Rechtbank Limburg
ECLI:NL:RBLIM:2026:9209
2026-08-19
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/03/353131 / JE RK 26-1029
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
afwijzing verzoek opheffing ots, gronden ondertoezichtstelling nog aanwezig
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (15.290 tekens)
RECHTBANK LIMBURG
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Maastricht
Zaaknummer: C/03/353131 / JE RK 26-1029
Datum uitspraak: 19 augustus 2026
Beschikking van de kinderrechter over een afwijzing opheffing ondertoezichtstelling
in de zaak van
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonend op een bij de rechtbank bekend adres,
over de minderjarige:
[minderjarige]
,
hierna te noemen: [minderjarige],
geboren op [geboortedag] 2015 in [geboorteplaats].
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen de moeder,
wonend op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. A. Sarioglu, kantoorhoudend in Amsterdam,
en
de gecertificeerde instelling STICHTING BUREAU JEUGDZORG LIMBURG,
hierna te noemen: de GI,
gevestigd in Roermond.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 10 juni 2026;
het verweerschrift van de moeder met bijlagen, ontvangen op 18 juni 2026;
het evaluatierapport en plan van aanpak van de GI, ontvangen op 18 juni 2026;
het verzoek beoordeling betrouwbaarheid processtukken van de vader, ontvangen op 16 augustus 2026;
het verzoek beoordeling betrouwbaarheid processtukken (aanvullend) van de vader, ontvangen op 17 augustus 2026;
een bericht inzake mondelinge behandeling van de vader, ontvangen op 19 augustus 2026 om 12:18 uur.
1.2.
Op 19 augustus 2026 om 13:00 uur heeft de kinderrechter de zaak tijdens de mondelinge behandeling met gesloten deuren behandeld. Daarbij zijn verschenen:
een vertegenwoordiger van de GI;
de moeder, (telefonisch) bijgestaan door haar advocaat.
1.3.
De vader, hoewel behoorlijk opgeroepen, is niet verschenen tijdens de voornoemde mondelinge behandeling. Hij heeft kort voor de mondelinge behandeling (minder dan een uur) per emailbericht laten weten dat hij niet aanwezig zou zijn en dat deze keuze bewust is gemaakt. Ook heeft hij gesteld dat dit geen verband houdt met een gebrek aan belang bij de procedure of bij het verzoek tot opheffing van de ondertoezichtstelling.
1.4.
[minderjarige] is door de kinderrechter in de gelegenheid gesteld haar mening schriftelijk of mondeling kenbaar te maken. Zij heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt en heeft op 19 augustus 2026 voorafgaand aan de mondelinge behandeling een gesprek met de kinderrechter gehad.
1.5.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de kinderrechter met toepassing van artikel 29a lid 5 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) mondeling uitspraak gedaan, waarbij aan de verschenen belanghebbenden de beslissing en de belangrijkste gronden van de beslissing zijn medegedeeld. Deze beschikking vormt de volledige schriftelijke uitwerking van de mondelinge uitspraak van de kinderrechter.
2De feiten
2.1.
Het gezag over [minderjarige] wordt uitgeoefend door de ouders.
2.2.
[minderjarige] woont bij de moeder.
2.3.
Bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 14 januari 2026 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van een jaar, dus tot 14 januari 2027.
3Het verzoek
3.1.
De vader verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] op te heffen. Ter onderbouwing van dit verzoek stelt de vader dat niet langer wordt voldaan aan de wettelijke voorwaarden van de ondertoezichtstelling. Een ondertoezichtstelling is een ingrijpende maatregel die uitsluitend gerechtvaardigd is zolang zij daadwerkelijk bijdraagt aan het wegnemen van de ontwikkelingsbedreiging. Indien noodzakelijke hulp wordt geaccepteerd, de maatregel niet leidt tot aantoonbare vooruitgang bij het wegnemen van de ontwikkelingsbedreiging en geen toegevoegde waarde meer heeft, kan voortzetting daarvan niet langer worden gerechtvaardigd. De vader stelt dat de betrokkenheid van de GI niet bijdraagt aan het wegnemen van de ontwikkelingsbedreiging, maar mede door het uitblijven van regie en het ontbreken van gericht onderzoek conform de beschikking van de kinderrechter, aantoonbaar verergert.
3.2.
De vader heeft de rechtbank verzocht zijn verzoek tot opheffing van de ondertoezichtstelling niet zonder nader onderzoek inhoudelijk te behandelen. Hij heeft verzocht de behandeling aan te houden totdat de door hem ingebracht kwesties over de betrouwbaarheid van bepaalde stukken, zoals beschreven in zijn stukken van 16 en 17 augustus 2026, zijn onderzocht. De vader stoelt zijn verzoeken op artikel 22 Rv en verzoekt de rechtbank de GI te bevelen de onderliggende gegevens, versiehistorie en toelichtingen over te leggen. Pas na dit onderzoek wenst hij dat de rechtbank beoordeelt welke waarde aan de processtukken van Bureau Jeugdzorg kan worden toegekend en welke gevolgen dit heeft voor zijn verzoek tot opheffing. Daarnaast heeft de vader de rechtbank verzocht te beslissen op zijn verzoek tot aanhouding en nader onderzoek, alsmede over de overige door hem ingediende verzoeken van 16 en 17 augustus 2026.
4De mening van [minderjarige]
4.1.
vindt het fijn dat de gezinsvoogd betrokken is en zou graag willen dat hij nog betrokken blijft bij het gezin. Ze vindt het lastig dat de vader zich niet altijd aan zijn afspraken met haar houdt. Zo heeft zij de vader recent gezien, maar had hij niet zoals beloofd haar zusjes meegenomen. [minderjarige] is dan teleurgesteld.
5De standpunten van belanghebbenden
5.1.
De GI stelt dat de ondertoezichtstelling nog steeds noodzakelijk is, omdat de gronden daarvoor nog aanwezig zijn. Hoewel er enige verbetering te zien is, wordt [minderjarige] nog ernstig bedreigd in haar ontwikkeling, waardoor de bescherming en begeleiding vanuit de ondertoezichtstelling onmisbaar blijft. De GI heeft contact met de vader en merkt dat er wel beweging is en verbetering in het contact met de vader. Ook wordt gezien dat de vader en de moeder op een aantal punten tot overeenstemming komen, wat de samenwerking ten goede komt. Dit is belangrijk voor een gezamenlijke communicatie rondom [minderjarige]. Er wordt gekeken welke vorm van begeleiding het beste ingezet kan worden. De GI benadrukt dat het belangrijk is om een duidelijke lijn te trekken, zodat de situatie niet verzandt in voortdurende procedures die [minderjarige] welzijn ondermijnen.
5.2.
De moeder staat niet achter het verzoek van de vader en voert hiertegen verweer. Zij stelt dat de ondertoezichtstelling nog noodzakelijk is, omdat de gronden daarvoor nog volop aanwezig zijn. Zij stelt dat de vader weigert mee te werken aan belangrijke zaken voor [minderjarige]. Zo heeft hij geen toestemming gegeven voor medisch onderzoek van [minderjarige] en is daarvoor recent vervangende toestemming door de GI gevraagd aan de rechtbank. Deze vervangende toestemming is ook verkregen. Daarnaast is er tussen de ouders een geschil over de kinderbijslag en het kindgebonden budget. [minderjarige] heeft haar gewone verblijf bij de moeder, maar de vader ontvangt de kinderbijslag en het kindgebonden budget. Dit alles maakt duidelijk dat de hulp van de gezinsvoogd nodig is om deze zaken goed te begeleiden. De moeder ervaart dat het contact tussen haar en de vader ondanks de ondertoezichtstelling nog steeds moeizaam verloopt. De voortdurende juridische stappen van de vader en zijn gebrek aan constructief meedenken zorgen ervoor dat de ouders constant tegenover elkaar blijven staan, wat een negatieve impact heeft op [minderjarige]. De moeder benadrukt dat zij altijd luistert naar wat [minderjarige] wil en doet wat goed voor haar is. Zij stelt dat de vader een andere visie heeft en onvoldoende rekening houdt met de behoeften van [minderjarige]. Dit zorgt ervoor dat [minderjarige] zich niet prettig voelt en dat haar ontwikkeling wordt belemmerd. Er dienen stappen te worden gezet in het belang van [minderjarige] en daarvoor is regie van de GI nog dringend nodig.
6De beoordeling
Opheffing ondertoezichtstelling
6.1.
Op grond van het bepaalde in artikel 1:261 van het Burgerlijk Wetboek (hierna te noemen: BW) kan de kinderrechter de ondertoezichtstelling opheffen, indien de grond voor de ondertoezichtstelling niet langer is vervuld.
6.2.
In artikel 1:255 BW staan de gronden voor de ondertoezichtstelling. Een minderjarige kan onder toezicht worden gesteld indien:
de minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd en;
de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn gezaghebbende ouder(s), door hen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
de verwachting gerechtvaardigd is dat de gezaghebbende ouder(s) binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige in staat zijn te dragen.
6.3.
Op grond van de ingediende stukken en het verklaarde ter zitting oordeelt de kinderrechter dat er geen, althans onvoldoende, verandering is opgetreden in de gronden voor de ondertoezichtstelling en dat deze nog aanwezig zijn. [minderjarige] groeit op in een opvoedsituatie waarin langdurige spanningen tussen de ouders en het ontbreken van constructieve communicatie tussen de ouders de boventoon voert. Door de vader is het onderhavige verzoek ingediend. [minderjarige] is daarom door de rechtbank uitgenodigd en ook verschenen. De kinderrechter heeft gezien hoe moeilijk dat voor haar is. Ook de overige belanghebbenden zijn verschenen, waaronder de moeder. De vader is zelf vervolgens, hoewel hij zelf de verzoeker is, niet verschenen op de mondelinge behandeling en heeft zich pas vlak voor de zitting afgemeld. Hoewel de vader niet verplicht is te verschijnen, is het de vraag of hij zich voldoende bewust is van de impact die dit op [minderjarige] heeft. [minderjarige] heeft een negatief beeld van haar vader, voelt zich onveilig en heeft slechts beperkt contact met hem. Deze situatie is zorgelijk en schadelijk voor haar ontwikkeling. De GI heeft gesteld dat, ondanks een voorzichtige verbeteringen in het contact met de vader, de ondertoezichtstelling noodzakelijk blijft om de ernstige bedreiging in de ontwikkeling van [minderjarige] weg te nemen. De situatie zoals ten tijde van de aanvang van de ondertoezichtstelling, waarin ook sprake is van frequent schoolverzuim en somatische klachten is nog niet of niet voldoende veranderd. Verder was recent nog vervangende toestemming van de rechtbank nodig voor noodzakelijke medische behandeling van [minderjarige], wat des te meer duidelijk maakt dat de samenwerking tussen de ouders nog verre van optimaal is. [minderjarige] ervaart het contact met de gezinsvoogd als prettig en is daarbij gebaat. Hoewel het contact met haar vader vooruitgaat, bevindt dit zich nog in een vroeg en pril stadium. Binnen het kader van de ondertoezichtstelling is nog volop ruimte voor verbetering, waardoor deze maatregel essentieel blijft voor het welzijn en de ontwikkeling van [minderjarige].
6.4.
De overige verzoeken van de vader, begrijpt de kinderrechter aldus dat hij deze verzoeken heeft gedaan ter onderbouwing van zijn verzoek om opheffing van de ondertoezichtstelling, dat is door de vader bevestigd. In de onderhavige procedure toetst de kinderrechter of de grond voor de eerder uitgesproken ondertoezichtstelling nog wordt vervuld. Zoals hierboven is gemotiveerd, is daarvan nog sprake. Het is niet aan de kinderrechter om zelfstandig inhoud van de oorspronkelijke stukken, de chronologie, de onderliggende gegevens, de versiehistorie te toetsen. De kinderrechter ziet dan ook geen aanleiding om haar beslissing op het onderhavige verzoek van de vader aan te houden.
6.5.
De kinderrechter oordeelt dat er onvoldoende verandering is gekomen in de situatie als omgeschreven in de beschikking van deze rechtbank van 14 januari 2026 en dat de ernstige ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] nog aanwezig is. Tevens is hulpverlening in het vrijwillige kader nog ontoereikend, omdat het de ouders nog onvoldoende lukt hulpverlening in het vrijwillige kader (duurzaam) van de grond te krijgen.
6.6.
De kinderrechter zal daarom het verzoek tot opheffing van de ondertoezichtstelling afwijzen.
7De beslissing
De kinderrechter:
7.1.
wijst het verzoek met betrekking tot de opheffing van de ondertoezichtstelling af;
7.2.
onder afwijzing van het meer of overig verzochte.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 19 augustus 2026 door mr. Van der Salm, kinderrechter, in aanwezigheid van Lange, griffier, en nadien op schrift gesteld op 31 augustus 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Maastricht
Zaaknummer: C/03/353131 / JE RK 26-1029
Datum uitspraak: 19 augustus 2026
Beschikking van de kinderrechter over een afwijzing opheffing ondertoezichtstelling
in de zaak van
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonend op een bij de rechtbank bekend adres,
over de minderjarige:
[minderjarige]
,
hierna te noemen: [minderjarige],
geboren op [geboortedag] 2015 in [geboorteplaats].
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen de moeder,
wonend op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. A. Sarioglu, kantoorhoudend in Amsterdam,
en
de gecertificeerde instelling STICHTING BUREAU JEUGDZORG LIMBURG,
hierna te noemen: de GI,
gevestigd in Roermond.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 10 juni 2026;
het verweerschrift van de moeder met bijlagen, ontvangen op 18 juni 2026;
het evaluatierapport en plan van aanpak van de GI, ontvangen op 18 juni 2026;
het verzoek beoordeling betrouwbaarheid processtukken van de vader, ontvangen op 16 augustus 2026;
het verzoek beoordeling betrouwbaarheid processtukken (aanvullend) van de vader, ontvangen op 17 augustus 2026;
een bericht inzake mondelinge behandeling van de vader, ontvangen op 19 augustus 2026 om 12:18 uur.
1.2.
Op 19 augustus 2026 om 13:00 uur heeft de kinderrechter de zaak tijdens de mondelinge behandeling met gesloten deuren behandeld. Daarbij zijn verschenen:
een vertegenwoordiger van de GI;
de moeder, (telefonisch) bijgestaan door haar advocaat.
1.3.
De vader, hoewel behoorlijk opgeroepen, is niet verschenen tijdens de voornoemde mondelinge behandeling. Hij heeft kort voor de mondelinge behandeling (minder dan een uur) per emailbericht laten weten dat hij niet aanwezig zou zijn en dat deze keuze bewust is gemaakt. Ook heeft hij gesteld dat dit geen verband houdt met een gebrek aan belang bij de procedure of bij het verzoek tot opheffing van de ondertoezichtstelling.
1.4.
[minderjarige] is door de kinderrechter in de gelegenheid gesteld haar mening schriftelijk of mondeling kenbaar te maken. Zij heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt en heeft op 19 augustus 2026 voorafgaand aan de mondelinge behandeling een gesprek met de kinderrechter gehad.
1.5.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de kinderrechter met toepassing van artikel 29a lid 5 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) mondeling uitspraak gedaan, waarbij aan de verschenen belanghebbenden de beslissing en de belangrijkste gronden van de beslissing zijn medegedeeld. Deze beschikking vormt de volledige schriftelijke uitwerking van de mondelinge uitspraak van de kinderrechter.
2De feiten
2.1.
Het gezag over [minderjarige] wordt uitgeoefend door de ouders.
2.2.
[minderjarige] woont bij de moeder.
2.3.
Bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 14 januari 2026 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van een jaar, dus tot 14 januari 2027.
3Het verzoek
3.1.
De vader verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] op te heffen. Ter onderbouwing van dit verzoek stelt de vader dat niet langer wordt voldaan aan de wettelijke voorwaarden van de ondertoezichtstelling. Een ondertoezichtstelling is een ingrijpende maatregel die uitsluitend gerechtvaardigd is zolang zij daadwerkelijk bijdraagt aan het wegnemen van de ontwikkelingsbedreiging. Indien noodzakelijke hulp wordt geaccepteerd, de maatregel niet leidt tot aantoonbare vooruitgang bij het wegnemen van de ontwikkelingsbedreiging en geen toegevoegde waarde meer heeft, kan voortzetting daarvan niet langer worden gerechtvaardigd. De vader stelt dat de betrokkenheid van de GI niet bijdraagt aan het wegnemen van de ontwikkelingsbedreiging, maar mede door het uitblijven van regie en het ontbreken van gericht onderzoek conform de beschikking van de kinderrechter, aantoonbaar verergert.
3.2.
De vader heeft de rechtbank verzocht zijn verzoek tot opheffing van de ondertoezichtstelling niet zonder nader onderzoek inhoudelijk te behandelen. Hij heeft verzocht de behandeling aan te houden totdat de door hem ingebracht kwesties over de betrouwbaarheid van bepaalde stukken, zoals beschreven in zijn stukken van 16 en 17 augustus 2026, zijn onderzocht. De vader stoelt zijn verzoeken op artikel 22 Rv en verzoekt de rechtbank de GI te bevelen de onderliggende gegevens, versiehistorie en toelichtingen over te leggen. Pas na dit onderzoek wenst hij dat de rechtbank beoordeelt welke waarde aan de processtukken van Bureau Jeugdzorg kan worden toegekend en welke gevolgen dit heeft voor zijn verzoek tot opheffing. Daarnaast heeft de vader de rechtbank verzocht te beslissen op zijn verzoek tot aanhouding en nader onderzoek, alsmede over de overige door hem ingediende verzoeken van 16 en 17 augustus 2026.
4De mening van [minderjarige]
4.1.
vindt het fijn dat de gezinsvoogd betrokken is en zou graag willen dat hij nog betrokken blijft bij het gezin. Ze vindt het lastig dat de vader zich niet altijd aan zijn afspraken met haar houdt. Zo heeft zij de vader recent gezien, maar had hij niet zoals beloofd haar zusjes meegenomen. [minderjarige] is dan teleurgesteld.
5De standpunten van belanghebbenden
5.1.
De GI stelt dat de ondertoezichtstelling nog steeds noodzakelijk is, omdat de gronden daarvoor nog aanwezig zijn. Hoewel er enige verbetering te zien is, wordt [minderjarige] nog ernstig bedreigd in haar ontwikkeling, waardoor de bescherming en begeleiding vanuit de ondertoezichtstelling onmisbaar blijft. De GI heeft contact met de vader en merkt dat er wel beweging is en verbetering in het contact met de vader. Ook wordt gezien dat de vader en de moeder op een aantal punten tot overeenstemming komen, wat de samenwerking ten goede komt. Dit is belangrijk voor een gezamenlijke communicatie rondom [minderjarige]. Er wordt gekeken welke vorm van begeleiding het beste ingezet kan worden. De GI benadrukt dat het belangrijk is om een duidelijke lijn te trekken, zodat de situatie niet verzandt in voortdurende procedures die [minderjarige] welzijn ondermijnen.
5.2.
De moeder staat niet achter het verzoek van de vader en voert hiertegen verweer. Zij stelt dat de ondertoezichtstelling nog noodzakelijk is, omdat de gronden daarvoor nog volop aanwezig zijn. Zij stelt dat de vader weigert mee te werken aan belangrijke zaken voor [minderjarige]. Zo heeft hij geen toestemming gegeven voor medisch onderzoek van [minderjarige] en is daarvoor recent vervangende toestemming door de GI gevraagd aan de rechtbank. Deze vervangende toestemming is ook verkregen. Daarnaast is er tussen de ouders een geschil over de kinderbijslag en het kindgebonden budget. [minderjarige] heeft haar gewone verblijf bij de moeder, maar de vader ontvangt de kinderbijslag en het kindgebonden budget. Dit alles maakt duidelijk dat de hulp van de gezinsvoogd nodig is om deze zaken goed te begeleiden. De moeder ervaart dat het contact tussen haar en de vader ondanks de ondertoezichtstelling nog steeds moeizaam verloopt. De voortdurende juridische stappen van de vader en zijn gebrek aan constructief meedenken zorgen ervoor dat de ouders constant tegenover elkaar blijven staan, wat een negatieve impact heeft op [minderjarige]. De moeder benadrukt dat zij altijd luistert naar wat [minderjarige] wil en doet wat goed voor haar is. Zij stelt dat de vader een andere visie heeft en onvoldoende rekening houdt met de behoeften van [minderjarige]. Dit zorgt ervoor dat [minderjarige] zich niet prettig voelt en dat haar ontwikkeling wordt belemmerd. Er dienen stappen te worden gezet in het belang van [minderjarige] en daarvoor is regie van de GI nog dringend nodig.
6De beoordeling
Opheffing ondertoezichtstelling
6.1.
Op grond van het bepaalde in artikel 1:261 van het Burgerlijk Wetboek (hierna te noemen: BW) kan de kinderrechter de ondertoezichtstelling opheffen, indien de grond voor de ondertoezichtstelling niet langer is vervuld.
6.2.
In artikel 1:255 BW staan de gronden voor de ondertoezichtstelling. Een minderjarige kan onder toezicht worden gesteld indien:
de minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd en;
de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn gezaghebbende ouder(s), door hen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
de verwachting gerechtvaardigd is dat de gezaghebbende ouder(s) binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige in staat zijn te dragen.
6.3.
Op grond van de ingediende stukken en het verklaarde ter zitting oordeelt de kinderrechter dat er geen, althans onvoldoende, verandering is opgetreden in de gronden voor de ondertoezichtstelling en dat deze nog aanwezig zijn. [minderjarige] groeit op in een opvoedsituatie waarin langdurige spanningen tussen de ouders en het ontbreken van constructieve communicatie tussen de ouders de boventoon voert. Door de vader is het onderhavige verzoek ingediend. [minderjarige] is daarom door de rechtbank uitgenodigd en ook verschenen. De kinderrechter heeft gezien hoe moeilijk dat voor haar is. Ook de overige belanghebbenden zijn verschenen, waaronder de moeder. De vader is zelf vervolgens, hoewel hij zelf de verzoeker is, niet verschenen op de mondelinge behandeling en heeft zich pas vlak voor de zitting afgemeld. Hoewel de vader niet verplicht is te verschijnen, is het de vraag of hij zich voldoende bewust is van de impact die dit op [minderjarige] heeft. [minderjarige] heeft een negatief beeld van haar vader, voelt zich onveilig en heeft slechts beperkt contact met hem. Deze situatie is zorgelijk en schadelijk voor haar ontwikkeling. De GI heeft gesteld dat, ondanks een voorzichtige verbeteringen in het contact met de vader, de ondertoezichtstelling noodzakelijk blijft om de ernstige bedreiging in de ontwikkeling van [minderjarige] weg te nemen. De situatie zoals ten tijde van de aanvang van de ondertoezichtstelling, waarin ook sprake is van frequent schoolverzuim en somatische klachten is nog niet of niet voldoende veranderd. Verder was recent nog vervangende toestemming van de rechtbank nodig voor noodzakelijke medische behandeling van [minderjarige], wat des te meer duidelijk maakt dat de samenwerking tussen de ouders nog verre van optimaal is. [minderjarige] ervaart het contact met de gezinsvoogd als prettig en is daarbij gebaat. Hoewel het contact met haar vader vooruitgaat, bevindt dit zich nog in een vroeg en pril stadium. Binnen het kader van de ondertoezichtstelling is nog volop ruimte voor verbetering, waardoor deze maatregel essentieel blijft voor het welzijn en de ontwikkeling van [minderjarige].
6.4.
De overige verzoeken van de vader, begrijpt de kinderrechter aldus dat hij deze verzoeken heeft gedaan ter onderbouwing van zijn verzoek om opheffing van de ondertoezichtstelling, dat is door de vader bevestigd. In de onderhavige procedure toetst de kinderrechter of de grond voor de eerder uitgesproken ondertoezichtstelling nog wordt vervuld. Zoals hierboven is gemotiveerd, is daarvan nog sprake. Het is niet aan de kinderrechter om zelfstandig inhoud van de oorspronkelijke stukken, de chronologie, de onderliggende gegevens, de versiehistorie te toetsen. De kinderrechter ziet dan ook geen aanleiding om haar beslissing op het onderhavige verzoek van de vader aan te houden.
6.5.
De kinderrechter oordeelt dat er onvoldoende verandering is gekomen in de situatie als omgeschreven in de beschikking van deze rechtbank van 14 januari 2026 en dat de ernstige ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] nog aanwezig is. Tevens is hulpverlening in het vrijwillige kader nog ontoereikend, omdat het de ouders nog onvoldoende lukt hulpverlening in het vrijwillige kader (duurzaam) van de grond te krijgen.
6.6.
De kinderrechter zal daarom het verzoek tot opheffing van de ondertoezichtstelling afwijzen.
7De beslissing
De kinderrechter:
7.1.
wijst het verzoek met betrekking tot de opheffing van de ondertoezichtstelling af;
7.2.
onder afwijzing van het meer of overig verzochte.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 19 augustus 2026 door mr. Van der Salm, kinderrechter, in aanwezigheid van Lange, griffier, en nadien op schrift gesteld op 31 augustus 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.