Rechtbank Limburg
ECLI:NL:RBLIM:2026:9042
2026-09-02
Civiel recht; Verbintenissenrecht
12196663 \ CV EXPL 26-2234
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
VvE-bijdrage voor appartementseigenaar. Achterstand in betalingen. Betalingsregeling is niet nagekomen zodat eiser voldoende grond heeft om de procedure te starten. Voor het treffen van een nieuwe betalingsregeling is in deze procedure geen plaats.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (25.412 tekens)
RECHTBANK
LIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 12196663 \ CV EXPL 26-2234
Vonnis van 2 september 2026
in de zaak van
VERENIGING VAN EIGENAARS [eisende partij] TE [plaats],
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: VvE,
gemachtigde: mr. M.J. Schapendonk,
tegen
[gedaagde partij]
,
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde partij] ,
procederend in persoon.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding- de conclusie van antwoord- de conclusie van repliek met eiswijziging- de conclusie van dupliek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
[gedaagde partij] is eigenaar van het appartementsrecht [nummer], waarmee hij het recht heeft op uitsluitend gebruik van het appartement aan [adres] . Hiermee is [gedaagde partij] ook lid van de VvE.
2.2.
[gedaagde partij] is op grond van zijn lidmaatschap van de VvE verplicht tot het betalen van een maandelijkse bijdrage. In de betaling van deze maandelijkse VvE-bijdrage is een achterstand ontstaan.
2.3.
Op 28 januari 2025 is een algemene ledenvergadering gehouden van de VvE waarin - onder andere - het volgende besluit is genomen:
“3.1 De vergadering besluit met meerderheid van stemmen (1 stem tegen) dat de linker lift aan de autobaan zijde als eerste wordt gemoderniseerd.”
2.4.
De VvE heeft aan [gedaagde partij] op 16 maart 2025 een factuur verzonden voor het bedrag van € 975,45 met als omschrijving: “vve-bijdrage i.v.m. extra bijdrage tbv lift 2025 datum besluit: 28 januari 2025”
2.5.
In de notulen van de algemene ledenvergadering van 2 april 2025 staat - voor zover van belang - het volgende opgenomen:
“
4.4. Besluitvorming omtrent bestemming exploitatieresultaat 2024
De vergadering wordt gevraagd een besluit te nemen over de bestemming van het exploitatieresultaat. (…) Het voorstel luide derhalve om het
negatieve
exploitatieresultaat,
ad €7.430,35 te verrekenen met de eigenaren
.
Besluit: met de meerderheid van stemmen gaat de vergadering akkoord dat het negatieve exploitatieresultaat wordt afgerekend met de eigenaren. (…)
6.1
Besluitvorming omtrent een extra bijdrage t.b.v. reservefonds groot onderhoud
De voorgestelde extra bijdragen van in totaal €35.000,- in 2026, €36.000,- in 2027 en €34.000,- in 2028, welke conform de in de statuten opgenomen breukdelen gefactureerd zal worden, worden besproken. De vergadering besluit de vervaldatum voor de betaling van deze extra bijdrage vast te stellen op 10 januari van het betreffende jaar. De eigenaren zullen hiervoor een afzonderlijke factuur ontvangen.
Besluit: Met de meerderheid van stemmen wordt het voorstel aangenomen en de jaarlijkse extra bijdrage vastgesteld op:
€35.000,- voor 2026 en betaalbaar op 10 januari 2026
€36.000,- voor 2027 en betaalbaar op 10 januari 2027
€34.000,- voor 2028 en betaalbaar op 10 januari 2028”
2.6.
De VvE heeft aan [gedaagde partij] op 2 april 2025 een factuur gestuurd voor het bedrag van
€ 170,54 met als omschrijving: “Afrekening jaarexploitatie 2024”. Vervolgens heeft de VvE aan [gedaagde partij] op 10 januari 2026 een factuur verzonden voor het bedrag van € 803,31 met de omschrijving: “vve-bijdrage i.v.m. extra bjdrage lift datum besluit: 2 april 2025”.
2.7.
Na een verzoek daartoe van [gedaagde partij] heeft de (gemachtigde van de) VvE [gedaagde partij] op 25 februari 2026 een betalingsregeling voorgesteld, bestaande uit de betaling van 15 gelijke termijnen van elk € 500,00 en een laatste termijn van € 423,74. Deze termijnbedragen moeten samen met de lopende maand van de VvE bijdrage worden betaald. De eerste termijn van € 500,00 dient per ommegaande te worden voldaan, tezamen met de VvE bijdrage van februari 2026 van € 374,92 (totaal € 874,92). De betalingen vanaf de tweede termijn moeten uiterlijk op de 15e van de maand, vanaf maart 2026, worden betaald.
In deze brief staat ook nog het volgende vermeld:
“Blijft u met tijdige betaling van één van de aflossingstermijnen of lopende bijdragen in gebreke, dan vervalt de betalingsregeling zonder nadere ingebrekestelling en wordt het restant direct en in zijn geheel opeisbaar.”
2.8.
Op 5 maart 2026 heeft de gemachtigde van de VvE [gedaagde partij] het volgende bericht verzonden:
“Namens cliënte sprak ik met u een betalingsregeling af. Ondanks deze afspraak heb ik de op 25 februari 2026 vervallen aflossingstermijn van € 874,92 nog niet mogen ontvangen. Daarnaast heeft cliënte de lopende bijdrage ter zake maart 2026 nog niet van u mogen ontvangen.
Ik sommeer u deze achterstallige termijn van
€ 1.249,84 binnen één week na heden aan mij
te voldoen, bij gebreke waarvan de regeling vervalt. Zoals is overeengekomen wordt in dat geval het restant direct en in haar geheel opeisbaar.”
2.9.
[gedaagde partij] heeft aan de gemachtigde van de VvE op 24 maart 2026 een bedrag van € 1.249,84 betaald. Ook heeft hij daarbij aangegeven dat hij de komende termijnen en de lopende VvE-bijdragen tijdig zal voldoen.
2.10.
Na de ontvangst van deze betaling heeft de gemachtigde van de VvE [gedaagde partij] op 24 maart 2026 laten weten dat de overeengekomen betalingsregeling niet is nagekomen en is vervallen.
2.11.
In de notulen van de algemene ledenvergadering van 31 maart 2026 is het volgende besluit genomen:
“
6 Begroting boekjaar 2026 en maandelijkse voorschotbijdrage(n)
De beheerder geeft een toelichting op de voorgestelde begroting voor het boekjaar 2026. (…) De VvE bijdragen stijgen door indexatie en door verhoging van de jaarlijkse reservering voor het reservefonds van € 30.000,- naar € 40.000,-. De begroting sluit op € 210.000,-.
Aangezien de begroting altijd wordt opgesteld met het oog op een volledig boekjaar, luidt het voorstel om de begroting per 1 januari 2026 goed te keuren, met terugwerkende kracht. Dit houdt in dat iedere eigenaar een afzonderlijke factuur ontvangt voor het verschil tussen de oude en de nieuwe maandelijkse VvE bijdrage. (…)
Besluit: De vergadering besluit dat de begroting 2026 sluitend op €210.000,- wordt vastgesteld met terugwerkende kracht per 1 januari 2026.”
2.12.
Vervolgens heeft de VvE aan [gedaagde partij] op 18 april 2026 een factuur gestuurd van € 108,04. Deze factuur ziet op de verhoging van de VvE-bijdrage van € 374,92 naar € 401,93 per maand, waardoor over de maanden januari 2026 tot en met april 2026 het verschil van € 27,01 per maand in rekening is gebracht.
3Het geschil
3.1.
De VvE vordert - samengevat - en na wijziging van eis bij repliek, veroordeling van [gedaagde partij] :
tot betaling van € 7.882,58;
tot betaling van de toekomstige maandelijkse VvE-bijdrage van € 374,92 of de door de algemene ledenvergadering vastgestelde dan wel geïndexeerde bijdrage, te berekenen vanaf 1 mei 2026 tot en met de maand waarin het lidmaatschap van rechtswege wordt beëindigd;
tot betaling van de wettelijke rente over de openstaande maandbedragen vanaf de dag van de dagvaarding (8 april 2026) tot aan de dag van volledige betaling;
in de proceskosten.
3.2.
De VvE legt aan haar vordering ten grondslag dat [gedaagde partij] op grond van artikel 5:113 lid 2 BW de verplichting heeft om bij te dragen in de schulden en kosten die ingevolge de wet en/of het reglement voor rekening van de gezamenlijke appartementseigenaars komen. Hieruit volgt dat [gedaagde partij] de maandelijkse VvE-bijdrage bij vooruitbetaling is verschuldigd. Ook volgen uit een aantal besluiten van de algemene ledenvergadering dat er een aantal (extra) eenmalige bijdragen verschuldigd zijn. [gedaagde partij] heeft een achterstand in deze betalingen. Er is een betalingsregeling getroffen, maar doordat [gedaagde partij] de eerste termijnbetaling niet tijdig heeft voldaan, is deze betalingsregeling komen te vervallen.
3.3.
[gedaagde partij] voert verweer en betwist de hoogte van de vorderingen van de VvE. Het ontbreekt aan een overzicht van de vorderingen, zodat niet duidelijk is hoe de vordering is opgebouwd. Ook hebben partijen een betalingsregeling afgesproken en heeft [gedaagde partij] conform deze regeling op 24 maart 2026 een bedrag van € 1.249,84 overgemaakt. Zonder reden is de betalingsregeling door de VvE opgezegd. Verder is [gedaagde partij] in verband met financiële omstandigheden niet in staat geweest om tijdig te betalen. Hij verzoekt om alsnog een betalingsregeling af te spreken.
[gedaagde partij] betwist de wettelijke rente verschuldigd te zijn, omdat de berekening niet inzichtelijk is gemaakt en er geen onderbouwing is verstrekt. Tot slot betwist [gedaagde partij] dat hij buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zou zijn omdat niet is aangetoond dat een correcte veertiendagenbrief conform de wettelijke vereisten is verzonden.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
Achterstand VvE-bijdrage en eenmalige bijdragen
4.1.
De VvE stelt dat [gedaagde partij] een achterstand heeft laten ontstaan in de maandelijkse, bij vooruitbetaling verschuldigde, VvE-bijdrage en in vier extra eenmalige bijdragen. Dat er een achterstand is, heeft [gedaagde partij] niet betwist. [gedaagde partij] voert aan tijdelijk niet in staat te zijn geweest om zijn administratie bij te werken en een beperkt inkomen te hebben gehad Alhoewel deze (financiële) omstandigheden erg vervelend zijn voor [gedaagde partij] , ontslaat dit hem niet van zijn verplichtingen om de maandelijkse bijdrage van de VvE tijdig te voldoen. Verder voert hij aan dat de vordering onvoldoende is onderbouwd omdat een volledig overzicht over wat hij verschuldigd is, ontbreekt.
4.2.
De VvE heeft in de dagvaarding oorspronkelijk een hoofdsom gevorderd van € 7.010,71, bestaande uit achterstallige VvE-bijdragen tot en met april 2026 en twee eenmalige VvE-bijdragen en een afrekening jaarexploitatie 2024. Uit het bij de dagvaarding overgelegde overzicht is op te maken dat de vordering bestaat uit de volgende posten:
De maandelijkse VvE-bijdragen van november 2024 tot en met april 2026.
Eenmalige VvE-bijdrage van € 975,45.
Afrekening jaarexploitatie 2024 van € 170,54.
Eenmalige VvE-bijdrage van € 803,31.
De eenmalige VvE-bijdrage van € 975,45 komt overeen met de factuur van 16 maart 2025 en heeft betrekking op de kosten van de modernisatie van de linker lift. De afrekening jaarexploitatie 2024 van € 170,54 komt overeen met de factuur van 2 april 2025. De eenmalige VvE-bijdrage van € 803,31 komt overeen met de factuur van 10 januari 2026 en heeft (eveneens) betrekking op de liften. Verder is de betaling van [gedaagde partij] van € 1.249,84 in het overzicht verwerkt.
4.3.
Bij conclusie van repliek heeft de VvE haar vordering vermeerderd met de maandelijkse VvE-bijdragen van mei en juni 2026 van elk € 401,93, en met de nabetaling van de verhoogde VvE-bijdrage van januari 2026 tot en met april 2026 van in totaal € 108,04. Deze vorderingen waren ten tijde van de dagvaarding nog niet verschuldigd. Deze posten zijn terug te vinden op het bij conclusie van repliek overgelegde overzicht.
In dit overzicht zijn ook de betalingen van [gedaagde partij] van de VvE-bijdragen van mei en juni 2026 opgenomen.
4.4.
Hoewel in het overzicht van productie 23 de maandelijkse VvE-bijdrage van mei en van juni 2026 is opgenomen, en de VvE dit ook in de uitleg van haar vermeerdering van eis heeft opgenomen, heeft de VvE in haar berekening slecht één maand in rekening gebracht en niet beide maanden. In haar berekening heeft zij wel beide betalingen van [gedaagde partij] in mindering gebracht. Deze vergissing van de VvE is in het voordeel van [gedaagde partij] en behoort voor rekening van de VvE te blijven.
4.5.
Uit het voorgaande volgt dat het om een vordering gaat die de VvE als volgt heeft onderbouwd:
- termijn november 2024 € 267,71
- termijn dec 2024 t/m april 2025 (5 x € 308,90) € 1.544,50
- termijn mei 2025 t/m april 2026 (12 x € 374,92) € 4.499,04
- termijn mei of juni 2026 € 401,93
- eenmalige bijdrage (lift) € 975,45
- afrekening jaarexploitatie 2024 € 170,54
- eenmalige bijdrage (lift) € 803,31
- verrekening bijdragen jan 2026 t/m april 2026 € 108,04 +
---------------
Totaal € 8.770,52
Op deze vordering moeten de betalingen van [gedaagde partij] in mindering worden gebracht. [gedaagde partij] heeft de volgende betalingen gedaan:
- eenmalige betaling € 1.249,84
- termijn mei 2026 € 401,93
- termijn juni 2026 € 401,93 +
-------------
Totaal € 2.053,70
4.6.
Op grond van het bovenstaande is de kantonrechter van oordeel dat de VvE haar vordering voldoende heeft onderbouwd. Ook heeft [gedaagde partij] niet betwist dat hij als appartementseigenaar de maandelijkse VvE-bijdrage verschuldigd is en heeft hij de hoogte van de VvE-bijdrage en de eenmalige extra bijdragen niet betwist. Daarom wordt het bedrag van (€ 8.770,52 - € 2.053,70 =) € 6.716,82 aan hoofdsom toegewezen.
Wettelijke rente over de hoofdsom
4.7.
De VvE vordert ook de wettelijke rente van over de hoofdsom. [gedaagde partij] voert aan dat de berekening van gevorderde rente niet inzichtelijk is gemaakt en er geen onderbouwing is verstrekt.
4.8.
Uit de dagvaarding blijkt dat de VvE een bedrag van € 401,97 aan wettelijke rente vordert. De berekening van dit bedrag heeft zij overgelegd als productie 22 bij de dagvaarding. Uit productie 23 bij de conclusie van repliek blijkt dat de wettelijke rente weliswaar na de dagvaarding is opgelopen, maar uit randnummer 2 van deze conclusie blijkt dat de VvE haar vordering heeft beperkt tot het bedrag aan wettelijke rente uit de dagvaarding van € 401,97. In haar oorspronkelijke vordering van € 8.176,47 was namelijk een bedrag aan rente opgenomen van € 401,97. Doordat de VvE de opbouw van deze rente heeft gespecificeerd in productie 22, heeft de VvE haar vordering voldoende onderbouwd. De gevorderde wettelijke rente van € 401,97 over de hoofdsom zal daarom worden toegewezen.
Buitengerechtelijke incassokosten
4.9.
De VvE vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde partij] een consument is (een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf). Daarom moet de kantonrechter controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten.
4.10.
[gedaagde partij] betwist dat de veertiendagenbrief aan de daaraan gestelde wettelijke vereisten voldoet. In de brieven is de betalingstermijn gesteld op veertien dagen vanaf de dag nadat de brief is bezorgd. Daarmee voldoen de brieven aan artikel 6:96 lid 6 BW. De VvE heeft echter meer dan één vordering op [gedaagde partij] . Voor de betaling daarvan had kunnen worden volstaan met één aanmaning. De (gemachtigde van de) VvE heeft echter op 15 september 2025 binnen een tijdsbestek van 9 minuten twee aanmaningen verzonden, namelijk een eerste aanmaning voor € 4.662,26 en een tweede aanmaning voor € 170,54. Conform het bepaalde in artikel 6:96 lid 7 BW dienen de hoofdsommen van de vorderingen voor de vaststelling van de hoogte van het tarief bij elkaar te worden opgeteld. Dit betekent dat een bedrag zal worden toegewezen van € 736,02 inclusief btw.
Toekomstige vorderingen
4.11.
De VvE heeft ook gevorderd dat [gedaagde partij] wordt veroordeeld tot betaling van de nog te vervallen maandelijkse VvE-bijdragen (de toekomstige termijnen), vanaf mei 2026. Uit de conclusie van repliek blijkt dat [gedaagde partij] de VvE-bijdrage van mei en juni 2026 volledig heeft voldaan, waarbij de termijn van juni 2026 ook tijdig is voldaan. De VvE heeft onvoldoende onderbouwd waaruit volgt dat [gedaagde partij] voor de verdere toekomstige termijnen in gebreke zal blijven. Deze vordering en de daaruit voortkomende nevenvordering tot betaling van de wettelijke rente over deze toekomstige termijnen, zullen worden afgewezen.
Conclusie
4.12.
Uit het voorgaande volgt dat in totaal het volgende bedrag wordt toegewezen:
- hoofdsom
€
6.716,82
- wettelijke rente over hoofdsom
€
401,97
- buitengerechtelijke incassokosten
€
736,02
+
Totaal
€
7.854,81
Proceskosten
4.13.
[gedaagde partij] stelt dat de VvE onnodig deze procedure is gestart, omdat hij meerdere malen heeft verzocht om een (nieuwe) betalingsregeling te treffen. In het verleden hebben partijen een betalingsregeling getroffen. Voorwaarde van de betalingsregeling was tijdige betaling. In de bevestiging van de betalingsregeling staat duidelijk opgenomen dat bij niet tijdige betaling de regeling vervalt zonder nadere ingebrekestelling. Dit is nogmaals herhaald in de rappelbrief van 5 maart 2026 waarin [gedaagde partij] een termijn is gegeven om de eerste termijn van de regeling binnen een week te betalen. In deze brief heeft de gemachtigde van de VvE [gedaagde partij] de gelegenheid geboden om de eerste termijnbetaling van de betalingsregeling uiterlijk op 12 maart 2026 te betalen. [gedaagde partij] heeft de eerste termijn van € 1.249,84 op 24 maart 2026 betaald en heeft daarmee niet op tijd betaald. Het gevolg van de niet-tijdige betaling is dat de VvE de betalingsregeling heeft ingetrokken en het openstaande bedrag ineens opeisbaar was.
4.14.
Gelet op de achterstand in de betaling van de VvE-bijdragen, had de VvE recht en belang bij haar vordering en is er geen sprake van onnodig procederen.
4.15.
[gedaagde partij] wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van VvE worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
153,77
- griffierecht
€
559,00
- salaris gemachtigde
€
720,00
(2 punten × € 360,00)
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.576,77
4.16.
Ten overvloede merkt de kantonrechter op dat voor het treffen van de door [gedaagde partij] gewenste (nieuwe) betalingsregeling in het kader van deze procedure geen plaats is. [gedaagde partij] dient zich daartoe tot de VvE te wenden.
5De beslissing
De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde partij] om aan VvE te betalen een bedrag van € 7.854,81,
5.2.
veroordeelt [gedaagde partij] in de proceskosten van € 1.576,77, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde partij] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Bisscheroux en in het openbaar uitgesproken op 2 september 2026.
Productie 22 bij de dagvaarding.
Zie hiervoor onder 2.4. en productie 2 bij de dagvaarding.
Zie hiervoor onder 2.6. en productie 6 bij de dagvaarding.
Zie hiervoor onder 2.6. en productie 4 bij de dagvaarding.
Productie 23 bij de conclusie van repliek.
Productie 15 en 16 bij de dagvaarding.
Zie de aan [gedaagde partij] verzonden e-mails van producties 15 en 16 bij de dagvaarding.
Zie hiervoor onder 2.7. en productie 19 bij de dagvaarding.
Zie hiervoor onder 2.8. en productie 20 bij de dagvaarding.
LIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 12196663 \ CV EXPL 26-2234
Vonnis van 2 september 2026
in de zaak van
VERENIGING VAN EIGENAARS [eisende partij] TE [plaats],
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: VvE,
gemachtigde: mr. M.J. Schapendonk,
tegen
[gedaagde partij]
,
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde partij] ,
procederend in persoon.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding- de conclusie van antwoord- de conclusie van repliek met eiswijziging- de conclusie van dupliek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
[gedaagde partij] is eigenaar van het appartementsrecht [nummer], waarmee hij het recht heeft op uitsluitend gebruik van het appartement aan [adres] . Hiermee is [gedaagde partij] ook lid van de VvE.
2.2.
[gedaagde partij] is op grond van zijn lidmaatschap van de VvE verplicht tot het betalen van een maandelijkse bijdrage. In de betaling van deze maandelijkse VvE-bijdrage is een achterstand ontstaan.
2.3.
Op 28 januari 2025 is een algemene ledenvergadering gehouden van de VvE waarin - onder andere - het volgende besluit is genomen:
“3.1 De vergadering besluit met meerderheid van stemmen (1 stem tegen) dat de linker lift aan de autobaan zijde als eerste wordt gemoderniseerd.”
2.4.
De VvE heeft aan [gedaagde partij] op 16 maart 2025 een factuur verzonden voor het bedrag van € 975,45 met als omschrijving: “vve-bijdrage i.v.m. extra bijdrage tbv lift 2025 datum besluit: 28 januari 2025”
2.5.
In de notulen van de algemene ledenvergadering van 2 april 2025 staat - voor zover van belang - het volgende opgenomen:
“
4.4. Besluitvorming omtrent bestemming exploitatieresultaat 2024
De vergadering wordt gevraagd een besluit te nemen over de bestemming van het exploitatieresultaat. (…) Het voorstel luide derhalve om het
negatieve
exploitatieresultaat,
ad €7.430,35 te verrekenen met de eigenaren
.
Besluit: met de meerderheid van stemmen gaat de vergadering akkoord dat het negatieve exploitatieresultaat wordt afgerekend met de eigenaren. (…)
6.1
Besluitvorming omtrent een extra bijdrage t.b.v. reservefonds groot onderhoud
De voorgestelde extra bijdragen van in totaal €35.000,- in 2026, €36.000,- in 2027 en €34.000,- in 2028, welke conform de in de statuten opgenomen breukdelen gefactureerd zal worden, worden besproken. De vergadering besluit de vervaldatum voor de betaling van deze extra bijdrage vast te stellen op 10 januari van het betreffende jaar. De eigenaren zullen hiervoor een afzonderlijke factuur ontvangen.
Besluit: Met de meerderheid van stemmen wordt het voorstel aangenomen en de jaarlijkse extra bijdrage vastgesteld op:
€35.000,- voor 2026 en betaalbaar op 10 januari 2026
€36.000,- voor 2027 en betaalbaar op 10 januari 2027
€34.000,- voor 2028 en betaalbaar op 10 januari 2028”
2.6.
De VvE heeft aan [gedaagde partij] op 2 april 2025 een factuur gestuurd voor het bedrag van
€ 170,54 met als omschrijving: “Afrekening jaarexploitatie 2024”. Vervolgens heeft de VvE aan [gedaagde partij] op 10 januari 2026 een factuur verzonden voor het bedrag van € 803,31 met de omschrijving: “vve-bijdrage i.v.m. extra bjdrage lift datum besluit: 2 april 2025”.
2.7.
Na een verzoek daartoe van [gedaagde partij] heeft de (gemachtigde van de) VvE [gedaagde partij] op 25 februari 2026 een betalingsregeling voorgesteld, bestaande uit de betaling van 15 gelijke termijnen van elk € 500,00 en een laatste termijn van € 423,74. Deze termijnbedragen moeten samen met de lopende maand van de VvE bijdrage worden betaald. De eerste termijn van € 500,00 dient per ommegaande te worden voldaan, tezamen met de VvE bijdrage van februari 2026 van € 374,92 (totaal € 874,92). De betalingen vanaf de tweede termijn moeten uiterlijk op de 15e van de maand, vanaf maart 2026, worden betaald.
In deze brief staat ook nog het volgende vermeld:
“Blijft u met tijdige betaling van één van de aflossingstermijnen of lopende bijdragen in gebreke, dan vervalt de betalingsregeling zonder nadere ingebrekestelling en wordt het restant direct en in zijn geheel opeisbaar.”
2.8.
Op 5 maart 2026 heeft de gemachtigde van de VvE [gedaagde partij] het volgende bericht verzonden:
“Namens cliënte sprak ik met u een betalingsregeling af. Ondanks deze afspraak heb ik de op 25 februari 2026 vervallen aflossingstermijn van € 874,92 nog niet mogen ontvangen. Daarnaast heeft cliënte de lopende bijdrage ter zake maart 2026 nog niet van u mogen ontvangen.
Ik sommeer u deze achterstallige termijn van
€ 1.249,84 binnen één week na heden aan mij
te voldoen, bij gebreke waarvan de regeling vervalt. Zoals is overeengekomen wordt in dat geval het restant direct en in haar geheel opeisbaar.”
2.9.
[gedaagde partij] heeft aan de gemachtigde van de VvE op 24 maart 2026 een bedrag van € 1.249,84 betaald. Ook heeft hij daarbij aangegeven dat hij de komende termijnen en de lopende VvE-bijdragen tijdig zal voldoen.
2.10.
Na de ontvangst van deze betaling heeft de gemachtigde van de VvE [gedaagde partij] op 24 maart 2026 laten weten dat de overeengekomen betalingsregeling niet is nagekomen en is vervallen.
2.11.
In de notulen van de algemene ledenvergadering van 31 maart 2026 is het volgende besluit genomen:
“
6 Begroting boekjaar 2026 en maandelijkse voorschotbijdrage(n)
De beheerder geeft een toelichting op de voorgestelde begroting voor het boekjaar 2026. (…) De VvE bijdragen stijgen door indexatie en door verhoging van de jaarlijkse reservering voor het reservefonds van € 30.000,- naar € 40.000,-. De begroting sluit op € 210.000,-.
Aangezien de begroting altijd wordt opgesteld met het oog op een volledig boekjaar, luidt het voorstel om de begroting per 1 januari 2026 goed te keuren, met terugwerkende kracht. Dit houdt in dat iedere eigenaar een afzonderlijke factuur ontvangt voor het verschil tussen de oude en de nieuwe maandelijkse VvE bijdrage. (…)
Besluit: De vergadering besluit dat de begroting 2026 sluitend op €210.000,- wordt vastgesteld met terugwerkende kracht per 1 januari 2026.”
2.12.
Vervolgens heeft de VvE aan [gedaagde partij] op 18 april 2026 een factuur gestuurd van € 108,04. Deze factuur ziet op de verhoging van de VvE-bijdrage van € 374,92 naar € 401,93 per maand, waardoor over de maanden januari 2026 tot en met april 2026 het verschil van € 27,01 per maand in rekening is gebracht.
3Het geschil
3.1.
De VvE vordert - samengevat - en na wijziging van eis bij repliek, veroordeling van [gedaagde partij] :
tot betaling van € 7.882,58;
tot betaling van de toekomstige maandelijkse VvE-bijdrage van € 374,92 of de door de algemene ledenvergadering vastgestelde dan wel geïndexeerde bijdrage, te berekenen vanaf 1 mei 2026 tot en met de maand waarin het lidmaatschap van rechtswege wordt beëindigd;
tot betaling van de wettelijke rente over de openstaande maandbedragen vanaf de dag van de dagvaarding (8 april 2026) tot aan de dag van volledige betaling;
in de proceskosten.
3.2.
De VvE legt aan haar vordering ten grondslag dat [gedaagde partij] op grond van artikel 5:113 lid 2 BW de verplichting heeft om bij te dragen in de schulden en kosten die ingevolge de wet en/of het reglement voor rekening van de gezamenlijke appartementseigenaars komen. Hieruit volgt dat [gedaagde partij] de maandelijkse VvE-bijdrage bij vooruitbetaling is verschuldigd. Ook volgen uit een aantal besluiten van de algemene ledenvergadering dat er een aantal (extra) eenmalige bijdragen verschuldigd zijn. [gedaagde partij] heeft een achterstand in deze betalingen. Er is een betalingsregeling getroffen, maar doordat [gedaagde partij] de eerste termijnbetaling niet tijdig heeft voldaan, is deze betalingsregeling komen te vervallen.
3.3.
[gedaagde partij] voert verweer en betwist de hoogte van de vorderingen van de VvE. Het ontbreekt aan een overzicht van de vorderingen, zodat niet duidelijk is hoe de vordering is opgebouwd. Ook hebben partijen een betalingsregeling afgesproken en heeft [gedaagde partij] conform deze regeling op 24 maart 2026 een bedrag van € 1.249,84 overgemaakt. Zonder reden is de betalingsregeling door de VvE opgezegd. Verder is [gedaagde partij] in verband met financiële omstandigheden niet in staat geweest om tijdig te betalen. Hij verzoekt om alsnog een betalingsregeling af te spreken.
[gedaagde partij] betwist de wettelijke rente verschuldigd te zijn, omdat de berekening niet inzichtelijk is gemaakt en er geen onderbouwing is verstrekt. Tot slot betwist [gedaagde partij] dat hij buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zou zijn omdat niet is aangetoond dat een correcte veertiendagenbrief conform de wettelijke vereisten is verzonden.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
Achterstand VvE-bijdrage en eenmalige bijdragen
4.1.
De VvE stelt dat [gedaagde partij] een achterstand heeft laten ontstaan in de maandelijkse, bij vooruitbetaling verschuldigde, VvE-bijdrage en in vier extra eenmalige bijdragen. Dat er een achterstand is, heeft [gedaagde partij] niet betwist. [gedaagde partij] voert aan tijdelijk niet in staat te zijn geweest om zijn administratie bij te werken en een beperkt inkomen te hebben gehad Alhoewel deze (financiële) omstandigheden erg vervelend zijn voor [gedaagde partij] , ontslaat dit hem niet van zijn verplichtingen om de maandelijkse bijdrage van de VvE tijdig te voldoen. Verder voert hij aan dat de vordering onvoldoende is onderbouwd omdat een volledig overzicht over wat hij verschuldigd is, ontbreekt.
4.2.
De VvE heeft in de dagvaarding oorspronkelijk een hoofdsom gevorderd van € 7.010,71, bestaande uit achterstallige VvE-bijdragen tot en met april 2026 en twee eenmalige VvE-bijdragen en een afrekening jaarexploitatie 2024. Uit het bij de dagvaarding overgelegde overzicht is op te maken dat de vordering bestaat uit de volgende posten:
De maandelijkse VvE-bijdragen van november 2024 tot en met april 2026.
Eenmalige VvE-bijdrage van € 975,45.
Afrekening jaarexploitatie 2024 van € 170,54.
Eenmalige VvE-bijdrage van € 803,31.
De eenmalige VvE-bijdrage van € 975,45 komt overeen met de factuur van 16 maart 2025 en heeft betrekking op de kosten van de modernisatie van de linker lift. De afrekening jaarexploitatie 2024 van € 170,54 komt overeen met de factuur van 2 april 2025. De eenmalige VvE-bijdrage van € 803,31 komt overeen met de factuur van 10 januari 2026 en heeft (eveneens) betrekking op de liften. Verder is de betaling van [gedaagde partij] van € 1.249,84 in het overzicht verwerkt.
4.3.
Bij conclusie van repliek heeft de VvE haar vordering vermeerderd met de maandelijkse VvE-bijdragen van mei en juni 2026 van elk € 401,93, en met de nabetaling van de verhoogde VvE-bijdrage van januari 2026 tot en met april 2026 van in totaal € 108,04. Deze vorderingen waren ten tijde van de dagvaarding nog niet verschuldigd. Deze posten zijn terug te vinden op het bij conclusie van repliek overgelegde overzicht.
In dit overzicht zijn ook de betalingen van [gedaagde partij] van de VvE-bijdragen van mei en juni 2026 opgenomen.
4.4.
Hoewel in het overzicht van productie 23 de maandelijkse VvE-bijdrage van mei en van juni 2026 is opgenomen, en de VvE dit ook in de uitleg van haar vermeerdering van eis heeft opgenomen, heeft de VvE in haar berekening slecht één maand in rekening gebracht en niet beide maanden. In haar berekening heeft zij wel beide betalingen van [gedaagde partij] in mindering gebracht. Deze vergissing van de VvE is in het voordeel van [gedaagde partij] en behoort voor rekening van de VvE te blijven.
4.5.
Uit het voorgaande volgt dat het om een vordering gaat die de VvE als volgt heeft onderbouwd:
- termijn november 2024 € 267,71
- termijn dec 2024 t/m april 2025 (5 x € 308,90) € 1.544,50
- termijn mei 2025 t/m april 2026 (12 x € 374,92) € 4.499,04
- termijn mei of juni 2026 € 401,93
- eenmalige bijdrage (lift) € 975,45
- afrekening jaarexploitatie 2024 € 170,54
- eenmalige bijdrage (lift) € 803,31
- verrekening bijdragen jan 2026 t/m april 2026 € 108,04 +
---------------
Totaal € 8.770,52
Op deze vordering moeten de betalingen van [gedaagde partij] in mindering worden gebracht. [gedaagde partij] heeft de volgende betalingen gedaan:
- eenmalige betaling € 1.249,84
- termijn mei 2026 € 401,93
- termijn juni 2026 € 401,93 +
-------------
Totaal € 2.053,70
4.6.
Op grond van het bovenstaande is de kantonrechter van oordeel dat de VvE haar vordering voldoende heeft onderbouwd. Ook heeft [gedaagde partij] niet betwist dat hij als appartementseigenaar de maandelijkse VvE-bijdrage verschuldigd is en heeft hij de hoogte van de VvE-bijdrage en de eenmalige extra bijdragen niet betwist. Daarom wordt het bedrag van (€ 8.770,52 - € 2.053,70 =) € 6.716,82 aan hoofdsom toegewezen.
Wettelijke rente over de hoofdsom
4.7.
De VvE vordert ook de wettelijke rente van over de hoofdsom. [gedaagde partij] voert aan dat de berekening van gevorderde rente niet inzichtelijk is gemaakt en er geen onderbouwing is verstrekt.
4.8.
Uit de dagvaarding blijkt dat de VvE een bedrag van € 401,97 aan wettelijke rente vordert. De berekening van dit bedrag heeft zij overgelegd als productie 22 bij de dagvaarding. Uit productie 23 bij de conclusie van repliek blijkt dat de wettelijke rente weliswaar na de dagvaarding is opgelopen, maar uit randnummer 2 van deze conclusie blijkt dat de VvE haar vordering heeft beperkt tot het bedrag aan wettelijke rente uit de dagvaarding van € 401,97. In haar oorspronkelijke vordering van € 8.176,47 was namelijk een bedrag aan rente opgenomen van € 401,97. Doordat de VvE de opbouw van deze rente heeft gespecificeerd in productie 22, heeft de VvE haar vordering voldoende onderbouwd. De gevorderde wettelijke rente van € 401,97 over de hoofdsom zal daarom worden toegewezen.
Buitengerechtelijke incassokosten
4.9.
De VvE vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde partij] een consument is (een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf). Daarom moet de kantonrechter controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten.
4.10.
[gedaagde partij] betwist dat de veertiendagenbrief aan de daaraan gestelde wettelijke vereisten voldoet. In de brieven is de betalingstermijn gesteld op veertien dagen vanaf de dag nadat de brief is bezorgd. Daarmee voldoen de brieven aan artikel 6:96 lid 6 BW. De VvE heeft echter meer dan één vordering op [gedaagde partij] . Voor de betaling daarvan had kunnen worden volstaan met één aanmaning. De (gemachtigde van de) VvE heeft echter op 15 september 2025 binnen een tijdsbestek van 9 minuten twee aanmaningen verzonden, namelijk een eerste aanmaning voor € 4.662,26 en een tweede aanmaning voor € 170,54. Conform het bepaalde in artikel 6:96 lid 7 BW dienen de hoofdsommen van de vorderingen voor de vaststelling van de hoogte van het tarief bij elkaar te worden opgeteld. Dit betekent dat een bedrag zal worden toegewezen van € 736,02 inclusief btw.
Toekomstige vorderingen
4.11.
De VvE heeft ook gevorderd dat [gedaagde partij] wordt veroordeeld tot betaling van de nog te vervallen maandelijkse VvE-bijdragen (de toekomstige termijnen), vanaf mei 2026. Uit de conclusie van repliek blijkt dat [gedaagde partij] de VvE-bijdrage van mei en juni 2026 volledig heeft voldaan, waarbij de termijn van juni 2026 ook tijdig is voldaan. De VvE heeft onvoldoende onderbouwd waaruit volgt dat [gedaagde partij] voor de verdere toekomstige termijnen in gebreke zal blijven. Deze vordering en de daaruit voortkomende nevenvordering tot betaling van de wettelijke rente over deze toekomstige termijnen, zullen worden afgewezen.
Conclusie
4.12.
Uit het voorgaande volgt dat in totaal het volgende bedrag wordt toegewezen:
- hoofdsom
€
6.716,82
- wettelijke rente over hoofdsom
€
401,97
- buitengerechtelijke incassokosten
€
736,02
+
Totaal
€
7.854,81
Proceskosten
4.13.
[gedaagde partij] stelt dat de VvE onnodig deze procedure is gestart, omdat hij meerdere malen heeft verzocht om een (nieuwe) betalingsregeling te treffen. In het verleden hebben partijen een betalingsregeling getroffen. Voorwaarde van de betalingsregeling was tijdige betaling. In de bevestiging van de betalingsregeling staat duidelijk opgenomen dat bij niet tijdige betaling de regeling vervalt zonder nadere ingebrekestelling. Dit is nogmaals herhaald in de rappelbrief van 5 maart 2026 waarin [gedaagde partij] een termijn is gegeven om de eerste termijn van de regeling binnen een week te betalen. In deze brief heeft de gemachtigde van de VvE [gedaagde partij] de gelegenheid geboden om de eerste termijnbetaling van de betalingsregeling uiterlijk op 12 maart 2026 te betalen. [gedaagde partij] heeft de eerste termijn van € 1.249,84 op 24 maart 2026 betaald en heeft daarmee niet op tijd betaald. Het gevolg van de niet-tijdige betaling is dat de VvE de betalingsregeling heeft ingetrokken en het openstaande bedrag ineens opeisbaar was.
4.14.
Gelet op de achterstand in de betaling van de VvE-bijdragen, had de VvE recht en belang bij haar vordering en is er geen sprake van onnodig procederen.
4.15.
[gedaagde partij] wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van VvE worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
153,77
- griffierecht
€
559,00
- salaris gemachtigde
€
720,00
(2 punten × € 360,00)
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.576,77
4.16.
Ten overvloede merkt de kantonrechter op dat voor het treffen van de door [gedaagde partij] gewenste (nieuwe) betalingsregeling in het kader van deze procedure geen plaats is. [gedaagde partij] dient zich daartoe tot de VvE te wenden.
5De beslissing
De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde partij] om aan VvE te betalen een bedrag van € 7.854,81,
5.2.
veroordeelt [gedaagde partij] in de proceskosten van € 1.576,77, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde partij] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Bisscheroux en in het openbaar uitgesproken op 2 september 2026.
Productie 22 bij de dagvaarding.
Zie hiervoor onder 2.4. en productie 2 bij de dagvaarding.
Zie hiervoor onder 2.6. en productie 6 bij de dagvaarding.
Zie hiervoor onder 2.6. en productie 4 bij de dagvaarding.
Productie 23 bij de conclusie van repliek.
Productie 15 en 16 bij de dagvaarding.
Zie de aan [gedaagde partij] verzonden e-mails van producties 15 en 16 bij de dagvaarding.
Zie hiervoor onder 2.7. en productie 19 bij de dagvaarding.
Zie hiervoor onder 2.8. en productie 20 bij de dagvaarding.