Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Limburg

ECLI:NL:RBLIM:2026:8913

2026-09-09 Civiel recht; Verbintenissenrecht 12161340 \ CV EXPL 26-1490
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Limburg
Uitspraakdatum
2026-09-09
Publicatiedatum
2026-08-24
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure
Bodemzaak
Zaaknummer
12161340 \ CV EXPL 26-1490
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Vordering ontbinding huurovereenkomst/ontruiming gehuurde. Geluidsoverlast. Huurder met persoonlijke problematiek. Belangenafweging. Vordering afgewezen.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (16.323 tekens)
RECHTBANK
LIMBURG



Civiel recht
Kantonrechter



Zittingsplaats Roermond



Zaaknummer: 12161340 \ CV EXPL 26-1490




Vonnis van 9 september 2026




in de zaak van




STICHTING WOONWENZ,
te Venlo,
eisende partij,
hierna te noemen: Woonwenz,
gemachtigde: mr. J.G. van Heertum,



tegen





[bewindvoerder] , H.O.D.N. VITAE BEWINDVOERINGEN, ALS BEWINDVOERDER OVER DE GOEDEREN VAN [huurder],
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [bewindvoerder] ,
gemachtigde: mr. G.G.J. Geerlings.






1De procedure


1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met bijlagen;- de conclusie van antwoord met bijlagen;- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;
- de brief zijdens Woonwenz met bijlagen 36 tot en met 52;
- het e-mailbericht zijdens [bewindvoerder] met bijlagen 4 tot en met 6;
- de brief zijdens Woonwenz met bijlagen 53 en 54;
- de mondelinge behandeling van 23 juli 2026.


1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.





2De feiten


2.1.
De goederen van [huurder] zijn in 2011 onder bewind gesteld. [bewindvoerder] is de beschermingsbewindvoerder van [huurder] .



2.2.
Woonwenz verhuurt met ingang van 28 december 2023 aan [huurder] de woning aan de [adres] in [plaats] (hierna: het gehuurde).


2.3.
Op deze huurovereenkomst zijn algemene voorwaarden van toepassing.



2.4.

[huurder] woont alleen in het gehuurde. Bij [huurder] is sprake van psychiatrische problematiek. Daarnaast heeft hij gehoorproblemen. [huurder] heeft hulp van diverse partijen. [huurder] heeft een beschermingsbewindvoerder, per 14 november 2025 ook een mentor en sinds enige tijd vrijwel dagelijks begeleiding vanuit [begeleiding]. Voor [huurder] is een zorgmachtiging als bedoeld in de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) verleend, die in mei 2026 nog met zes maanden is verlengd.



2.5.
De woning van [huurder] betreft een benedenwoning op de hoek, zie de foto hieronder (rechtsonder).

(afbeelding geanonimiseerd)



2.6.
Omwonenden, met name de bovenbuurman, hebben sinds 10 juni 2025 regelmatig bij Woonwenz geklaagd over - met name - de door [huurder] veroorzaakte geluidsoverlast, bestaande uit harde TV-geluiden in de nachtelijke uren. Woonwenz heeft [huurder] een aantal keer gesommeerd de overlast te staken en gestaakt te houden.



2.7.
Op 4 november 2025 is [huurder] met een crisisplaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis opgenomen. Aan de opname ging een psychose vooraf. In psychotische toestand heeft [huurder] toen (de ruit van) zijn voordeur ingeslagen. In februari 2026 is [huurder] teruggekeerd in zijn woning.



2.8.
Woonwenz heeft per e-mail van 5 februari 2026 aan de gemachtigde van [huurder] laten weten dat zij op dat moment nog niet tot dagvaarden zou overgaan, maar zou volstaan met het geven van een laatste waarschuwing, dat de overlast gestaakt moest worden en moest blijven.



2.9.
Woonwenz heeft nadien meldingen van overlast van omwonenden ontvangen, waarna zij [bewindvoerder] als bewindvoerder van [huurder] op 20 maart 2026 heeft gedagvaard.





3Het geschil


3.1.
Woonwenz vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad - samengevat - ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde, alsmede betaling van een gebruikersvergoeding vanaf ontbinding tot aan ontruiming, te vermeerderen met rente en met veroordeling van [bewindvoerder] in de proceskosten.



3.2.

Woonwenz legt hieraan het volgende ten grondslag. [huurder] is in zijn verplichtingen als huurder tekortgeschoten op grond van de wet (artikel 7:213 BW) alsook de algemene huurvoorwaarden (artikelen 6.3 en 6.8) door overlast te plegen. De overlast bestaat uit voornamelijk (nachtelijke) harde TV-geluiden, en verder uit gebonk, hard gepraat, en
in de nacht aanbellen/aankloppen bij omwonenden. Verder is er meermaals sprake geweest van vernieling en gedraagt [huurder] zich intimiderend richting omwonenden. Woonwenz heeft [huurder] tevergeefs meermaals gesommeerd om de overlast te doen staken. Ondanks de al jaren betrokken hulpverlening bij [huurder] en de politie die meermaals ter plaatse is geweest, heeft er geen gedragsverandering bij [huurder] plaatsgevonden. Het woongenot van omwonenden wordt al langere tijd beperkt. Deze tekortkoming rechtvaardigt volgens Woonwenz de ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van het gehuurde.




3.3.

[bewindvoerder] voert verweer. Hij concludeert tot niet-ontvankelijkheid dan wel afwijzing van de vorderingen van Woonwenz, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van Woonwenz in de proceskosten.



3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.





4De beoordeling


4.1.
Het uitgangspunt is dat [huurder] zich als goed huurder moet gedragen. Dit betekent dat [huurder] zich moet houden aan zijn verplichtingen uit de huurovereenkomst, de algemene voorwaarden en de wet.



4.2.


[huurder] wordt verweten dat hij al langere tijd overlast veroorzaakt. De kantonrechter constateert dat het zwaartepunt van dat verwijt ligt bij geluidsoverlast, met name door harde TV-geluiden in de nachtelijke uren. Hoewel de kantonrechter geen afbreuk wil doen aan de andere gemelde vormen van overlast (zoals het inslaan van de eigen voordeur / ruit, waarvan voorstelbaar is dat dit een negatieve impact heeft gehad op het woongenot van de omwonenden), moet tegelijkertijd worden vastgesteld dat die andere gemelde kwesties veelal incidenten betreffen, waarvan bovendien een belangrijk deel gekoppeld kan worden aan de psychotische toestand waarin [huurder] voorafgaande aan zijn opname op
4 november 2025 kwam te verkeren. De kantonrechter zal de verdere beoordeling daarom toespitsen op de geluidsoverlast die [huurder] verweten wordt.



4.3.
Er is geen wettelijke norm om te bepalen wanneer geluid geluidsoverlast wordt. Of van geluidsoverlast sprake is, hangt af van alle omstandigheden van het geval, zoals de aard, de ernst, de frequentie en de duur van het geluid. Een huurder die hinder aan zijn buren en andere direct omwonenden in de vorm van geluidsoverlast veroorzaakt, schiet tekort in de nakoming van zijn verplichtingen uit de huurovereenkomst. Indien [huurder] zijn verplichtingen niet nakomt (en er dus sprake zou zijn van een tekortkoming), is dit in beginsel reden om de huurovereenkomst te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt.



4.4.
Uit de vele meldingen (vooral afkomstig van de bovenbuurman) blijkt - vooral - dat er sprake is van geluidsoverlast van de TV in de nachtelijke uren. De kantonrechter ziet geen aanleiding om aan de juistheid van de omvang en ernst van de door de omwonenden geuite geluidsoverlast in de nachtelijke uren te twijfelen. [bewindvoerder] voert weliswaar aan dat objectief bewijs in de vorm van geluidsopnamen of een deskundigenrapport ontbreekt, maar daarmee heeft [bewindvoerder] het aantal meldingen en de inhoud daarvan op zichzelf niet voldoende gemotiveerd betwist. Geluidsopnamen en/of een deskundigenonderzoek is/zijn ook geen vereiste(n) om tot geluidsoverlast te kunnen concluderen. Daar komt bij dat de begeleider van [huurder] van [begeleiding] in zijn verklaring van 17 juli 2026 meldt dat [huurder] en zijn begeleiding niet betwisten dat er in het verleden sprake is geweest van geluidsoverlast. Het feit dat het overgrote deel van de meldingen afkomstig is van de bovenbuurman, acht de kantonrechter in dit geval niet vreemd of verdacht. Het ligt voor de hand te veronderstellen dat de bovenbuurman er ook het meeste last van heeft, omdat hij boven [huurder] woont. Daarnaast beschikt de kantonrechter over geen enkele aanwijzing dat er reden is te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de meldingen van de bovenbuurman, zoals wel het geval zou kunnen zijn bij - bijvoorbeeld - gebleken onmin tussen [huurder] en de bovenbuurman. Naar het oordeel van de kantonrechter is in voldoende mate gebleken dat sinds medio 2025 geregeld sprake is geweest van geluidsoverlast in de nachtelijke uren. Dit levert een tekortkoming zijdens [huurder] op. Voor zover [bewindvoerder] stelt dat de overlast is te wijten aan de gehorigheid van de woningen, leidt dit niet tot een ander oordeel. Aannemende dat sprake is van gehorigheid in het gehuurde, maakt dit dat [huurder] als goed huurder er extra voor dient te waken dat omwonenden geen geluidsoverlast ondervinden, in het bijzonder in de normaal gesproken voor de nachtrust bestemde tijd.



4.5.
De kantonrechter mag een huurovereenkomst alleen ontbinden als de tekortkoming ernstig genoeg is. De kantonrechter moet rekening houden met alle omstandigheden. Bij beantwoording van de vraag of de tekortkoming ernstig genoeg is, weegt de kantonrechter onder andere de ernst van de tekortkoming af tegen het zwaarwegende woonbelang van de huurder.



4.6.
Het belang van Woonwenz is duidelijk. Zij dient op te treden tegen de door [huurder] veroorzaakte geluidsoverlast. De geluidsoverlast tast het woongenot van de omwonenden aan (vooral van de bovenbuurman). Daarbij geldt dat tekortkomingen over het verleden niet meer hersteld kunnen worden.



4.7.
Het woonbelang van [huurder] is evident. Hij heeft een groot belang bij behoud van het gehuurde. Een ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde zouden ernstige negatieve gevolgen voor hem hebben. [huurder] heeft geen netwerk van vrienden of familie waar hij terecht zou kunnen. Na de crisisopname in november 2025 is de hulpverlening uitgebreid en geïntensiveerd. [huurder] heeft nu ook een mentor en krijgt (bijna) dagelijks hulp van zijn begeleider van [begeleiding]. Daarnaast loopt er sindsdien een zorgmachtiging. [huurder] neemt de medicatie die bij/na de crisisopname is ingezet in, en accepteert de hulp die hem geboden wordt. Een ontruiming zou voor [huurder] , zo is gesteld en niet weersproken, betekenen dat hij met grote waarschijnlijkheid in de daklozenopvang terecht zou komen. Daarnaast is [huurder] drugsverslaafd geweest en sinds geruime tijd clean. De kans op een terugval is groot, indien hij zijn woning zou verliezen en aangewezen zou raken op daklozenopvang.



4.8.
De kantonrechter neemt verder in haar afweging mee dat de klachten zich voor een belangrijk deel concentreren in de maanden vóór de crisisopname in november 2025 en de eerste maanden na terugkeer in de woning. Er kan weliswaar met Woonwenz worden vastgesteld dat de inzet van voornoemde hulpverlening en medicatie niet onmiddellijk heeft geleid tot substantiële verbetering, maar wat de kantonrechter wel vaststelt is dat kijkende naar de meer actuele situatie, er wel degelijk - vanaf de maand mei 2026 - aanzienlijk minder meldingen zijn. Er zijn meldingen/berichten van 13 mei 2026 van de bovenbuurman, van 7 juli 2026 van een andere omwonende en van 13 juli 2026 van de bovenbuurman. De kantonrechter merkt hierbij op dat zij uit het bericht van 7 juli 2026 van de andere omwonende niet kan afleiden dat [huurder] momenteel overlast veroorzaakt. In de recente berichten van de bovenbuurman leest de kantonrechter, naast enige en op zichzelf begrijpelijke frustratie, ook de bevestiging dat het juist de afgelopen maanden veel rustiger was. De kantonrechter houdt het ervoor dat het effect van de geïntensiveerde hulpverlening en het nemen van medicatie, geborgd door het feit dat er een zorgmachtiging loopt (die voorlopig ook nog geldt) dan wel niet meteen, maar inmiddels wel is ingetreden. Ook neemt de kantonrechter mee dat op de mondelinge behandeling is gebleken dat er voor [huurder] een nieuwe TV is gekocht en een koptelefoon die daarmee verbonden is. Uit deze maatregel blijkt dat zijdens [huurder] men zich ervan bewust is dat het gedrag van [huurder] overlast veroorzaakt voor omwonenden en dat daar wat aan moet gebeuren.



4.9.
De belangen van partijen afwegend acht de kantonrechter in de gegeven omstandigheden het belang van [huurder] bij het behoud van zijn woning groter dan het belang van Woonwenz (lees: de omwonenden) bij een ontruiming. Daarbij wil de kantonrechter op geen enkele wijze afbreuk doen aan de door de omwonenden ervaren geluidsoverlast en voor [huurder] moet duidelijk zijn dat de ingezette positieve ontwikkeling nog verder moet doorzetten. Doorslaggevend voor de beslissing acht de kantonrechter dat na intensivering van de hulpverlening, inname van medicatie, geborgd door een zorgmachtiging, en het treffen van een praktische maatregel, de situatie substantieel is verbeterd, en het feit dat een ontruiming op dit moment deze positieve ontwikkeling volledig zal doorkruisen.



4.10.
De gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde zullen op grond van het voorgaande worden afgewezen.



4.11.
Woonwenz is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [bewindvoerder] worden begroot op:









- salaris gemachtigde


€


434,00


(2 punten × € 217,00)




- nakosten


€


108,50


(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)




Totaal


€


542,50









5. De beslissing



De kantonrechter




5.1.
wijst de vorderingen van Woonwenz af,



5.2.
veroordeelt Woonwenz in de proceskosten van € 542,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Woonwenz niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,



5.3.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.









Dit vonnis is gewezen door mr. Boekhorst en in het openbaar uitgesproken op 9 september 2026.


















































Artikel 6:265 BW.