Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Limburg

ECLI:NL:RBLIM:2026:8688

2026-08-19 Civiel recht; Verbintenissenrecht C/341694/HA ZA 25-205 en C/03/343333/HA ZA 25-297
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Limburg
Uitspraakdatum
2026-08-19
Publicatiedatum
2026-08-18
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure
Bodemzaak
Zaaknummer
C/341694/HA ZA 25-205 en C/03/343333/HA ZA 25-297
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl; JERF Actueel 2026/230; VEAN-ERF-Updates.nl 2026-0433; ERF-Updates.nl 2026-0433

Inhoudsindicatie

een vonnis in twee gevoegde zaken. Het beheer over een nalatenschap door twee executeurs, waarin een aandelenportefeuille zit. Onrechtmatige daad. Geen sprake van overdracht van de aandelenportefeuille, overeenkomst in de zin van artikel 4:4 lid 2 BW, uitgestelde schenking of depot-testament.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (38.421 tekens)
RECHTBANK Limburg


Civiel recht



Zittingsplaats Maastricht




Vonnis in gevoegde zaken van 19 augustus 2026




in de zaak met zaaknummer C/03/341694 / HA ZA 25-205 (zaak A) van





[eisende partij]
,
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eisende partij] ,
advocaat: mr. K.G.A.C. Scheper,



tegen





[gedaagde partij]
,
te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde partij] ,
advocaat: mr. I.K. Decupere,



en in de zaak met zaaknummer C/03/343333 / HA ZA 25/297 (zaak B) van





[gedaagde partij]
,
te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde partij] ,
advocaat: mr. I.K. Decupere,



tegen





[eisende partij]
,
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eisende partij] ,
advocaat: mr. K.G.A.C. Scheper,






1De procedure in de zaak A


1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de rolbeslissing van 18 maart 2026 en de daarin genoemde stukken




1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.






2De procedure in de zaak B


2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de rolbeslissing van 18 maart 2026 en de daarin genoemde stukken.




2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.






3De verdere beoordeling in zaak B


3.1.
De rechtbank zal om proceseconomische redenen eerst ingaan op zaak B, omdat de beslissingen in die zaak ook relevant zijn voor zaak A. Kern van het geschil in zaak B is of de aandelenportefeuille van vader wel of niet in de nalatenschap valt.



De vorderingen van [gedaagde partij]





3.2.


[gedaagde partij] vordert na wijziging van eis samengevat:
I primair: een verklaring voor recht dat de LWLG aandelen van erflater reeds tijdens leven voor 100% aan [gedaagde partij] toekwamen, op grond van overeenkomsten, danwel op grond van afstand van recht door [eisende partij] ,

subsidiair: een verklaring voor recht dat de LWLG aandelen van erflater voor 100% aan [gedaagde partij] toekwamen, op grond van schenking tijdens leven van erflater.

meer subsidiair: een verklaring voor recht dat de LWLG aandelen van erflater voor 75% aan [gedaagde partij] toekwamen en voor 25% aan [eisende partij] , op grond van een overeenkomst,
II een verklaring voor recht dat [eisende partij] door de verkoop van de LWLG aandelen van erflater, onrechtmatig heeft gehandeld jegens [gedaagde partij] en daardoor aansprakelijk is voor de daardoor geleden schade of te lijden schade en veroordeling van [gedaagde partij] tot betaling van de schade nader op te maken bij staat,
III de proceskosten vermeerderd met rente.




De ontvankelijkheid van [gedaagde partij] in zaak B





3.3.

[gedaagde partij] heeft [eisende partij] voor zichzelf gedagvaard en niet in haar hoedanigheid van executeur, terwijl hij het handelen van [eisende partij] als executeur (meer specifiek het verkopen van de aandelenportefeuille) wraakt met zijn vorderingen. Zijn betoog komt er namelijk op neer dat [eisende partij] als executeur nooit had mogen overgaan tot verkoop van de aandelenportefeuille van vader, omdat die niet tot de nalatenschap behoorde en haar beheerstaak zich dus ook niet uitstrekte over deze aandelenportefeuille. Deze omissie hoeft niet te leiden tot een niet-ontvankelijkheidsverklaring, omdat de Hoge Raad heeft beslist dat met dergelijke omissie praktisch moet worden omgegaan. Het kan gerepareerd worden door [gedaagde partij] de gelegenheid te bieden om [eisende partij] op grond van artikel 118 Rv in haar hoedanigheid van executeur op te roepen in het geding. Daartoe zal de rechtbank om proceseconomische redenen echter niet overgaan, omdat de gronden waarop [gedaagde partij] zijn vorderingen baseert niet slagen (ongeacht of deze zijn gericht tegen [eisende partij] als erfgenaam of [eisende partij] als executeur) en reeds daarom eindvonnis kan worden gewezen.



De rechtsgronden





3.4.
Erflater had drie effectenrekeningen, te weten bij Saxo, Mexem en Lynx met een waarde per overlijdensdatum € 115.491,36, € 175,00 respectievelijk € 1.850.803,40. De effectenrekeningen bij Saxo en Lynx bestonden nagenoeg volledig uit LWLG aandelen. Aangezien partijen geen onderscheid maken tussen LWLG-aandelen en andere aandelen zal de rechtbank dat bij de beslissing op de vorderingen ook niet doen.



3.5.
Zowel de primair, als de subsidiair en de meer subsidiair onder I gevorderde verklaringen voor recht baseert [gedaagde partij] op overeenkomsten (door [gedaagde partij] erfovereenkomsten danwel schenkingsovereenkomsten genoemd) die vader tijdens zijn leven zou hebben gesloten, gesprekken met vader en verklaringen van partijen tijdens die gesprekken. [gedaagde partij] stelt dat erflater zijn LWLG aandelen uitsluitend aan [gedaagde partij] wilde laten toekomen en dat erflater nooit heeft gewild dat deze na zijn overlijden zouden worden verkocht.



3.6.
Naar het oordeel van de rechtbank vallen de LWLG aandelen van erflater in de nalatenschap omdat ze tijdens het leven van erflater nooit rechtsgeldig zijn overgedragen of geschonken, reden waarom de vorderingen onder I moeten worden afgewezen. Hierna zal de rechtbank deze beslissing uitleggen.

3.6.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat erflater bij leven (sinds 2015) LWLG aandelen in eigendom had. De rechtbank overweegt dat aandelen kunnen worden overgedragen (bijvoorbeeld door schenking zoals door [gedaagde partij] gesteld). Voor het overdragen c.q. schenken van LWLG-aandelen is weliswaar geen notariële akte vereist, omdat LWLG een beursgenoteerd bedrijf is, maar feit is dat de vermogensbeheerder van erflater nooit uitvoering heeft gegeven aan een opdracht van erflater om de waarde van de LWLG-aandelen over te schrijven naar eventuele beleggings- of effectenrekeningen van zijn kinderen. Daarmee is niet voldaan aan het leveringsvereiste bij schenking en/over overdracht, zodat van een daadwerkelijke schenking of overdracht tijdens leven geen sprake is. Of en zo ja erflater ooit van plan was de aandelen aan [gedaagde partij] te schenken en daarover informatie had ingewonnen bij zijn brokers en vermogensbeheerders, omdat hij teleurgesteld was in de gebrekkige interesse van [eisende partij] in de LWLG aandelen, zoals [gedaagde partij] betoogt, is niet relevant. De waarde van zijn LWLG-aandelen is altijd, tot op de dag van zijn overlijden, op zijn effectenrekeningen blijven staan.


3.6.2.
Indien erflater de LWLG aandelen had willen schenken dan had hij dat notarieel moeten regelen, dat volgt uit artikel 7:177 BW. [gedaagde partij] heeft niet gesteld dat een notariële akte met een dergelijke strekking is opgemaakt, laat staan dat die is overgelegd. Dat van overdracht met behoud van vruchtgebruik sprake is geweest is niet gesteld of gebleken.


3.6.3.
Artikel 4:4 lid 2 BW (waarop [gedaagde partij] een beroep doet) verbiedt overeenkomsten die strekken tot beschikking over een nog niet opengevallen nalatenschap in hun geheel of over een evenredig deel daarvan. De door [gedaagde partij] aangehaalde eenzijdige verklaringen van erflater zijn eenzijdig en betreffen reeds om die reden geen overeenkomsten in de zin van artikel 4:4 lid 2 BW. De gestelde afspraak dat [eisende partij] ten gunste van [gedaagde partij] afstand zou hebben gedaan van haar toekomstige aanspraak op aandelen (welke door [eisende partij] overigens is betwist) is nietig op grond van de bepaling van artikel 4.4 lid 1 BW.


3.6.4.
Kortom, naar het oordeel van de rechtbank zijn de aandelen LWLG tijdens het leven van erflater nooit rechtsgeldig eigendom geworden van [gedaagde partij] (noch van [eisende partij] ).


3.6.5.
Verder heeft te gelden dat een uiterste wil alleen kan worden gemaakt bij een notariële akte of bij een aan een notaris in bewaring gegeven onderhandse akte (het zogenaamde depot-testament). Dat sprake is van een (depot)testament waarin staat dat de aandelen grotendeels aan [gedaagde partij] toekomen en waarbij een notaris is betrokken is niet gesteld, noch gebleken. Onderhandse (mondelinge) beloftes, de handgeschreven verklaring/notities van 16 juli 2021 en 15 augustus 2021 en 15 en 24 september 2022 van de erflater over geld of aandelen (voor zover deze al op waarheid zijn gebaseerd) kunnen de wettelijke vormvereisten niet opzij zetten. Dit kan zelfs niet via de redelijkheid en billijkheid worden afgedwongen.


3.6.6.
Toen erflater overleed vielen 100 % van de aandelen van erflater daarom in de nalatenschap. Dat betekent dat de primaire, subsidiaire en meer subsidiaire vorderingen onder I van [gedaagde partij] moeten worden afgewezen.



Het onrechtmatig handelen [eisende partij]





3.7.

[gedaagde partij] stelt dat [eisende partij] onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld door ondanks zijn bezwaren (en in strijd met de tijdens het leven van erflater gesloten overeenkomsten over de LWLG aandelen) in mei 2024 over te gaan tot verkoop van alle LWLG aandelen van erflater zonder [gedaagde partij] als mede-erfgenaam in de gelegenheid te stellen de aandelen tegen redelijke voorwaarden over te nemen en/of hierover bij de kantonrechter een beslissing in te roepen. [eisende partij] heeft betwist dat zij onrechtmatig heeft gehandeld.



3.8.
Relevant is dat [eisende partij] en [gedaagde partij] aanvankelijk samen executeur (tevens afwikkelingsbewindvoerders) waren. Dit is vastgelegd in een notariële verklaring van executele van 15 februari 2024. [gedaagde partij] trok in het begin het beheer over de nalatenschap naar zich toe, zonder [eisende partij] daarbij te betrekken, laat staan direct op de hoogte te stellen van de waarde van de aandelen op overlijdensdatum en de sterk dalende aandelenkoersen nadien. Toen [eisende partij] in april 2024 kennis kreeg van het feit dat de aandelenkoersen sterk daalden en [gedaagde partij] geen concrete actie ondernam om de schulden van de nalatenschap te voldoen heeft zij actie ondernomen. [eisende partij] verzocht de kantonrechter – bij wijze van voorlopige voorziening – [gedaagde partij] te schorsen als executeur en uiteindelijk in de bodemzaak definitief te ontslaan als executeur. Bij beschikking van 8 mei 2024 heeft de kantonrechter [gedaagde partij] als executeur-afwikkelingsbewindvoerder ontslagen, zodat [eisende partij] als enige executeur-afwikkelingsbewindvoerder overbleef. Hoewel [gedaagde partij] in hoger beroep is gegaan tegen deze beslissing heeft het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch bij beschikking van 14 november 2024 de beschikking van 8 mei 2024 bekrachtigd.



3.9.
Ingevolge art. 4:147 lid 1 BW is een executeur-testamentair bevoegd de door hem beheerde goederen te gelde te maken voor zover dit nodig is ter voldoening van de schulden der nalatenschap en de nakoming van de hem door de erflater opgelegde lasten. Het tweede lid van art. 4:147 BW bepaalt dat, tenzij de erflater anders heeft beschikt, de executeur-testamentair omtrent de keuze van de te gelde te maken goederen en omtrent de wijze van tegeldemaking zoveel mogelijk in overleg treedt met de erfgenamen. Indien bij een erfgenaam bezwaar bestaat tegen een voorgenomen verkoop, stelt de executeur-testamentair hem in de gelegenheid om de beslissing van de rechter te verzoeken.



3.10.
Naar het oordeel van de rechtbank is het enkele feit dat [eisende partij] [gedaagde partij] niet de gelegenheid heeft geboden om – gezien zijn bezwaren tegen de tegeldemaking van de LWLG-aandelen – een beslissing van de kantonrechter in te roepen of geen gelegenheid heeft geboden de aandelen toebedeeld te krijgen onvoldoende grond op om de onder II gevorderde verklaring voor recht toe te kunnen wijzen. De enkele stelling dat de kantonrechter had kunnen beslissen dat slechts een aantal aandelen dient te worden verkocht of dat de kantonrechter had kunnen beslissen dat de LWLG aandelen aan [gedaagde partij] zouden moeten worden toebedeeld is onvoldoende om te komen tot het oordeel dat [eisende partij] onrechtmatig heeft gehandeld, noch daargelaten de vraag of [gedaagde partij] überhaupt wel schade heeft geleden vanwege het gestelde onrechtmatig handelen. Daartoe betrekt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden:


De koers van de LWLG aandelen daalde sterk,


het testament van erflater kent vergaande bevoegdheden toe aan de executeur en afwikkelingsbewindvoerder. [eisende partij] mocht immers volgens artikel 6 zonder toestemming van de erfgenamen overgaan tot verkoop voor zover dat nodig is voor de tot zijn taak behorende voldoening van schulden van de nalatenschap (hierover bestaat geen geschil van mening meer meer) en zij mocht als afwikkelingsbewindvoerder (artikel 12) de nalatenschap “in zijn geheel af te wikkelen en te verdelen zonder daartoe medewerking te behoeven en/of overleg te hebben met de erfgenamen”.


Bovendien heeft het gerechtshof in de ontslagprocedure, waar ook [gedaagde partij] verzocht om [eisende partij] te ontslaan als executeur, in zijn beschikking van


14 november 2024 ook het handelen van [eisende partij] beoordeeld en geoordeeld dat haar besluit om de aandelen te verkopen in het belang van de nalatenschap was en dat daartoe alle reden was. Immers, de schulden van de nalatenschap (minimaal ruim 1,3 miljoen) moesten worden voldaan (waarvan ongeveer 9 ton uiterlijk 6 juli 2024) en de koers van de aandelen bleef maar dalen. [eisende partij] moest dus met enige spoed schulden van de nalatenschap voldoen. Dat die 9 ton aan moeder moest worden betaald en dat die geen betaling zou opeisen (zij was wilsonbekwaam) ontneemt niet de noodzaak om voortvarend de verkoop van de aandelen op te pakken zoals [gedaagde partij] nog heeft betoogd, gelet op de dalende koers en de oplopende renteverplichtingen.


Overleg over de aandelen met [gedaagde partij] leek niet op korte termijn tot resultaten te leiden. Op een voorstel harerzijds van 16 mei 2024 werd uitgebreid gereageerd door [gedaagde partij] met een tegenvoorstel zonder dat er voldoende vermogen overbleef om de nalatenschapsschulden te voldoen. Een afspraak op korte termijn lag dus niet in het verschiet.


Verkoop van de woning zou ook niet op korte termijn tot geld kunnen leiden om de nalatenschapsschulden te voldoen.





3.11.

[eisende partij] heeft verdere schade aan de boedel willen voorkomen door zo snel mogelijk tot verkoop over te gaan. Dat zij niet uitgebreider dan zij heeft gedaan in onderhandeling is getreden met [gedaagde partij] is niet onrechtmatig, omdat haar verwachting dat dit niet op korte termijn zou hebben geleid tot een verkoop gerechtvaardigd was. De verhouding tussen haar en [gedaagde partij] was immers verstoord en [gedaagde partij] was tegen verkoop van de LWLG-aandelen, hetgeen de onderhandelingen sterk zou hebben belemmerd.



3.12.
Gelet op het voorgaande is er geen sprake van onrechtmatige handelen door [eisende partij] en moet ook de vordering onder II van [gedaagde partij] worden afgewezen. Al het overige dat door [gedaagde partij] is aangevoerd is niet relevant voor het beoordelen van zijn vorderingen, zodat de rechtbank daar ook niet op ingaat.



3.13.
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.






4De verdere beoordeling in zaak A
De ontvankelijkheid van [eisende partij] in zaak A


4.1.
Bij vonnis van 18 februari 2026 heeft de rechtbank [eisende partij] in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over het niet-ontvankelijk verweer van [gedaagde partij] dat hij tijdens de mondelinge behandeling op 10 februari 2025 voerde. [gedaagde partij] stelde zich tijdens die zitting op het standpunt dat [eisende partij] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard omdat een vordering die een deelgenoot meent te hebben op een andere deelgenoot met betrekking tot de nalatenschap (inclusief een vordering uit hoofde van onrechtmatige daad jegens de nalatenschap) op grond van artikel 3:184 en 3:185 BW in de verdeling van de nalatenschap moet worden betrokken, op straffe van niet-ontvankelijkheid. [gedaagde partij] stelt dat hem onrechtmatig handelen als (voormalig) executeur wordt verweten, op grond waarvan hij enkel jegens de nalatenschap als geheel aansprakelijk zou kunnen zijn.



4.2.
Bij akte uitlating betoogt [eisende partij] dat zij als benadeelde ontvankelijk is in haar (op onrechtmatige daad gebaseerde) vorderingen jegens [gedaagde partij] . Zij stelt dat in deze zaak geen sprake is van vorderingen van de nalatenschap die tegen [gedaagde partij] (als mede-erfgenaam) worden ingesteld. Dat is ook de reden dat een beroep op de overwegingen van de Hoge Raad in zijn arrest van 6 april 2018 (ECLI:NL:HR:2018:535) niet opgaat, aangezien in die zaak wel sprake was van vorderingen die ten behoeve van de nalatenschap werden ingesteld. De vorderingen van [eisende partij] hebben geen verband met de verdeling van de nalatenschap, hetgeen temeer geldt nu zij op grond van het testament van erflater – als enig afwikkelingsbewindvoerder – zelfstandig bevoegd is de verdeling van de nalatenschap tot stand te brengen. Daar komt volgens [eisende partij] bij dat de nalatenschap inmiddels grotendeels is verdeeld. Zij stelt dat de verdeling buiten deze procedure om plaatsvindt. Onderhavige aansprakelijkheidskwestie speelt zich buiten de verdeling van de nalatenschap af. Dat [gedaagde partij] volgens [eisende partij] onder andere onrechtmatig handelen als (voormalig) executeur wordt verweten, maakt niet dat hij enkel jegens de nalatenschap als geheel schadeplichtig kan zijn, noch dat de vorderingen in de verdeling van de nalatenschap moet worden betrokken.



4.3.
De rechtbank is van oordeel dat [eisende partij] in zaak A ontvankelijk is in haar vorderingen. [eisende partij] spreekt [gedaagde partij] namelijk aan op grond van een eigen onrechtmatige daadsactie en treedt niet op namens de gezamenlijke deelgenoten of ten behoeve van de nalatenschap. [eisende partij] spreekt [gedaagde partij] aan op grond van zijn voormalig functioneren als executeur. Haar stelling is dat hij persoonlijk een onrechtmatige daad heeft gepleegd ten tijde van zijn executeurschap jegens haar. Ze wil hem persoonlijk aanspreken zodat hij de schade uit zijn eigen vermogen betaalt. In deze vordering is zij dan ook ontvankelijk.



Het onrechtmatig handelen van [gedaagde partij]




4.4.

[eisende partij] stelt - onder verwijzing naar diverse feiten en omstandigheden die hierna worden besproken - dat [gedaagde partij] jegens haar toerekenbaar onrechtmatig heeft gehandeld door te handelen in strijd met zijn wettelijke en testamentaire beheerstaken als executeur, in het verlengde waarvan hij een inbreuk heeft gemaakt op de rechten van [eisende partij] . Ook heeft hij haar vermogensrechten geschonden door haar financiële schade te berokkenen. Hij heeft onzorgvuldig en onbetamelijk gehandeld en nagelaten. Na zijn ontslag als executeur heeft hij dit handelen en nalaten voorgezet, door zich te blijven verzetten tegen verkoop van de aandelen.



4.5.

[gedaagde partij] betwist dat hij jegens [eisende partij] onrechtmatig heeft gehandeld. Hij stelt samengevat dat [eisende partij] niet heeft aangetoond dat zij in het ongewisse was of werd gelaten over de aandelenkoers en verwijst daartoe naar de gesprekken die altijd binnen de familie werden gevoerd over de aandelenportefeuille van erflater. Verder voert hij aan dat hij pas vanaf 15 februari 2024 bevoegd was om beheer te voeren, omdat hij tot die tijd niet beschikte over een verklaring van executele. Verder stelt [gedaagde partij] dat de vermeende onrechtmatigheid hem niet toerekenbaar was, omdat hij er gerechtvaardigd vanuit mocht gaan dat er de aandelen hem toekwamen en dat het causaal verband ontbreekt.



4.6.

De rechtbank overweegt dat een executeur het beheer over de goederen van de nalatenschap voert, zo spoedig mogelijk een boedelbeschrijving moet opstellen en de schulden van de nalatenschap voldoen. Bij de uitvoering van zijn taak dient hij de zorg van een goed executeur in acht te nemen. Indien in het licht van de concrete omstandigheden van het geval geoordeeld moet worden dat de executeur is tekortgeschoten in de van hem te vergen zorg is hij, tenzij de tekortkoming hem niet kan worden toegerekend, aansprakelijk jegens de rechthebbenden die als gevolg daarvan benadeeld zijn. In dat geval is hij op die grond gehouden de schade van de benadeelden te vergoeden (vgl. HR 21 november 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD5985, NJ 2009, 116, rov. 4).
Met betrekking tot een aandelenportefeuille heeft een executeur de bevoegdheid de samenstelling daarvan te wijzigen, of de portefeuille te verkopen teneinde de opbrengst op andere wijze te beleggen, bijvoorbeeld met het oog op een beter rendement dan wel het beperken van koersrisico’s. Een executeur is gehouden het risico van een waardedaling van bepaalde goederen te dragen indien hij, gegeven zijn bevoegdheid tot zelfstandig beheer, in de zorg van een goed executeur tekortschiet door geen maatregelen te treffen ter voorkoming van dreigend nadeel voor de erfgenamen. Het ligt op de weg van de rechthebbenden om feiten en omstandigheden te stellen en zo nodig te bewijzen, die het oordeel rechtvaardigen dat aan dit vereiste is voldaan. Indien in het licht van de concrete omstandigheden van het geval geoordeeld moet worden dat de executeur is tekortgeschoten in de van hem te vergen zorg, is hij, tenzij de tekortkoming hem niet kan worden toegerekend, aansprakelijk jegens de rechthebbenden die als gevolg daarvan benadeeld zijn en gehouden tot schadevergoeding.




4.7.
Naar het oordeel van de rechtbank is [gedaagde partij] jegens [eisende partij] schadeplichtig omdat hij inbreuk heeft gemaakt op de rechten van [eisende partij] als erfgenaam en zich heeft gedragen in strijd met de op hem rustende verplichtingen als executeur door [eisende partij] niet te betrekken bij de afwikkeling van de nalatenschap na het openvallen en haar geen toegang te geven tot de administratie en dus [eisende partij] als erfgenaam ook niet tijdig op de hoogte te stellen van de omvang van de nalatenschap, en door geen, of in onvoldoende mate, maatregelen te treffen ter vermijding van het risico van een koersdaling van de tot de nalatenschap behorende LWLG-aandelen. Hierna zal de rechtbank dit verder toelichten.



4.8.
De rechtbank stelt voorop dat partijen aanvankelijk beide executeur waren en beiden dus verantwoordelijk waren voor het beheer van de nalatenschap, waaronder de aandelenportefeuille. In een dergelijk geval is het van belang dat de executeurs samen afspraken maken over hoe tot een afhandeling van de nalatenschap kan worden gekomen, waarbij het praktisch is om taken te verdelen. Aangezien [gedaagde partij] voor diens overlijden zijn vader op administratief en financieel gebied ondersteunde (en dus over de administratie en inlogcodes beschikte) en [eisende partij] vader op medisch en emotioneel vlak ondersteunde is die taakverdeling na overlijden stilzwijgend voortgezet. Hoewel [eisende partij] wel verzocht om inzage in de administratie kreeg zij die aanvankelijk niet. Zij had een informatieachterstand en kon - vanwege het ontbreken van een verklaring van executele omdat [gedaagde partij] daartoe niet de nodige handelingen verrichtte - zich ook niet zelf laten informeren bij de instanties. Ondanks diverse verzoeken daartoe heeft [gedaagde partij] [eisende partij] gedurende lange tijd niet ingelicht over de omvang en samenstelling van de nalatenschap, meer in het bijzonder niet over de waarde van de aandelenportefeuille ten tijde van overlijden en over de koersen die na het overlijden van erflater dalende waren. Pas na het inschakelen van advocaten ontving [eisende partij] mondjesmaat informatie. Op het moment dat [eisende partij] in februari/maart 2024 kennis kreeg van de omvang van de nalatenschapsschulden, de omvang van de aandelenportefeuille en de forse koersdalingen, heeft zij getracht om in overleg met [gedaagde partij] de koersrisico’s te beperken, maar verkoop van de aandelen was voor [gedaagde partij] niet bespreekbaar. Daar kwam bij dat de schulden van de nalatenschap aanzienlijk waren, de tijd begon te dringen en verkoop van de aandelen noodzakelijk was om de schulden van de nalatenschap te voldoen. Alternatieven waren er niet. Vervolgens heeft [eisende partij] verdere actie ondernomen. Gevolg daarvan is geweest dat [gedaagde partij] door de kantonrechter bij beschikking van 8 mei 2024 als executeur is ontslagen, welk ontslag door het gerechtshof te Den Bosch bij beschikking van 14 november 2024 is bekrachtigd. De kantonrechter en het gerechtshof hebben het niet informeren van [eisende partij] over de omvang en waarden van de aandelenportefeuille en het niet nemen van maatregelen ter voorkoming van dreigend nadeel voor de boedel onder meer ten grondslag gelegd aan hun beslissing om [gedaagde partij] te ontslaan als executeur. Ook het feit dat [gedaagde partij] niet tot actie overging of met voorstellen kwam die voldoende waren om de schulden van de nalatenschap te kunnen voldoen is aan die beslissingen ten grondslag gelegd. [eisende partij] heeft bij brief van 16 mei 2024 nog een aantal opties aan [gedaagde partij] voorgelegd, maar toen daarop weliswaar een tegenvoorstel kwam, waarin niet werd gewaarborgd dat de nalatenschapsschulden konden worden voldaan, heeft [eisende partij] zelfstandig besloten om de LWLG aandelen te verkopen. Daartoe had zij geen toestemming van [gedaagde partij] nodig, waarover partijen het inmiddels (ook daarover bestond een verschil van mening) eens zijn. Gelet op alle voornoemde feiten en omstandigheden kan niet worden gezegd dat [eisende partij] als mede-executeur mede verantwoordelijk is geweest voor het financiële beheer (hetgeen [gedaagde partij] bedoelt met zijn stelling dat [eisende partij] een eigen verantwoordelijk heeft die wezenlijk is in het kader van het vermeende onrechtmatige handelen) en is de rechtbank van oordeel dat sprake is van wanbeheer dat enkel aan [gedaagde partij] moet worden toegerekend.



4.9.
Aan het voorgaande doet niet af dat pas op of omstreeks 15 februari 2024 een verklaring van executele werd afgegeven. Nog los van het feit dat het [gedaagde partij] was die pas op die dag de daarvoor noodzakelijke handtekeningen plaatste heeft [gedaagde partij] zijn benoeming al eerder feitelijk aanvaard door allerlei beheershandelingen te verrichten. Hij voerde na overlijden de administratie van de nalatenschap en was degene die met uitsluiting van [eisende partij] op de hoogte was van de omvang van de aandelenportefeuille en de dalende koersen, maar heeft daar niets aan gedaan. De stelling dat binnen de familie tijdens het leven van erflater meerdere keren is gesproken over de aandelenportefeuille van vader wil nog niet zeggen dat [eisende partij] dus op de hoogte was van de omvang en samenstelling en waarde daarvan op en na overlijdensdatum. Zij had immers geen administratie en inlogcodes om zich daarover te laten informeren. Onder verwijzing naar de overwegingen onder 3.6 (3.6.1. tot en met 3.6.6.) van dit vonnis mocht [gedaagde partij] er niet gerechtvaardigd vanuit gaan dat de aandelen hem toekwamen en dus niet in de nalatenschap vielen.



4.10.
Uit het hierboven gegeven oordeel van de rechtbank heeft [eisende partij] voldoende feiten en omstandigheden gesteld waaruit volgt dat [gedaagde partij] in de zorg van een goed (feitelijk) executeur tekort is geschoten. [gedaagde partij] heeft daartegen onvoldoende ingebracht. Weliswaar stelt [gedaagde partij] dat het van algemene bekendheid is dat de koerswaarde van aandelen fluctueert en dat het risico van koersdaling inherent is aan het houden van aandelen, en wil de rechtbank ook wel aannemen dat dit des te meer geld voor de LWLG aandelen omdat die een hoge volatiliteit hebben, maar het handelen van [gedaagde partij] kan aangeduid worden als pure speculatie, zeker nu achteraf kan worden vastgesteld dat de koersen na het openvallen van de nalatenschap zijn gedaald en dat die trend zich na verkoop door [eisende partij] van de aandelen in mei 2024 zich heeft voortgezet. Toen de koersen flink daalden heeft hij stil gezeten, terwijl de nalatenschap grotendeels bestond uit de (waarde van de) LWLG aandelen en er verder aanzienlijke schulden waren. Het had op de weg van [gedaagde partij] gelegen om bijvoorbeeld met een deskundigenadvies te onderbouwen dat zijn passief beheer (waarbij hij [eisende partij] buiten spel hield) na het openvallen van de nalatenschap desondanks verantwoord was of dat de schulden van de nalatenschap konden worden voldaan met andere middelen. Dat heeft hij nagelaten. Eigen door [gedaagde partij] opgestelde aandelenanalyses zijn daartoe onvoldoende. Nu het verweer van [gedaagde partij] onvoldoende is onderbouwd, wordt daaraan voorbij gegaan. Daarmee staat het onrechtmatig handelen van [gedaagde partij] vast.



4.11.
Uit bovengenoemde overwegingen volgt reeds dat het subsidiaire beroep van [gedaagde partij] op de door hem aangevoerde rechtvaardigingsgrond dat hij er redelijkerwijze van uit mocht gaan dat [eisende partij] genoegzaam op de hoogte was dan wel kon zijn van de (waarde van de) LWLG aandelen ook door de rechtbank wordt gepasseerd.



4.12.

[gedaagde partij] heeft het causaal verband tussen de onrechtmatige daad en de door [eisende partij] gestelde schade betwist, stellende dat hij het koersverlies zoals dat wordt geclaimd nooit door zijn eigen handelen of nalaten had kunnen voorkomen, nu hij immers enkel gezamenlijk met [eisende partij] was bevoegd om te handelen. [gedaagde partij] gaat daarmee geheel voorbij aan het feit dat hij als feitelijk (mede-)executeur [eisende partij] niet heeft betrokken bij de afwikkeling van de nalatenschap na het openvallen, haar geen toegang heeft geven tot de administratie en dus [eisende partij] als erfgenaam ook niet tijdig op de hoogte heeft gesteld van de omvang van de nalatenschap, en geen, of in onvoldoende mate, maatregelen heeft getroffen ter vermijding van het risico van een koersdaling van de tot de nalatenschap behorende LWLG-aandelen, kortom [eisende partij] met betrekking tot de aandelen in het geheel geen mogelijkheid heef gegeven om gezamenlijk te handelen. Nu het causaal verband verder niet is betwist, staat het daarmee vast. [gedaagde partij] dient de door [eisende partij] als gevolg van zijn onrechtmatig handelen geleden schade te vergoeden.



De omvang van de schade




4.13.

Voor wat betreft de omvang van de schade overweegt de rechtbank het volgende. De totale nalatenschap vertegenwoordigde per datum overlijden volgens [eisende partij] een waarde van afgerond € 1.750.000,00, terwijl nu nog slechts een te verdelen vermogen resteert van € 340.000,00. Het grootste deel van de waardedaling is toe te schrijven aan het koersverlies van de aandelenportefeuille. Volgens [eisende partij] is het koersverlies in de periode tussen het overlijden van vader en het moment dat zij de aandelen heeft verkocht
€ 1.070.616,20. [eisende partij] vordert betaling van de helft van dit bedrag.
De rechtbank stelt vast dat [gedaagde partij] deze opstellingen en de producties waarnaar [eisende partij] verwijst ter onderbouwing, niet heeft betwist, zodat daarvan moet worden uitgegaan.




4.14.
De rechtbank is van oordeel dat bij het vaststellen van de schade niet gekeken dient te worden naar het verschil tussen de waarde van de aandelenportefeuille op het moment van overlijden van erflater en dat van verkoop, maar naar het verschil tussen de waarde op het moment van verkoop en de waarde die de aandelen hadden indien er wel tijdig en zorgvuldig was gehandeld. Het meest concrete moment dat uit de stukken blijkt is het moment dat [gedaagde partij] voor het eerst een (voorlopige) boedelbeschrijving heeft opgesteld. Deze heeft hij op of omstreeks 27 februari 2024 met [eisende partij] gedeeld en daaruit blijkt dat de waarde van de aandelen sinds de overlijdensdatum was gedaald van € 1.966.166,10 naar circa € 1.200.000,00. Toen was het verlies dus reeds circa € 750.000,00. Uiteindelijk heeft [eisende partij] de aandelen in mei 2024 verkocht voor een bedrag van € 895.678,58. De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde partij] had moeten ingrijpen toen de waarde van de aandelen was gedaald met € 500.000,00. Daarbij neemt zij in overweging dat erfbelasting verschuldigd is over de oorspronkelijke waarde van de nalatenschap (waarvoor als peildatum datum overlijden geldt) en dat de nog in leven zijnde echtgenote van erflater een forse finale verrekenvordering toekwam, beide feiten waarvan [gedaagde partij] op de hoogte was, zodat hij had moeten inzien dat er sprake was van omvangrijke schulden die de nalatenschap nog moest voldoen, terwijl de verliezen van de aandelen alleen maar toenamen.



4.15.

Uitgaande van een waarde van de aandelenportefeuille per datum overlijden van
€ 1.966.166,10 had [gedaagde partij] dus bij een waarde van ongeveer € 1.500.000,00 moeten verkopen. Aangezien hij dat niet heeft gedaan is hij naar het oordeel van de rechtbank aansprakelijk voor een bedrag van € 604.321,42 (€ 1.500.000,00 min € 895.678,58). Dat betekent dat hij gehouden is de helft daarvan, zijnde € 302.160,71, aan [eisende partij] te betalen.






Wettelijke rente

Grofweg gerekend komt een waarde van € 1.500.000 bij 320.573 aandelen neer op € 4,67 per aandeel. Hoewel [eisende partij] onbetwist stelt dat de aandelen LWLG vanaf september 2023 structureel in waarde zijn blijven dalen, ontbreekt het de rechtbank aan stellingen en informatie op grond waarvan zij de datum kan vaststellen waarop het aandeel genoemde prijs (in euro’s) bereikte. De rechtbank zal voor de datum van de gevorderde rente dan ook aansluiten bij 14 februari 2024, aangezien [gedaagde partij] op 14 februari 2024 zijn executeurschap heeft aanvaard.




Proceskosten




4.16.
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.






5De beslissing


De rechtbank




in de zaak A




5.1.
verklaart voor recht dat [gedaagde partij] onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eisende partij] ,



5.2.
veroordeelt [gedaagde partij] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eisende partij] te voldoen een bedrag van € 302.160,71, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 februari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening



5.3.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.



in de zaak B





5.4.
wijst de vorderingen van [gedaagde partij] af,



5.5.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.



Dit vonnis is gewezen door mr. Timmermans-Vermeer en in het openbaar uitgesproken op 19 augustus 2026.






LWLG-aandelen zijn geen aandelen van een besloten vennootschap (bv). Het zijn openbaar verhandelde aandelen van een Amerikaans technologiebedrijf dat genoteerd staat op de beurs (NASDAQ).


Een notariële akte is in Nederland alleen verplicht bij de overdracht van aandelen in een niet-genoteerde besloten vennootschap (BV) of naamloze vennootschap (NV) op naam (artikel 2:196 BW).


Artikel 4:94 juncto artikel 4:95 BW


Producties 7 tot en met 10 bij dagvaarding


Productie 11 bij dagvaarding


Productie 25 respectievelijk 28 bij dagvaarding


Productie 10 bij conclusie van antwoord, zie onder meer rechtsoverweging 3.6.5. en 3.7.4.


Zie rechtsoverweging 3.7.8 van het arrest van 14 november 2024


Pas op 14 februari 2024 ondertekende [gedaagde partij] de nodige stukken bij de notaris waarna de verklaring van executele werd afgegeven.


Waaronder In ieder geval een schuld aan de belastingdienst van € 152.481,00 (IB 2022) en een schuld van erflater aan moeder uit hoofde van en finaal verrekeningsbeding in de huwelijkse voorwaarden van € 926.743,73, welke schuld uiterlijk 6 juli 2024 moest zijn voldaan.



zie vorige voetnoot


producties 8 en 9 dagvaarding