Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Limburg

ECLI:NL:RBLIM:2026:8322

2026-08-19 Civiel recht; Verbintenissenrecht 11978139 \ CV EXPL 25-5052
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Limburg
Uitspraakdatum
2026-08-19
Publicatiedatum
2026-08-11
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure
Bodemzaak
Zaaknummer
11978139 \ CV EXPL 25-5052
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Aannemingszaak na eerdere procedure. Beroep op gezag van gewijsde. Eisen goede procesorde. Niet-ontvankelijk.

Citeert (3)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (27.192 tekens)
RECHTBANK LIMBURG


Civiel recht
Kantonrechter



Zittingsplaats Roermond



Zaaknummer: 11978139 \ CV EXPL 25-5052




Vonnis van 19 augustus 2026




in de zaak van





1 [persoon 1] , 2. [persoon 2] ,

beiden te [plaats 1] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eisende partij] ,
gemachtigde: mr. J.F.G. Godart,



tegen





[gedaagde partij ] ,

H.O.D.N. [bedrijf 1],
te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde partij ] ,
gemachtigde: mr. E.T. van den Hout.






1De procedure


1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met bijlagen;- de conclusie van antwoord met een bijlage;- de conclusie van repliek met bijlagen;- de conclusie van dupliek.




1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.





2Waar gaat de zaak over?


2.1.
Partijen hebben in juli 2019 een (consumenten)koop- en aannemingsovereenkomst gesloten. Tot de overeengekomen werkzaamheden behoorde het realiseren van voldoende verwarming in de woning van [eisende partij] .



2.2.


[eisende partij] zegt dat [gedaagde partij ] tekort is geschoten in de nakoming van de
overeenkomst, doordat de woning niet naar behoren wordt verwarmd. Uit uitgevoerde deskundigenonderzoeken blijkt dat de vloerverwarming en de pelletkachel ernstige gebreken vertonen, die volgens [eisende partij] aan [gedaagde partij ] zijn toe te rekenen. [eisende partij] voert aan dat hij meermalen heeft geklaagd en [gedaagde partij ] in gebreke heeft gesteld, maar dat [gedaagde partij ] heeft nagelaten tot herstel over te gaan. [eisende partij] verwijt het [gedaagde partij ] dat hij [eisende partij] niet tijdig en duidelijk heeft gewaarschuwd dat het toegepaste isolatiemateriaal ongeschikt was voor de vloerverwarming en dat de pelletkachel onvoldoende capaciteit had. [eisende partij] wil daarom - in de kern - de voor deze onderdelen van de overeenkomst al betaalde bedragen terug (€ 31.365,12 inclusief btw) en vergoeding van de volledige herstelkosten (€ 80.602,83 inclusief btw). Omdat de prestatie van [gedaagde partij ] voor [eisende partij] geen enkele waarde vertegenwoordigt, is [eisende partij] niet gehouden tot enige betaling aan [gedaagde partij ] .




2.3.

Als de kantonrechter [eisende partij] hierin niet volgt, dan vordert [eisende partij] vernietiging van de overeenkomst op grond van artikel 6:193j lid 3 BW, en tot terugbetaling van de betaalde bedragen en de herstelkosten. De kantonrechter overweegt dat [persoon 1] in het lichaam van de dagvaarding weliswaar ook nog noemt “schending van de
(mededelings-)plichten uit de Dienstenrichtlijn” en “dwaling”, maar zijn vordering (zie het petitum) is uitdrukkelijk en alleen gegrond op artikel 6:193j lid 3 BW (oneerlijke handelspraktijk), zodat de kantonrechter daarvan zal uitgaan.




2.4.

[gedaagde partij ] voert als meest verstrekkende verweer, dat de kantonrechter niet meer over de vorderingen mag oordelen. Volgens [gedaagde partij ] heeft de kantonrechter in het vonnis van 20 december 2023 onder zaak- en rolnummer 10004758 / CV EXPL 22-3419 al een oordeel gegeven over de rechtsbetrekking tussen partijen. Tegen dat vonnis is geen hoger beroep ingesteld. [gedaagde partij ] beroept zich op het gezag van gewijsde van deze uitspraak: het vonnis van 20 december 2023 is bindend, ook in deze procedure. Volgens [gedaagde partij ] verzet het civiele procesrecht zich ertegen dat [eisende partij] [gedaagde partij ] opnieuw aansprakelijk stelt voor een vermeend tekortschieten in de overeenkomst, omdat daarover al in een eerdere procedure is geoordeeld. De kantonrechter in de eerdere procedure heeft een inhoudelijk oordeel gegeven: [gedaagde partij ] is niet in verzuim komen te verkeren en daarom is er geen grond voor ontbinding van de overeenkomst of een vordering uit hoofde van wanprestatie.



2.5.


[eisende partij] is het niet met [gedaagde partij ] eens. Hij meent dat de kantonrechter in de eerdere procedure de vorderingen en stellingen van [eisende partij] niet inhoudelijk heeft beoordeeld; er is geoordeeld dat er geen ingebrekestelling was verzonden en ontvangen en daarom - vanwege het ontbreken van verzuim - werden de vorderingen van [eisende partij] afgewezen. Er is dus geen sprake van gezag van gewijsde ter zake de aan [gedaagde partij ] verweten tekortkomingen, nu daar geen inhoudelijk oordeel over is gegeven (ECLI:NL:PHR:2020:673, rechtsoverweging 2.11). Na het vonnis van 20 december 2023 heeft zich bovendien een nieuw feit voorgedaan: [eisende partij] heeft [gedaagde partij ] op
17 januari 2024 schriftelijk in gebreke gesteld en een laatste en redelijke termijn voor nakoming geboden (ECLI:NL:PHR:2020:673, rechtsoverweging 2.8). [gedaagde partij ] heeft daarvan geen gebruik gemaakt. Op deze nieuwe feitelijke grondslag kunnen de vorderingen in deze procedure worden ingesteld. Daarnaast is de vordering (ook) ingesteld op een andere grondslag (oneerlijke handelspraktijk), en is met het oog daarop (subsidiair) - anders dan in de eerdere procedure - de vernietiging van de overeenkomst ingeroepen.




2.6.


[gedaagde partij ] bestrijdt dat sprake is van een nieuwe feitelijke grondslag op basis waarvan [eisende partij] zijn vorderingen kan instellen. Hij heeft al in zijn brief van
22 februari 2024 laten weten dat aan de overeenkomst tussen partijen geen rechten meer kunnen worden ontleend, omdat [eisende partij] de overeenkomst op 12 maart 2020 heeft opgezegd. [gedaagde partij ] wijst er verder op, dat al in de vorige procedure de vernietiging van de overeenkomst ter zake de pelletkachel is gevorderd en afgewezen.




2.7.
Voor het geval de kantonrechter [eisende partij] wel ontvankelijk acht, voert [gedaagde partij ] ook inhoudelijk verweer. Kort gezegd stelt [gedaagde partij ] zich op het standpunt dat hij altijd zijn werkzaamheden naar behoren heeft uitgevoerd en afspraken is nagekomen. [gedaagde partij ] beroept zich verder op artikel 6:89 BW: schending klachtplicht. Van een oneerlijke handelspraktijk is verder geen sprake, er is geen onjuiste voorstelling van zaken gegeven. Bovendien zou een rechtsvordering tot vernietiging verjaard zijn (artikel 3:52 lid 1 sub d BW), uitgaande van een aanvang op 12 maart 2020.





3Wat vordert [eisende partij] in deze procedure?


3.1.

[eisende partij] vordert - samengevat - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad,



Primair:
I. te verklaren voor recht dat de tussen [eisende partij] en [gedaagde partij ] gesloten aannemingsovereenkomst, voor zover deze betrekking heeft op de installatie en geleverde materialen voor de vloerverwarming en de pelletkachel gedeeltelijk is ontbonden, althans te ontbinden;
II. [gedaagde partij ] te veroordelen tot terugbetaling van € 111.967,95;




Subsidiair:

III. de aannemingsovereenkomst te vernietigen op grond van artikel 6:193j lid 3 BW en [gedaagde partij ] te veroordelen tot terugbetaling van € 111.967,95;




Zowel primair als subsidiair:

IV. veroordeling van [gedaagde partij ] tot betaling van de kosten van [bedrijf 2] en V.O.F. [bedrijf 3] , in totaal € 4.556,44, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dagvaarding;
V. veroordeling van [gedaagde partij ] tot betaling van € 1.894,68 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf opeisbaarheid;
VI. veroordeling van [gedaagde partij ] tot betaling van de wettelijke rente over alle verschuldigde bedragen vanaf 4 januari 2023, althans 31 januari 2024, althans 22 februari 2024;
VII. veroordeling van [gedaagde partij ] in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de 15e dag na dagtekening van het vonnis.






4Wat vindt [gedaagde partij ] dat moet gebeuren met de vorderingen van [eisende partij] ?


4.1.

[gedaagde partij ] voert verweer. [gedaagde partij ] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eisende partij] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eisende partij] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eisende partij] in de kosten van deze procedure.








5Hoe de kantonrechter tegen de zaak aankijkt



Gestelde tekortkomingen vloerverwarming en pelletkachel: onderdeel eerdere procedure




5.1.
De kantonrechter stelt allereerst vast dat klachten van [eisende partij] over de (werkzaamheden aan de) vloerverwarming en de pelletkachel onderdeel van het partijdebat én de vorderingen van [eisende partij] waren in de eerdere procedure. Dit blijkt uit de door [eisende partij] aan zijn kant genomen en in deze procedure als bijlagen overgelegde conclusies en uit zijn stellingen in deze procedure. Uit bijlage 6 bij dagvaarding blijkt dat [eisende partij] destijds (voor zover van belang en samengevat) heeft gevorderd:
- een verklaring voor recht dat de overeenkomst ter zake de vloerverwarming is ontbonden;
- een verklaring voor recht dat de overeenkomst ter zake de pelletkachel is ontbonden dan wel vernietigd (wegens dwaling);
- vergoeding van herstelkosten ter zake de vloerverwarming;
- terugbetaling van het voor de pelletkachel betaalde bedrag ad € 24.175,86 en enkele andere bedragen.



5.2.

[eisende partij] heeft in de eerdere procedure zijn vorderingen aanvankelijk gegrond op de stelling dat de werkzaamheden niet voldoen aan de eisen van goed en deugdelijk werk (de primaire verplichting van de aannemer) en dat de geleverde pelletkachel niet de eigenschappen bezit die [eisende partij] mocht verwachten (non-conformiteit). In de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie tevens aanvulling van eis in reconventie komt vervolgens ook de (schending van de) waarschuwingsplicht ter sprake. In deze procedure (zie randnummer 81 dagvaarding) verwijt [eisende partij] [gedaagde partij ] dat hij ondeugdelijk isolatiemateriaal ten behoeve van de vloerverwarming heeft geleverd en zowel wat betreft de vloerverwarming als de pelletkachel zijn waarschuwingsplicht heeft geschonden. Een en ander, zo begrijpt de kantonrechter, naast de stelling dat [gedaagde partij ] het werk gebrekkig heeft uitgevoerd (zie randnummer 6 dagvaarding). Hoewel het gaat om twee verschillende juridische sub-grondslagen (is de aannemer tekort geschoten in de primaire verplichting een werk tot stand te brengen en/of is de aannemer tekort geschoten in een op hem rustende waarschuwingsverplichting), gaat het om hetzelfde feitencomplex dat [eisende partij] aan de orde stelt als in de eerdere procedure. Waar [eisende partij] [gedaagde partij ] verwijt dat hij zijn waarschuwingsplicht heeft geschonden ter zake de vloerverwarming, gaat het immers om het ontbreken dan wel niet aanwezig zijn van het juiste isolatiemateriaal. Waar [eisende partij] [gedaagde partij ] verwijt dat hij zijn waarschuwingsplicht heeft geschonden ter zake de pelletkachel, gaat het immers om de stelling dat de geadviseerde en geleverde pelletkachel niet voldoet en niet goed functioneert. Het doel de woning van [eisende partij] naar behoren te verwarmen, is volgens [eisende partij] als gevolg van tekortschieten van [gedaagde partij ] niet gehaald. Dat was de essentie in de eerdere procedure en dat is ook de essentie in deze procedure.



Wat heeft de kantonrechter eerder geoordeeld en beslist?





5.3.
De kantonrechter heeft in het vonnis van 20 december 2023, voor zover van belang, overwogen en beslist:



“Partijen hebben verschil van mening over de vraag of [gedaagde partij ] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst. [persoon 2] en [persoon 1] stellen dat ze



[gedaagde partij ] in gebreke hebben gesteld (…). Ontvangst van enige ingebrekestelling wordt betwist door [gedaagde partij ] . (…)





In discussie is de vraag of er een ingebrekestelling conform de wet is gestuurd en ontvangen en daarmee of er sprake is van verzuim. Een ingebrekestelling heeft niet de functie om ‘het verzuim vast te stellen’, maar om de schuldenaar nog een laatste termijn voor nakoming te geven en aldus nader te bepalen tot welk tijdstip nakoming nog mogelijk is zonder dat van een tekortkoming sprake is, bij gebreke van welke nakoming de schuldenaar vanaf dat tijdstip in verzuim is. (…)





De rechter stelt vast dat er geen sprake is van een onmogelijkheid in de nakoming. In beginsel was herstel -als dat nodig zou zijn- wel mogelijk. Evenmin is er sprake van verzuim zonder ingebrekestelling (6:83 BW). Niet gesteld of gebleken is dat op basis van de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid verzuim intreedt zonder ingebrekestelling (art. 6:248 lid 1, aanvullende werking van redelijkheid en billijkheid) of redelijkheid en billijkheid eraan in de weg staan dat de schuldenaar zich op het uitblijven van een ingebrekestelling beroept (art. 6:248 lid 2, derogerende werking). Blijft dus de vraag of een ingebrekestelling voorafgaand aan de als ontbinding op te vatten whatsapp van 12 maart 2020 in rechte komt vast te staan. (…)





Zonder ingebrekestelling is [gedaagde partij ] niet in verzuim komen te verkeren en is er dus ook geen grond voor (gedeeltelijke) ontbinding of vordering uit hoofde van wanprestatie. (…)”





5.4.
De kantonrechter heeft vervolgens de vorderingen van [eisende partij] integraal afgewezen en de vordering van [gedaagde partij ] tot betaling van zijn facturen grotendeels toegewezen.



Is [eisende partij] ontvankelijk in zijn vorderingen in deze procedure?





5.5.
Artikel 236 lid 1 Rv bepaalt: “Beslissingen die de rechtsbetrekking in geschil betreffen en zijn vervat in een in kracht van gewijsde gegaan vonnis, hebben in een ander geding tussen dezelfde partijen bindende kracht”.



5.6.

De Hoge Raad heeft over het gezag van gewijsde in zijn arrest van
18 december 2020 (ECLI:NL:HR:2020:2099) het volgende geoordeeld. Het gezag van gewijsde kan worden ingeroepen als in een geding tussen dezelfde partijen eenzelfde geschilpunt wordt voorgelegd als in een eerder geding, en de in het dictum van de eerdere uitspraak gegeven beslissing (mede) berust op een beslissing over dat geschilpunt, ongeacht of wat gevorderd wordt hetzelfde is. Heeft het andere geding (mede) betrekking op andere geschilpunten dan die waarover in het eerdere geding is beslist, dan strekt het gezag van gewijsde van de beslissing in het eerdere geding zich niet uit tot die andere geschilpunten. Het antwoord op de vraag of in het eerdere geding sprake is geweest van beslissingen aangaande een geschilpunt dat dezelfde rechtsbetrekking betreft als in het andere geding, is afhankelijk van de grondslag van de vordering of het verweer, het processuele debat en de gegeven beslissingen. Dat vergt uitleg van de in de eerdere procedure gedane uitspraak, mede in het licht van de gedingstukken waarop die uitspraak berust. Het gezag van gewijsde staat niet eraan in de weg dat in een ander geding tussen dezelfde partijen dezelfde of een soortgelijke vordering als in de eerdere procedure wordt ingesteld op basis van een andere grondslag, waarover de rechter zich nog niet heeft uitgelaten. Dit geldt ongeacht of deze andere grondslag ook reeds in de eerdere procedure aangevoerd had kunnen worden.




5.7.
Het gaat er in deze zaak dus om of in het vonnis van de kantonrechter in de eerdere procedure beslissingen, of oordelen, voorkomen die de beslissing in het eindvonnis over de vordering dragen. Is dat het geval, dan komt aan die beslissingen, of oordelen, gezag van gewijsde toe.



5.8.
De kantonrechter stelt om te beginnen vast dat de eerdere procedure is gevoerd tussen dezelfde partijen. Deze procedure is geëindigd met het vonnis van 20 december 2023. Tegen dat vonnis is geen hoger beroep ingesteld, waardoor het in kracht van gewijsde is gegaan.



Eerder geen inhoudelijk oordeel?





5.9.

Waar [eisende partij] aanvoert dat de kantonrechter in de eerdere procedure de gestelde tekortkomingen niet inhoudelijk heeft beoordeeld, en om die reden geen sprake van gezag van gewijsde kan zijn, faalt dat betoog. Anders dan [eisende partij] stelt, heeft de kantonrechter in de eerdere procedure wel een inhoudelijke beoordeling gegeven. Naar aanleiding van de stellingen van [eisende partij] dat [gedaagde partij ] tekort is geschoten in de uitvoering van de tussen partijen gesloten overeenkomst, heeft de kantonrechter in de eerdere procedure allereerst geoordeeld dat geen sprake was van een onmogelijkheid in de nakoming. In dat geval is het zo, dat pas sprake is van een tekortkoming op het moment dat de schuldenaar in verzuim is. De kantonrechter in de eerdere procedure heeft over dat geschilpunt geoordeeld dat [gedaagde partij ] niet in verzuim is komen te verkeren. In dat oordeel ligt besloten dat niet gesproken kan worden van een tekortkoming, wat correspondeert met het feit dat de kantonrechter in de eerdere procedure vervolgens heeft geoordeeld en beslist dat er geen grond is voor ontbinding of een andere vordering uit hoofde van wanprestatie. De situatie dat de rechter niet aan een inhoudelijke beoordeling toe is gekomen, zoals bijvoorbeeld bij een
niet-ontvankelijkheid, doet zich hier niet voor. Het geschilpunt of [gedaagde partij ] is tekortgeschoten of niet, is inhoudelijk in zoverre beoordeeld dat het ontbreken van verzuim maakt dat van een tekortschieten geen sprake was. In deze procedure staat als gevolg van het gezag van gewijsde bindend tussen partijen vast dat geen sprake was van een onmogelijkheid in de nakoming, [gedaagde partij ] voorafgaand aan de als ontbinding op te vatten whatsapp van 12 maart 2020 niet in gebreke is gesteld en er zodoende geen grond was voor ontbinding of een andere vordering uit hoofde van wanprestatie. Dit oordeel en de daarop gegronde beslissing blokkeert in deze procedure wel degelijk alsnog verdere beoordeling van de aangevoerde tekortkomingen ter zake de vloerverwarming en pelletkachel.




5.10.
Indien en voor zover [eisende partij] zou menen dat hij de eerdere procedure in de kern had gegrond op de verplichting van de aannemer het werk tot stand te brengen en in deze procedure in de kern voor een andere (sub)grondslag heeft gekozen (schending van de waarschuwingsplicht, met in het verlengde daarvan de stelling dat nakoming van deze verbintenis blijvend onmogelijk was waardoor geen ingebrekestelling nodig is), geldt in deze zaak het uitgangspunt dat een tweede procedure niet op hetzelfde feitencomplex op een andere juridische grondslag kan worden gevoerd.





Nieuw feit ná de eerste procedure?





5.11.
De kantonrechter overweegt dat het gezag van gewijsde geen obstakel is voor een tweede procedure, wanneer die tweede zaak gegrond is op een nieuwe feitelijke grondslag in de zin van: feiten en omstandigheden die zich pas na de eerste procedure hebben voorgedaan (vgl. rechtsoverweging 2.8 conclusie PG bij Hoge Raad 18 december 2020 voornoemd). Anders dan [eisende partij] is de kantonrechter van oordeel dat het feit dat [eisende partij] na het vonnis van 20 december 2023 alsnog een ingebrekestelling naar [gedaagde partij ] heeft gestuurd, geen feit of omstandigheid is dat zich pas na de procedure heeft voorgedaan zoals bedoeld in genoemde conclusie en/of arrest. Het gaat in dit geval namelijk om een zelf gecreëerd nieuw feit. Het verhoudt zich naar het oordeel van de kantonrechter niet met de strekking van het gezag van gewijsde dat op deze wijze alsnog zou kunnen worden bewerkstelligd dat een verdere inhoudelijke beoordeling van de verweten tekortkomingen zou kunnen plaatsvinden.



5.12.
De kantonrechter acht deze handelwijze in ieder geval in strijd met de eisen van een goede procesorde. Het doel van een ingebrekestelling is om de schuldenaar nog een laatste termijn voor nakoming te geven en aldus nader te bepalen tot welk tijdstip nakoming nog mogelijk is zonder dat van een tekortkoming sprake is, bij gebreke van welke nakoming de schuldenaar vanaf dat tijdstip in verzuim is. De regeling van de ingebrekestelling is niet bestemd om daarmee alsnog een rechtsfeit te creëren waarna min of meer gelijke vorderingen zouden kunnen worden ingesteld die op het overigens zelfde inhoudelijke feitencomplex gegrond zijn. In dit verband wijst de kantonrechter ook op het whatsapp-bericht van [eisende partij] van 12 maart 2020, waarin hij aan [gedaagde partij ] meedeelde: “Bij deze wil ik aangeven dat wij hebben besloten om een andere loodgieter te zoeken die het af komt maken bij ons. (…) We hebben er geen vertrouwen meer in dat het naar wens afgemaakt wordt.(…)”. [eisende partij] wilde niet met [gedaagde partij ] verder. In het licht van deze mededeling en de eerder gevoerde procedure (en de afloop daarvan) is de kantonrechter van oordeel dat ervan moet worden uitgegaan dat in dit geval een ingebrekestelling is uitgebracht met een ander doel dan waarvoor de regeling van de ingebrekestelling is bestemd. Hoewel [gedaagde partij ] dit niet uitdrukkelijk zo heeft aangevoerd, ligt dit naar het oordeel van de kantonrechter wel voldoende duidelijk in zijn stellingen besloten.



5.13.

[eisende partij] kan zich dus niet met succes beroepen op een ingebrekestelling uitgebracht ná het whatsapp-bericht van 12 maart 2020 en ná afloop van de eerdere procedure.



Conclusie ter zake van wat primair gevorderd is





5.14.
Uit de vorige overwegingen vloeit de beslissing voort dat [eisende partij] in zijn primaire vorderingen niet-ontvankelijk moet worden verklaard.



De subsidiaire vordering: vernietiging wegens oneerlijke handelspraktijk





5.15.
Wat [eisende partij] subsidiair vordert, is gegrond op de stelling dat [gedaagde partij ] zich schuldig heeft gemaakt aan een oneerlijke handelspraktijk. Hij vordert vernietiging op grond van artikel 6:193j lid 3 BW (naar de kantonrechter begrijpt, bedoelt [eisende partij] niet de gehele overeenkomst maar enkel het deel dat betrekking heeft op de vloerverwarming en pelletkachel), en terugbetaling van de al betaalde bedragen en vergoeding van de volledige herstelkosten.



5.16.

Dat is weliswaar een vordering en een rechtsgrondslag op basis waarvan [eisende partij] niet eerder heeft geprocedeerd, maar het feitencomplex waarmee [eisende partij] die rechtsgrondslag inkleurt, daarover heeft hij - in essentie - wél eerder geprocedeerd. De kantonrechter verwijst bijvoorbeeld naar randnummer 68 en 69 dagvaarding. Daarin voert [eisende partij] aan dat [gedaagde partij ] essentiële informatie heeft achtergehouden ter zake de vloerverwarming en pelletkachel, waaronder het gegeven dat hij niet de kennis of ervaring heeft om een pelletkachel te bouwen en dat de gekozen verwarmingsinstallatie niet volstaat voor adequate verwarming van de woning. In de kern gaat het hier niet om een materieel daadwerkelijk andere discussie. Hier doet zich naar het oordeel van de kantonrechter de situatie voor dat [eisende partij] hetzelfde feitencomplex via een andere juridische grondslag alsnog ter discussie wil stellen. Dat kan niet. Voor zover niet al de strekking van het gezag van gewijsde zich daartegen verzet, geldt dat in elk geval de eisen van een goede procesorde zich daartegen verzetten. Dit maakt dat [eisende partij] ook in het subsidiair gevorderde
niet-ontvankelijk moet worden verklaard.




Slotsom





5.17.
De kantonrechter komt niet toe aan een inhoudelijke beoordeling. [eisende partij] moet niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn hoofdvorderingen. Vanzelfsprekend delen de nevenvorderingen dat lot.



5.18.

[eisende partij] geldt als de in het ongelijk gestelde partij en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde partij ] worden begroot op:









- salaris gemachtigde


€


2.020,00


(2 punten × € 1.010,00)




- nakosten


€


144,00


(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)




Totaal


€


2.164,00













6De beslissing


De kantonrechter



6.1.
verklaart [eisende partij] niet-ontvankelijk in zijn vorderingen,



6.2.
veroordeelt [eisende partij] in de proceskosten van € 2.164,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eisende partij] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,



6.3.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.








Dit vonnis is gewezen door mr. Boekhorst en in het openbaar uitgesproken op 19 augustus 2026.