Rechtbank Limburg
ECLI:NL:RBLIM:2026:9262
2026-09-02
Civiel recht
11954354 \ CV EXPL 25-4551
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Verbintenissenrecht. Consumentenrecht. Nakoming betaling factuur voor verleende zorg. Amtshalve toetsing prijsbeding: niet-transparant, maar ook niet oneerlijk. Toewijzing vordering.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (19.306 tekens)
RECHTBANK
LIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 11954354 \ CV EXPL 25-4551
Vonnis van 2 september 2026
in de zaak van
[eisende partij] B.V.,
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eisende partij] ,
gemachtigde: Rosmalen Gerechtsdeurwaarders,
tegen
[gedaagde partij]
,
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde partij] ,
procederend in persoon.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 t/m 3,- de conclusie van antwoord met producties,- de akte van [eisende partij] ,- de conclusie van repliek met producties 4 t/m 8,- de conclusie van dupliek met producties 1 t/m 13.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
[eisende partij] en [gedaagde partij] zijn mondeling een geneeskundige behandelingsovereenkomst aangegaan, waarna [eisende partij] aan [gedaagde partij] zorg heeft verleend. Dit betrof in elk geval een intakegesprek na verwijzing door de huisarts.
2.2.
[eisende partij] heeft op 1 juli 2025 uit hoofde van de door [eisende partij] verleende zorg een factuur ter hoogte van € 80,50 aan [gedaagde partij] gestuurd.
2.3.
Bij brief en e-mail van 14 augustus 2025 heeft [eisende partij] [gedaagde partij] aangemaand om binnen veertien dagen na bezorging van de brief de openstaande factuur te betalen, bij gebreke waarvan [gedaagde partij] € 40,00 (exclusief btw) aan incassokosten in het vooruitzicht zijn gesteld.
2.4.
Bij e-mail van 11 en 18 september 2025 heeft de gemachtigde van [eisende partij] [gedaagde partij] nogmaals verzocht om tot betaling van de openstaande factuur over te gaan.
2.5.
[gedaagde partij] heeft niet betaald, waarna hij is gedagvaard.
3Het geschil
3.1.
[eisende partij] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van [gedaagde partij] tot betaling van € 130,19, te vermeerderen met de wettelijk rente over € 80,50 vanaf 22 oktober 2025, met veroordeling van [gedaagde partij] in de proceskosten.
3.2.
Het bedrag van € 130,19 kan als volgt worden gespecificeerd:
€ 80,50 aan openstaande factuur d.d. 1 juli 2025 (hierna: de hoofdsom),
€ 1,29 aan rente tot en met 21 oktober 2025,
€ 48,40 (inclusief btw) aan buitengerechtelijke incassokosten.
3.3.
[eisende partij] legt aan de vordering ten grondslag dat [gedaagde partij] € 80,50 verschuldigd is uit hoofde van de tussen partijen tot stand gekomen geneeskundige behandelingsovereenkomst. Doordat [gedaagde partij] ondanks aanmaning en sommaties in gebreke is gebleven met betaling van de factuur, zag [eisende partij] zich genoodzaakt om haar vordering uit handen te geven en buitengerechtelijke incassokosten te maken. Deze kosten dienen volgens [eisende partij] voor rekening van [gedaagde partij] te komen. Verder maakt [eisende partij] aanspraak op de reeds vervallen en nog te vervallen wettelijke rente.
3.4.
[gedaagde partij] voert verweer. [gedaagde partij] concludeert primair tot afwijzing van de vorderingen van [eisende partij] , met veroordeling van [eisende partij] in de kosten van deze procedure en subsidiair tot matiging van de vordering tot € 80,50 en afwijzing van de rente en de buitengerechtelijke incassokosten.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
4.1.
De vraag die in dit geschil centraal staat, is of [eisende partij] aanspraak kan maken op betaling van de aan [gedaagde partij] verzonden factuur van € 80,50, te vermeerderen met de wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter is van oordeel dat de vordering van [eisende partij] niet toewijsbaar is en overweegt daartoe als volgt.
Ambtshalve toetsing
4.2.
De geneeskundige behandelovereenkomst die aan de vordering ten grondslag ligt is gesloten tussen [eisende partij] als handelaar en [gedaagde partij] als consument. In dat geval moet ambtshalve worden getoetst aan het Europese en Nederlandse consumentenrecht.
4.3.
Ambtshalve toetsing van informatieplichten is hier niet aan de orde, omdat een geneeskundige behandelovereenkomst is uitgezonderd van een dergelijke toetsing. Wel dienen het prijsbeding en de betalingsvoorwaarden van [eisende partij] ambtshalve getoetst te worden aan de Richtlijn oneerlijke bedingen 93/13/EEG. Kernbedingen (zoals het prijsbeding) zijn echter uitgesloten van toetsing op oneerlijkheid als deze transparant zijn. De kantonrechter oordeelt ten aanzien van het prijsbeding als volgt.
Transparantie prijsbeding
4.4.
Partijen twisten over de vraag wat is afgesproken over de prijs van het intakegesprek. [eisende partij] stelt dat [gedaagde partij] voorafgaand aan het intakegesprek, middels de aan hem via e-mail toegezonden afspraakbevestiging, is gewezen op de prijs van het intakegesprek en of die vergoed wordt door zijn verzekeraar. Daarnaast stelt zij dat de prijs van de intake ook is besproken tijdens het intakegesprek zelf. [gedaagde partij] betwist de stellingen van [eisende partij] en voert aan dat voorafgaand aan en tijdens de behandeling over de prijs niets is gecommuniceerd. Pas nadat het intakegesprek had plaatsgevonden is hij gewezen op de prijs en heeft hij daartegen geprotesteerd, aldus [gedaagde partij] .
4.5.
De kantonrechter stelt voorop dat de partij die zich beroept op de rechtsgevolgen van door haar gestelde feiten of rechten daarvan in beginsel de bewijslast draagt. Omdat [eisende partij] stelt dat zij informatie heeft gegeven over de prijs van de behandeling, ligt het op haar weg om die stelling, tegenover de betwisting van [gedaagde partij] , nader te onderbouwen met stukken. De kantonrechter is echter van oordeel dat [eisende partij] haar stelling onvoldoende heeft onderbouwd. Ter onderbouwing van haar stelling heeft [eisende partij] een voorbeeld overlegd van een afspraakbevestiging die volgens haar steeds naar patiënten wordt gestuurd. In deze afspraakbevestiging staat informatie over de prijs en de vergoeding van de behandeling. De originele afspraakbevestiging, waarvan zij stelt die naar [gedaagde partij] te hebben verzonden, heeft zij echter niet meer. Dit heeft tot gevolg dat de kantonrechter niet kan vaststellen dat deze informatie ook daadwerkelijk naar [gedaagde partij] is gestuurd. Ook het feit dat [gedaagde partij] op de afspraak is verschenen is onvoldoende om te concluderen dat [gedaagde partij] op de hoogte was van de prijs van de behandeling, nu niet is komen vast te staan dat die informatie met [gedaagde partij] is gedeeld.
4.6.
Uit het voorgaande volgt dat [eisende partij] reeds de kans heeft gehad om te onderbouwen dat er wel een transparant prijsbeding is overeengekomen, maar daarin niet is geslaagd. De kantonrechter stelt dan ook vast dat niet is komen vast te staan dat [gedaagde partij] is geïnformeerd over de prijs van de medische behandeling, waardoor het prijsbeding als niet transparant wordt aangemerkt, zodat het moet worden getoetst op oneerlijkheid.
Oneerlijkheid prijsbeding
4.7.
Dat een prijsbeding niet transparant is, leidt niet direct tot het oordeel dat het beding ook oneerlijk is, maar het is wel een (belangrijk) element binnen die toets. Een beding in een overeenkomst, waarover niet afzonderlijk is onderhandeld, wordt als oneerlijk beschouwd indien het, in strijd is met de goede trouw of het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort of kan verstoren.
4.8.
Van een dergelijke aanzienlijke verstoring is in dit geval echter geen sprake. Het is weliswaar zo dat [eisende partij] [gedaagde partij] voorafgaand aan de behandeling niet dan wel onvoldoende heeft geïnformeerd over het gehanteerde tarief, maar niet is gebleken dat het bedrag van € 80,50 voor de intake ongebruikelijk of buitensporig is. Ook is niet komen vast te staan dat [eisende partij] bij [gedaagde partij] de indruk heeft gewekt dat aan de intake geen kosten verbonden zouden zijn of dat deze kosten volledig door zijn zorgverzekeraar zouden worden vergoed. Daar komt bij dat [gedaagde partij] voor het bij hem in rekening gebrachte tarief een daadwerkelijk door [eisende partij] verrichte prestatie geleverd heeft gekregen.
4.9.
[gedaagde partij] heeft nog aangevoerd dat hij de overeenkomst niet zou zijn aangegaan indien hij vooraf had geweten dat voor de intake € 80,50 in rekening zou worden gebracht. Die enkele stelling acht de kantonrechter, gelet op de geleverde dienst afgezet tegen het in rekening gebrachte bedrag, onvoldoende aannemelijk. Ook zijn geen omstandigheden gesteld of gebleken waaruit volgt dat het niet-transparante prijsbeding, los van het gebrek aan voorafgaande informatie over het tarief, het contractuele evenwicht tussen partijen aanzienlijk ten nadele van [gedaagde partij] verstoort. De kantonrechter komt daarom tot de conclusie dat het prijsbeding weliswaar niet transparant, maar niet oneerlijk is in de zin van artikel 3 lid 1 van Richtlijn 93/13.
4.8.
Verder heeft [gedaagde partij] nog gesteld dat hij de factuur van [eisende partij] niet hoeft te betalen, omdat de afspraak niet aan de NZa-definitie van een screening, intake en onderzoek voldoet. Hij doet daarbij een beroep op de beleidsregel TH/BR-016. De kantonrechter stelt vast dat deze beleidsregel niet meer geldig is vanaf januari 2022. Daarnaast staat in deze beleidsregel geen definitie van een screening, intake en/of onderzoek, waardoor de kantonrechter de juistheid van de stelling niet kan vaststellen. Het verweer van [gedaagde partij] slaagt om die reden niet. Ook de stelling van [gedaagde partij] dat de door [eisende partij] geregistreerde diagnosecode onjuist is, slaagt niet. Deze stelling doet immers niet af aan de door [eisende partij] verrichte prestatie, waarvoor [gedaagde partij] een bedrag verschuldigd is.
4.9.
De conclusie van het voorgaande is dat het door [eisende partij] gevorderde bedrag van € 80,50 zal worden toegewezen.
Rente
4.10.
Omdat [gedaagde partij] in verzuim is met de betaling van de facturen, zal de tot en met
21 oktober 2025 gevorderde wettelijke rente van € 1,29 als worden toegewezen. [gedaagde partij] heeft de hoogte van de rente niet betwist. Daarnaast zal ook de gevorderde wettelijke rente over de hoofdsom van € 80,50 vanaf 22 oktober 2025 worden toegewezen.
Buitengerechtelijke incassokosten
4.11.
[eisende partij] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. [gedaagde partij] betwist bij antwoord de verschuldigdheid van buitengerechtelijke kosten. Hij voert aan dat hij geen aanmaning heeft ontvangen, omdat deze naar zijn oude adres is gestuurd. Het is [eisende partij] die vervolgens moet stellen en bewijzen dat de brief als bedoeld in artikel 6:96 lid 6 BW - dat is de brief van 14 augustus 2025 - door [gedaagde partij] is ontvangen. Pas dan is [gedaagde partij] , omdat hij niet heeft betaalt binnen de gestelde termijn, buitengerechtelijke kosten verschuldigd. [eisende partij] kan niet aantonen dat de per post verstuurde brief [gedaagde partij] heeft bereikt. [eisende partij] heeft echter bij repliek aangevoerd dat de brief óók per e-mail naar het door [gedaagde partij] opgegeven e-mailadres is verstuurd. Ter onderbouwing van haar stelling heeft [eisende partij] een afschrift van deze e-mail overlegd. [gedaagde partij] betwist de e-mail te hebben ontvangen, omdat zijn computer defect was. De kantonrechter is echter van oordeel dat dit een omstandigheid betreft die niet voor rekening van [eisende partij] dient te komen. Het ligt op de weg van [gedaagde partij] om zijn e-mails dan op andere wijze te controleren. Daarnaast oordeelt de kantonrechter dat [eisende partij] de e-mail heeft verzonden naar het e-mailadres van [gedaagde partij] en dat deze e-mail ook is geopend. Hieruit maakt de kantonrechter op dat [gedaagde partij] de
e-mail, en daarmee ook de veertiendagenbrief, heeft ontvangen. Omdat [gedaagde partij] nadien niet tot betaling van de hoofdsom is overgegaan, is hij buitengerechtelijke kosten verschuldigd.
4.12.
De vordering van [eisende partij] moet vervolgens worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde partij] een consument is (een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf). Daarom moet de kantonrechter controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. Vaststaat dat [eisende partij] de aanmaning van 14 augustus 2025 aan [gedaagde partij] heeft gestuurd. Deze voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. De gevorderde buitengerechtelijke kosten van € 48,40 worden daarom toegewezen.
Proces- en nakosten
4.13.
[gedaagde partij] heeft gesteld dat hij na ontvangst van de factuur contact heeft opgenomen met [eisende partij] om tot een regeling te komen, namelijk dat hij onder protest zou betalen mits er geen verdere kosten in rekening worden gebracht. Hij stelt dat een medewerkster van [eisende partij] heeft toegezegd dit te gaan regelen. Desondanks werd hij met een procedure geconfronteerd. Het zijn volgens [gedaagde partij] dan ook met name de handelswijze en keuzes van [eisende partij] die hebben geleid tot deze procedure. [gedaagde partij] heeft zijn stellingen echter tegenover de ontkenning daarvan door [eisende partij] niet of nauwelijks onderbouwd. Niet is daarmee komen vast te staan dat [eisende partij] akkoord is gegaan met een minnelijke regeling.
4.14.
De kantonrechter overweegt dat het niet betalen van de factuur de reden is geweest voor het starten van deze procedure. [eisende partij] heeft daarvoor kosten moeten maken. Op grond van artikel 237 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt de partij die bij vonnis in het ongelijk wordt gesteld in de proceskosten veroordeeld. Op deze regel bestaan een aantal uitzonderingen, echter doen deze zich in onderhavige zaak niet voor.
4.15.
[gedaagde partij] wordt in het ongelijk gesteld en wordt daarom verwezen in de proceskosten (inclusief nakosten). De proceskosten van [eisende partij] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
146,14
- griffierecht
€
135,00
- salaris gemachtigde
€
107,50
(2,5 punten × € 43,00)
- nakosten
€
21,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
410,14
5De beslissing
De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde partij] om aan [eisende partij] te betalen € 81,79, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 80,50 vanaf 22 oktober 2025 tot en met de dag van algehele betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagde partij] om aan [eisende partij] te betalen een bedrag van € 48,40 (inclusief btw) aan buitengerechtelijk incassokosten,
5.3.
veroordeelt [gedaagde partij] in de proceskosten van € 410,14, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde partij] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Quaedackers en in het openbaar uitgesproken op 2 september 2026.
Artikel 7:446 BW.
Artikel 6:230h lid 2 sub d van het Burgerlijk Wetboek (BW).
Artikel 4 lid 2 van Richtlijn 93/13 EG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de richtlijn).
Artikel 150 Rv.
Artikel 3 lid 1 van de richtlijn.
LIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 11954354 \ CV EXPL 25-4551
Vonnis van 2 september 2026
in de zaak van
[eisende partij] B.V.,
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eisende partij] ,
gemachtigde: Rosmalen Gerechtsdeurwaarders,
tegen
[gedaagde partij]
,
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde partij] ,
procederend in persoon.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 t/m 3,- de conclusie van antwoord met producties,- de akte van [eisende partij] ,- de conclusie van repliek met producties 4 t/m 8,- de conclusie van dupliek met producties 1 t/m 13.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
[eisende partij] en [gedaagde partij] zijn mondeling een geneeskundige behandelingsovereenkomst aangegaan, waarna [eisende partij] aan [gedaagde partij] zorg heeft verleend. Dit betrof in elk geval een intakegesprek na verwijzing door de huisarts.
2.2.
[eisende partij] heeft op 1 juli 2025 uit hoofde van de door [eisende partij] verleende zorg een factuur ter hoogte van € 80,50 aan [gedaagde partij] gestuurd.
2.3.
Bij brief en e-mail van 14 augustus 2025 heeft [eisende partij] [gedaagde partij] aangemaand om binnen veertien dagen na bezorging van de brief de openstaande factuur te betalen, bij gebreke waarvan [gedaagde partij] € 40,00 (exclusief btw) aan incassokosten in het vooruitzicht zijn gesteld.
2.4.
Bij e-mail van 11 en 18 september 2025 heeft de gemachtigde van [eisende partij] [gedaagde partij] nogmaals verzocht om tot betaling van de openstaande factuur over te gaan.
2.5.
[gedaagde partij] heeft niet betaald, waarna hij is gedagvaard.
3Het geschil
3.1.
[eisende partij] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van [gedaagde partij] tot betaling van € 130,19, te vermeerderen met de wettelijk rente over € 80,50 vanaf 22 oktober 2025, met veroordeling van [gedaagde partij] in de proceskosten.
3.2.
Het bedrag van € 130,19 kan als volgt worden gespecificeerd:
€ 80,50 aan openstaande factuur d.d. 1 juli 2025 (hierna: de hoofdsom),
€ 1,29 aan rente tot en met 21 oktober 2025,
€ 48,40 (inclusief btw) aan buitengerechtelijke incassokosten.
3.3.
[eisende partij] legt aan de vordering ten grondslag dat [gedaagde partij] € 80,50 verschuldigd is uit hoofde van de tussen partijen tot stand gekomen geneeskundige behandelingsovereenkomst. Doordat [gedaagde partij] ondanks aanmaning en sommaties in gebreke is gebleven met betaling van de factuur, zag [eisende partij] zich genoodzaakt om haar vordering uit handen te geven en buitengerechtelijke incassokosten te maken. Deze kosten dienen volgens [eisende partij] voor rekening van [gedaagde partij] te komen. Verder maakt [eisende partij] aanspraak op de reeds vervallen en nog te vervallen wettelijke rente.
3.4.
[gedaagde partij] voert verweer. [gedaagde partij] concludeert primair tot afwijzing van de vorderingen van [eisende partij] , met veroordeling van [eisende partij] in de kosten van deze procedure en subsidiair tot matiging van de vordering tot € 80,50 en afwijzing van de rente en de buitengerechtelijke incassokosten.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
4.1.
De vraag die in dit geschil centraal staat, is of [eisende partij] aanspraak kan maken op betaling van de aan [gedaagde partij] verzonden factuur van € 80,50, te vermeerderen met de wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter is van oordeel dat de vordering van [eisende partij] niet toewijsbaar is en overweegt daartoe als volgt.
Ambtshalve toetsing
4.2.
De geneeskundige behandelovereenkomst die aan de vordering ten grondslag ligt is gesloten tussen [eisende partij] als handelaar en [gedaagde partij] als consument. In dat geval moet ambtshalve worden getoetst aan het Europese en Nederlandse consumentenrecht.
4.3.
Ambtshalve toetsing van informatieplichten is hier niet aan de orde, omdat een geneeskundige behandelovereenkomst is uitgezonderd van een dergelijke toetsing. Wel dienen het prijsbeding en de betalingsvoorwaarden van [eisende partij] ambtshalve getoetst te worden aan de Richtlijn oneerlijke bedingen 93/13/EEG. Kernbedingen (zoals het prijsbeding) zijn echter uitgesloten van toetsing op oneerlijkheid als deze transparant zijn. De kantonrechter oordeelt ten aanzien van het prijsbeding als volgt.
Transparantie prijsbeding
4.4.
Partijen twisten over de vraag wat is afgesproken over de prijs van het intakegesprek. [eisende partij] stelt dat [gedaagde partij] voorafgaand aan het intakegesprek, middels de aan hem via e-mail toegezonden afspraakbevestiging, is gewezen op de prijs van het intakegesprek en of die vergoed wordt door zijn verzekeraar. Daarnaast stelt zij dat de prijs van de intake ook is besproken tijdens het intakegesprek zelf. [gedaagde partij] betwist de stellingen van [eisende partij] en voert aan dat voorafgaand aan en tijdens de behandeling over de prijs niets is gecommuniceerd. Pas nadat het intakegesprek had plaatsgevonden is hij gewezen op de prijs en heeft hij daartegen geprotesteerd, aldus [gedaagde partij] .
4.5.
De kantonrechter stelt voorop dat de partij die zich beroept op de rechtsgevolgen van door haar gestelde feiten of rechten daarvan in beginsel de bewijslast draagt. Omdat [eisende partij] stelt dat zij informatie heeft gegeven over de prijs van de behandeling, ligt het op haar weg om die stelling, tegenover de betwisting van [gedaagde partij] , nader te onderbouwen met stukken. De kantonrechter is echter van oordeel dat [eisende partij] haar stelling onvoldoende heeft onderbouwd. Ter onderbouwing van haar stelling heeft [eisende partij] een voorbeeld overlegd van een afspraakbevestiging die volgens haar steeds naar patiënten wordt gestuurd. In deze afspraakbevestiging staat informatie over de prijs en de vergoeding van de behandeling. De originele afspraakbevestiging, waarvan zij stelt die naar [gedaagde partij] te hebben verzonden, heeft zij echter niet meer. Dit heeft tot gevolg dat de kantonrechter niet kan vaststellen dat deze informatie ook daadwerkelijk naar [gedaagde partij] is gestuurd. Ook het feit dat [gedaagde partij] op de afspraak is verschenen is onvoldoende om te concluderen dat [gedaagde partij] op de hoogte was van de prijs van de behandeling, nu niet is komen vast te staan dat die informatie met [gedaagde partij] is gedeeld.
4.6.
Uit het voorgaande volgt dat [eisende partij] reeds de kans heeft gehad om te onderbouwen dat er wel een transparant prijsbeding is overeengekomen, maar daarin niet is geslaagd. De kantonrechter stelt dan ook vast dat niet is komen vast te staan dat [gedaagde partij] is geïnformeerd over de prijs van de medische behandeling, waardoor het prijsbeding als niet transparant wordt aangemerkt, zodat het moet worden getoetst op oneerlijkheid.
Oneerlijkheid prijsbeding
4.7.
Dat een prijsbeding niet transparant is, leidt niet direct tot het oordeel dat het beding ook oneerlijk is, maar het is wel een (belangrijk) element binnen die toets. Een beding in een overeenkomst, waarover niet afzonderlijk is onderhandeld, wordt als oneerlijk beschouwd indien het, in strijd is met de goede trouw of het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort of kan verstoren.
4.8.
Van een dergelijke aanzienlijke verstoring is in dit geval echter geen sprake. Het is weliswaar zo dat [eisende partij] [gedaagde partij] voorafgaand aan de behandeling niet dan wel onvoldoende heeft geïnformeerd over het gehanteerde tarief, maar niet is gebleken dat het bedrag van € 80,50 voor de intake ongebruikelijk of buitensporig is. Ook is niet komen vast te staan dat [eisende partij] bij [gedaagde partij] de indruk heeft gewekt dat aan de intake geen kosten verbonden zouden zijn of dat deze kosten volledig door zijn zorgverzekeraar zouden worden vergoed. Daar komt bij dat [gedaagde partij] voor het bij hem in rekening gebrachte tarief een daadwerkelijk door [eisende partij] verrichte prestatie geleverd heeft gekregen.
4.9.
[gedaagde partij] heeft nog aangevoerd dat hij de overeenkomst niet zou zijn aangegaan indien hij vooraf had geweten dat voor de intake € 80,50 in rekening zou worden gebracht. Die enkele stelling acht de kantonrechter, gelet op de geleverde dienst afgezet tegen het in rekening gebrachte bedrag, onvoldoende aannemelijk. Ook zijn geen omstandigheden gesteld of gebleken waaruit volgt dat het niet-transparante prijsbeding, los van het gebrek aan voorafgaande informatie over het tarief, het contractuele evenwicht tussen partijen aanzienlijk ten nadele van [gedaagde partij] verstoort. De kantonrechter komt daarom tot de conclusie dat het prijsbeding weliswaar niet transparant, maar niet oneerlijk is in de zin van artikel 3 lid 1 van Richtlijn 93/13.
4.8.
Verder heeft [gedaagde partij] nog gesteld dat hij de factuur van [eisende partij] niet hoeft te betalen, omdat de afspraak niet aan de NZa-definitie van een screening, intake en onderzoek voldoet. Hij doet daarbij een beroep op de beleidsregel TH/BR-016. De kantonrechter stelt vast dat deze beleidsregel niet meer geldig is vanaf januari 2022. Daarnaast staat in deze beleidsregel geen definitie van een screening, intake en/of onderzoek, waardoor de kantonrechter de juistheid van de stelling niet kan vaststellen. Het verweer van [gedaagde partij] slaagt om die reden niet. Ook de stelling van [gedaagde partij] dat de door [eisende partij] geregistreerde diagnosecode onjuist is, slaagt niet. Deze stelling doet immers niet af aan de door [eisende partij] verrichte prestatie, waarvoor [gedaagde partij] een bedrag verschuldigd is.
4.9.
De conclusie van het voorgaande is dat het door [eisende partij] gevorderde bedrag van € 80,50 zal worden toegewezen.
Rente
4.10.
Omdat [gedaagde partij] in verzuim is met de betaling van de facturen, zal de tot en met
21 oktober 2025 gevorderde wettelijke rente van € 1,29 als worden toegewezen. [gedaagde partij] heeft de hoogte van de rente niet betwist. Daarnaast zal ook de gevorderde wettelijke rente over de hoofdsom van € 80,50 vanaf 22 oktober 2025 worden toegewezen.
Buitengerechtelijke incassokosten
4.11.
[eisende partij] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. [gedaagde partij] betwist bij antwoord de verschuldigdheid van buitengerechtelijke kosten. Hij voert aan dat hij geen aanmaning heeft ontvangen, omdat deze naar zijn oude adres is gestuurd. Het is [eisende partij] die vervolgens moet stellen en bewijzen dat de brief als bedoeld in artikel 6:96 lid 6 BW - dat is de brief van 14 augustus 2025 - door [gedaagde partij] is ontvangen. Pas dan is [gedaagde partij] , omdat hij niet heeft betaalt binnen de gestelde termijn, buitengerechtelijke kosten verschuldigd. [eisende partij] kan niet aantonen dat de per post verstuurde brief [gedaagde partij] heeft bereikt. [eisende partij] heeft echter bij repliek aangevoerd dat de brief óók per e-mail naar het door [gedaagde partij] opgegeven e-mailadres is verstuurd. Ter onderbouwing van haar stelling heeft [eisende partij] een afschrift van deze e-mail overlegd. [gedaagde partij] betwist de e-mail te hebben ontvangen, omdat zijn computer defect was. De kantonrechter is echter van oordeel dat dit een omstandigheid betreft die niet voor rekening van [eisende partij] dient te komen. Het ligt op de weg van [gedaagde partij] om zijn e-mails dan op andere wijze te controleren. Daarnaast oordeelt de kantonrechter dat [eisende partij] de e-mail heeft verzonden naar het e-mailadres van [gedaagde partij] en dat deze e-mail ook is geopend. Hieruit maakt de kantonrechter op dat [gedaagde partij] de
e-mail, en daarmee ook de veertiendagenbrief, heeft ontvangen. Omdat [gedaagde partij] nadien niet tot betaling van de hoofdsom is overgegaan, is hij buitengerechtelijke kosten verschuldigd.
4.12.
De vordering van [eisende partij] moet vervolgens worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde partij] een consument is (een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf). Daarom moet de kantonrechter controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. Vaststaat dat [eisende partij] de aanmaning van 14 augustus 2025 aan [gedaagde partij] heeft gestuurd. Deze voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. De gevorderde buitengerechtelijke kosten van € 48,40 worden daarom toegewezen.
Proces- en nakosten
4.13.
[gedaagde partij] heeft gesteld dat hij na ontvangst van de factuur contact heeft opgenomen met [eisende partij] om tot een regeling te komen, namelijk dat hij onder protest zou betalen mits er geen verdere kosten in rekening worden gebracht. Hij stelt dat een medewerkster van [eisende partij] heeft toegezegd dit te gaan regelen. Desondanks werd hij met een procedure geconfronteerd. Het zijn volgens [gedaagde partij] dan ook met name de handelswijze en keuzes van [eisende partij] die hebben geleid tot deze procedure. [gedaagde partij] heeft zijn stellingen echter tegenover de ontkenning daarvan door [eisende partij] niet of nauwelijks onderbouwd. Niet is daarmee komen vast te staan dat [eisende partij] akkoord is gegaan met een minnelijke regeling.
4.14.
De kantonrechter overweegt dat het niet betalen van de factuur de reden is geweest voor het starten van deze procedure. [eisende partij] heeft daarvoor kosten moeten maken. Op grond van artikel 237 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt de partij die bij vonnis in het ongelijk wordt gesteld in de proceskosten veroordeeld. Op deze regel bestaan een aantal uitzonderingen, echter doen deze zich in onderhavige zaak niet voor.
4.15.
[gedaagde partij] wordt in het ongelijk gesteld en wordt daarom verwezen in de proceskosten (inclusief nakosten). De proceskosten van [eisende partij] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
146,14
- griffierecht
€
135,00
- salaris gemachtigde
€
107,50
(2,5 punten × € 43,00)
- nakosten
€
21,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
410,14
5De beslissing
De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde partij] om aan [eisende partij] te betalen € 81,79, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 80,50 vanaf 22 oktober 2025 tot en met de dag van algehele betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagde partij] om aan [eisende partij] te betalen een bedrag van € 48,40 (inclusief btw) aan buitengerechtelijk incassokosten,
5.3.
veroordeelt [gedaagde partij] in de proceskosten van € 410,14, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde partij] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Quaedackers en in het openbaar uitgesproken op 2 september 2026.
Artikel 7:446 BW.
Artikel 6:230h lid 2 sub d van het Burgerlijk Wetboek (BW).
Artikel 4 lid 2 van Richtlijn 93/13 EG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de richtlijn).
Artikel 150 Rv.
Artikel 3 lid 1 van de richtlijn.