Rechtbank Limburg
ECLI:NL:RBLIM:2026:8852
2026-08-19
Bestuursrecht
ROE 26/1973
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Afgewezen. Sluiting van woning voor de duur van zes maanden vanwege het aantreffen van een aanzienlijke combinatie van hard- softdrugs, wapen en gripzakjes en weegschaaltjes. Sprake van zeer ernstig geval. Kwetsbare omgeving. Geschikt middel, noodzaak en sluiting evenwichtig. Minderjarige kinderen. Co-ouderschap.
Citeert (9)
- ECLI:NL:RVS:2022:1911 Raad van State 06-07-2022
- ECLI:NL:RVS:2025:2922 Raad van State 16-07-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:2922 Raad van State 16-07-2025
- ECLI:NL:RBOBR:2026:4379 Rechtbank Oost-Brabant 10-06-2026
- ECLI:NL:RVS:2025:2923 Raad van State 16-07-2025
- ECLI:NL:RBOBR:2026:4379 Rechtbank Oost-Brabant 10-06-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:1520 Rechtbank Midden-Nederland 09-04-2026
- ECLI:NL:RVS:2025:2922 Raad van State 16-07-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:2922 Raad van State 16-07-2025
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (23.895 tekens)
RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 26/1973
uitspraak van de voorzieningenrechter van 19 augustus 2026 in de zaak tussen
[naam] , uit Weert, verzoeker
(gemachtigde: mr. R. Engwegen),
en
de burgemeester van de gemeente Weert
(gemachtigde: S.E. Leyba en mr. A.A.M. Verkroost).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel Stichting Wonen Limburg
Procesverloop
1. Bij besluit van 30 juli 2026 heeft de burgemeester besloten om de (huur)woning van verzoeker aan de [adres] te Weert (hierna: de woning) te sluiten voor de duur van zes maanden vanaf 13 augustus 2026. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. De verzochte voorziening houdt in dat het besluit wordt opgeschort (tot twee weken nadat op bezwaar is beslist) en dat dus gedurende die die periode niet tot sluiting van de woning wordt overgegaan.
1.1.
De burgemeester heeft de voorzieningenrechter laten weten dat met de sluiting van de woning in ieder geval wordt gewacht totdat de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan op het verzoek.
1.2.
Verzoeker heeft op 14 augustus 2026 een verklaring van de moeder van zijn minderjarige kinderen overgelegd.
1.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 17 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigden van de burgemeester.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Waar gaat de zaak over?
2. Verzoeker is de huurder van de woning. Naar aanleiding van een ‘meld misdaad anoniem’ melding (hierna: MMA-melding) is de politie een onderzoek gestart. Uit de bestuurlijke rapportage van 8 juni 2026 volgt dat de woning op 19 mei 2026 is betreden en doorzocht. In de woning trof de politie het volgende aan:
11 gram paddo's, aangetroffen in een slaapkamer;
4 gram amfetamine, aangetroffen in een dressoir in de woonkamer;
654 gram amfetamine, aangetroffen in een vriezer;
4,5 gram amfetamine, aangetroffen in een dressoir in de woonkamer;
153 gram amfetamine, aangetroffen in een koel/vriescombinatie;
1,4 gram amfetamine, aangetroffen in een doosje met spiegel in een dressoir in de woonkamer;
20,3 gram hennep, aangetroffen in de televisiekast in de woonkamer;
een ploertendoder;
drie weegschaaltjes;
honderden gripzakjes.
2.1.
De burgemeester heeft op 1 juli 2026 een voornemen tot woningsluiting voor de duur van zes maanden toegezonden en verzoeker in de gelegenheid gesteld een zienswijze in te dienen. Verzoeker heeft hiervan gebruik gemaakt. De burgemeester heeft vervolgens geen aanleiding gezien om van het voornemen af te wijken en op 30 juli 2026 besloten om de woning voor zes maanden te sluiten per 13 augustus 2026.
Is er sprake van een spoedeisend belang?
3. De door verzoeker gevraagde voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen indien er een spoedeisend belang is, waardoor verzoeker niet kan wachten op een beslissing op bezwaar. De voorzieningenrechter dient dus eerst te beoordelen of sprake is van een spoedeisend belang, voordat de zaak inhoudelijk kan worden beoordeeld.
3.1.
Gelet op het feit dat verzoeker de bewoner is van de woning en in het geval van sluiting daarvan, de woning zal moeten verlaten voordat een beslissing op bezwaar zal zijn genomen, is de voorzieningenrechter van oordeel dat voldoende is gebleken van een spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening. De zaak zal dan ook inhoudelijk worden beoordeeld.
Toetsingskader
4. Als de burgemeester gebruik wil maken van zijn bevoegdheid om een woning op grond van artikel 13b, van de Opiumwet te sluiten, geldt daarvoor het beoordelings- en toetsingskader van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling). Dat kader is beschreven in de uitspraken van 6 juli 2022 en 16 juli 2025. Hierbij moet beoordeeld worden of de sluiting van de woning in het concrete geval geschikt, noodzakelijk en evenwichtig is.
Is de burgemeester bevoegd om tot sluiting van de woning over te gaan?
5. In deze zaak is niet in geschil dat de burgemeester bevoegd was om handhavend op te treden op grond van artikel 13b van de Opiumwet. Het verzoek om voorlopige voorziening draait om de vraag of de burgemeester in redelijkheid van zijn bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.
Mocht de burgemeester gebruikmaken van zijn bevoegdheid?
6. De burgemeester dient een belangenafweging te maken bij zijn beslissing of, en op welke wijze, hij van de bevoegdheid van artikel 13b van de Opiumwet gebruik maakt en waarbij het hiervoor genoemde toetsingskader van de Afdeling geldt. De evenredigheidsbeoordeling bestaat uit een beoordeling van de (a) geschiktheid, (b) noodzakelijkheid en (c) evenwichtigheid van het besluit tot sluiten van de woning.
a. a) Is sluiting van de woning een geschikt middel?
7. Verzoeker betwist dat de sluiting een geschikt middel is. Hij verwijst naar de (overzichts)uitspraak van 16 juli 2025 de Afdeling. De softdrugs en de harddrugs zijn aangetroffen op 19 mei 2026 en de sluiting van de woning staat gepland op
13 augustus 2026. Er is dus sprake van een tijdsverloop van drie maanden. Verzoeker stelt dat dit een dusdanig tijdsverloop is dat inmiddels kan worden gesproken van een situatie waarbij de sluiting ongeschikt is. Van belang in dit verband is dat er geen rechtvaardiging aanwezig is voor het tijdsverloop en dit ook verder niet is gemotiveerd. De zienswijze is op 1 juli 2016 ingediend, terwijl het vervolgend nog een maand heeft geduurd tot het besluit werd ontvangen. Verzoeker verwijst in dit verband naar de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 10 juni 2026. Volgens verzoeker is er sprake van een vergelijkbare situatie. Van belang is volgens verzoeker ook dat de onrechtmatige situatie is hersteld en de doelen van beëindiging van de overtreding en de negatieve effecten daarvan en het voorkomen van herhaling niet meer aan de orde zijn. De drugs zijn immers verwijderd en daarnaast is van belang dat geen sprake is geweest van handel en nergens uit blijkt dat sprake was van drugsoverlast. Volgens verzoeker heeft de burgemeester onvoldoende gemotiveerd en geconcretiseerd waarom de doelen die met een sluiting worden beoogd in dezen nog kunnen worden gerealiseerd.
7.1.
De voorzieningenrechter overweegt als volgt. De last onder bestuursdwang om een woning, waarin drugs worden gevonden, tijdelijk te sluiten is een herstelsanctie om een geconstateerde overtreding van de Opiumwet en de negatieve gevolgen daarvan te beëindigen en om verdere overtreding te voorkomen. Tijdsverloop tussen enerzijds het constateren van de overtreding en anderzijds het tijdstip waarop de burgemeester ingevolge de besluitvorming tot sluiting overgaat, kan ertoe leiden dat het sluiten van de woning niet meer zal bijdragen aan het bereiken van de doelen, die met de sluiting worden gediend. Door tijdsverloop kan namelijk de situatie ontstaan dat de onrechtmatige situatie al is hersteld en de negatieve gevolgen al ongedaan zijn gemaakt. De burgemeester zal altijd in zijn besluitvorming moeten beoordelen of sluiting op het beoogde tijdstip, gelet op het tijdsverloop in samenhang bezien met de overige omstandigheden van het geval, een geschikt middel is en zo ja, of sluiting noodzakelijk is. Als de situatie is hersteld en de burgemeester daardoor zijn beoogde doelen niet meer kan bereiken, is sluiting niet langer geschikt.
7.2.
De voorzieningenrechter stelt vast dat de overtreding op 19 mei 2026 is geconstateerd en dat de sluiting van de woning was bepaald op 13 augustus 2026, maar dat thans gewacht wordt tot de uitspraak van de voorzieningenrechter. De voorzieningenrechter is in dit geval van oordeel dat op zichzelf geen sprake is van een onredelijk lang tijdsverloop. Sinds het constateren van de overtreding (19 mei 2026) en het mogelijk sluiten (13 augustus 2026) zijn drie maanden verstreken. Bovendien heeft de burgemeester niet stil gezeten. Na het constateren van de overtreding is op 8 juni 2026 een bestuurlijke rapportage opgemaakt, vervolgens is op 1 juli 2026 het voornemen verstuurd. Na het voornemen op 1 juli 2026 heeft verzoeker op 14 juli 2026 een zienswijze ingediend en is het besluit op 30 juli 2026 genomen. Tussen deze verschillende genomen stappen tot besluitvorming heeft telkens geen onredelijk tijdsverloop gezeten.
7.3.
De voorzieningenrechter is bovendien, met de burgemeester, van oordeel dat het tijdsverloop niet zodanig groot is dat een sluiting redelijkerwijs niet meer zal bijdragen aan de te bereiken doelen. Het middel van sluiting is in het algemeen ook geschikt om een woning aan het drugscircuit te onttrekken. In deze zaak ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om daar anders over te oordelen, gelet op de ernst van de overtreding en de aangetroffen hoeveelheid hard- en softdrugs. De verwijzing naar de uitspraak van rechtbank Oost-Brabant van 10 juni 2026 slaagt naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet. In die zaak kleefden meerdere gebreken aan het bestreden besluit en was niet de verzoeker in die zaak de eigenaar van de harddrugs maar de zoon, die inmiddels de woning had verlaten. Ook de verwijzing naar de uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland van 9 april 2024 slaagt niet. Daarin was sprake van een verwijzing naar (algemene) doelen van de sluiting waaraan in dit kader slechts beperkte betekenis toekomt. In het besluit van de burgemeester is echter wel (concreet) ingegaan op de doelen die met deze sluiting bereikt worden en waaraan wel betekenis toekomt.
7.4.
Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter zal deze bezwaargrond niet slagen.
b) Is de sluiting van de woning noodzakelijk?
8. Verzoeker betwist ook dat sprake is van een noodzaak tot sluiting van de woning. In de woning is weliswaar de nodige drugs aangetroffen, maar in het besluit zijn in het geheel geen feiten en omstandigheden gesteld, welke maken dat de overtreding dusdanig ernstig is dat de sluiting van de woning noodzakelijk is. Verzoeker stelt dat er geen sprake is geweest van feitelijke handel vanuit de woning en dit blijkt verder ook nergens uit. Er zijn geen meldingen gedaan welke betrekking hebben op handel. De drugs waren voor eigen gebruik en verzoeker heeft hier uitgebreid over verklaard. Het enkele feit dat gripzakjes en een weegschaal aanwezig waren is volgens verzoeker onvoldoende om te stellen dat sprake is van drugshandel. Verder blijkt nergens uit dat de woning bekend staat als drugspand. De burgemeester stelt in het besluit dat sprake is van recidive. Een en ander heeft echter lang geleden plaatsgevonden, terwijl verzoeker ook niet is veroordeeld voor drugshandel vanuit zijn woning. Verzoeker stelt tot slot dat er geen concrete feiten en omstandigheden aanwezig zijn welke erop duiden dat de woning een rol vervult binnen de keten van drugshandel.
8.1.
De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Als de sluiting geschikt is dan is moet er ook een noodzaak bestaan om een pand te sluiten. Daarbij is van belang of de burgemeester met een minder ingrijpend middel dan een sluiting had kunnen en moeten volstaan, omdat het beoogde doel ook daarmee had kunnen worden bereikt. Toepassing van artikel 13b van de Opiumwet is een herstelsanctie en strekt tot beëindiging van de overtreding van de Opiumwet, het beëindigen van de negatieve effecten van de overtreding en het voorkomen van herhaling van de overtreding. Herstel van de openbare orde is dus niet op zichzelf het doel van deze toepassing. Dit neemt niet weg dat een overtreding van de Opiumwet, ook wanneer deze plaatsvindt in of vanuit een woning, gevolgen heeft voor het woon- en leefklimaat in de omgeving en in meer of mindere mate gepaard gaat met verstoring van de openbare orde. Het ligt voor de hand dat de burgemeester die effecten op de omgeving betrekt in zijn beoordeling of het noodzakelijk is om over te gaan tot sluiting van een woning. Deze beoordeling moet plaatsvinden aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval.
8.2.
De voorzieningenrechter is met de burgemeester van oordeel dat de op
19 mei 2026 aangetroffen situatie in de woning van dien aard was dat deze als zeer ernstig kan worden beschouwd op grond van het beleid van de burgemeester, zodat de burgemeester een sluiting van zes maanden noodzakelijk heeft kunnen achten. Naast de aanzienlijke handelshoeveelheid hard- en softdrugs, die verspreid over de woning aanwezig waren, zijn in de woning ook voorwerpen aangetroffen die duiden op betrokkenheid bij drugshandel, zoals een wapen, weegschaaltjes en gripzakjes. Gelet op deze omstandigheden heeft de burgemeester op grond van zijn beleid mogen aannemen dat de woning deel uitmaakt van de keten van drugshandel of in elk geval bekend is binnen het criminele (drugs)circuit. De omstandigheid dat geen feitelijke loop naar de woning is geconstateerd, of dat geen sprake zou zijn van recidive (of dat te lang geleden is) zoals verzoeker stelt, doet aan het voorgaande niet af. Enkel de aangetroffen situatie, die overigens niet betwist wordt, maakt al dat de burgemeester de conclusie mocht trekken dat sprake was van een ‘zeer ernstig’ geval dat de woningsluiting van 6 maanden rechtvaardigt. Daar komt nog bij dat de burgemeester ook in het besluit heeft opgenomen dat de woning in een voor drugscriminaliteit kwetsbare omgeving ligt. Binnen een straal van 800 meter van de woning is in de periode van 2023 tot heden vier keer eerder een handelshoeveelheid drugs aangetroffen. De burgemeester heeft gelet hierop ook voldoende toegelicht waarom hij conform het beleid heeft besloten om de woning te sluiten en niet te volstaan met een waarschuwing, en de sluiting een geschikt en noodzakelijk middel is in dit geval.
8.3.
Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter zal deze bezwaargrond niet slagen.
c) Is de sluiting van de woning evenwichtig?
9. Verzoeker stelt dat de nadelige gevolgen van de woningsluiting onevenredig zijn in verhouding tot de met de sluiting te dienen doelen. Hierom had de burgemeester (ook) met een minder vergaande maatregel dienen te volstaan. Hierbij is volgens verzoeker allereerst van belang dat de mate van verwijtbaarheid in dezen gering is. Verzoeker stelt dat de drugs enkel voor eigen gebruik waren en er geen sprake van drugshandel was. Verder woont verzoeker in de woning met zijn twee dochters, welke conform een co-
ouderschapsregeling bij hem verblijven en waarvan één op zijn adres staat ingeschreven. Indien de woning gesloten wordt, komt verzoeker met zijn dochters op straat te staan, terwijl verzoeker geen mogelijkheid heeft om elders met zijn dochters te verblijven. Er is volgens verzoeker sprake van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de burgemeester tot een andere afweging had moeten komen. Tot slot heeft de verhuurder van de woning reeds aangekondigd voornemens te zijn de huurovereenkomst buitengerechtelijk te ontbinden en verzoeker op een zwarte lijst te plaatsen. Voor verzoeker zal het dus niet mogelijk zijn om zijn kinderen elders te kunnen opvangen.
9.1.
De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Als de sluiting van een woning in beginsel geschikt en noodzakelijk wordt geacht, neemt dat niet weg dat die sluiting ook evenwichtig moet zijn. Bij de beoordeling van de evenwichtigheid van (de duur van) de sluiting zijn verschillende omstandigheden van belang, zoals de mate van verwijtbaarheid van de aangeschreven persoon, een bijzondere binding met de woning en de mogelijkheid om weer van de woning gebruik te kunnen maken. De nadelige gevolgen van de sluiting voor de bewoner moeten worden afgewogen tegen de omstandigheden die ertoe hebben geleid dat de burgemeester een sluiting noodzakelijk mocht vinden. Een sluiting met veel nadelige gevolgen is niet per definitie onevenwichtig. Inherent aan de sluiting van de woning is verder dat de bewoner de woning moet verlaten. Dat is op zichzelf geen bijzondere omstandigheid. Het is in de eerste plaats aan de bewoner om vervangende woonruimte te vinden. Verder moet de burgemeester de aanwezigheid van minderjarige kinderen en de impact van de sluiting op hun welzijn in zijn besluitvorming betrekken. Ook is van belang hoelang de woning gesloten blijft en of de bewoners na de sluiting weer van de woning gebruik kunnen maken. Bij dat laatste moet de burgemeester zich er rekenschap van geven dat de sluiting van een huurwoning de verhuurder de wettelijke grondslag biedt om de huurovereenkomst buitengerechtelijk, dus zonder tussenkomst van de kantonrechter, te ontbinden. En ook dat de huurder door sluiting van de woning veelal op een zogenoemde zwarte lijst bij een woningcorporatie komt te staan, als gevolg waarvan hij voor een bepaalde duur geen nieuwe sociale huurwoning kan huren in de regio. Als de burgemeester tot de conclusie komt dat de nadelige gevolgen van een woningsluiting onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen, moet hij van sluiting af te zien.
9.2.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de woning, gelet op de door verzoeker aangedragen omstandigheden en de door de burgemeester aangedragen doelen die met de sluiting zijn gediend, evenwichtig is. Daarbij is allereerst van belang dat verzoeker een verwijt treft. Hij is immers de bewoner van woning, waarin de handelshoeveelheid hard- en softdrugs is aangetroffen. Verzoeker heeft hiermee het risico aanvaard dat deze hoeveelheid zou worden ontdekt en tot een woningsluiting zou leiden wat eventuele verstrekkende gevolgen heeft voor hem en zijn minderjarige kinderen. De voorzieningenrechter overweegt verder dat de burgemeester een informatieplicht heeft ten aanzien van het verblijf van de minderjarige kinderen en hieraan heeft voldaan. De burgemeester heeft immers bij zijn voornemen expliciet gevraagd naar de gevolgen van de sluiting voor de kinderen van verzoeker en aangegeven dat de burgemeester daar nog onderzoek naar doet. Verzoeker heeft in de zienswijze gesteld dat er sprake is van co-ouderschap en dat het voor de moeder van de kinderen niet mogelijk is om de kinderen voor dergelijk lange periode volledig bij zich te hebben. In het besluit heeft de burgemeester vervolgens, op basis van het co-ouderschap, niet aannemelijk geacht dat de kinderen niet volledig bij hun moeder terecht kunnen. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft de burgemeester dat ook mogen aannemen. In het geval van een co-ouderschapsregeling is immers sprake van volwaardig ouderschap. Dit betekent dat er plek en ruimte in de woning van de moeder van de kinderen is. Hier verblijven zij immers ook om de week. Niet valt in te zien, zonder dat er bijzondere redenen worden aangevoerd, dat de kinderen niet tijdelijk elke week in de woning van de moeder kunnen verblijven. In deze procedure heeft verzoeker een verklaring overgelegd van de moeder van de kinderen, ter onderbouwing van zijn standpunt dat de minderjarige kinderen niet bij haar terecht zouden kunnen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat deze verklaring het voorgaande niet anders maakt. Uit de verklaring volgt namelijk niet dat de moeder van de kinderen geen verblijfplaats voor de kinderen heeft, maar dat ze vanwege haar werk niet alle taken op zich kan nemen (en de kinderen niet naar school kan brengen). Ter zitting is namens de burgemeester terecht gesteld dat er wellicht een regeling kan worden getroffen tussen verzoeker en de moeder met betrekking tot deze taken en/of vervoer. Een verblijfplaats voor de kinderen is in ieder geval gewaarborgd. Verder overweegt de voorzieningenrechter dat niet is gebleken dat verzoeker zich voldoende heeft ingespannen om tijdelijk andere woonruimte te vinden. Met de enkele stelling dat hij niet bij zijn vader terecht kan en een klein netwerk heeft, heeft verzoeker onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij niet tijdelijk bij iemand in zijn netwerk terecht kan (al dan niet tezamen met zijn kinderen). Bovendien heeft hij ter zitting ook bevestigd nog niet actief op zoek te zijn gegaan naar een woonruimte. Verzoeker is echter in de eerste plaats zelf verantwoordelijk voor het vinden van (andere) tijdelijke woonruimte. Tot slot overweegt de voorzieningenrechter dat de omstandigheid dat de sluiting kan leiden tot een plaatsing op de zwarte lijst en ontbinding van de huurovereenkomst inherent is aan de sluiting en op zichzelf geen reden vormt om van sluiting af te zien.
9.3.
Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter zal ook deze bezwaargrond niet slagen.
Conclusie en gevolgen
10. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de burgemeester de woning voor zes maanden mocht sluiten. Dit betekent dat het besluit niet wordt geschorst en dat de burgemeester met het sluiten van de woning niet hoeft te wachten totdat op het bezwaar is beslist.
11. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
12. Ten overvloede overweegt de voorzieningenrechter ten slotte dat zij er wel vanuit gaat dat de burgemeester aan verzoeker na deze uitspraak nog enige dagen respijt zal geven voor het vinden van vervangende huisvesting en verzoeker daarover duidelijkheid zal bieden, alvorens tot effectuering van de sluiting over te gaan.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C. Drent, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. L.J.G.G. Reijnen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 19 augustus 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 19 augustus 2026
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
ECLI:NL:RVS:2022:1911.
ECLI:NL:RVS:2025:2922.
ECLI:NL:RVS:2025:2922.
ECLI:NL:RBOBR:2026:4379.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2923.
ECLI:NL:RBOBR:2026:4379.
ECLI:NL:RBMNE:2026:1520.
Beleidsregel van de burgemeester van de gemeente Weert houdende regels omtrent het toepassen van bestuursrechtelijke sancties op grond van artikel 13b Opiumwet d.d. 18 juni 2019'.
ECLI:NL:RVS:2025:2922.
zie r.o. 11 tot en met 12 in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2922.
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 26/1973
uitspraak van de voorzieningenrechter van 19 augustus 2026 in de zaak tussen
[naam] , uit Weert, verzoeker
(gemachtigde: mr. R. Engwegen),
en
de burgemeester van de gemeente Weert
(gemachtigde: S.E. Leyba en mr. A.A.M. Verkroost).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel Stichting Wonen Limburg
Procesverloop
1. Bij besluit van 30 juli 2026 heeft de burgemeester besloten om de (huur)woning van verzoeker aan de [adres] te Weert (hierna: de woning) te sluiten voor de duur van zes maanden vanaf 13 augustus 2026. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. De verzochte voorziening houdt in dat het besluit wordt opgeschort (tot twee weken nadat op bezwaar is beslist) en dat dus gedurende die die periode niet tot sluiting van de woning wordt overgegaan.
1.1.
De burgemeester heeft de voorzieningenrechter laten weten dat met de sluiting van de woning in ieder geval wordt gewacht totdat de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan op het verzoek.
1.2.
Verzoeker heeft op 14 augustus 2026 een verklaring van de moeder van zijn minderjarige kinderen overgelegd.
1.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 17 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigden van de burgemeester.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Waar gaat de zaak over?
2. Verzoeker is de huurder van de woning. Naar aanleiding van een ‘meld misdaad anoniem’ melding (hierna: MMA-melding) is de politie een onderzoek gestart. Uit de bestuurlijke rapportage van 8 juni 2026 volgt dat de woning op 19 mei 2026 is betreden en doorzocht. In de woning trof de politie het volgende aan:
11 gram paddo's, aangetroffen in een slaapkamer;
4 gram amfetamine, aangetroffen in een dressoir in de woonkamer;
654 gram amfetamine, aangetroffen in een vriezer;
4,5 gram amfetamine, aangetroffen in een dressoir in de woonkamer;
153 gram amfetamine, aangetroffen in een koel/vriescombinatie;
1,4 gram amfetamine, aangetroffen in een doosje met spiegel in een dressoir in de woonkamer;
20,3 gram hennep, aangetroffen in de televisiekast in de woonkamer;
een ploertendoder;
drie weegschaaltjes;
honderden gripzakjes.
2.1.
De burgemeester heeft op 1 juli 2026 een voornemen tot woningsluiting voor de duur van zes maanden toegezonden en verzoeker in de gelegenheid gesteld een zienswijze in te dienen. Verzoeker heeft hiervan gebruik gemaakt. De burgemeester heeft vervolgens geen aanleiding gezien om van het voornemen af te wijken en op 30 juli 2026 besloten om de woning voor zes maanden te sluiten per 13 augustus 2026.
Is er sprake van een spoedeisend belang?
3. De door verzoeker gevraagde voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen indien er een spoedeisend belang is, waardoor verzoeker niet kan wachten op een beslissing op bezwaar. De voorzieningenrechter dient dus eerst te beoordelen of sprake is van een spoedeisend belang, voordat de zaak inhoudelijk kan worden beoordeeld.
3.1.
Gelet op het feit dat verzoeker de bewoner is van de woning en in het geval van sluiting daarvan, de woning zal moeten verlaten voordat een beslissing op bezwaar zal zijn genomen, is de voorzieningenrechter van oordeel dat voldoende is gebleken van een spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening. De zaak zal dan ook inhoudelijk worden beoordeeld.
Toetsingskader
4. Als de burgemeester gebruik wil maken van zijn bevoegdheid om een woning op grond van artikel 13b, van de Opiumwet te sluiten, geldt daarvoor het beoordelings- en toetsingskader van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling). Dat kader is beschreven in de uitspraken van 6 juli 2022 en 16 juli 2025. Hierbij moet beoordeeld worden of de sluiting van de woning in het concrete geval geschikt, noodzakelijk en evenwichtig is.
Is de burgemeester bevoegd om tot sluiting van de woning over te gaan?
5. In deze zaak is niet in geschil dat de burgemeester bevoegd was om handhavend op te treden op grond van artikel 13b van de Opiumwet. Het verzoek om voorlopige voorziening draait om de vraag of de burgemeester in redelijkheid van zijn bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.
Mocht de burgemeester gebruikmaken van zijn bevoegdheid?
6. De burgemeester dient een belangenafweging te maken bij zijn beslissing of, en op welke wijze, hij van de bevoegdheid van artikel 13b van de Opiumwet gebruik maakt en waarbij het hiervoor genoemde toetsingskader van de Afdeling geldt. De evenredigheidsbeoordeling bestaat uit een beoordeling van de (a) geschiktheid, (b) noodzakelijkheid en (c) evenwichtigheid van het besluit tot sluiten van de woning.
a. a) Is sluiting van de woning een geschikt middel?
7. Verzoeker betwist dat de sluiting een geschikt middel is. Hij verwijst naar de (overzichts)uitspraak van 16 juli 2025 de Afdeling. De softdrugs en de harddrugs zijn aangetroffen op 19 mei 2026 en de sluiting van de woning staat gepland op
13 augustus 2026. Er is dus sprake van een tijdsverloop van drie maanden. Verzoeker stelt dat dit een dusdanig tijdsverloop is dat inmiddels kan worden gesproken van een situatie waarbij de sluiting ongeschikt is. Van belang in dit verband is dat er geen rechtvaardiging aanwezig is voor het tijdsverloop en dit ook verder niet is gemotiveerd. De zienswijze is op 1 juli 2016 ingediend, terwijl het vervolgend nog een maand heeft geduurd tot het besluit werd ontvangen. Verzoeker verwijst in dit verband naar de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 10 juni 2026. Volgens verzoeker is er sprake van een vergelijkbare situatie. Van belang is volgens verzoeker ook dat de onrechtmatige situatie is hersteld en de doelen van beëindiging van de overtreding en de negatieve effecten daarvan en het voorkomen van herhaling niet meer aan de orde zijn. De drugs zijn immers verwijderd en daarnaast is van belang dat geen sprake is geweest van handel en nergens uit blijkt dat sprake was van drugsoverlast. Volgens verzoeker heeft de burgemeester onvoldoende gemotiveerd en geconcretiseerd waarom de doelen die met een sluiting worden beoogd in dezen nog kunnen worden gerealiseerd.
7.1.
De voorzieningenrechter overweegt als volgt. De last onder bestuursdwang om een woning, waarin drugs worden gevonden, tijdelijk te sluiten is een herstelsanctie om een geconstateerde overtreding van de Opiumwet en de negatieve gevolgen daarvan te beëindigen en om verdere overtreding te voorkomen. Tijdsverloop tussen enerzijds het constateren van de overtreding en anderzijds het tijdstip waarop de burgemeester ingevolge de besluitvorming tot sluiting overgaat, kan ertoe leiden dat het sluiten van de woning niet meer zal bijdragen aan het bereiken van de doelen, die met de sluiting worden gediend. Door tijdsverloop kan namelijk de situatie ontstaan dat de onrechtmatige situatie al is hersteld en de negatieve gevolgen al ongedaan zijn gemaakt. De burgemeester zal altijd in zijn besluitvorming moeten beoordelen of sluiting op het beoogde tijdstip, gelet op het tijdsverloop in samenhang bezien met de overige omstandigheden van het geval, een geschikt middel is en zo ja, of sluiting noodzakelijk is. Als de situatie is hersteld en de burgemeester daardoor zijn beoogde doelen niet meer kan bereiken, is sluiting niet langer geschikt.
7.2.
De voorzieningenrechter stelt vast dat de overtreding op 19 mei 2026 is geconstateerd en dat de sluiting van de woning was bepaald op 13 augustus 2026, maar dat thans gewacht wordt tot de uitspraak van de voorzieningenrechter. De voorzieningenrechter is in dit geval van oordeel dat op zichzelf geen sprake is van een onredelijk lang tijdsverloop. Sinds het constateren van de overtreding (19 mei 2026) en het mogelijk sluiten (13 augustus 2026) zijn drie maanden verstreken. Bovendien heeft de burgemeester niet stil gezeten. Na het constateren van de overtreding is op 8 juni 2026 een bestuurlijke rapportage opgemaakt, vervolgens is op 1 juli 2026 het voornemen verstuurd. Na het voornemen op 1 juli 2026 heeft verzoeker op 14 juli 2026 een zienswijze ingediend en is het besluit op 30 juli 2026 genomen. Tussen deze verschillende genomen stappen tot besluitvorming heeft telkens geen onredelijk tijdsverloop gezeten.
7.3.
De voorzieningenrechter is bovendien, met de burgemeester, van oordeel dat het tijdsverloop niet zodanig groot is dat een sluiting redelijkerwijs niet meer zal bijdragen aan de te bereiken doelen. Het middel van sluiting is in het algemeen ook geschikt om een woning aan het drugscircuit te onttrekken. In deze zaak ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om daar anders over te oordelen, gelet op de ernst van de overtreding en de aangetroffen hoeveelheid hard- en softdrugs. De verwijzing naar de uitspraak van rechtbank Oost-Brabant van 10 juni 2026 slaagt naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet. In die zaak kleefden meerdere gebreken aan het bestreden besluit en was niet de verzoeker in die zaak de eigenaar van de harddrugs maar de zoon, die inmiddels de woning had verlaten. Ook de verwijzing naar de uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland van 9 april 2024 slaagt niet. Daarin was sprake van een verwijzing naar (algemene) doelen van de sluiting waaraan in dit kader slechts beperkte betekenis toekomt. In het besluit van de burgemeester is echter wel (concreet) ingegaan op de doelen die met deze sluiting bereikt worden en waaraan wel betekenis toekomt.
7.4.
Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter zal deze bezwaargrond niet slagen.
b) Is de sluiting van de woning noodzakelijk?
8. Verzoeker betwist ook dat sprake is van een noodzaak tot sluiting van de woning. In de woning is weliswaar de nodige drugs aangetroffen, maar in het besluit zijn in het geheel geen feiten en omstandigheden gesteld, welke maken dat de overtreding dusdanig ernstig is dat de sluiting van de woning noodzakelijk is. Verzoeker stelt dat er geen sprake is geweest van feitelijke handel vanuit de woning en dit blijkt verder ook nergens uit. Er zijn geen meldingen gedaan welke betrekking hebben op handel. De drugs waren voor eigen gebruik en verzoeker heeft hier uitgebreid over verklaard. Het enkele feit dat gripzakjes en een weegschaal aanwezig waren is volgens verzoeker onvoldoende om te stellen dat sprake is van drugshandel. Verder blijkt nergens uit dat de woning bekend staat als drugspand. De burgemeester stelt in het besluit dat sprake is van recidive. Een en ander heeft echter lang geleden plaatsgevonden, terwijl verzoeker ook niet is veroordeeld voor drugshandel vanuit zijn woning. Verzoeker stelt tot slot dat er geen concrete feiten en omstandigheden aanwezig zijn welke erop duiden dat de woning een rol vervult binnen de keten van drugshandel.
8.1.
De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Als de sluiting geschikt is dan is moet er ook een noodzaak bestaan om een pand te sluiten. Daarbij is van belang of de burgemeester met een minder ingrijpend middel dan een sluiting had kunnen en moeten volstaan, omdat het beoogde doel ook daarmee had kunnen worden bereikt. Toepassing van artikel 13b van de Opiumwet is een herstelsanctie en strekt tot beëindiging van de overtreding van de Opiumwet, het beëindigen van de negatieve effecten van de overtreding en het voorkomen van herhaling van de overtreding. Herstel van de openbare orde is dus niet op zichzelf het doel van deze toepassing. Dit neemt niet weg dat een overtreding van de Opiumwet, ook wanneer deze plaatsvindt in of vanuit een woning, gevolgen heeft voor het woon- en leefklimaat in de omgeving en in meer of mindere mate gepaard gaat met verstoring van de openbare orde. Het ligt voor de hand dat de burgemeester die effecten op de omgeving betrekt in zijn beoordeling of het noodzakelijk is om over te gaan tot sluiting van een woning. Deze beoordeling moet plaatsvinden aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval.
8.2.
De voorzieningenrechter is met de burgemeester van oordeel dat de op
19 mei 2026 aangetroffen situatie in de woning van dien aard was dat deze als zeer ernstig kan worden beschouwd op grond van het beleid van de burgemeester, zodat de burgemeester een sluiting van zes maanden noodzakelijk heeft kunnen achten. Naast de aanzienlijke handelshoeveelheid hard- en softdrugs, die verspreid over de woning aanwezig waren, zijn in de woning ook voorwerpen aangetroffen die duiden op betrokkenheid bij drugshandel, zoals een wapen, weegschaaltjes en gripzakjes. Gelet op deze omstandigheden heeft de burgemeester op grond van zijn beleid mogen aannemen dat de woning deel uitmaakt van de keten van drugshandel of in elk geval bekend is binnen het criminele (drugs)circuit. De omstandigheid dat geen feitelijke loop naar de woning is geconstateerd, of dat geen sprake zou zijn van recidive (of dat te lang geleden is) zoals verzoeker stelt, doet aan het voorgaande niet af. Enkel de aangetroffen situatie, die overigens niet betwist wordt, maakt al dat de burgemeester de conclusie mocht trekken dat sprake was van een ‘zeer ernstig’ geval dat de woningsluiting van 6 maanden rechtvaardigt. Daar komt nog bij dat de burgemeester ook in het besluit heeft opgenomen dat de woning in een voor drugscriminaliteit kwetsbare omgeving ligt. Binnen een straal van 800 meter van de woning is in de periode van 2023 tot heden vier keer eerder een handelshoeveelheid drugs aangetroffen. De burgemeester heeft gelet hierop ook voldoende toegelicht waarom hij conform het beleid heeft besloten om de woning te sluiten en niet te volstaan met een waarschuwing, en de sluiting een geschikt en noodzakelijk middel is in dit geval.
8.3.
Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter zal deze bezwaargrond niet slagen.
c) Is de sluiting van de woning evenwichtig?
9. Verzoeker stelt dat de nadelige gevolgen van de woningsluiting onevenredig zijn in verhouding tot de met de sluiting te dienen doelen. Hierom had de burgemeester (ook) met een minder vergaande maatregel dienen te volstaan. Hierbij is volgens verzoeker allereerst van belang dat de mate van verwijtbaarheid in dezen gering is. Verzoeker stelt dat de drugs enkel voor eigen gebruik waren en er geen sprake van drugshandel was. Verder woont verzoeker in de woning met zijn twee dochters, welke conform een co-
ouderschapsregeling bij hem verblijven en waarvan één op zijn adres staat ingeschreven. Indien de woning gesloten wordt, komt verzoeker met zijn dochters op straat te staan, terwijl verzoeker geen mogelijkheid heeft om elders met zijn dochters te verblijven. Er is volgens verzoeker sprake van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de burgemeester tot een andere afweging had moeten komen. Tot slot heeft de verhuurder van de woning reeds aangekondigd voornemens te zijn de huurovereenkomst buitengerechtelijk te ontbinden en verzoeker op een zwarte lijst te plaatsen. Voor verzoeker zal het dus niet mogelijk zijn om zijn kinderen elders te kunnen opvangen.
9.1.
De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Als de sluiting van een woning in beginsel geschikt en noodzakelijk wordt geacht, neemt dat niet weg dat die sluiting ook evenwichtig moet zijn. Bij de beoordeling van de evenwichtigheid van (de duur van) de sluiting zijn verschillende omstandigheden van belang, zoals de mate van verwijtbaarheid van de aangeschreven persoon, een bijzondere binding met de woning en de mogelijkheid om weer van de woning gebruik te kunnen maken. De nadelige gevolgen van de sluiting voor de bewoner moeten worden afgewogen tegen de omstandigheden die ertoe hebben geleid dat de burgemeester een sluiting noodzakelijk mocht vinden. Een sluiting met veel nadelige gevolgen is niet per definitie onevenwichtig. Inherent aan de sluiting van de woning is verder dat de bewoner de woning moet verlaten. Dat is op zichzelf geen bijzondere omstandigheid. Het is in de eerste plaats aan de bewoner om vervangende woonruimte te vinden. Verder moet de burgemeester de aanwezigheid van minderjarige kinderen en de impact van de sluiting op hun welzijn in zijn besluitvorming betrekken. Ook is van belang hoelang de woning gesloten blijft en of de bewoners na de sluiting weer van de woning gebruik kunnen maken. Bij dat laatste moet de burgemeester zich er rekenschap van geven dat de sluiting van een huurwoning de verhuurder de wettelijke grondslag biedt om de huurovereenkomst buitengerechtelijk, dus zonder tussenkomst van de kantonrechter, te ontbinden. En ook dat de huurder door sluiting van de woning veelal op een zogenoemde zwarte lijst bij een woningcorporatie komt te staan, als gevolg waarvan hij voor een bepaalde duur geen nieuwe sociale huurwoning kan huren in de regio. Als de burgemeester tot de conclusie komt dat de nadelige gevolgen van een woningsluiting onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen, moet hij van sluiting af te zien.
9.2.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de woning, gelet op de door verzoeker aangedragen omstandigheden en de door de burgemeester aangedragen doelen die met de sluiting zijn gediend, evenwichtig is. Daarbij is allereerst van belang dat verzoeker een verwijt treft. Hij is immers de bewoner van woning, waarin de handelshoeveelheid hard- en softdrugs is aangetroffen. Verzoeker heeft hiermee het risico aanvaard dat deze hoeveelheid zou worden ontdekt en tot een woningsluiting zou leiden wat eventuele verstrekkende gevolgen heeft voor hem en zijn minderjarige kinderen. De voorzieningenrechter overweegt verder dat de burgemeester een informatieplicht heeft ten aanzien van het verblijf van de minderjarige kinderen en hieraan heeft voldaan. De burgemeester heeft immers bij zijn voornemen expliciet gevraagd naar de gevolgen van de sluiting voor de kinderen van verzoeker en aangegeven dat de burgemeester daar nog onderzoek naar doet. Verzoeker heeft in de zienswijze gesteld dat er sprake is van co-ouderschap en dat het voor de moeder van de kinderen niet mogelijk is om de kinderen voor dergelijk lange periode volledig bij zich te hebben. In het besluit heeft de burgemeester vervolgens, op basis van het co-ouderschap, niet aannemelijk geacht dat de kinderen niet volledig bij hun moeder terecht kunnen. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft de burgemeester dat ook mogen aannemen. In het geval van een co-ouderschapsregeling is immers sprake van volwaardig ouderschap. Dit betekent dat er plek en ruimte in de woning van de moeder van de kinderen is. Hier verblijven zij immers ook om de week. Niet valt in te zien, zonder dat er bijzondere redenen worden aangevoerd, dat de kinderen niet tijdelijk elke week in de woning van de moeder kunnen verblijven. In deze procedure heeft verzoeker een verklaring overgelegd van de moeder van de kinderen, ter onderbouwing van zijn standpunt dat de minderjarige kinderen niet bij haar terecht zouden kunnen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat deze verklaring het voorgaande niet anders maakt. Uit de verklaring volgt namelijk niet dat de moeder van de kinderen geen verblijfplaats voor de kinderen heeft, maar dat ze vanwege haar werk niet alle taken op zich kan nemen (en de kinderen niet naar school kan brengen). Ter zitting is namens de burgemeester terecht gesteld dat er wellicht een regeling kan worden getroffen tussen verzoeker en de moeder met betrekking tot deze taken en/of vervoer. Een verblijfplaats voor de kinderen is in ieder geval gewaarborgd. Verder overweegt de voorzieningenrechter dat niet is gebleken dat verzoeker zich voldoende heeft ingespannen om tijdelijk andere woonruimte te vinden. Met de enkele stelling dat hij niet bij zijn vader terecht kan en een klein netwerk heeft, heeft verzoeker onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij niet tijdelijk bij iemand in zijn netwerk terecht kan (al dan niet tezamen met zijn kinderen). Bovendien heeft hij ter zitting ook bevestigd nog niet actief op zoek te zijn gegaan naar een woonruimte. Verzoeker is echter in de eerste plaats zelf verantwoordelijk voor het vinden van (andere) tijdelijke woonruimte. Tot slot overweegt de voorzieningenrechter dat de omstandigheid dat de sluiting kan leiden tot een plaatsing op de zwarte lijst en ontbinding van de huurovereenkomst inherent is aan de sluiting en op zichzelf geen reden vormt om van sluiting af te zien.
9.3.
Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter zal ook deze bezwaargrond niet slagen.
Conclusie en gevolgen
10. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de burgemeester de woning voor zes maanden mocht sluiten. Dit betekent dat het besluit niet wordt geschorst en dat de burgemeester met het sluiten van de woning niet hoeft te wachten totdat op het bezwaar is beslist.
11. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
12. Ten overvloede overweegt de voorzieningenrechter ten slotte dat zij er wel vanuit gaat dat de burgemeester aan verzoeker na deze uitspraak nog enige dagen respijt zal geven voor het vinden van vervangende huisvesting en verzoeker daarover duidelijkheid zal bieden, alvorens tot effectuering van de sluiting over te gaan.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C. Drent, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. L.J.G.G. Reijnen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 19 augustus 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 19 augustus 2026
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
ECLI:NL:RVS:2022:1911.
ECLI:NL:RVS:2025:2922.
ECLI:NL:RVS:2025:2922.
ECLI:NL:RBOBR:2026:4379.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2923.
ECLI:NL:RBOBR:2026:4379.
ECLI:NL:RBMNE:2026:1520.
Beleidsregel van de burgemeester van de gemeente Weert houdende regels omtrent het toepassen van bestuursrechtelijke sancties op grond van artikel 13b Opiumwet d.d. 18 juni 2019'.
ECLI:NL:RVS:2025:2922.
zie r.o. 11 tot en met 12 in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2922.