Rechtbank Limburg
ECLI:NL:RBLIM:2026:8345
2026-08-19
Civiel recht; Burgerlijk procesrecht
C/03/352291 / HA ZA 26-217
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
bevoegdheidsincident. De rechtbank verklaart zich relatief onbevoegd en verwijst de zaak naar de rechtbank van de vestigingsplaats van gedaagde
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (6.484 tekens)
RECHTBANK Limburg
Civiel recht
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: C/03/352291 / HA ZA 26-217
Vonnis in incident van 19 augustus 2026
in de zaak van
1 [v.o.f.] ,
gevestigd te [plaats 1] ,2. [persoon 1],
wonende te [plaats 1] ,3. [persoon 2],
wonende te [plaats 1] ,
eisende partij in de hoofdzaak,
verwerende partij in het incident,
hierna te noemen: [persoon 1] ,
advocaat: mr. S.T. van Gestel,
tegen
[b.v.]
,
gevestigd te [plaats 2] ,
gedaagde partij in de hoofdzaak,
eisende partij in het incident,
hierna te noemen: [b.v.] ,
advocaat: mr. O.B. Zwijnenberg.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de incidentele conclusie inhoudende exceptie van onbevoegdheid tevens incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring
- de conclusie van antwoord in het incident.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.
2De vorderingen in het incident
2.1.
[b.v.] heeft twee incidenten opgeworpen. Zij heeft een beroep gedaan op de (relatieve) onbevoegdheid van de rechtbank Limburg en vordert verwijzing naar de rechtbank Den Haag. Daarnaast heeft [b.v.] gevorderd dat haar wordt toegestaan om [bedrijf] in vrijwaring te dagvaarden.
2.2.
[persoon 1] heeft in het bevoegdheidsincident verweer gevoerd en zich ten aanzien van de vordering tot oproeping in vrijwaring gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
3De beoordeling in het incident
De gedaagde in de hoofdzaak
3.1.
[persoon 1] heeft gedagvaard de rechtspersoon [handelsnaam] [b.v.] heeft onweersproken en onder overlegging van een uittreksel uit het handelsregister gesteld dat dit een niet bestaande rechtspersoon is. Uit dit uittreksel volgt dat [handelsnaam] een handelsnaam is van [b.v.]
3.2.
Uit de omstandigheid dat [b.v.] in de procedure is verschenen, geen consequenties heeft verbonden aan de onjuiste benaming in de dagvaarding en incidenten heeft opgeworpen, concludeert de rechtbank dat [b.v.] zichzelf ook als procespartij beschouwt en door de verkeerde tenaamstelling in de dagvaarding niet in haar (proces)belangen en verdediging is geschaad. De rechtbank zal [b.v.] dan ook als procespartij aanmerken in plaats van de niet bestaande rechtspersoon [handelsnaam]
De bevoegdheid
3.3.
De rechtbank is met [b.v.] van oordeel dat zij onbevoegd is om van het geschil kennis te nemen en dat de zaak verwezen dient te worden naar de rechtbank Den Haag. Dit oordeel is gebaseerd op de volgende overwegingen.
3.4.
Op grond van artikel 99 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is de rechter van de woonplaats van de gedaagde bevoegd, tenzij de wet anders bepaalt. [b.v.] is gevestigd in [plaats 2] . Deze vestigingsplaats valt in het arrondissement Den Haag, zodat de rechtbank Den Haag bevoegd is om van het geschil kennis te nemen, tenzij een wettelijke regel een andere rechter aanwijst of mede bevoegd maakt (artikelen 100 Rv en volgende).
3.5.
De rechtbank is niet gebleken van een wettelijke bepaling op grond waarvan de rechtbank Limburg bevoegd zou zijn. Het door [persoon 1] genoemde artikel 100 Rv schept geen bevoegdheid in zaken met betrekking tot een koopovereenkomst zoals hier aan de orde. In dit artikel wordt de bevoegdheid geregeld in arbeids- en agentuurzaken waarvan in de onderhavige zaak geen sprake is. [persoon 1] heeft verder geen wettelijke basis genoemd voor de door hun gestelde bevoegdheid van de rechtbank Limburg.
3.6.
Omdat de volgens het door [b.v.] in haar algemene voorwaarden gehanteerde forumkeuzebeding dezelfde rechtbank bevoegd is als de op grond van artikel 99 Rv bevoegde rechtbank (de rechtbank Den Haag), behoeft de door [persoon 1] betwiste toepasselijkheid van de algemene voorwaarden voor wat de bevoegdheid betreft geen bespreking.
De vrijwaring
3.7. Omdat deze rechtbank niet bevoegd is van het geschil in de hoofdzaak kennis te nemen is zij ook niet bevoegd om kennis te nemen van het vrijwaringsincident. Daarover dient de rechtbank Den Haag te oordelen en te beslissen.
Slotsom
3.8.
De zaak zal in de stand waarin deze zich bevindt worden verwezen naar de rechtbank Den Haag.
3.9.
[persoon 1] zal als de in het ongelijk gestelde partij in het bevoegdheidsincident worden veroordeeld in de proceskosten van dit incident, tot op heden begroot op een bedrag van € 653,-- aan salaris voor de advocaat van [b.v.] . Daarnaast zullen de nakosten worden toegewezen zoals gevorderd.
4De beslissing
De rechtbank
in het bevoegdheidsincident
4.1.
verklaart zich onbevoegd om van het geschil kennis te nemen,
4.2.
verwijst de zaak in de stand waarin deze zich bevindt naar de rechtbank Den Haag
4.3.
veroordeelt [persoon 1] om aan [b.v.] de proceskosten van dit incident te betalen ter hoogte van € 653,--,
4.4.
veroordeelt [persoon 1] tot betaling van de nakosten ter hoogte van € 178,--, zonder betekening dan wel een bedrag van € 270,-- in het geval betekening plaatsvindt, te betalen binnen 14 dagen na dagtekening van dit vonnis,
4.5.
veroordeelt [persoon 1] tot betaling van wettelijke rente over de proceskosten en nakosten vanaf de 15e dag na datum van dit vonnis,
4.6.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Roeffen en in het openbaar uitgesproken op 19 augustus 2026.
Civiel recht
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: C/03/352291 / HA ZA 26-217
Vonnis in incident van 19 augustus 2026
in de zaak van
1 [v.o.f.] ,
gevestigd te [plaats 1] ,2. [persoon 1],
wonende te [plaats 1] ,3. [persoon 2],
wonende te [plaats 1] ,
eisende partij in de hoofdzaak,
verwerende partij in het incident,
hierna te noemen: [persoon 1] ,
advocaat: mr. S.T. van Gestel,
tegen
[b.v.]
,
gevestigd te [plaats 2] ,
gedaagde partij in de hoofdzaak,
eisende partij in het incident,
hierna te noemen: [b.v.] ,
advocaat: mr. O.B. Zwijnenberg.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de incidentele conclusie inhoudende exceptie van onbevoegdheid tevens incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring
- de conclusie van antwoord in het incident.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.
2De vorderingen in het incident
2.1.
[b.v.] heeft twee incidenten opgeworpen. Zij heeft een beroep gedaan op de (relatieve) onbevoegdheid van de rechtbank Limburg en vordert verwijzing naar de rechtbank Den Haag. Daarnaast heeft [b.v.] gevorderd dat haar wordt toegestaan om [bedrijf] in vrijwaring te dagvaarden.
2.2.
[persoon 1] heeft in het bevoegdheidsincident verweer gevoerd en zich ten aanzien van de vordering tot oproeping in vrijwaring gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
3De beoordeling in het incident
De gedaagde in de hoofdzaak
3.1.
[persoon 1] heeft gedagvaard de rechtspersoon [handelsnaam] [b.v.] heeft onweersproken en onder overlegging van een uittreksel uit het handelsregister gesteld dat dit een niet bestaande rechtspersoon is. Uit dit uittreksel volgt dat [handelsnaam] een handelsnaam is van [b.v.]
3.2.
Uit de omstandigheid dat [b.v.] in de procedure is verschenen, geen consequenties heeft verbonden aan de onjuiste benaming in de dagvaarding en incidenten heeft opgeworpen, concludeert de rechtbank dat [b.v.] zichzelf ook als procespartij beschouwt en door de verkeerde tenaamstelling in de dagvaarding niet in haar (proces)belangen en verdediging is geschaad. De rechtbank zal [b.v.] dan ook als procespartij aanmerken in plaats van de niet bestaande rechtspersoon [handelsnaam]
De bevoegdheid
3.3.
De rechtbank is met [b.v.] van oordeel dat zij onbevoegd is om van het geschil kennis te nemen en dat de zaak verwezen dient te worden naar de rechtbank Den Haag. Dit oordeel is gebaseerd op de volgende overwegingen.
3.4.
Op grond van artikel 99 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is de rechter van de woonplaats van de gedaagde bevoegd, tenzij de wet anders bepaalt. [b.v.] is gevestigd in [plaats 2] . Deze vestigingsplaats valt in het arrondissement Den Haag, zodat de rechtbank Den Haag bevoegd is om van het geschil kennis te nemen, tenzij een wettelijke regel een andere rechter aanwijst of mede bevoegd maakt (artikelen 100 Rv en volgende).
3.5.
De rechtbank is niet gebleken van een wettelijke bepaling op grond waarvan de rechtbank Limburg bevoegd zou zijn. Het door [persoon 1] genoemde artikel 100 Rv schept geen bevoegdheid in zaken met betrekking tot een koopovereenkomst zoals hier aan de orde. In dit artikel wordt de bevoegdheid geregeld in arbeids- en agentuurzaken waarvan in de onderhavige zaak geen sprake is. [persoon 1] heeft verder geen wettelijke basis genoemd voor de door hun gestelde bevoegdheid van de rechtbank Limburg.
3.6.
Omdat de volgens het door [b.v.] in haar algemene voorwaarden gehanteerde forumkeuzebeding dezelfde rechtbank bevoegd is als de op grond van artikel 99 Rv bevoegde rechtbank (de rechtbank Den Haag), behoeft de door [persoon 1] betwiste toepasselijkheid van de algemene voorwaarden voor wat de bevoegdheid betreft geen bespreking.
De vrijwaring
3.7. Omdat deze rechtbank niet bevoegd is van het geschil in de hoofdzaak kennis te nemen is zij ook niet bevoegd om kennis te nemen van het vrijwaringsincident. Daarover dient de rechtbank Den Haag te oordelen en te beslissen.
Slotsom
3.8.
De zaak zal in de stand waarin deze zich bevindt worden verwezen naar de rechtbank Den Haag.
3.9.
[persoon 1] zal als de in het ongelijk gestelde partij in het bevoegdheidsincident worden veroordeeld in de proceskosten van dit incident, tot op heden begroot op een bedrag van € 653,-- aan salaris voor de advocaat van [b.v.] . Daarnaast zullen de nakosten worden toegewezen zoals gevorderd.
4De beslissing
De rechtbank
in het bevoegdheidsincident
4.1.
verklaart zich onbevoegd om van het geschil kennis te nemen,
4.2.
verwijst de zaak in de stand waarin deze zich bevindt naar de rechtbank Den Haag
4.3.
veroordeelt [persoon 1] om aan [b.v.] de proceskosten van dit incident te betalen ter hoogte van € 653,--,
4.4.
veroordeelt [persoon 1] tot betaling van de nakosten ter hoogte van € 178,--, zonder betekening dan wel een bedrag van € 270,-- in het geval betekening plaatsvindt, te betalen binnen 14 dagen na dagtekening van dit vonnis,
4.5.
veroordeelt [persoon 1] tot betaling van wettelijke rente over de proceskosten en nakosten vanaf de 15e dag na datum van dit vonnis,
4.6.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Roeffen en in het openbaar uitgesproken op 19 augustus 2026.