrouw doorslaggevend.
3.20
De vrouw betwist dat het gedeelte van het aankoopbedrag van de woning aan [adres 2] dat niet door middel van een hypothecaire geldlening is voldaan afkomstig is uit privé-vermogen van de man. Partijen hebben dit geldbedrag voldaan vanaf de gezamenlijke rekening die gevoed werd met het inkomen van partijen. Op deze rekening werd niet alleen het salaris van de man, maar ook het salaris van de vrouw gestort. De vrouw was destijds werkzaam als directiesecretaresse bij [bedrijf 1] . De man was destijds (parttime) werkzaam bij de gemeente. De vrouw betwist verder dat de man met de door hem overgelegde documenten de titel van de schenking en de besteding van de geldsom aan de aanschaf van de woning heeft aangetoond.
Daarnaast stelt de vrouw dat, zo blijkt uit productie 5 aangehecht aan het verweerschrift scheiding en deling activa en passiva van 2 oktober 2025, dat ook het bedrag dat partijen uit eigen middelen hebben voldaan voor de aankoop van de woning aan [adres 1] afkomstig is van de gezamenlijke rekening van partijen. Op deze gezamenlijke rekening stond privé-vermogen van beide echtgenoten. Om die reden vindt de vrouw het naar de maatstaven van redelijkheid en billijkheid acceptabel dat de overwaarde van de woning bij helfte wordt verdeeld.
De vrouw betwist daarnaast dat het door partijen betaalde bedrag van € 44.299,89 afkomstig is uit privé-vermogen van de man. Een bedrag van € 25.304,14 is weliswaar ontvangen door de afkoop van de levensverzekering van de man, maar de vrouw betaalde al sinds 1992 de premies voor deze levensverzekering.
Tenslotte stelt de vrouw dat de man gedurende het huwelijk diverse auto’s heeft aangekocht. Deze auto’s vertegenwoordigen een waarde van enkele duizenden euro’s. De vrouw vermoedt dat de man deze auto’s met gezamenlijk vermogen heeft aangekocht. De vrouw maakt ook om die reden aanspraak op een vergoedingsrecht.
Het inhoudelijk oordeel
3.21
De rechtbank oordeelt als volgt. Partijen zijn in de huwelijkse voorwaarden in artikel 9 een periodiek verrekenbeding overeengekomen. Er is dus geen sprake van koude uitsluiting zoals door partijen gesteld. Reeds onder randnummer 3.4. is opgemerkt dat als er gedurende het huwelijk geen uitvoering is gegeven aan het periodieke verrekenbeding het op de peildatum aanwezige vermogen wordt vermoed te zijn gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden, tenzij uit de eisen van redelijkheid en billijkheid in het licht van de aard en omvang van de verrekenplicht anders voortvloeit. De afwikkeling van dit verrekenbeding lijkt erg op de financiële afwikkeling van een huwelijk waarbij sprake is van een algehele gemeenschap van goederen, maar verschilt in die zin dat bij een gemeenschap van goederen de goederen daadwerkelijk verdeeld worden, terwijl bij huwelijkse voorwaarden sprake is van een verrekening van de waarde van die goederen. Een (periodiek) verrekenbeding houdt niets anders in dan een methode van verrekening naar analogie van de verdeling van de gemeenschap van goederen, maar heeft niet tot gevolg dat partijen bij de verrekening ervan uit dienen te gaan dat tijdens het huwelijk of op het moment van verrekening tussen hen daadwerkelijk een gemeenschap van goederen bestaat. Dat partijen gedurende het huwelijk geen uitvoering hebben gegeven aan het periodiek verrekenbeding maakt dit niet anders. Om die reden is artikel 1:141 lid 3 BW in het leven geroepen. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw de overwaarde van de woning aan [adres 1] bij helfte te verdelen, om de reden dat partijen geen uitvoering hebben gegeven aan het periodiek verrekenbeding en er daarom moet worden verrekend alsof er sprake was van een gemeenschap van goederen, dan ook afwijzen.
3.22
Desondanks dient de overwaarde in beginsel bij helfte tussen partijen te worden verdeeld, omdat zij beiden voor een evenredig aandeel eigenaar zijn van de woning. De man heeft echter gesteld dat hij vergoedingsrechten heeft, waardoor de overwaarde niet bij helfte dient te worden verdeeld. De vrouw heeft ook gesteld vergoedingsrechten te hebben, maar heeft hier vervolgens geen verzoek over ingediend.
Tussen partijen is niet in geschil dat over het algemeen geen plaats is voor vergoedingsrechten bij de afrekening op grond van een finaal verrekenbeding, maar dat dit anders kan zijn als de vergoedingsaanspraak betrekking heeft op een vermogensbestanddeel dat buiten de verrekening valt zoals schenkingen en voorhuwelijks vermogen. Voor zover tijdens de huwelijkse periode daarmee betalingen zijn gedaan, heeft de betreffende partij een vergoedingsrecht. Verder is tussen partijen niet in geschil dat er vergoedingsrechten jegens de eenvoudige gemeenschap van woning kunnen ontstaan.
3.23
Tot 2012 ontbrak een wettelijke regeling voor het ontstaan van een vergoedingsrecht indien er geen sprake was van een huwelijksvermogensrechtelijke gemeenschap. Sinds 2012 is in artikel 1:87 BW (welk artikel geldt voor alle huwelijken ongeacht het huwelijksgoederenregime) vastgelegd dat een echtgenoot wiens vermogen is aangewend ter verkrijging van een goed dat zal toebehoren, of ter voldoening van een schuld die toebehoort, aan het vermogen van de andere echtgenoot, een vergoedingsrecht heeft. In de periode voorafgaand aan 2012 werd een dergelijk vergoedingsrecht ook aangenomen, maar dan op grond van de jurisprudentie (met name Hoge Raad 12 juni 1987, 37, NJ 1988/150 Kriek/Smit). De Hoge Raad heeft in deze uitspraak (onder r.o. 3.3.) reeds geoordeeld dat tussen echtgenoten die bij hun huwelijkse voorwaarden elke gemeenschap hebben uitgesloten, vergoedingsrechten kunnen ontstaan doordat de goederen die gedurende het huwelijk op naam van de een zijn verkregen, geheel of ten dele met geld van de ander zijn gefinancierd, evenals dat bij een tussen echtgenoten bestaande gemeenschap ook vergoedingsrechten ten bate en ten laste van deze gemeenschap kunnen ontstaan.
3.24
Op grond van artikel. 1:95 lid 1 en 2 BW en art. 1:96 lid 4 en 5 BW is de regeling van art. 1:87 BW ook van overeenkomstige toepassing op vergoedingsrechten die spelen tussen een eigen vermogen en een huwelijksvermogensrechtelijke gemeenschap. Dat betekent dat de in artikel 1:87 BW opgenomen regeling voor vergoedingsrechten niet alleen geldt ter zake van vermogensverschuivingen tussen de privévermogens van echtgenoten bij de verkrijging van een privégoed of de voldoening van een privéschuld, maar ook in geval van een vermogensverschuiving bij de verkrijging door echtgenoten van een gemeenschappelijk goed, gefinancierd uit hun privévermogens (zie ook Hoge Raad 10 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:18714 r.o. 3.2.). In lid 2 en 3 van artikel 1:87 BW is de berekening van de hoogte van de vergoeding geregeld. Hierin is de zogenaamde beleggingsleer opgenomen. Op grond van artikel 1:87 lid 4 BW kunnen partijen bij overeenkomst afwijken van het bepaalde in artikel 1:87 lid 1, 2 en 3 BW. In dit geval hebben partijen in hun huwelijkse voorwaarden een afspraak gemaakt over het ontstaan van vergoedingsrechten en de hoogte en opeisbaarheid daarvan. Die afspraak is opgenomen onder artikel 3 van hun huwelijkse voorwaarden, zoals hierboven onder 3.1. weergegeven. Deze bepaling ziet, naar het oordeel van de rechtbank, dan ook op bedragen die de ene echtgenoot uit zijn/haar vermogen ten bate van het vermogen van de andere echtgenoot (te weten zijn/haar aandeel in de eenvoudige gemeenschap van partijen, te weten de woning) heeft onttrokken. Op grond van artikel 3 van de huwelijkse voorwaarden dienen deze bedragen aan de betreffende echtgenoot te worden vergoed “ten bedrage van of naar de waarde ten dage van de onttrekking”, derhalve nominaal. De echtgenoten zijn dan ook in de huwelijkse voorwaarden een regeling overeengekomen die afwijkt van artikel 1:87 BW. Dat de huwelijkse voorwaarden van voor 2012 dateren maakt dat niet anders, hetgeen betekent dat artikel 1:87 BW (de rechtbank begrijpt lid 1 tot en met 3) voor vergoedingsrechten die tussen deze echtgenoten zijn ontstaan na 1 januari 2012 geen betekenis heeft (zie conclusie van de P-G bij Hoge Raad 23 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1936 r.o. 3.7 tot en met 3.14). Gelet op de tekst van de huwelijkse voorwaarden is de rechtbank van oordeel dat de nominaliteitsleer van toepassing is op de gestelde vergoedingsrechten.
3.25
Ten aanzien van de door de man gestelde vergoedingsrechten oordeelt de rechtbank als volgt. Tussen partijen staat niet ter discussie dat zij voor de aanschaf van de woning aan [adres 2] een bedrag van € 116.848,35 (fl 257.000,-) hebben betaald waarvoor een hypotheeklening is aangegaan ten bedrage van € 70.335,- en € 46.513,35 afkomstig is uit eigen middelen. Partijen twisten over de herkomst van deze eigen middelen. De rechtbank is van oordeel dat de man genoegzaam heeft aangetoond dat hij dit bedrag uit zijn privé-vermogen heeft aangewend. De man heeft namelijk onbetwist gesteld dat hij op 27 juni 1996 een bedrag van fl. 50.000,- (omgerekend € 22.689,-) van zijn moeder heeft ontvangen, zoals blijkt uit productie 21 van de man, zijnde de schuldigerkenning. Uit productie 22 van de man blijkt dat hem jaarlijks een gedeelte van deze schuld is kwijtgescholden. Zo zijn de moeder van de man en de man op 19 september 1996 overeengekomen: “De schuldeiser verklaart hierbij aan de schuldenaar kwijt te schelden, onder de verplichting tot inbreng in haar nalatenschap en onder de bepaling dat het geschonkene, hetgeen door wederbelegging daarvan wordt verkregen alsmede de revenuen daarvan niet zullen vallen in enige gemeenschap van goederen waarin de begiftigde is gehuwd of nog zal huwen en niet zal worden betrokken bij de toepassing van enig afrekenbeding, behoudens voor zover het betreft een afrekenbeding ten aanzien van onverteerde inkomsten, een bedrag van fl. 7.823,- zodat de restantschuld na deze kwijtschelding nog bedraagt fl. 42.177,-“. Het kwijtgescholden bedrag fluctueerde jaarlijks totdat in 2003 de volledige schuld van fl. 50.000,- kwijtgescholden is. Tussen partijen staat ook niet ter discussie dat het geldbedrag van fl. 50.000,- enkel aan de man, en dus niet aan partijen gezamenlijk, geschonken is. De man heeft verder onbetwist gesteld dat hij in de periode 1987 tot en met 1991 bij [bedrijf 2] een maandinkomen van ongeveer
fl. 2.500,- genoot. De man heeft daarover onbetwist gesteld dat doordat hij op dat moment nog thuiswonend was, hij een aanzienlijk gedeelte van dit salaris heeft kunnen sparen. De man beschikte derhalve over voorhuwelijks vermogen. Voorhuwelijks vermogen blijft privé. De rechtbank betrekt verder in haar oordeel dat de man de geldsom van zijn moeder heeft ontvangen op de dag dat partijen zijn overgaan tot de aankoop van de woning in [plaats 2].
De vrouw heeft weliswaar betwist dat de geldsom afkomstig was uit het privé-vermogen van de man, maar zij heeft – anders dan dat het geld afkomstig was van de gezamenlijke rekening van partijen en daarom als gezamenlijk vermogen dient te worden aangemerkt – niet gesteld of aannemelijk gemaakt wat in haar optiek de herkomst van de geldsom is. Dat de vrouw sinds 1989 werkzaam was en ten tijde van het huwelijk beschikte over een depositorekening met een saldo van fl. 10.000,- en fl. 6.000,- spaargeld verklaart het door partijen aangebrachte bedrag bij de aankoop van de woning niet.
De rechtbank acht het ook niet aannemelijk dat deze geldsom is voldaan uit gedurende het huwelijk opgebouwd overgespaard inkomen. Partijen zijn namelijk gehuwd op [datum 3] 1995. Op 27 juni 1996 zijn partijen overgegaan tot de aankoop van de woning aan [adres 2] . Ten tijde van de aankoop van de woning waren partijen bijna 10 maanden gehuwd. De vrouw heeft weliswaar gesteld dat partijen destijds beiden werkzaam waren, maar in het geval van de man ging het om een parttime dienstaanstelling en de vrouw genoot een inkomen van fl. 2.500,- per maand. Om binnen een periode van 10 maanden een gezamenlijk vermogen van meer dan fl. 100.000,- te vergaren, dienen partijen maandelijks in de gelegenheid te zijn geweest minimaal fl. 10.000,- te kunnen sparen.
De rechtbank gaat daarbij, zoals eerder overwogen, voorbij aan het standpunt van de vrouw dat nu dit geldbedrag vanaf de gezamenlijke bankrekening is voldaan er sprake dient te zijn van gezamenlijk vermogen.
3.26
Ten aanzien van het door de man gestelde over de vergoedingsrechten van
€ 18.342,25 en € 5.515,- oordeelt de rechtbank als volgt. De man heeft genoegzaam aangetoond dat zijn moeder hem op 23 september 1998 een bedrag van (omgerekend)
€ 18.342,25 onder uitsluitingsclausule heeft geschonken, zo blijkt uit artikel 3 van de notariële akte van 23 september 1998 (productie 23 van de man). Reeds onder randnummer 3.24. heeft de rechtbank overwogen dat de man aanspraak kan maken op een vergoedingsrecht als er sprake is van een vermogensverschuiving van zijn privé-vermogen naar het privé-vermogen van de vrouw, dan wel naar een eenvoudige gemeenschap van partijen. De man heeft weliswaar gesteld dat hij de onder uitsluitingsclausule verkregen schenking in de woning heeft geïnvesteerd, maar hij heeft dit verder niet geconcretiseerd. De rechtbank acht het, zonder nadere onderbouwing, onaannemelijk dat een schenking uit 1998 is geïnvesteerd bij de aanschaf van de woning in 2010. Ook heeft de man niet concreet gesteld waar de investeringen van de woning anders op zouden zien. Voor zover de man stelt dat zijn schenking al dan niet gedeeltelijk consumptief is besteed, geldt het volgende. Partijen hebben nagelaten aan te tonen of er op de peildatum nog sprake was van te verrekenen vermogen, zodat het verzoek van de man ook op die grond dient te worden afgewezen. Ten aanzien van de schenking uit 2020 heeft de man enkel een bankafschrift overgelegd waaruit blijkt dat hij op 29 december 2020 onder het bijschrift “schenking 2020” een schenking van € 5.515,- heeft ontvangen. De man heeft daarmee niet aangetoond dat hij de schenking onder uitsluitingsclausule heeft verkregen of dat de schenking niet bestemd was voor beide partijen. Het testament van de moeder van de man, opgesteld op 18 december 2020, waaruit blijkt dat al hetgeen uit haar nalatenschap wordt verkregen niet zal vallen in enige goederengemeenschap, waarin de verkrijger gerechtigd mocht zijn of worden, en niet in aanmerking mag worden genomen bij de toepassing van enig verreken- of afrekenbeding, maakt dit niet anders. Immers, de man heeft niet gesteld dat het bedrag dat hij op 29 december 2020 heeft ontvangen afkomstig is uit de nalatenschap van zijn moeder.
Dit maakt dat de rechtbank deze schenking bij deze stand van zaken niet als privé-vermogen van de man kan aanmerken. De man had bovendien, gelet op de wettelijke bewaartermijn, voor deze schenking wel de mogelijkheid om bankafschriften op te vragen. De man heeft dit nagelaten. De rechtbank kan daardoor niet vaststellen dat er een (nader) vergoedingsrecht ten behoeve van de man is ontstaan.
3.27
Volledigheidshalve merkt de rechtbank op dat partijen een uitvoering debat hebben gevoerd over de herkomst van het bedrag van € 44.299,89 dat partijen hebben voldaan bij de aanschaf van de woning aan [adres 1] . De rechtbank zal, bij een gebrek aan een verzoek over dit geldbedrag, niet verder ingaan op de door partijen hierover ingenomen standpunten.
3.28
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank bepalen dat de verkoopopbrengst van de echtelijke woning na aflossing van de hypotheek, betaling van de verkoopkosten en vergoeding aan de man van € 46.513,35, bij helfte dient te worden verdeeld.
Verzekeringen
3.29
De vrouw verzoekt te bepalen dat de man medewerking dient te verlenen conform het advies van de verzekeringsagent, inhoudende dat de man het verzekeringspakket dient aan te passen naar aanleiding van productie 2, op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag met een maximum van € 25.000,-. Daarnaast verzoekt de vrouw te bepalen dat de man aan de vrouw de autoverzekering van de auto van de man, inhoudende een bedrag van
€ 30,69 per maand voor de Kia Picanto, dient terug te betalen vanaf mei 2024 tot en met de dag dat de man de betreffende verzekering op zich neemt, vermeerderd met de wettelijke rente te voldoen tot algehele voldoening, primair vanaf mei 2024 dan wel subsidiair de datum van de afgifte van de beschikking. De vrouw stelt daartoe dat de man geen medewerking verleent aan het aanpassen van het verzekeringspakket ten behoeve van de auto en de woning. De verzekeringen staan op naam van de man, maar worden bekostigd door de vrouw. De vrouw is alleen niet bevoegd het verzekeringspakket aan te passen. Dit geldt ook voor de contracten met Oxxio energie, Ziggo, Netflix, Feenstra cv en WML. De vrouw verzoekt om die reden de man te veroordelen medewerking te verlenen aan het wijzigen van de contracten conform het advies van de verzekeringsagent.
3.30
Ten aanzien van het verzoek over de wijziging van de tenaamstelling van het verzekeringspakket overweegt de rechtbank dat hier geen wettelijke grondslag voor bestaat, zodat de rechtbank dit verzoek zal afwijzen.
3.31
De rechtbank overweegt ten overvloede dat de man tijdens de mondelinge behandeling heeft aangegeven dat hij het oversluiten van de autoverzekering ‘heeft laten liggen’. De verzoeken ten aanzien van het verzekeringspakket heeft de vrouw niet aan de man voorgelegd, maar ook hier zal de man zijn medewerking aan verlenen. Ten aanzien van de kosten voor de autoverzekering stelt de man dat hij in 2024 de volledige aanslag BsGW van € 1.200,- heeft voldaan, waarmee de door de vrouw betaalde premies voor de autoverzekering kunnen worden verrekend. Nu de vrouw dit niet heeft betwist gaat de rechtbank ervan uit dat partijen over en weer niets meer van elkaar te vorderen hebben ten aanzien van deze posten.
Inboedel
3.32
De vrouw verzoekt de inboedel te verdelen conform de door de vrouw overgelegde inboedellijst.
3.33
De man heeft, ter voorkoming van kosten, voorgesteld dat hij de woning eenmalig kan betreden ter inventarisatie van de inboedel, waarna deze in onderling overleg tussen partijen kan worden verdeeld.
3.34
De rechtbank oordeelt als volgt. Partijen zijn na afloop van de mondelinge behandeling in de gelegenheid gesteld nader overleg te plegen over de verdeling van de inboedel. Partijen hebben de rechtbank nadien bericht dat zij geen overeenstemming hebben bereikt over de inboedel. Nu partijen geen overeenstemming hebben bereikt over de inboedellijst, zal de rechtbank bepalen dat de inboedel (een eenvoudige gemeenschap) opgenomen op de inboedellijst die als productie 7 gehecht is aan het verweerschrift scheiding en deling activa en passiva van de vrouw van 2 oktober 2025 tussen partijen bij helfte zal worden verdeeld, waarbij partijen om de beurt een onderdeel van de inboedel ter toedeling mogen aanwijzen en waarbij de man als eerste mag kiezen. De man heeft weliswaar gesteld dat hij al lang niet meer aanwezig is geweest in de woning van partijen, maar niet dat de inboedellijst van de vrouw onvolledig is.
Pensioenen
3.35
De vrouw verzoekt bij aanvullend verzoekschrift verevening pensioenrechten van 6 mei 2026 te bepalen dat de lijfrentepolis bij Avéro Achmea onder [nummer 2] op basis van de Wet Verevening Pensioenrechten bij Scheiding verdeeld dient te worden tussen beide partijen, mede gelet op het feit dat de vrouw heeft meebetaald aan de betreffende pensioenopbouw en omdat partijen geleefd hebben als ware zij gehuwd in de algehele gemeenschap van goederen. De polis bij Avéro Achmea is opgebouwd gedurende het huwelijk. De vrouw heeft zowel tijdens als voorafgaand aan het huwelijk meebetaald aan de maandelijkse premies.
3.36
De man heeft verweer gevoerd tegen dit verzoek van de vrouw. De man stelt dat de vrouw niet-ontvankelijk is in haar verzoek over de lijfrentepolis. De extra schriftelijke ronde na de mondelinge behandeling was alleen bedoeld voor het indienen van aanvullende gegevens ten aanzien van de inboedel, niet voor het aanvullen van reeds ingediende verzoeken. Subsidiair stelt de man dat de polis niet voor verdeling in aanmerking komt omdat partijen onder huwelijkse voorwaarden zijn gehuwd en niet in gemeenschap van goederen. Meer subsidiair stelt de man dat de (wettelijke) grondslag van het verzoek ontbreekt. Artikel 14 van de huwelijkse voorwaarden bepaalt dat pensioenrechten verevend dienen te worden conform de WvPS. Deze wet vormt geen grondslag voor een verdeling van een vermogensbestanddeel in de vorm van een lijfrentepolis.
3.37
De rechtbank is met de man van oordeel dat het aanvullende verzoek van de man en de nieuw ingenomen standpunten in strijd zijn met de goede procesorde en zal deze buiten toepassing laten. Het eerste processtuk van de vrouw, zijnde het verzoek tot echtscheiding, dateert van 8 mei 2024. De vrouw heeft vervolgens bij verweerschrift van 2 oktober 2025 (inhoudelijke) zelfstandige verzoeken ten aanzien van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden ingediend. De vrouw heeft nadien geruime tijd de gelegenheid gehad om haar verzoeken aan te vullen, maar zij is hier niet toe overgegaan.
De rechtbank heeft partijen naar aanleiding van de mondelinge behandeling alleen in de gelegenheid gesteld om aanvullende gegevens ten aanzien van de inboedel aan te leveren. De vrouw heeft niet aangekondigd dat er nog een aanvulling van de eerder ingediende verzoeken aan zat te komen. De handelswijze van de vrouw heeft de man geschaad in zijn mogelijkheden om verweer te voeren. De vrouw heeft geen goede reden gegeven waarom het aanvullende verzoek pas zo laat in de procedure is ingediend. De rechtbank betrekt verder in haar oordeel dat zij de vrouw al reeds per e-mail heeft geïnformeerd dat partijen geen gelegenheid krijgen om aanvullende verzoeken in te dienen. De vrouw is desondanks overgegaan tot het indienen van het aanvullende verzoek. De rechtbank zal daarom het verzoek van de vrouw dat ziet op de lijfrentepolis bij Avéro Achmea afwijzen.
4De beslissing
4.1
stelt de (wijze van) verdeling van de tussen partijen bestaande eenvoudige gemeenschap als volgt vast:
[adres 1] :
dat de woning te koop wordt gezet bij [makelaar] in [plaats 1] ;
dat partijen hun medewerking dienen te geven aan het maken van foto’s van de woning en wel binnen twee weken na een daartoe strekkend verzoek van de makelaar;
dat partijen hun medewerking dienen te verlenen aan het in de woning toelaten van de makelaar en eventuele kopers voor bezichtiging;
de makelaar de vraag- en laatprijs bindend vaststelt;
dat partijen in overleg met de makelaar de verkoopovereenkomst zullen aangaan met degene die de hoogste prijs biedt, indien en voor zover die prijs volgens beide partijen, gezien de onroerendgoedmarkt ter plaatse en de kwaliteit van de woning, de beste mogelijke prijs is. In het geval partijen het niet eens kunnen worden over de vraag of een aanbod de best mogelijke prijs is, dan zal de makelaar die naar beste weten en kunnen bindend bepalen;
dat beide partijen verplicht zijn hun medewerking te verlenen aan het tekenen van de koopovereenkomst en aan het notariële transport van de woning aan de koper;
dat indien door de koper een koopsom wordt geboden die hoger is dan de vraagprijs, de termijn van oplevering afhankelijk is van de wensen van de koper. In alle andere gevallen geldt een oplevertermijn van drie maanden;
dat iedere partij gehouden is de helft van de kosten van de makelaar en de overige kosten ter zake van de verkoop en levering van de woning te dragen;
op de verkoopopbrengst strekt in mindering de alsdan resterende hypotheekschuld, de (notaris)kosten en het aan de man toekomende vergoedingsrecht van € 46.513,35. Hetgeen resteert wordt bij helfte verdeeld;
Inboedel:
bepaalt dat beide partijen gerechtigd zijn tot de helft van de inboedel (genoemd in de inboedellijst, productie 7 bij het verweerschrift scheiding en deling activa en passiva van 2 oktober 2025 van de vrouw) in de woning aan [adres 1] , waarbij de man als eerste mag aangeven welk inboedelbestanddeel hij toegedeeld wenst te krijgen en partijen vervolgens om en om een keuze maken;
4.2
verklaart de beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
4.3
wijst af het anders of meer verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. Raab, rechter en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. Mestrini, griffier op 2 juli 2026.
Tegen de eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- de verschenen partij(en), binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- de niet verschenen partij(en), binnen drie maanden na de betekening van de beschikking aan hem/haar in persoon of binnen drie maanden nadat deze op een andere manier is betekend en openbaar is gemaakt door het plaatsen van een uittreksel van de beschikking in de Staatscourant.
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Roermond
Zaaknummers: C/03/330730 / FA RK 24-1782 en C/03/343553 / FA RK 25-1484
Beschikking van 2 juli 2026 betreffende de echtscheiding met nevenvoorzieningen
in de zaak van
[de vrouw]
,
wonend in [woonplaats 1] ,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. R.P.F. Rober, kantoorhoudend in Hoensbroek, gemeente Heerlen,
en
[de man]
,
wonend in [woonplaats 2] ,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. A.M. Holmes, kantoorhoudend in Heerlen.
1De verdere procedure
1.1
Bij beschikking van [datum 1] 2025 heeft de rechtbank de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Verder heeft de rechtbank bepaald dat de vrouw tegenover de man het recht heeft om de woning aan [adres 1] te blijven bewonen en de inboedel te blijven gebruiken tot zes maanden na de inschrijving van voornoemde beschikking in de registers van de burgerlijke stand. Tenslotte heeft de rechtbank bepaald dat de man aan de vrouw met ingang van de dag van de inschrijving van de beschikking tot echtscheiding in de registers van de burgerlijk stand een bedrag van € 742,- aan partnerbijdrage dient te betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen. De echtscheidingsbeschikking is op [datum 2] 2025 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
1.2
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
het verweerschrift scheiding en deling activa en passiva met producties 1 tot en met 7 van de vrouw, ontvangen op 2 oktober 2025;
het verweerschrift op zelfstandige verzoeken met producties 28 tot en met 34 van de man, ontvangen op 25 november 2025;
de aanvullende verzoeken van de man, ontvangen op 18 maart 2026;
het verweerschrift scheiding en deling activa en passiva met producties 1 tot en met 4 van de vrouw, ontvangen op 24 maart 2026.
1.3
De zitting heeft plaatsgevonden op 30 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
de man, bijgestaan door zijn advocaat.
De vrouw heeft tijdens de mondelinge behandeling spreekaantekeningen overgelegd.
1.4
Partijen zijn in de gelegenheid gesteld de rechtbank na de mondelinge behandeling te berichten over een eventuele overeenstemming over de inboedel.
De rechtbank heeft na de mondelinge behandeling de volgende stukken ontvangen:
- het F9-formulier van de man, ontvangen op 14 april 2026;
- de e-mail van de vrouw, ontvangen op 15 april 2026;
- het aanvullend verzoek verevening pensioen van de vrouw, ontvangen op 6 mei 2026;
- de reactie op het aanvullend verzoek van de man, ontvangen op 6 mei 2026.
2De nog voorliggende verzoeken
2.1
De (gewijzigde/ aanvullende) verzoeken van de man waarop nog beslist moet worden zijn:
de man verzoekt de vrouw op de voet van artikel 843a Rv te veroordelen om binnen 14 dagen na afgifte van de (eind)beschikking te veroordelen de nodige gegevensdragers en stukken aan de man ter beschikking te stellen, te weten de aangiftes IB en bijbehorende aanslagen over de jaren 1995 tot en met 2020, met inbegrip van de bankafschriften van de Postbank, SNS-bank en ING-bank over de jaren 1995 tot en met 2010, welke zich bevinden op de zolder van de echtelijke woning, in klappers;
de man verzoekt te bepalen op welke wijze de verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap dan wel gezamenlijke vermogensbestanddelen dient plaats te vinden, zulks met inachtneming van de tussen partijen geldende huwelijkse voorwaarden (koude uitsluiting), waarbij wordt vastgesteld:
a. dat partijen ieder recht hebben op de goederen die tot hun privé-vermogen behoren;
b. dat vergoedingsrechten over en weer dienen te worden vastgesteld overeenkomstig artikel 1:87 BW en de daarop toepasselijke jurisprudentie;
- de man verzoekt om bij de bepaling van de verdeling van de voormalige echtelijke woning aan [adres 2] , in aanmerking te nemen dat hij op grond van artikel 1:87 BW en de daarop gebaseerde jurisprudentie, recht heeft op vergoeding van uit zijn privévermogen gedane investeringen in de woning. Concreet verzoekt de man de rechtbank (in het kader van de aanvullende verzoeken) als volgt te beslissen:
a. te bepalen dat de man uit zijn privé-vermogen heeft geïnvesteerd in de aankoop en aflossing van de hypothecaire geldlening op de woning aan [adres 2] , voor een totaalbedrag van € 46.513,35 en dat ten aanzien van dit bedrag aan de man een vergoedingsrecht toekomt;
b. te bepalen dat deze investeringen, als overgegaan bij wege van aankoop in de woning van partijen in [woonplaats 1] aan [adres 1] , kwalificeren als investeringen uit privé-vermogen van de man, gelet op het karakter van de middelen (eigen spaargelden en aan hem persoonlijk gedane schenkingen met uitsluitingsclausule) en dat derhalve sprake is van vergoedingsrechten van de man jegens de vrouw;
c. te bepalen dat de hoogte van het vergoedingsrecht van de man dient te worden vastgesteld overeenkomstig de beleggingsleer zoals vervat in artikel 1:87 lid 2 BW en derhalve dient te worden berekend naar evenredigheid van de waarde van zijn investeringen ten opzichte van de waarde van de woning ten tijde van de investeringen, in verhouding tot de huidige waarde van de woning;
d. te bepalen dat een bedrag van € 18.342,25 aan de man toekomt als vergoedingsrecht uit hoofde van de schenking aan de man op 23 september 1998;
e. te bepalen dat een bedrag van € 5.515,- aan de man toekomt als vergoedingsrecht uit hoofde van de schenking aan de man op 29 december 2020;
f. de vrouw te veroordelen tot betaling aan de man van het aldus vast te stellen vergoedingsrecht, bij voorkeur te verrekenen met haar aandeel in de overwaarde van de woning bij verkoop.
de man verzoekt te bepalen dat de woning, staande en gelegen aan [adres 1] , onverwijld in de verkoop zal worden gebracht;
de man verzoekt te bepalen dat partijen binnen veertien dagen na datum van de te wijzen beschikking in onderling overleg een NVM-makelaar aanwijzen die met de verkoop wordt belast, en – bij gebreke van overeenstemming – te bepalen dat de makelaar wordt aangewezen, althans dat de man bevoegd is een keuze te maken uit drie door hem aan de vrouw voor te leggen NVM-makelaars, welke keuze partijen bindt;
de man verzoekt te bepalen dat de aangewezen makelaar de vraagprijs, laatprijs en verkoopstrategie vaststelt en dat partijen gehouden zijn deze te volgen, waarbij bij verschil van mening het oordeel van de makelaar leidend en doorslaggevend is;
de man verzoekt te bepalen dat de vrouw gehouden is haar volledige en onvoorwaardelijke medewerking te verlenen aan de verkoop, waaronder in ieder geval begrepen:
o het in redelijke staat houden en presenteren van de woning ten behoeve van verkoop en bezichtigingen;
o het toelaten van de makelaar in de woning ten behoeve van opname, fotografie en waardebepaling;
o het dulden van publicatie en aanbieding van de woning op de gebruikelijke verkoopkanalen;
o het toelaten van bezichtigingen op redelijke tijdstippen;
o het ondertekenen van de opdracht tot dienstverlening, de koopovereenkomst en de akte van levering;
de man verzoekt te bepalen dat, indien de vrouw weigert haar medewerking te verlenen, deze beschikking in de plaatst treedt van de voor verkoop en levering vereiste toestemming, medewerking en/of handtekening van de vrouw als bedoeld in artikel 3:300 BW;
de man verzoekt te bepalen dat de levering van de woning plaatsvindt uiterlijk op 3 juni 2026, althans zoveel eerder als de vrouw het gebruik van de woning vrijwillig beëindigt, en dat de vrouw gehouden is de woning uiterlijk op die datum volledig te ontruimen en ter vrije beschikking van de koper te stellen;
de man verzoekt te bepalen dat de netto-opbrengst van de woning, na aflossing van de hypothecaire geldlening en kosten van verkoop, in depot zal blijven bij de notaris die de levering verzorgt, totdat partijen overeenstemming hebben bereikt over de onderlinge vermogensrechtelijke afwikkeling, dan wel totdat daarover is beslist;
de man verzoekt te bepalen dat de vrouw een dwangsom verbeurt van € 250,- per dag, althans een te bepalen bedrag, voor iedere dag dat zij niet voldoet aan de hiervoor omschreven verplichtingen, met een maximum van € 25.000,-.
2.2
De (gewijzigde/ aanvullende verzoeken) van de vrouw waarop nog moet worden beslist zijn:
de vrouw verzoekt de man te veroordelen om met de vrouw over te gaan tot de scheiding en deling van de gezamenlijke activa en passiva toebehorende aan een der partijen, tevens met benoeming van een notaris en een onzijdig persoon als volgens de wet teneinde partijen bij te staan;
de vrouw verzoekt de verdeling van de gezamenlijke activa en passiva van partijen vast te stellen op een gelijke wijze als de algehele gemeenschap van goederen, aangezien partijen gedurende het huwelijk gehandeld hebben als ware zij gehuwd in de algehele gemeenschap van goederen, door het niet bijhouden van administratie en het niet toepassen van het verrekenbeding;
ten aanzien van de woning aan [adres 1] verzoekt de vrouw te bepalen dat bij verkoop de overwaarde van de woning eerlijk verdeeld wordt tussen partijen, om de reden dat de woning is aangeschaft met de overwaarde van de verkochte woning aan [adres 2] die van het gezamenlijk vermogen is aangeschaft;
de vrouw verzoekt ten aanzien van de verdeling van de inboedel productie 7 als uitgangspunt te nemen, dan wel de verdeling van de inboedel te stellen op een dusdanig verdeling als de rechtbank juist acht.
de vrouw verzoekt te bepalen dat de man medewerking dient te verlenen conform het advies verzekeringsagent, inhoudende dat de man het verzekeringspakket dient aan te passen naar aanleiding van productie 2, op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag met een maximum van € 25.000,-;
de vrouw verzoekt te bepalen dat de man aan de vrouw de autoverzekering van de auto van de man, inhoudende een bedrag van € 30,69 per maand voor de Kia Picanto, dient terug te betalen vanaf mei 2024 tot en met de dag dat de man de betreffende verzekering op zich neemt;
de vrouw verzoekt de man te veroordelen tot het betalen van de wettelijke rente te voldoen tot algehele voldoening, primair vanaf mei 2024 dan wel subsidiair de datum van de afgifte van de beschikking.
3De beoordeling
3.1
Partijen hebben beiden verzocht een voorziening te treffen ter afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden van partijen. Deze huwelijkse voorwaarden houden, voor zover hier van belang, in:
Artikel 1: algehele uitsluiting
De echtgenoten zijn met uitsluiting van elke gemeenschap van goederen gehuwd.
Artikel 3: vergoedingen
De echtgenoten zijn, voor zover niet anders bepaald, verplicht aan elkaar te vergoeden hetgeen aan het vermogen van de ene echtgenoot is onttrokken ten bate van de andere echtgenoot, ten bedragen van of naar de waarde ten dage van de onttrekking. Deze vergoedingen zijn terstond opeisbaar, tenzij de redelijkheid en billijkheid zich hiertegen verzetten.
Artikel 5: aansprakelijkheid voor schulden
Voor de schulden van ieder van de echtgenoten is aansprakelijk degene die de desbetreffende schuld heeft doen ontstaan. Voor schulden aangegaan ten behoeve van de gewone gang van de huishouding is ieder van de echtgenoten voor het geheel aansprakelijk.
Artikel 7: kosten huishouding
1. De kosten van de gemeenschappelijke huishouding, daaronder begrepen de kosten van verzorging en opvoeding van de uit het huwelijk geboren kinderen, van de door de echtgenoten geadopteerde kinderen, alsmede van de kinderen die met beider toestemming in het gezin zijn opgenomen, wat de laatste kinderen betreft voor zover deze kosten niet ten laste van derden komen, worden voldaan uit de inkomens van de echtgenoten naar evenredigheid daarvan; voor zover deze inkomens ontoereikend zijn, worden deze kosten voldaan uit ieders vermogen naar evenredigheid daarvan. Onder deze kosten worden mede verstaan premies voor gebruikelijke verzekeringen, huurpenningen, voor de echtelijke woning en renten van geldleningen voor de financiering van de echtelijke woning, de inboedel en de gezinsauto.
Artikel 9: verrekening van inkomsten
De echtgenoten verplichten zich over elk kalenderjaar hetgeen van hun inkomen in de zin van artikel 6, echter met uitzondering van de in artikel 6 lid 1 sub b bedoelde zuivere inkomsten uit vermogen en onder aftrek van hetgeen daarvan is besteed voor de gemeenschappelijke huishouding, overblijft onderling te verrekenen in die zin, dat de ene echtgenoot een vordering verkrijgt op de andere echtgenoot ten bedrage van de helft van het aan diens zijde overblijvende als hiervoor bedoeld. Indien de echtgenoten over en weer een vordering op elkaar krijgen worden de vorderingen door een desbetreffende verklaring verrekend tot het bedrag van de kleinste vordering. Indien aan een echtgenoot langs andere weg iets ten goede komt of is gekomen van het overblijvende van het inkomen van de andere echtgenoot, wordt zijn vordering dienovereenkomstig verminderd.
Artikel 11:
Het recht tot het vorderen van de verrekening verjaart niet en vervalt evenmin door tijdsverloop.
Artikel 12:
Geen verrekening heeft plaats:
a. Over de tijd, dat de echtgenoten anders dan in onderling overleg niet samenwonen of dat tussen hen scheiding van tafel en bed bestaat.
3.2
Partijen zijn tijdens de mondelinge behandeling – in afwijking van de huwelijkse voorwaarden – overeengekomen dat als peildatum voor de verrekening zal gelden 8 mei 2024, zodat de rechtbank hiervan uit zal gaan.
3.3
Blijkens de huwelijkse voorwaarden zijn partijen gehuwd met uitsluiting van elke gemeenschap van goederen. De huwelijkse voorwaarden bevatten in artikel 9 een periodiek verrekenbeding van hetgeen van hun inkomen in de zin van artikel 7 van de huwelijkse voorwaarden niet is besteed ter dekking van de kosten van de huishouding.
3.4
Tussen de man en de vrouw staat vast dat zij tijdens het huwelijk niet hebben voldaan aan de in artikel 9 van de huwelijkse voorwaarden overeengekomen periodieke verrekenplicht.
Nu sprake is van een niet nageleefd periodiek verrekenbeding, geldt het bepaalde in artikel 1:141 van het Burgerlijk Wetboek (BW) dat, indien een verrekenplicht betrekking heeft op een in de huwelijkse voorwaarden omschreven tijdvak van het huwelijk en over dat tijdvak niet is afgerekend, de verplichting tot verrekening over dat tijdvak in stand blijft en deze zich uitstrekt over het saldo, ontstaan door belegging en herbelegging van hetgeen niet verrekend is, alsmede over de vruchten daarvan.
Op grond van artikel 1:141 lid 3 BW wordt, indien bij het einde van het huwelijk aan een bij huwelijkse voorwaarden overeengekomen periodieke verrekenplicht als bedoeld in het eerste lid niet is voldaan, het alsdan aanwezige vermogen vermoed te zijn gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden, tenzij uit de eisen van redelijkheid en billijkheid in het licht van de aard en omvang van de verrekenplicht anders voortvloeit.
Inzage stukken
3.5
De man verzoekt te bepalen dat de vrouw de aangiftes IB over de jaren 1995 tot en met 2020 in het geding dient te brengen, waaronder ook de bankafschriften van de Postbank, de SNS-bank en de ING-bank over de jaren 1995 tot en met 2010. De man heeft deze documenten nodig om aan te kunnen tonen dat hij met privé-vermogen in de voormalige en de huidige echtelijke woning van partijen geïnvesteerd heeft. De man beschikt niet over de betreffende bescheiden; deze documenten staan opgeslagen op de zolder van de echtelijke woning waar de vrouw al geruime tijd alleen woonachtig is. De vrouw weigert de bij haar in het bezit zijnde financiële stukken over te eggen. De vrouw is erbij gebaat dat deze bescheiden niet boven tafel komen, omdat daaruit de investeringen en daarmee de vergoedingsrechten van de man blijken. De man heeft veel inspanningen verricht om over de financiële bescheiden te kunnen beschikken, maar de bancaire instellingen hebben de documenten – gelet op de wettelijke bewaartermijn – niet aan de man kunnen verschaffen.
3.6
De vrouw schendt door haar handelswijze artikel 21 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). De vrouw is namelijk wel in staat om stukken in het geding te brengen die hoofdzakelijk aan de man te relateren zijn, waardoor het vermoeden bestaat dat de vrouw ook over de overige administratie beschikt. De schending van artikel 21 Rv dient ertoe te leiden dat het door de vrouw opgeworpen bewijsvermoeden over het ontbreken van administratie niet ten nadele van de man is, maar dat het ontbreken van volledige openheid aan de zijde van de vrouw in haar nadeel weegt bij de waardering van de feiten. Voor zover de vrouw de stukken niet alsnog in het geding brengt, dient zij op grond van artikel 22 Rv de verlangende gegevens over te leggen, met expliciete aanwijzing per categorie document en bron. Als de vrouw ook daar geen gehoor aan geeft, dient aan artikel 21 Rv de consequentie te worden verbonden dat als de gevraagde bescheiden wel zouden zijn overgelegd, deze de door de man gestelde herkomst van de privé-inbreng en de omvang van de verrekenbare posten zouden ondersteunen.
3.7
De vrouw voert verweer tegen het verzoek van de man. De vrouw heeft de door de man verzochte documenten niet op de zolder van de woning van partijen aangetroffen. Dat de vrouw is staat is het bankafschrift van de schenking die zij in 2002 van haar moeder heeft ontvangen over te leggen, betekent niet dat de vrouw over de door de man verzochte financiële documenten beschikt. De vrouw beschikt enkel over documenten die zien op haar eigen financiële administratie. De vrouw beschikt bovendien op haar beurt niet meer over de bankafschriften van de ABN AMRO bank. Deze bankafschriften tonen ook aan dat de vrouw heeft geïnvesteerd in de woning, zodat de vrouw ook belang heeft bij het boven tafel krijgen van de bankafschriften.
3.8
De rechtbank oordeelt als volgt. Op grond van artikel 843a Rv kan hij die daarbij rechtmatig belang heeft, op zijn eigen kosten inzage, afschrift of uittreksel vorderen van bepaalde bescheiden aangaande een rechtsbetrekking waarin hij of zijn rechtsvoorgangers partij zijn, van degene die deze bescheiden te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft. Onder bescheiden worden mede verstaan: op een gegevensdrager aangebrachte gegevens.
De rechtbank acht de door de man aangeduide bescheiden onvoldoende bepaalbaar. De man heeft inzage verzocht in de IB-aangiftes van partijen over 26 jaren en de bankafschriften over 16 jaren, terwijl de man stelt een vergoedingsrecht te hebben in verband met de investering van privé-vermogen bij de aanschaf van de woning aan [adres 2] in 1996 en een tweetal schenkingen van zijn moeder in 1998 en 2020. Het had op de weg van de man – als verzoekende partij – gelegen om concreet aan te geven over welke (korte) periodes hij bankafschriften wenst te ontvangen. De man heeft weliswaar gesteld dat hij regelmatig met privé-vermogen in de woning van partijen heeft geïnvesteerd, maar hij heeft dit niet nader geconcretiseerd door bijvoorbeeld aan te geven waar de investeringen op zagen of door middel van het overleggen van foto’s. Daarbij is de rechtbank ook niet gebleken hoe de IB-aangiftes van partijen over de jaren 1995 tot en met 2020 een vermeend vergoedingsrecht van de man kunnen onderbouwen. Artikel 843a Rv dient er niet toe om stukken op te vragen waarvan slechts het vermoeden bestaat dat deze mogelijk in de procedure van pas zouden komen. De rechtbank zal het verzoek van de man om alle IB-aangiftes en bankafschriften over de jaren 1995 tot en met 2020 van partijen te overleggen dan ook afwijzen, nu dit verzoek onvoldoende geconcretiseerd is en neigt naar een ‘fishing expedition’.
Afwikkelen huwelijkse voorwaarden
3.9
De vrouw verzoekt de man te veroordelen om met de vrouw over te gaan tot de scheiding en deling van de gezamenlijke activa en passiva toebehorende aan een der partijen, tevens met benoeming van een notaris en een onzijdig persoon als volgens de wet teneinde partijen bij te staan. De rechtbank zal dit verzoek afwijzen. Artikel 1:143 lid 2 BW verklaart de artikelen 677 en 678 Rv, waarin de rechtbank ten aanzien van de verdeling van een gemeenschap bevoegd is de verdeling ten overstaan van een notaris te bevelen, niet van overeenkomstige toepassing in het geval van verrekenbedingen.
Woning
3.10
De man verzoekt te bepalen dat partijen binnen veertien dagen na de datum van de beschikking een NVM-makelaar dienen aan te wijzen die de verkoop van de woning kan realiseren. Voor zover het partijen niet lukt om overeenstemming te bereiken over een NVM-makelaar verzoekt de man een makelaar te benoemen, althans te bepalen dat de man bevoegd is een bindende keuze te maken uit drie door hem aan de vrouw voor te leggen NVM-makelaars. De man verzoekt verder te bepalen dat de aan te wijzen makelaar de vraag- en laatprijs bindend vaststelt en de verkoopstrategie bepaalt. Daarnaast verzoekt de man te bepalen dat de vrouw haar volledige medewerking dient te verlenen aan de verkoop van de woning op verbeurte van een dwangsom van € 250,- per dag met een maximum van € 25.000,-. Voor zover de vrouw dit nalaat verzoekt de man te bepalen dat deze beschikking in de plaats treedt van de voor verkoop en levering vereiste toestemming, medewerking en/of handtekening van de vrouw. Ten aanzien van de overwaarde van de woning verzoekt de man te bepalen dat deze, na aflossing van de hypothecaire geldlening en kosten van verkoop, in depot zal blijven bij de notaris die de levering verzorgt totdat partijen overeenstemming hebben bereikt over de onderlinge vermogensrechtelijke afwikkeling.
3.11
De vrouw verzoekt ten aanzien van de woning aan [adres 1] te bepalen dat de overwaarde van de woning bij helfte dient te worden verdeeld. De woning is (mede) aangeschaft met de overwaarde van de gezamenlijke woning aan [adres 2] die (mede) met overgespaard inkomen is gekocht.
3.12
De rechtbank oordeelt als volgt. Tussen partijen staat niet ter discussie dat zij op 27 juni 1996 de woning aan [adres 2] voor een bedrag van (omgerekend) € 116.848,35 hebben gekocht. Op de woning rustte destijds een hypothecaire geldlening van (omgerekend) € 70.335,-. Partijen hebben deze woning verkocht, waarna zij op 1 december 2010 de woning aan [adres 1] hebben gekocht voor een bedrag van € 294.500,-. Ten aanzien van de woning van partijen is sprake van een eenvoudige gemeenschap.
Tussen partijen staat niet ter discussie dat de woning verkocht dient te worden, zodat de rechtbank hiervoor een “spoorboekje” zal opstellen. Partijen zijn na enig beraad gedurende de schorsing van de mondelinge behandeling overeengekomen dat de woning te koop zal worden aangeboden via [makelaar] in [plaats 1] . Partijen zijn verder overeengekomen dat indien de koper de woning voor een hoger bedrag dan de vraagprijs wenst te kopen, de koper de oplevertermijn mag bepalen. Voor zover dit niet het geval is zal de rechtbank, conform het verzoek van de vrouw, bepalen dat de oplevertermijn drie maanden bedraagt. De vrouw heeft tijdens de mondelinge behandeling immers aangegeven dat zij haar aandeel in de overwaarde van de woning wenst te besteden aan de aanschaf van een nieuwe woning. De vrouw kan pas haar financiële mogelijkheden onderzoeken op het moment dat er duidelijkheid is over de verkoopprijs en daarmee het haar toekomende deel van de overwaarde. Onder die omstandigheden acht de rechtbank het redelijk dat de vrouw een termijn van drie maanden geboden worden om vervangende woonruimte te realiseren.
3.13
De man heeft verder verzocht te bepalen dat de vrouw gehouden is haar medewerking te verlenen aan de verkoop van de woning en dat de beschikking in de plaats treedt van de toestemming van de vrouw voor zover zij dit weigert. Ook heeft de man verzocht te bepalen dat de vrouw een dwangsom van € 250,- verbeurt per dag dat zij niet aan de verplichtingen behorende bij de verkoop van de woning voldoet.
3.14
De rechtbank is van oordeel dat niet gesteld, noch gebleken is dat de vrouw geen medewerking zal verlenen aan de verkoop van de woning. Dit geldt des te meer nu de vrouw tijdens de mondelinge behandeling heeft aangegeven haar medewerking aan de verkoop te verlenen omdat zij behoefte heeft aan rust. De rechtbank gaat er vanuit dat de vrouw deze toezegging zal nakomen. De man heeft bij deze stand van zaken onvoldoende belang bij deze verzoeken, zodat de rechtbank deze verzoeken zal afwijzen. Nu de rechtbank zal beslissen ten aanzien van de verdeling van de overwaarde, zal de rechtbank ook het verzoek van de man te bepalen dat de netto-opbrengst van de woning na verkoop in depot zal blijven bij de notaris afwijzen.
Vergoedingsrechten
3.15
Zoals hiervoor onder rechtsoverweging 3.12. is overwogen, is ten aanzien van de echtelijke woning sprake van een eenvoudige gemeenschap tussen partijen. Beide partijen hebben gesteld dat er vergoedingsrechten zijn ontstaan waarmee bij de financiële afwikkeling ter zake de echtelijke woning rekening dient te worden gehouden. Partijen verschillen van mening over de vraag of de man al dan niet aanspraak kan maken op de door hem gestelde vergoedingsrechten of dat de overwaarde van de woning aan [adres 1] bij helfte dient te worden verdeeld.
De vergoedingsrechten
3.16
De man stelt op basis van artikel 1:87 BW, althans de jurisprudentie voorafgaand aan de invoering van artikel 1:87 BW, aanspraak te maken op een drietal vergoedingsrechten in verband met investeringen van privé-vermogen van de man in de aanschaf dan wel verbouwing van de (voormalige) woning van partijen. Ter onderbouwing van dit standpunt stelt de man het volgende. Partijen hebben op 27 juni 1996 de woning aan [adres 2] aangekocht voor een bedrag van (omgerekend)
€ 116.848,35. Partijen hebben voor de aanschaf van deze woning een hypothecaire geldlening afgesloten van € 70.335,-. Het resterende gedeelte, een bedrag van € 46.513,35, heeft de man uit zijn privé-vermogen voldaan. De man heeft namelijk op 27 juni 1996 een schenking ontvangen van zijn moeder van (omgerekend) € 22.689,-. De rest van het bedrag van € 23.824,35 heeft de man voldaan uit inkomen vergaard tijdens zijn betaalde voetbalcarrière voorafgaand aan het huwelijk van partijen, voornamelijk in de periode 1987 tot en met 1990. Anders dan de vrouw is de man van oordeel dat het niet relevant is dat dit geldbedrag van € 46.513,35 vanaf de gezamenlijke bankrekening van partijen naar de notaris is overgeboekt. Het enkele feit dat de geldstroom via de gezamenlijke rekening van partijen is gegaan, maakt niet dat er sprake is van gemeenschappelijk vermogen. Vervolgens hebben partijen op 1 december 2010 de woning aan [adres 1] aangeschaft. Ten tijde van de aankoop van de woning aan [adres 1] hebben partijen een bedrag van € 44.299,89 aan de notaris voldaan. Een gedeelte van dit bedrag, te weten € 25.474,07, is afkomstig van de polis van Avéro Achmea op naam van de man (productie 31 van de man). Het resterende bedrag van € 18.824,93 is voldaan uit overgespaard inkomen.
Daarnaast heeft de moeder van de man hem op 23 september 1998 een bedrag van (omgerekend) € 18.342,25 geschonken en op 29 december 2020 een bedrag van € 5.515,-. De moeder van de man heeft deze geldbedragen alleen aan hem geschonken, waardoor de schenkingen tot het privé-vermogen van de man behoren. De man heeft deze schenkingen geïnvesteerd in (de verbouwing van) de woning van partijen. De man stelt zich primair op het standpunt dat op zijn vergoedingsrechten de beleggingsleer van toepassing is, subsidiair stelt de man aanspraak te maken op een nominaal vergoedingsrecht.
3.17
De man betwist het standpunt van de vrouw dat het huwelijksvermogen van partijen moet worden afgewikkeld alsof er sprake was van een gemeenschap van goederen. Partijen zijn bij het aangaan van het huwelijk huwelijkse voorwaarden overeengekomen. Dat partijen geen uitvoering hebben gegeven aan het periodiek verrekenbeding maakt dit niet anders. De huwelijkse voorwaarden blijven onverkort gelden. De man betwist dan ook dat de overwaarde van de woning aan [adres 1] bij helfte tussen partijen dient te worden verdeeld.
3.18
Ook het standpunt van de vrouw dat zij eveneens een schenking heeft ontvangen die zij in de woning van partijen heeft geïnvesteerd en daarmee aanspraak kan maken op een vergoedingsrecht betwist de man, maar kan ook niet tot de conclusie leiden dat de overwaarde van de woning aan [adres 1] bij helfte dient te worden verdeeld. De vrouw heeft namelijk slechts één bankafschrift overgelegd waaruit blijkt dat er op de bankrekening met [nummer 1] in 2002 een bedrag van € 19.991,- is bijgeschreven (productie 3 van de vrouw bij verweerschrift scheiding en deling activa en passiva van 2 oktober 2025). Dit toont echter nog niet aan dat de vrouw het bedrag geschonken is onder een uitsluitingsclausule. De vrouw heeft geen inzage verschaft in de titel van de schenking, waardoor er – zo begrijpt de rechtbank – vanuit moet worden gegaan dat de schenking bestemd was voor beide partijen. Voor zover de rechtbank aannemelijk acht dat de geldsom enkel aan de vrouw geschonken is, leidt dit niet zonder meer tot de conclusie dat de vrouw aanspraak kan maken op een vergoedingsrecht. Om aanspraak te kunnen maken op een vergoedingsrecht dient de schenking te zijn aangewend voor waarde vormende investeringen. Consumptieve uitgaven leiden niet tot vermogensvorming en vallen ook niet onder de reikwijdte van artikel 1:141 BW. De vrouw heeft in zijn geheel niet aangetoond waar zij de schenking aan heeft besteed.
Verder betwist de man dat de vrouw aanspraak zou kunnen maken op een vergoedingsrecht doordat hij met gezamenlijk vermogen auto’s heeft aangekocht. Het enkele feit dat de auto’s betaald zijn van de gezamenlijke rekening van partijen, maakt niet zonder meer dat er sprake was van gezamenlijk vermogen. De man schaart de aankoop van auto’s onder consumptieve uitgaven, nu de aankoop van auto’s niet valt onder duurzame vermogensvorming. Deze uitgaven behoren tot het normale bestedingspatroon binnen het huwelijk en vallen niet binnen de reikwijdte van artikel 1:87 BW. Er is bovendien geen sprake van te verrekenen vermogen in de zin van artikel 1:141 lid 3 BW; de man heeft de auto’s jaren geleden al verkocht. Voor zover de vrouw desondanks aanspraak wil maken op een verrekenvordering ligt het op de weg van de vrouw aan te tonen hoe de verkoopopbrengst van de auto’s is geïnvesteerd. De man ontkent tenslotte dat de door hem ontvangen schenkingen zijn besteed aan de aanschaf van auto’s. De schenkingen die de man heeft ontvangen zijn geïnvesteerd in de woning van partijen. Het verzoek van de vrouw dient, als onvoldoende onderbouwd, te worden afgewezen.
3.19
De vrouw voert verweer tegen de verzoeken van de man. De vrouw stelt zich – zo begrijpt de rechtbank – primair op het standpunt dat partijen gedurende het huwelijk hebben gehandeld alsof er sprake was van een gemeenschap van goederen. Partijen hebben geen uitvoering gegeven aan het periodiek verrekenbeding en zij hebben ook geen administratie bijgehouden zoals opgenomen in artikel 13 van de huwelijkse voorwaarden. Het was de geobjectiveerde wil en bedoeling van partijen om te leven alsof er sprake was van een gemeenschap van goederen. Daarnaast heeft niet alleen de man, maar ook de vrouw gedurende het huwelijk van partijen een schenking ontvangen. De vrouw heeft in 2002 namelijk een schenking van € 19.991,- van haar moeder ontvangen. De vrouw heeft deze schenking in zijn geheel in de woning geïnvesteerd en maakt daardoor aanspraak op een vergoeding. Er is hierdoor sprake van een vermogensverschuiving naar de algehele gemeenschap van goederen in plaats van de huwelijkse voorwaarden met koude uitsluiting. De handelingen van partijen zijn in de optiek van de vrouw doorslaggevend.
3.20
De vrouw betwist dat het gedeelte van het aankoopbedrag van de woning aan [adres 2] dat niet door middel van een hypothecaire geldlening is voldaan afkomstig is uit privé-vermogen van de man. Partijen hebben dit geldbedrag voldaan vanaf de gezamenlijke rekening die gevoed werd met het inkomen van partijen. Op deze rekening werd niet alleen het salaris van de man, maar ook het salaris van de vrouw gestort. De vrouw was destijds werkzaam als directiesecretaresse bij [bedrijf 1] . De man was destijds (parttime) werkzaam bij de gemeente. De vrouw betwist verder dat de man met de door hem overgelegde documenten de titel van de schenking en de besteding van de geldsom aan de aanschaf van de woning heeft aangetoond.
Daarnaast stelt de vrouw dat, zo blijkt uit productie 5 aangehecht aan het verweerschrift scheiding en deling activa en passiva van 2 oktober 2025, dat ook het bedrag dat partijen uit eigen middelen hebben voldaan voor de aankoop van de woning aan [adres 1] afkomstig is van de gezamenlijke rekening van partijen. Op deze gezamenlijke rekening stond privé-vermogen van beide echtgenoten. Om die reden vindt de vrouw het naar de maatstaven van redelijkheid en billijkheid acceptabel dat de overwaarde van de woning bij helfte wordt verdeeld.
De vrouw betwist daarnaast dat het door partijen betaalde bedrag van € 44.299,89 afkomstig is uit privé-vermogen van de man. Een bedrag van € 25.304,14 is weliswaar ontvangen door de afkoop van de levensverzekering van de man, maar de vrouw betaalde al sinds 1992 de premies voor deze levensverzekering.
Tenslotte stelt de vrouw dat de man gedurende het huwelijk diverse auto’s heeft aangekocht. Deze auto’s vertegenwoordigen een waarde van enkele duizenden euro’s. De vrouw vermoedt dat de man deze auto’s met gezamenlijk vermogen heeft aangekocht. De vrouw maakt ook om die reden aanspraak op een vergoedingsrecht.
Het inhoudelijk oordeel
3.21
De rechtbank oordeelt als volgt. Partijen zijn in de huwelijkse voorwaarden in artikel 9 een periodiek verrekenbeding overeengekomen. Er is dus geen sprake van koude uitsluiting zoals door partijen gesteld. Reeds onder randnummer 3.4. is opgemerkt dat als er gedurende het huwelijk geen uitvoering is gegeven aan het periodieke verrekenbeding het op de peildatum aanwezige vermogen wordt vermoed te zijn gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden, tenzij uit de eisen van redelijkheid en billijkheid in het licht van de aard en omvang van de verrekenplicht anders voortvloeit. De afwikkeling van dit verrekenbeding lijkt erg op de financiële afwikkeling van een huwelijk waarbij sprake is van een algehele gemeenschap van goederen, maar verschilt in die zin dat bij een gemeenschap van goederen de goederen daadwerkelijk verdeeld worden, terwijl bij huwelijkse voorwaarden sprake is van een verrekening van de waarde van die goederen. Een (periodiek) verrekenbeding houdt niets anders in dan een methode van verrekening naar analogie van de verdeling van de gemeenschap van goederen, maar heeft niet tot gevolg dat partijen bij de verrekening ervan uit dienen te gaan dat tijdens het huwelijk of op het moment van verrekening tussen hen daadwerkelijk een gemeenschap van goederen bestaat. Dat partijen gedurende het huwelijk geen uitvoering hebben gegeven aan het periodiek verrekenbeding maakt dit niet anders. Om die reden is artikel 1:141 lid 3 BW in het leven geroepen. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw de overwaarde van de woning aan [adres 1] bij helfte te verdelen, om de reden dat partijen geen uitvoering hebben gegeven aan het periodiek verrekenbeding en er daarom moet worden verrekend alsof er sprake was van een gemeenschap van goederen, dan ook afwijzen.
3.22
Desondanks dient de overwaarde in beginsel bij helfte tussen partijen te worden verdeeld, omdat zij beiden voor een evenredig aandeel eigenaar zijn van de woning. De man heeft echter gesteld dat hij vergoedingsrechten heeft, waardoor de overwaarde niet bij helfte dient te worden verdeeld. De vrouw heeft ook gesteld vergoedingsrechten te hebben, maar heeft hier vervolgens geen verzoek over ingediend.
Tussen partijen is niet in geschil dat over het algemeen geen plaats is voor vergoedingsrechten bij de afrekening op grond van een finaal verrekenbeding, maar dat dit anders kan zijn als de vergoedingsaanspraak betrekking heeft op een vermogensbestanddeel dat buiten de verrekening valt zoals schenkingen en voorhuwelijks vermogen. Voor zover tijdens de huwelijkse periode daarmee betalingen zijn gedaan, heeft de betreffende partij een vergoedingsrecht. Verder is tussen partijen niet in geschil dat er vergoedingsrechten jegens de eenvoudige gemeenschap van woning kunnen ontstaan.
3.23
Tot 2012 ontbrak een wettelijke regeling voor het ontstaan van een vergoedingsrecht indien er geen sprake was van een huwelijksvermogensrechtelijke gemeenschap. Sinds 2012 is in artikel 1:87 BW (welk artikel geldt voor alle huwelijken ongeacht het huwelijksgoederenregime) vastgelegd dat een echtgenoot wiens vermogen is aangewend ter verkrijging van een goed dat zal toebehoren, of ter voldoening van een schuld die toebehoort, aan het vermogen van de andere echtgenoot, een vergoedingsrecht heeft. In de periode voorafgaand aan 2012 werd een dergelijk vergoedingsrecht ook aangenomen, maar dan op grond van de jurisprudentie (met name Hoge Raad 12 juni 1987, 37, NJ 1988/150 Kriek/Smit). De Hoge Raad heeft in deze uitspraak (onder r.o. 3.3.) reeds geoordeeld dat tussen echtgenoten die bij hun huwelijkse voorwaarden elke gemeenschap hebben uitgesloten, vergoedingsrechten kunnen ontstaan doordat de goederen die gedurende het huwelijk op naam van de een zijn verkregen, geheel of ten dele met geld van de ander zijn gefinancierd, evenals dat bij een tussen echtgenoten bestaande gemeenschap ook vergoedingsrechten ten bate en ten laste van deze gemeenschap kunnen ontstaan.
3.24
Op grond van artikel. 1:95 lid 1 en 2 BW en art. 1:96 lid 4 en 5 BW is de regeling van art. 1:87 BW ook van overeenkomstige toepassing op vergoedingsrechten die spelen tussen een eigen vermogen en een huwelijksvermogensrechtelijke gemeenschap. Dat betekent dat de in artikel 1:87 BW opgenomen regeling voor vergoedingsrechten niet alleen geldt ter zake van vermogensverschuivingen tussen de privévermogens van echtgenoten bij de verkrijging van een privégoed of de voldoening van een privéschuld, maar ook in geval van een vermogensverschuiving bij de verkrijging door echtgenoten van een gemeenschappelijk goed, gefinancierd uit hun privévermogens (zie ook Hoge Raad 10 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:18714 r.o. 3.2.). In lid 2 en 3 van artikel 1:87 BW is de berekening van de hoogte van de vergoeding geregeld. Hierin is de zogenaamde beleggingsleer opgenomen. Op grond van artikel 1:87 lid 4 BW kunnen partijen bij overeenkomst afwijken van het bepaalde in artikel 1:87 lid 1, 2 en 3 BW. In dit geval hebben partijen in hun huwelijkse voorwaarden een afspraak gemaakt over het ontstaan van vergoedingsrechten en de hoogte en opeisbaarheid daarvan. Die afspraak is opgenomen onder artikel 3 van hun huwelijkse voorwaarden, zoals hierboven onder 3.1. weergegeven. Deze bepaling ziet, naar het oordeel van de rechtbank, dan ook op bedragen die de ene echtgenoot uit zijn/haar vermogen ten bate van het vermogen van de andere echtgenoot (te weten zijn/haar aandeel in de eenvoudige gemeenschap van partijen, te weten de woning) heeft onttrokken. Op grond van artikel 3 van de huwelijkse voorwaarden dienen deze bedragen aan de betreffende echtgenoot te worden vergoed “ten bedrage van of naar de waarde ten dage van de onttrekking”, derhalve nominaal. De echtgenoten zijn dan ook in de huwelijkse voorwaarden een regeling overeengekomen die afwijkt van artikel 1:87 BW. Dat de huwelijkse voorwaarden van voor 2012 dateren maakt dat niet anders, hetgeen betekent dat artikel 1:87 BW (de rechtbank begrijpt lid 1 tot en met 3) voor vergoedingsrechten die tussen deze echtgenoten zijn ontstaan na 1 januari 2012 geen betekenis heeft (zie conclusie van de P-G bij Hoge Raad 23 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1936 r.o. 3.7 tot en met 3.14). Gelet op de tekst van de huwelijkse voorwaarden is de rechtbank van oordeel dat de nominaliteitsleer van toepassing is op de gestelde vergoedingsrechten.
3.25
Ten aanzien van de door de man gestelde vergoedingsrechten oordeelt de rechtbank als volgt. Tussen partijen staat niet ter discussie dat zij voor de aanschaf van de woning aan [adres 2] een bedrag van € 116.848,35 (fl 257.000,-) hebben betaald waarvoor een hypotheeklening is aangegaan ten bedrage van € 70.335,- en € 46.513,35 afkomstig is uit eigen middelen. Partijen twisten over de herkomst van deze eigen middelen. De rechtbank is van oordeel dat de man genoegzaam heeft aangetoond dat hij dit bedrag uit zijn privé-vermogen heeft aangewend. De man heeft namelijk onbetwist gesteld dat hij op 27 juni 1996 een bedrag van fl. 50.000,- (omgerekend € 22.689,-) van zijn moeder heeft ontvangen, zoals blijkt uit productie 21 van de man, zijnde de schuldigerkenning. Uit productie 22 van de man blijkt dat hem jaarlijks een gedeelte van deze schuld is kwijtgescholden. Zo zijn de moeder van de man en de man op 19 september 1996 overeengekomen: “De schuldeiser verklaart hierbij aan de schuldenaar kwijt te schelden, onder de verplichting tot inbreng in haar nalatenschap en onder de bepaling dat het geschonkene, hetgeen door wederbelegging daarvan wordt verkregen alsmede de revenuen daarvan niet zullen vallen in enige gemeenschap van goederen waarin de begiftigde is gehuwd of nog zal huwen en niet zal worden betrokken bij de toepassing van enig afrekenbeding, behoudens voor zover het betreft een afrekenbeding ten aanzien van onverteerde inkomsten, een bedrag van fl. 7.823,- zodat de restantschuld na deze kwijtschelding nog bedraagt fl. 42.177,-“. Het kwijtgescholden bedrag fluctueerde jaarlijks totdat in 2003 de volledige schuld van fl. 50.000,- kwijtgescholden is. Tussen partijen staat ook niet ter discussie dat het geldbedrag van fl. 50.000,- enkel aan de man, en dus niet aan partijen gezamenlijk, geschonken is. De man heeft verder onbetwist gesteld dat hij in de periode 1987 tot en met 1991 bij [bedrijf 2] een maandinkomen van ongeveer
fl. 2.500,- genoot. De man heeft daarover onbetwist gesteld dat doordat hij op dat moment nog thuiswonend was, hij een aanzienlijk gedeelte van dit salaris heeft kunnen sparen. De man beschikte derhalve over voorhuwelijks vermogen. Voorhuwelijks vermogen blijft privé. De rechtbank betrekt verder in haar oordeel dat de man de geldsom van zijn moeder heeft ontvangen op de dag dat partijen zijn overgaan tot de aankoop van de woning in [plaats 2].
De vrouw heeft weliswaar betwist dat de geldsom afkomstig was uit het privé-vermogen van de man, maar zij heeft – anders dan dat het geld afkomstig was van de gezamenlijke rekening van partijen en daarom als gezamenlijk vermogen dient te worden aangemerkt – niet gesteld of aannemelijk gemaakt wat in haar optiek de herkomst van de geldsom is. Dat de vrouw sinds 1989 werkzaam was en ten tijde van het huwelijk beschikte over een depositorekening met een saldo van fl. 10.000,- en fl. 6.000,- spaargeld verklaart het door partijen aangebrachte bedrag bij de aankoop van de woning niet.
De rechtbank acht het ook niet aannemelijk dat deze geldsom is voldaan uit gedurende het huwelijk opgebouwd overgespaard inkomen. Partijen zijn namelijk gehuwd op [datum 3] 1995. Op 27 juni 1996 zijn partijen overgegaan tot de aankoop van de woning aan [adres 2] . Ten tijde van de aankoop van de woning waren partijen bijna 10 maanden gehuwd. De vrouw heeft weliswaar gesteld dat partijen destijds beiden werkzaam waren, maar in het geval van de man ging het om een parttime dienstaanstelling en de vrouw genoot een inkomen van fl. 2.500,- per maand. Om binnen een periode van 10 maanden een gezamenlijk vermogen van meer dan fl. 100.000,- te vergaren, dienen partijen maandelijks in de gelegenheid te zijn geweest minimaal fl. 10.000,- te kunnen sparen.
De rechtbank gaat daarbij, zoals eerder overwogen, voorbij aan het standpunt van de vrouw dat nu dit geldbedrag vanaf de gezamenlijke bankrekening is voldaan er sprake dient te zijn van gezamenlijk vermogen.
3.26
Ten aanzien van het door de man gestelde over de vergoedingsrechten van
€ 18.342,25 en € 5.515,- oordeelt de rechtbank als volgt. De man heeft genoegzaam aangetoond dat zijn moeder hem op 23 september 1998 een bedrag van (omgerekend)
€ 18.342,25 onder uitsluitingsclausule heeft geschonken, zo blijkt uit artikel 3 van de notariële akte van 23 september 1998 (productie 23 van de man). Reeds onder randnummer 3.24. heeft de rechtbank overwogen dat de man aanspraak kan maken op een vergoedingsrecht als er sprake is van een vermogensverschuiving van zijn privé-vermogen naar het privé-vermogen van de vrouw, dan wel naar een eenvoudige gemeenschap van partijen. De man heeft weliswaar gesteld dat hij de onder uitsluitingsclausule verkregen schenking in de woning heeft geïnvesteerd, maar hij heeft dit verder niet geconcretiseerd. De rechtbank acht het, zonder nadere onderbouwing, onaannemelijk dat een schenking uit 1998 is geïnvesteerd bij de aanschaf van de woning in 2010. Ook heeft de man niet concreet gesteld waar de investeringen van de woning anders op zouden zien. Voor zover de man stelt dat zijn schenking al dan niet gedeeltelijk consumptief is besteed, geldt het volgende. Partijen hebben nagelaten aan te tonen of er op de peildatum nog sprake was van te verrekenen vermogen, zodat het verzoek van de man ook op die grond dient te worden afgewezen. Ten aanzien van de schenking uit 2020 heeft de man enkel een bankafschrift overgelegd waaruit blijkt dat hij op 29 december 2020 onder het bijschrift “schenking 2020” een schenking van € 5.515,- heeft ontvangen. De man heeft daarmee niet aangetoond dat hij de schenking onder uitsluitingsclausule heeft verkregen of dat de schenking niet bestemd was voor beide partijen. Het testament van de moeder van de man, opgesteld op 18 december 2020, waaruit blijkt dat al hetgeen uit haar nalatenschap wordt verkregen niet zal vallen in enige goederengemeenschap, waarin de verkrijger gerechtigd mocht zijn of worden, en niet in aanmerking mag worden genomen bij de toepassing van enig verreken- of afrekenbeding, maakt dit niet anders. Immers, de man heeft niet gesteld dat het bedrag dat hij op 29 december 2020 heeft ontvangen afkomstig is uit de nalatenschap van zijn moeder.
Dit maakt dat de rechtbank deze schenking bij deze stand van zaken niet als privé-vermogen van de man kan aanmerken. De man had bovendien, gelet op de wettelijke bewaartermijn, voor deze schenking wel de mogelijkheid om bankafschriften op te vragen. De man heeft dit nagelaten. De rechtbank kan daardoor niet vaststellen dat er een (nader) vergoedingsrecht ten behoeve van de man is ontstaan.
3.27
Volledigheidshalve merkt de rechtbank op dat partijen een uitvoering debat hebben gevoerd over de herkomst van het bedrag van € 44.299,89 dat partijen hebben voldaan bij de aanschaf van de woning aan [adres 1] . De rechtbank zal, bij een gebrek aan een verzoek over dit geldbedrag, niet verder ingaan op de door partijen hierover ingenomen standpunten.
3.28
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank bepalen dat de verkoopopbrengst van de echtelijke woning na aflossing van de hypotheek, betaling van de verkoopkosten en vergoeding aan de man van € 46.513,35, bij helfte dient te worden verdeeld.
Verzekeringen
3.29
De vrouw verzoekt te bepalen dat de man medewerking dient te verlenen conform het advies van de verzekeringsagent, inhoudende dat de man het verzekeringspakket dient aan te passen naar aanleiding van productie 2, op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag met een maximum van € 25.000,-. Daarnaast verzoekt de vrouw te bepalen dat de man aan de vrouw de autoverzekering van de auto van de man, inhoudende een bedrag van
€ 30,69 per maand voor de Kia Picanto, dient terug te betalen vanaf mei 2024 tot en met de dag dat de man de betreffende verzekering op zich neemt, vermeerderd met de wettelijke rente te voldoen tot algehele voldoening, primair vanaf mei 2024 dan wel subsidiair de datum van de afgifte van de beschikking. De vrouw stelt daartoe dat de man geen medewerking verleent aan het aanpassen van het verzekeringspakket ten behoeve van de auto en de woning. De verzekeringen staan op naam van de man, maar worden bekostigd door de vrouw. De vrouw is alleen niet bevoegd het verzekeringspakket aan te passen. Dit geldt ook voor de contracten met Oxxio energie, Ziggo, Netflix, Feenstra cv en WML. De vrouw verzoekt om die reden de man te veroordelen medewerking te verlenen aan het wijzigen van de contracten conform het advies van de verzekeringsagent.
3.30
Ten aanzien van het verzoek over de wijziging van de tenaamstelling van het verzekeringspakket overweegt de rechtbank dat hier geen wettelijke grondslag voor bestaat, zodat de rechtbank dit verzoek zal afwijzen.
3.31
De rechtbank overweegt ten overvloede dat de man tijdens de mondelinge behandeling heeft aangegeven dat hij het oversluiten van de autoverzekering ‘heeft laten liggen’. De verzoeken ten aanzien van het verzekeringspakket heeft de vrouw niet aan de man voorgelegd, maar ook hier zal de man zijn medewerking aan verlenen. Ten aanzien van de kosten voor de autoverzekering stelt de man dat hij in 2024 de volledige aanslag BsGW van € 1.200,- heeft voldaan, waarmee de door de vrouw betaalde premies voor de autoverzekering kunnen worden verrekend. Nu de vrouw dit niet heeft betwist gaat de rechtbank ervan uit dat partijen over en weer niets meer van elkaar te vorderen hebben ten aanzien van deze posten.
Inboedel
3.32
De vrouw verzoekt de inboedel te verdelen conform de door de vrouw overgelegde inboedellijst.
3.33
De man heeft, ter voorkoming van kosten, voorgesteld dat hij de woning eenmalig kan betreden ter inventarisatie van de inboedel, waarna deze in onderling overleg tussen partijen kan worden verdeeld.
3.34
De rechtbank oordeelt als volgt. Partijen zijn na afloop van de mondelinge behandeling in de gelegenheid gesteld nader overleg te plegen over de verdeling van de inboedel. Partijen hebben de rechtbank nadien bericht dat zij geen overeenstemming hebben bereikt over de inboedel. Nu partijen geen overeenstemming hebben bereikt over de inboedellijst, zal de rechtbank bepalen dat de inboedel (een eenvoudige gemeenschap) opgenomen op de inboedellijst die als productie 7 gehecht is aan het verweerschrift scheiding en deling activa en passiva van de vrouw van 2 oktober 2025 tussen partijen bij helfte zal worden verdeeld, waarbij partijen om de beurt een onderdeel van de inboedel ter toedeling mogen aanwijzen en waarbij de man als eerste mag kiezen. De man heeft weliswaar gesteld dat hij al lang niet meer aanwezig is geweest in de woning van partijen, maar niet dat de inboedellijst van de vrouw onvolledig is.
Pensioenen
3.35
De vrouw verzoekt bij aanvullend verzoekschrift verevening pensioenrechten van 6 mei 2026 te bepalen dat de lijfrentepolis bij Avéro Achmea onder [nummer 2] op basis van de Wet Verevening Pensioenrechten bij Scheiding verdeeld dient te worden tussen beide partijen, mede gelet op het feit dat de vrouw heeft meebetaald aan de betreffende pensioenopbouw en omdat partijen geleefd hebben als ware zij gehuwd in de algehele gemeenschap van goederen. De polis bij Avéro Achmea is opgebouwd gedurende het huwelijk. De vrouw heeft zowel tijdens als voorafgaand aan het huwelijk meebetaald aan de maandelijkse premies.
3.36
De man heeft verweer gevoerd tegen dit verzoek van de vrouw. De man stelt dat de vrouw niet-ontvankelijk is in haar verzoek over de lijfrentepolis. De extra schriftelijke ronde na de mondelinge behandeling was alleen bedoeld voor het indienen van aanvullende gegevens ten aanzien van de inboedel, niet voor het aanvullen van reeds ingediende verzoeken. Subsidiair stelt de man dat de polis niet voor verdeling in aanmerking komt omdat partijen onder huwelijkse voorwaarden zijn gehuwd en niet in gemeenschap van goederen. Meer subsidiair stelt de man dat de (wettelijke) grondslag van het verzoek ontbreekt. Artikel 14 van de huwelijkse voorwaarden bepaalt dat pensioenrechten verevend dienen te worden conform de WvPS. Deze wet vormt geen grondslag voor een verdeling van een vermogensbestanddeel in de vorm van een lijfrentepolis.
3.37
De rechtbank is met de man van oordeel dat het aanvullende verzoek van de man en de nieuw ingenomen standpunten in strijd zijn met de goede procesorde en zal deze buiten toepassing laten. Het eerste processtuk van de vrouw, zijnde het verzoek tot echtscheiding, dateert van 8 mei 2024. De vrouw heeft vervolgens bij verweerschrift van 2 oktober 2025 (inhoudelijke) zelfstandige verzoeken ten aanzien van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden ingediend. De vrouw heeft nadien geruime tijd de gelegenheid gehad om haar verzoeken aan te vullen, maar zij is hier niet toe overgegaan.
De rechtbank heeft partijen naar aanleiding van de mondelinge behandeling alleen in de gelegenheid gesteld om aanvullende gegevens ten aanzien van de inboedel aan te leveren. De vrouw heeft niet aangekondigd dat er nog een aanvulling van de eerder ingediende verzoeken aan zat te komen. De handelswijze van de vrouw heeft de man geschaad in zijn mogelijkheden om verweer te voeren. De vrouw heeft geen goede reden gegeven waarom het aanvullende verzoek pas zo laat in de procedure is ingediend. De rechtbank betrekt verder in haar oordeel dat zij de vrouw al reeds per e-mail heeft geïnformeerd dat partijen geen gelegenheid krijgen om aanvullende verzoeken in te dienen. De vrouw is desondanks overgegaan tot het indienen van het aanvullende verzoek. De rechtbank zal daarom het verzoek van de vrouw dat ziet op de lijfrentepolis bij Avéro Achmea afwijzen.
4De beslissing
4.1
stelt de (wijze van) verdeling van de tussen partijen bestaande eenvoudige gemeenschap als volgt vast:
[adres 1] :
dat de woning te koop wordt gezet bij [makelaar] in [plaats 1] ;
dat partijen hun medewerking dienen te geven aan het maken van foto’s van de woning en wel binnen twee weken na een daartoe strekkend verzoek van de makelaar;
dat partijen hun medewerking dienen te verlenen aan het in de woning toelaten van de makelaar en eventuele kopers voor bezichtiging;
de makelaar de vraag- en laatprijs bindend vaststelt;
dat partijen in overleg met de makelaar de verkoopovereenkomst zullen aangaan met degene die de hoogste prijs biedt, indien en voor zover die prijs volgens beide partijen, gezien de onroerendgoedmarkt ter plaatse en de kwaliteit van de woning, de beste mogelijke prijs is. In het geval partijen het niet eens kunnen worden over de vraag of een aanbod de best mogelijke prijs is, dan zal de makelaar die naar beste weten en kunnen bindend bepalen;
dat beide partijen verplicht zijn hun medewerking te verlenen aan het tekenen van de koopovereenkomst en aan het notariële transport van de woning aan de koper;
dat indien door de koper een koopsom wordt geboden die hoger is dan de vraagprijs, de termijn van oplevering afhankelijk is van de wensen van de koper. In alle andere gevallen geldt een oplevertermijn van drie maanden;
dat iedere partij gehouden is de helft van de kosten van de makelaar en de overige kosten ter zake van de verkoop en levering van de woning te dragen;
op de verkoopopbrengst strekt in mindering de alsdan resterende hypotheekschuld, de (notaris)kosten en het aan de man toekomende vergoedingsrecht van € 46.513,35. Hetgeen resteert wordt bij helfte verdeeld;
Inboedel:
bepaalt dat beide partijen gerechtigd zijn tot de helft van de inboedel (genoemd in de inboedellijst, productie 7 bij het verweerschrift scheiding en deling activa en passiva van 2 oktober 2025 van de vrouw) in de woning aan [adres 1] , waarbij de man als eerste mag aangeven welk inboedelbestanddeel hij toegedeeld wenst te krijgen en partijen vervolgens om en om een keuze maken;
4.2
verklaart de beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
4.3
wijst af het anders of meer verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. Raab, rechter en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. Mestrini, griffier op 2 juli 2026.
Tegen de eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- de verschenen partij(en), binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- de niet verschenen partij(en), binnen drie maanden na de betekening van de beschikking aan hem/haar in persoon of binnen drie maanden nadat deze op een andere manier is betekend en openbaar is gemaakt door het plaatsen van een uittreksel van de beschikking in de Staatscourant.