Rechtbank Limburg
ECLI:NL:RBLIM:2026:8278
2026-08-03
Civiel recht
C/03/350406 / FA RK 26-548
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Vaststelling kinderalimentatie en onbegeleide zorgregeling voor jong kind na verbreking relatie en meer dan 1/2 jaar geen contact tussen vader en kind, geen contra-indicaties voor onbegeleid contact, vervangende toestemming voor vakantie moeder.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (37.085 tekens)
Rechtbank Limburg
Zittingsplaats Maastricht
Familie en jeugd
Zaaknummers: C/03/350406 / FA RK 26-548 en C/03/351521 / FA RK 26/857 (bodemzaak), C/03/351619 / FA RK 26/891 (voorlopige voorzieningen)
Beschikking van 3 augustus 2026 over ouderlijke verantwoordelijkheden
in de zaken van:
[de moeder]
,
hierna te noemen de moeder,
wonend in [plaats 1] ,
advocaat: mr. N. Soro, kantoorhoudend in Heerlen,
en:
[de vader]
,
hierna te noemen de vader,
wonend in [plaats 2] ,
advocaat: mr. P.M.H. Cruts, kantoorhoudend in Vaals,
hierna samen ook te noemen de ouders.
1Het verloop van de procedures
1.1
Het procesverloop in de zaak met nummer 350406 blijkt uit het volgende:
- het verzoekschrift van de moeder, ingekomen op 10 maart 2026;
- het verweerschrift van de vader, ingekomen op 23 april 2026.
1.2
Het procesverloop in de zaak met nummer 351521 blijkt uit het volgende:
- het verzoekschrift van de vader, ingekomen op 16 april 2026;
- het verweerschrift tevens zelfstandige verzoeken van de moeder, ingekomen op 26 juni 2026.
1.3
Het procesverloop in de zaak met nummer 351619 blijkt uit het volgende:
- het verzoekschrift van de vader, ingekomen op 20 april 2026;
- het verweerschrift tevens zelfstandige verzoeken van de moeder, ingekomen op 26 juni 2026.
1.4
De mondelinge behandeling in alle voornoemde procedures heeft plaatsgevonden op 8 juli 2026.
Daarbij zijn verschenen:
- de moeder, bijgestaan door mr. Soro;
- de vader, bijgestaan door mr. Cruts.
1.5
De zaken zijn tegelijkertijd behandeld. De rechtbank zal alle zaken bij één
beschikking afdoen.
2De feiten
2.1
Uit de inmiddels beëindigde affectieve relatie tussen de ouders is geboren de nog minderjarige:
- [de minderjarige] , op [geboortedag] 2025 in [geboorteplaats] .
2.2
De vader heeft [de minderjarige] erkend en de ouders hebben samen het gezag over [de minderjarige] .
3De verzoeken en het verweer
In de zaak met nummer 350406
3.1
De moeder heeft verzocht, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat de vader aan de moeder als bijdrage in de kosten van verzorging en
opvoeding van [de minderjarige] dient te voldoen een bedrag van € 458,- per maand, met ingang van
3 februari 2026, althans vanaf de datum indiening verzoekschrift, de toekomstige
termijnen bij vooruitbetaling te voldoen, althans een zodanige beslissing te nemen die de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren.
3.2
De vader heeft verweer gevoerd en verzocht om het verzoek van de moeder om een kinderbijdrage toe te wijzen, met dien verstande, dat het bedrag als door de moeder verzocht wordt afgewezen en verminderd wordt tot € 253,- per maand.
In de zaak met nummer 351521
3.3
De vader heeft verzocht de door hem verzochte zorgregeling (elke vrijdag van 15.00 uur tot 19.00 uur en elke zondag van 11.00 uur tot 19.00 uur en na drie maanden uitbreiden naar elke donderdag van 15.00 uur tot vrijdag 19.00 uur en elke zondag van 11.00 uur tot 19.00 uur) te honoreren en daarbij ook de medewerking van de moeder te verzekeren op straffe van een dwangsom als bij voorlopige voorzieningen verzocht.
3.4
De moeder heeft verzocht het verzoek van de vader af te wijzen. De moeder heeft verder zelfstandig verzocht te bepalen dat de zorgregeling tussen de vader en [de minderjarige] voorlopig zal plaatsvinden onder professionele begeleiding in het kader van een BOR-traject, waarbij de invulling van de BOR wordt overgelaten aan de professional. De moeder heeft tot slot verzocht haar vervangende toestemming te verlenen voor een vakantie met [de minderjarige] naar [plaats 3] , Spanje, in de periode van 7 tot en met 16 augustus 2026.
In de zaak met nummer 351619
3.5
De vader heeft verzocht om in elk geval met directe ingang een zorgregeling vast te stellen van twee keer in de week, bestaande uit elke vrijdag van 15.00 uur tot 19.00 uur en elke zondag van 11.00 uur tot 19.00 uur, waarbij de vader [de minderjarige] bij de moeder zal halen en brengen en de medewerking van de moeder te verzekeren middels een op te leggen dwangsom van € 200,- per dag - althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag - voor zover de moeder haar medewerking niet zou verlenen.
3.6
De moeder heeft verzocht het verzoek van de vader af te wijzen. De moeder heeft verder zelfstandig verzocht te bepalen dat de zorgregeling tussen de vader en [de minderjarige] voorlopig zal plaatsvinden onder professionele begeleiding in het kader van een BOR-traject, waarbij de invulling van de BOR wordt overgelaten aan de professional,
In alle zaken
3.7.
Op de door de ouders ingenomen stellingen en verweren zal voor zover nodig bij de beoordeling worden ingegaan.
4De beoordeling
In de zaak met nummer 351619
4.1.
De ouders hebben hun verzoeken over een voorlopige zorgregeling tussen de vader en [de minderjarige] ingetrokken. De rechtbank overweegt dat zolang zij nog geen eindbeschikking heeft gegeven, partijen hun verzoeken kunnen intrekken. De rechtbank kwalificeert de intrekking van de verzoeken als een vermindering van de verzoeken tot nihil. Dit brengt mee dat de gronden van de verzoeken niet meer kunnen worden beoordeeld. Gelet hierop zal de rechtbank deze verzoeken afwijzen.
In de zaak met nummer 351521
Wettelijk kader
4.2.
Op grond van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het gezag aan de rechter worden voorgelegd. De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt. De rechter kan op verzoek van de ouders of van een van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan onder meer omvatten een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken. De rechtbank kan tevens vervangende toestemming verlenen in geschillen over de gezamenlijke uitoefening van het gezag, die in de plaats komt van de toestemming van de andere ouder met gezag. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
Inhoudelijke beoordeling
Zorgregeling
4.3.
De rechtbank stelt voorop dat het uitgangspunt van de wet is dat een kind recht heeft op onbelast contact met beide ouders en dat beide ouders de verantwoordelijkheid dragen voor de verzorging en opvoeding van hun kind. Dit uitgangspunt ligt onder meer besloten in artikel 1:377 a BW, waarin het recht van een minderjarige op omgang met beide ouders is neergelegd. Van dit uitgangspunt kan slechts worden afgeweken indien sprake is van zwaarwegende omstandigheden die maken dat contact niet in het belang van de minderjarige is.
4.4.
Vaststaat dat de relatie tussen de ouders eind 2025 is beëindigd en dat de vader [de minderjarige] sindsdien vrijwel niet meer heeft gezien. Daarmee is gedurende een aanzienlijke periode geen sprake meer van contact tussen de vader en [de minderjarige] , terwijl de vader onweersproken heeft gesteld dat zij elkaar voorheen vrijwel dagelijks zagen. Het uitgangspunt is dat – ook na het uit elkaar gaan van de ouders – de zorg en opvoeding van [de minderjarige] wordt voorgezet door beide ouders, dus niet alleen door de moeder of de vader.
4.5.
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of dat in dit geval anders is. De moeder heeft immers toegelicht dat zij onbegeleid contact op dit moment niet mogelijk acht.
Tijdens de verbreking van de relatie tussen de ouders is er sprake geweest van een incident, waarbij de vader zich agressief heeft gedragen tegen de moeder en haar familie. Sindsdien ervaart de moeder angstgevoelens en spanning- en stressklachten met slaapproblemen tot gevolg. Daarnaast heeft de moeder geen enkel zicht op de opvoedcapaciteiten van de vader. Tijdens de relatie is hij nauwelijks betrokken geweest bij de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] . Tot slot maakt de moeder zich zorgen om het rookgedrag van de vader in het bijzijn van [de minderjarige] . Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of er sprake is van contra indicaties (een bedreiging voor de ontwikkeling of het welzijn van [de minderjarige] ) voor het vaststellen van een onbegeleide zorgregeling zoals door de vader verzocht.
4.6.
Naar het oordeel van de rechtbank betreft het incident dat de moeder beschrijft een incident dat zich heeft voorgedaan in de context van een emotioneel verlopen relatiebreuk, waarbij aannemelijk is dat de gemoederen aan beide zijden hoog zijn opgelopen. Een dergelijke escalatie is, hoe onwenselijk ook, niet zonder meer uitzonderlijk bij een relatiebreuk en rechtvaardigt op zichzelf niet de conclusie dat onbegeleid contact tussen de vader en [de minderjarige] onverantwoord zou zijn. Niet gebleken is dat er sprake is geweest van structureel geweld, bedreigingen of andere omstandigheden waaruit volgt dat de veiligheid of het welzijn van [de minderjarige] tijdens contact met de vader in gevaar is. Voor zover de moeder stelt dat zij als gevolg van het incident angst- en stressklachten ervaart, begrijpt de rechtbank dat deze gevoelens voor haar belastend kunnen zijn. Deze gevoelens zien echter op de verhouding tussen de ouders onderling en niet op de relatie tussen de vader en [de minderjarige] . Als de moeder hiervan hinder ervaart in het dagelijks leven en in het contact met de vader, dan ligt het op de weg van de moeder om hier hulp bij te zoeken. Daarin betrekt de rechtbank nog dat ter zitting is gebleken dat de communicatie tussen de ouders zeer slecht is en sterker nog: dat de ouders sinds de verbreking van de relatie niet een keer zelfstandig overleg met elkaar hebben gehad, althans niet zonder dat daarbij derden (familie) waren betrokken. Deze slechte verstandhouding tussen de ouders mag in elk geval niet in de weg staan aan de relatie tussen [de minderjarige] en de vader, die immers los staat van de relatie tussen de ouders. Tot slot weegt de rechtbank nog mee dat de moeder ter zitting desgevraagd heeft verklaard bereid te zijn de vader praktische verzorgingshandelingen, zoals het verschonen van een luier, aan te leren (omdat zij stelt dat hij dit niet kan). Deze bereidheid verdraagt zich moeilijk met haar stelling dat zij zodanig bevreesd is voor de vader, dat uitsluitend begeleid contact tussen de vader en [de minderjarige] verantwoord is.
4.7.
Ook het standpunt van de moeder dat zij onvoldoende zicht heeft op de opvoedcapaciteiten van de vader, en hem daarom niet in staat acht om zelfstandig voor [de minderjarige] te zorgen, volgt de rechtbank niet. De vader heeft onweersproken gesteld dat hij gedurende de relatie steeds betrokken is geweest bij de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] , zij het dat de moeder hem daarbij slechts beperkt de ruimte bood om ook verzorgende taken uit te voeren. De moeder heeft dat laatste niet weersproken. Dat de vader daardoor mogelijk minder praktische ervaring heeft opgedaan, rechtvaardigt nog niet de conclusie dat hij niet over voldoende opvoedvaardigheden beschikt of deze niet zou kunnen ontwikkelen als hij daarvoor de kans krijgt. Daarbij neemt de rechtbank tevens in aanmerking dat de vader ter zitting desgevraagd heeft verklaard dat hij, indien hij bij de verzorging van [de minderjarige] ergens onzeker over is of behoefte heeft aan ondersteuning, advies of hulp kan vragen aan zijn moeder of zijn zus. De rechtbank vindt deze houding van de vader juist getuigen van verantwoordelijkheid en voldoende inzicht in de eigen mogelijkheden en eventuele beperkingen. Dat de moeder geen vertrouwen heeft in de opvoedcapaciteiten van de vader is, zonder nadere onderbouwing en gelet op de gemotiveerde betwisting door de vader, dan ook onvoldoende om de rol van de vader als ouder nu te beperken.
4.8.
De rechtbank is gelet op het vorenstaande van oordeel dat de door de moeder aangevoerde omstandigheden, zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang bezien, geen contra-indicaties opleveren voor onbegeleid contact tussen de vader en [de minderjarige] . De rechtbank zal daarom een onbegeleide zorgregeling vaststellen en het verzoek van de moeder voor een begeleide zorgregeling afwijzen. Het is voor de ontwikkeling van [de minderjarige] van groot belang dat zij met beide ouders een hechte, warme band heeft en/of alsnog zo spoedig mogelijk opbouwt. Gelet op de jonge leeftijd van [de minderjarige] zal dat in dit geval betekenen dat [de minderjarige] beide ouders regelmatig (wekelijks) moet zien en dat zij door beide ouders verzorgd wordt. Omdat [de minderjarige] nog heel jong is en het contact al geruime tijd niet heeft plaatsgevonden, is het in het belang van [de minderjarige] dat het contact via een opbouwregeling wordt hersteld. Hoewel de moeder aangegeven heeft dat zij moeite heeft met onbegeleid contact, heeft zij zich niet verzet tegen de door de vader verzochte frequentie en opbouw. De rechtbank acht de door de vader verzochte frequentie en duur bij aanvang van de regeling ook redelijk en in het belang van [de minderjarige] en zal het verzoek van de vader daarom in zoverre toewijzen. Dit betekent dat [de minderjarige] voortaan iedere vrijdag (te beginnen na de vakantie van de vrouw met [de minderjarige] , voor het eerst op vrijdag 20 augustus 2026) van 15.00 uur tot 19.00 uur en iedere zondag van 11.00 uur tot 19.00 uur bij de vader zal verblijven. De rechtbank is van oordeel dat deze regeling na zes weken, dus met ingang van donderdag 1 oktober 2026, dient te worden uitgebreid naar – zoals door de vader verzocht – iedere donderdag van 15.00 uur tot vrijdag 19.00 uur en iedere zondag van 11.00 uur tot 19.00 uur.
4.9.
De rechtbank gaat er bij het bepalen van voornoemde zorgregeling van uit dat de moeder ervoor zorgt dat zij de vader informeert over het (dag)ritme van [de minderjarige] en eventuele bijzonderheden rondom bijvoorbeeld slapen en voeding, zodat hij hiermee rekening kan houden. De rechtbank gaat er verder van uit dat de vader ervoor zal zorgen dat zijn woning ‘baby-kindproof’ is (traphekje) en dat hij niet in het bijzijn van [de minderjarige] rookt. De vader heeft ter zitting al aangegeven dat dit wat hem betreft vanzelfsprekend is. De vader heeft verder nog gesteld dat het ook mogelijk is om het contact op zondag afwisselend te laten plaatsvinden, in die zin dat het in de ene week op zondag is en de andere week op maandag. Dit zodat de moeder ook een heel weekend met [de minderjarige] kan doorbrengen. Het staat de ouders vrij om hierover in onderling overleg nadere (andere) afspraken te maken.
Dwangsom
4.10.
Omdat de moeder ter zitting heeft aangegeven niet onwelwillend te staan tegenover contact an sich en de ouders bovendien tijdens een schorsing van de zitting hebben geprobeerd om tot een vergelijk te komen waarbij onbegeleid contact ook het uitgangspunt was, gaat de rechtbank er van uit dat de moeder mee zal werken aan de zorgregeling die de rechtbank vaststelt. De rechtbank ziet op dit moment dan ook geen aanleiding om de verzochte dwangsom op te leggen. Dit verzoek van de vader zal worden afgewezen.
Ouderschapsreorganisatie
4.11.
De rechtbank heeft de ouders ter zitting voorgehouden dat zij het naar [de minderjarige] toe verplicht zijn om te werken aan herstel van de onderlinge communicatie en het vertrouwen in elkaar. Zij moeten leren om constructief met elkaar in gesprek te gaan over [de minderjarige] . Tot nu toe is dit de ouders nog niet gelukt, althans hebben zij helemaal geen contact meer met elkaar. [de minderjarige] groeit door de strijd van de ouders op in een onvoorspelbare, onveilige en onrustige opvoedsituatie. Dat is niet in het belang van [de minderjarige] en dit zal op lange termijn negatieve gevolgen hebben voor de ontwikkeling van [de minderjarige] . De ouders hebben tijdens de zitting aangegeven bereid te zijn om hiervoor hulp te accepteren. De rechtbank verwacht daarom van de moeder dat zij zo spoedig mogelijk contact opneemt met Team Jeugd van de gemeente Heerlen om hulp te vragen bij de oudercommunicatie. Ook de vader zal daarna contact moeten opnemen met de gemeente Heerlen en hetzelfde verzoek moeten doen. De insteek daarbij is dat de ouders leren om een positieve invulling te geven aan het gezamenlijk ouderschap, zodat zij samen tot een ouderschapsplan kunnen komen waarin zij afspraken maken over [de minderjarige] (onder andere ook over de verdeling van vakanties- en feestdagen). De vader kan hier dan ook het kennelijk door hem gewenste co-ouderschap bespreekbaar maken. De rechtbank benadrukt dat van beide ouders wordt verwacht dat zij in het belang van [de minderjarige] een gedragsverandering laten zien en zich zullen inzetten om dit vrijwillige jeugdhulptraject te laten slagen.
Vakantie Spanje
4.12.
De moeder heeft verzocht haar vervangende toestemming te verlenen om met [de minderjarige] op vakantie te gaan. De vader heeft zich op het standpunt gesteld dat de vakantie niet in het belang van [de minderjarige] is, omdat zij zich - gelet op haar leeftijd - de reis en het verblijf op latere leeftijd niet zal kunnen herinneren en dus alleen maar last ervaart van een lange reis en de hitte in Spanje. De rechtbank volgt de vader hierin niet. Indien dit standpunt van de vader zou worden gevolgd, dan zou dit immers betekenen dat alle uitstapjes, vakanties of andere activiteiten met (zeer) jonge kinderen in beginsel nimmer in hun belang zijn, enkel omdat zij daaraan later geen bewuste herinnering meer hebben. Ook op zeer jonge leeftijd kunnen gezamenlijke ervaringen zoals vakanties bijdragen aan de sociale en emotionele ontwikkeling van een kind en aan de versterking van de band met de ouder met wie dit wordt ondernomen. Dat [de minderjarige] zich deze vakantie op latere leeftijd mogelijk niet zal herinneren, maakt daarom niet dat de vakantie reeds om die reden niet in haar belang is.
4.13.
De vader heeft verder gesteld dat de reis naar Spanje per touringcar voor een kind van deze leeftijd te belastend is. De rechtbank is met de vader van oordeel dat een dergelijke reis aanzienlijk langer duurt dan een vliegreis en dat dit aspect een relevante omstandigheid vormt bij de beoordeling van het verzoek. De rechtbank onderkent ook dat de keuze voor een lange busreis de beoordeling van het verzoek complexer maakt dan wanneer er sprake zou zijn van een korte(re) (vliegreis). Uit de stellingen van de moeder leidt de rechter echter af dat de moeder de reis zorgvuldig heeft doordacht en voorbereid. De moeder reist samen met haar moeder en een vriendin (en haar kind), die haar indien nodig kunnen ondersteunen ten behoeve van [de minderjarige] . De moeder heeft voor [de minderjarige] ook een aparte stoel geboekt, zodat er voldoende ruimte is. Daarnaast heeft de moeder toegelicht dat op deze reis meerdere gezinnen met jonge kinderen zullen meereizen, zodat niet kan worden gezegd dat deze manier van reizen zodanig uitzonderlijk is dat het reeds daarom niet in het belang van [de minderjarige] is.
4.14.
Tot slot heeft de vader gesteld dat hij vreest dat de moeder niet met [de minderjarige] naar Nederland zal terugkeren. De rechtbank acht deze vrees onvoldoende onderbouwd. De vader heeft geen concrete feiten of omstandigheden aangevoerd waaruit kan worden afgeleid dat sprake is van een reëel risico op ontvoering van [de minderjarige] . De enkele, subjectieve, vrees van de vader is daarvoor onvoldoende. Daarbij betrekt de rechtbank nog dat ter zitting is gebleken dat de moeder over het paspoort van [de minderjarige] beschikt. Indien de moeder daadwerkelijk het voornemen zou hebben om [de minderjarige] aan het gezag van de vader te onttrekken, zou zij daartoe in feite ook buiten deze vakantie om in staat zijn (geweest). Niet is gebleken dat de moeder nu of in het verleden enige gedraging heeft vertoond die erop wijst dat zij [de minderjarige] aan het gezag van de vader wil onttrekken. De moeder heeft weliswaar het contact tussen de vader en [de minderjarige] geweigerd, maar dat staat los van het eventueel achterhouden van [de minderjarige] in het buitenland.
4.15.
De rechtbank overweegt gelet op het voorgaande dan ook dat het in het belang van [de minderjarige] wenselijk is dat zij met de moeder op vakantie kan gaan naar Spanje in de door de moeder genoemde periode. De rechtbank zal dit verzoek daarom toewijzen.
In de zaak met nummer 350406
Wettelijk kader
4.16.
Artikel 1:392 BW bepaalt dat iedere ouder onderhoudsplichtig is jegens zijn kinderen. Tenzij de ouders anders overeenkomen, is het uitgangspunt dat de niet-verzorgende ouder bij voldoende draagkracht zijn eigen aandeel in de kosten van de kinderen beschikbaar stelt aan de andere ouder. De andere ouder dient deze bijdrage te besteden aan de daarvoor in aanmerking komende uitgaven voor de kinderen. De rechtbank stelt een kinderbijdrage op grond van artikel 1:397 BW vast.
Ingangsdatum
4.17.
Om procestechnische redenen zal de rechtbank eerst de ingangsdatum voor vaststelling van de kinderbijdrage bespreken. De moeder heeft verzocht de kinderbijdrage vast te stellen met ingang van 3 februari 2026, zijnde de datum waarop de moeder de vader hierover heeft aangeschreven, althans vanaf de datum indiening van het verzoek. De vader heeft hier geen verweer tegen gevoerd.
4.18.
De rechtbank stelt voorop dat op grond van artikel 1:402 lid 1 BW de rechter die het bedrag van een uitkering vaststelt tevens de dag vaststelt, van welke dit bedrag is verschuldigd of ophoudt verschuldigd te zijn. De rechter is daarbij vrij de ingangsdatum te bepalen op een dag gelegen op de dag vóór, op of na de uitspraak. Op grond van vaste rechtspraak dient de rechter wel behoedzaam gebruik te maken van zijn bevoegdheid om een onderhoudsverplichting met terugwerkende kracht vast te stellen dan wel te wijzigen, met name indien dat ingrijpende gevolgen kan hebben voor de onderhoudsgerechtigde in verband met een daardoor in het leven geroepen verplichting tot terugbetaling van hetgeen in de daaraan voorafgaande periode in feite is betaald of verhaald.
4.19.
De rechtbank acht het redelijk om als ingangsdatum de datum van deze beschikking te nemen. Daartoe overweegt de rechtbank dat ter zitting is gebleken dat de vader sinds 26 maart 2026 maandelijks alvast € 200,- ten behoeve van de [de minderjarige] aan de moeder heeft betaald en dit ook zal blijven doen tot een kinderbijdrage is vastgesteld. De vader heeft daarbij gesteld dat hij vóór deze datum ook meerdere betalingen heeft verricht. Hoewel onduidelijk is gebleven hoeveel, wanneer en hoe vaak dit dan is geweest, heeft de moeder dit standpunt van de vader niet weersproken. Bij deze stand van zaken acht de rechtbank het niet redelijk om een kinderbijdrage met terugwerkende kracht te bepalen.
Behoefte [de minderjarige]
4.20.
Tussen de ouders is discussie over de behoefte van [de minderjarige] . De moeder stelt dat de behoefte van [de minderjarige] in 2025 € 515,- per maand bedroeg. Geïndexeerd naar 2026 is dat € 539,-. Daarbij gaat zij uit van een situatie waarin de ouders samen hebben gewoond, een jaarinkomen van de vader van € 53.674,- en een inkomen van haarzelf van € 317,- per maand. Inclusief kindgebonden budget leidt dit tot een netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) van € 3.812,-. De vader betwist dat de ouders hebben samengewoond en ook dat het inkomen van de moeder zo laag is. De vader gaat bij de moeder uit van een inkomen op bijstandsniveau, inclusief kindgebonden budget.
4.20.
De rechtbank volgt de moeder niet in haar standpunt dat de ouders hebben samengewoond en overweegt daartoe als volgt. De verklaringen van de ouders staan haaks tegenover elkaar. De moeder stelt dat zij weliswaar ingeschreven stond op een ander adres (haar huurwoning, die zij in oktober 2024 heeft gekregen), maar dat zij bij de vader inwoonde. Zij mocht zich van de vader alleen niet op dit adres inschrijven, omdat de vader anders meer belasting zou moeten betalen of minder toeslagen zou ontvangen. De vader heeft dit standpunt van de moeder uitdrukkelijk betwist. Volgens de vader verbleef de moeder ofwel bij hem, ofwel bij haar ouders, ofwel in haar eigen woning. Van samenwoning is nooit sprake geweest. De woning van de vader is bovendien zijn eigendom, dus de vader weet niet waar de moeder op doelt als zij het heeft over belasting betalen. Bovendien heeft de vader gelet op zijn inkomen helemaal geen recht op toeslagen, dus ook in dat opzicht is het standpunt van de moeder onwaarschijnlijk. De moeder heeft nog gesteld dat de vader tegen haar heeft gezegd dat zij zich wel bij hem mocht inschrijven, maar dat de buurman dit niet goed vond. De rechtbank kan dit standpunt van de moeder niet volgen. Omdat de verklaringen van de ouders tegenstrijdig zijn en de moeder haar standpunt niet nader heeft onderbouwd, anders dan met ongedetailleerde verklaringen van derden over de vermeende samenwoning, kan de rechtbank niet anders dan uitgaan van de situatie zoals die blijkt uit de Basisregistratie Personen (BRP). Hieruit blijkt in ieder geval niet dat de ouders ooit gezamenlijk op een adres ingeschreven hebben gestaan. Verder blijkt hieruit dat [de minderjarige] vanaf haar geboorte op het adres van de moeder staat ingeschreven.
4.21.
Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank dan ook vast dat de ouders niet in gezinsverband met [de minderjarige] hebben samengeleefd. Daarmee dient op het moment van geboorte van [de minderjarige] haar behoefte in het gezin van de moeder te worden bepaald, en haar behoefte in het gezin van de vader, en dienen die uitkomsten te worden gemiddeld.
Uit de jaaropgaaf 2025 van de vader volgt een inkomen van € 53.674,-. De rechtbank houdt tevens rekening met de inkomensafhankelijke combinatiekorting (IACK) omdat de ouders weliswaar niet samenwoonden, maar wel een relatie hadden en de vader [de minderjarige] ook vrijwel dagelijks zag. De rechtbank is van oordeel dat de vader daarmee op zijn minst gelijk gesteld kan worden met een co-ouder, die ook recht heeft op IACK, ook al staat het kind niet op zijn adres ingeschreven. Bij deze gegevens hoort een netto besteedbaar inkomen (NBI) van de vader van € 3.630,- per maand (zie berekening I) en een behoefte van [de minderjarige] van € 486,- per maand.
De rechtbank volgt de vader niet in zijn standpunt dat de moeder ten tijde van de geboorte van [de minderjarige] een inkomen had op bijstandsniveau. Daarvan is niet gebleken. De rechtbank zal daarom uitgaan van de door de moeder overgelegde stukken, waaruit blijkt dat zij in verband met haar studie een prestatiebeurs ontving van afgerond € 317,- netto per maand. De moeder had daarmee tevens recht op kindgebonden budget en alleenstaande ouderkop van € 492,- per maand, zodat haar NBI € 809,- per maand is en de behoefte van [de minderjarige] € 200,- per maand bedraagt. Een en ander levert een gemiddelde behoefte op van € 343,- per maand (berekening II). Geïndexeerd naar 2026 is dit € 359,- per maand.
De draagkracht van de vader
4.22.
Tussen de ouders is niet in geschil dat het jaarinkomen van de vader (nog steeds) € 53.674,- bedraagt, zodat de rechtbank hier ook van uit zal gaan. Anders dan bij het bepalen van de behoefte, zal de rechtbank nu geen rekening houden met IACK, omdat [de minderjarige] niet op het adres van de vader staat ingeschreven en er ook geen sprake meer is van een situatie die gelijk kan worden gesteld aan co-ouderschap. Op grond van het voorgaande bepaalt de rechtbank het NBI van de vader op € 3.414,- per maand en zijn draagkracht op € 718,- per maand (berekening III).
De draagkracht van de moeder
4.23.
De ouders verschillen van mening over het inkomen van de moeder. De moeder stelt dat zij nog steeds enkel een prestatiebeurs ontvangt. Uit de door haar overgelegde stukken blijkt dat deze in 2026 afgerond € 327,- per maand is. De vader stelt opnieuw dat de moeder een inkomen op bijstandsniveau heeft, of dat op zijn minst zou moeten hebben. De rechtbank volgt de vader in dat standpunt. Daartoe overweegt de rechtbank dat de moeder onvoldoende duidelijkheid heeft verschaft over haar financiële situatie op dit moment, althans in ieder geval niet heeft aangetoond dat zij geen recht op een participatiewet-uitkering heeft. Volgens de informatie op de website van de Rijksoverheid zou de moeder mogelijk in aanmerking kunnen komen voor algemene bijstand, omdat haar inkomen lager is dan het sociaal minimum. Het had op de weg van de moeder gelegen om te onderzoeken of zij voldoet aan de voorwaarden (ook nu zij studeert) en zo ja, een participatiewet-uitkering aan te vragen. De moeder heeft niet aangetoond dat zij dit heeft gedaan, laat staan dat haar aanvraag is afgewezen. De rechtbank is van oordeel dat dit niet voor rekening van de vader dient te komen, temeer omdat het inkomen van de moeder zodanig laag is dat de vraag rijst waar de moeder dan van leeft (terwijl zij in ieder geval geen relatie meer heeft met de vader die haar mogelijk financieel kan ondersteunen). Ook dit is ter zitting namelijk niet duidelijk geworden.
4.24.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat voor het bepalen van de draagkracht van de moeder rekening moet worden gehouden met een fictief inkomen op bijstandsniveau. Bij dit (minimum)inkomen hoort normaliter een draagkracht van € 25,- per maand. De rechtbank zal evenwel in lijn met het Rapport Alimentatienormen geen draagkracht aannemen bij de moeder, aangezien [de minderjarige] haar hoofdverblijf bij de moeder heeft. Het aannemen van draagkracht in dit geval leidt er namelijk toe dat het aandeel in de kosten van de vader lager wordt. Dat zou de verhaalsmogelijkheid van de bijstand door de gemeente (indien de moeder deze uitkering alsnog aanvraagt en verkrijgt, waar de rechtbank op dit moment vanuit gaat) beperken.
De zorgkorting
4.25.
Op basis van de zorgregeling zoals die bij deze beschikking zal worden bepaald, verblijft [de minderjarige] iedere week twee dagen bij de vader en na uitbreiding ook met overnachting. Daarbij past een zorgkorting van 25%. Gelet hierop houdt de rechtbank rekening met een zorgkorting van € 90,- (25% x € 359,-) die bij de vader in mindering wordt gebracht op de door hem te betalen bijdrage voor [de minderjarige] .
Draagkrachtvergelijking
4.26.
De ouders beschikken over een gezamenlijke draagkracht van € 718,-. Dat is voldoende om in de behoefte van [de minderjarige] te voorzien. Omdat er voldoende draagkracht aanwezig is, kan de vader de zorgkorting volledig verzilveren. De rechtbank overweegt dat de te betalen kinderbijdrage wordt begrensd door de behoefte van [de minderjarige] enerzijds en de draagkracht van de vader anderzijds. De laagste van de twee maximeert de te betalen bijdrage. Omdat de moeder geen draagkracht heeft en de vader voldoende draagkracht om de behoefte van [de minderjarige] te voldoen, komt de volledige behoefte van [de minderjarige] van € 359,- voor rekening van de vader. Rekening houdend met de zorgkorting van € 90- dient de vader in totaal € 269,- per maand bij te dragen in de kosten van de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] .
4.28.
Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank beslissen, zoals hierna in het dictum te vermelden.
5De beslissing
De rechtbank:
in de zaak met nummer 351619
5.1.
wijst de verzoeken af;
in de zaak met nummer 351521
5.2.
bepaalt dat [de minderjarige] als volgt bij de vader verblijft:
- met ingang van vrijdag 21 augustus 2026 iedere vrijdag van 15.00 uur tot 19.00 uur en iedere zondag van 11.00 uur tot 19.00 uur en
en met ingang van donderdag 1 oktober 2026 iedere donderdag van 15.00 uur tot vrijdag 19.00 uur en iedere zondag van 11.00 uur tot 19.00 uur;
5.3.
verleent de moeder toestemming, die in de plaats komt van de toestemming van de vader, om met de minderjarige [de minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2025 in [geboorteplaats] , in de periode van 7 augustus 2026 tot en met 16 augustus 2026 naar [plaats 3] , Spanje te gaan;
5.4.
verklaart de beslissing onder 5.2. en 5.3. uitvoerbaar bij voorraad;
5.5.
wijst het meer of anders verzochte af;
In de zaak met nummer 350406
5.6.
bepaalt dat de vader met ingang van de datum van deze beschikking ten behoeve van [de minderjarige] aan de moeder heeft te betalen een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van € 269,- per maand, voor wat betreft de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
5.7.
verklaart de beslissing onder 5.6. uitvoerbaar bij voorraad;
5.8.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Van Mil, rechter, en ter openbare civiele terechtzitting van 3 augustus 2026 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.
Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch:
a. door de verzoekende partij en degenen aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden, binnen 3 maanden na de dag van de uitspraak;
b. door andere belanghebbenden binnen 3 maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.
Berekening I
Berekening II
Berekening III
Zittingsplaats Maastricht
Familie en jeugd
Zaaknummers: C/03/350406 / FA RK 26-548 en C/03/351521 / FA RK 26/857 (bodemzaak), C/03/351619 / FA RK 26/891 (voorlopige voorzieningen)
Beschikking van 3 augustus 2026 over ouderlijke verantwoordelijkheden
in de zaken van:
[de moeder]
,
hierna te noemen de moeder,
wonend in [plaats 1] ,
advocaat: mr. N. Soro, kantoorhoudend in Heerlen,
en:
[de vader]
,
hierna te noemen de vader,
wonend in [plaats 2] ,
advocaat: mr. P.M.H. Cruts, kantoorhoudend in Vaals,
hierna samen ook te noemen de ouders.
1Het verloop van de procedures
1.1
Het procesverloop in de zaak met nummer 350406 blijkt uit het volgende:
- het verzoekschrift van de moeder, ingekomen op 10 maart 2026;
- het verweerschrift van de vader, ingekomen op 23 april 2026.
1.2
Het procesverloop in de zaak met nummer 351521 blijkt uit het volgende:
- het verzoekschrift van de vader, ingekomen op 16 april 2026;
- het verweerschrift tevens zelfstandige verzoeken van de moeder, ingekomen op 26 juni 2026.
1.3
Het procesverloop in de zaak met nummer 351619 blijkt uit het volgende:
- het verzoekschrift van de vader, ingekomen op 20 april 2026;
- het verweerschrift tevens zelfstandige verzoeken van de moeder, ingekomen op 26 juni 2026.
1.4
De mondelinge behandeling in alle voornoemde procedures heeft plaatsgevonden op 8 juli 2026.
Daarbij zijn verschenen:
- de moeder, bijgestaan door mr. Soro;
- de vader, bijgestaan door mr. Cruts.
1.5
De zaken zijn tegelijkertijd behandeld. De rechtbank zal alle zaken bij één
beschikking afdoen.
2De feiten
2.1
Uit de inmiddels beëindigde affectieve relatie tussen de ouders is geboren de nog minderjarige:
- [de minderjarige] , op [geboortedag] 2025 in [geboorteplaats] .
2.2
De vader heeft [de minderjarige] erkend en de ouders hebben samen het gezag over [de minderjarige] .
3De verzoeken en het verweer
In de zaak met nummer 350406
3.1
De moeder heeft verzocht, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat de vader aan de moeder als bijdrage in de kosten van verzorging en
opvoeding van [de minderjarige] dient te voldoen een bedrag van € 458,- per maand, met ingang van
3 februari 2026, althans vanaf de datum indiening verzoekschrift, de toekomstige
termijnen bij vooruitbetaling te voldoen, althans een zodanige beslissing te nemen die de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren.
3.2
De vader heeft verweer gevoerd en verzocht om het verzoek van de moeder om een kinderbijdrage toe te wijzen, met dien verstande, dat het bedrag als door de moeder verzocht wordt afgewezen en verminderd wordt tot € 253,- per maand.
In de zaak met nummer 351521
3.3
De vader heeft verzocht de door hem verzochte zorgregeling (elke vrijdag van 15.00 uur tot 19.00 uur en elke zondag van 11.00 uur tot 19.00 uur en na drie maanden uitbreiden naar elke donderdag van 15.00 uur tot vrijdag 19.00 uur en elke zondag van 11.00 uur tot 19.00 uur) te honoreren en daarbij ook de medewerking van de moeder te verzekeren op straffe van een dwangsom als bij voorlopige voorzieningen verzocht.
3.4
De moeder heeft verzocht het verzoek van de vader af te wijzen. De moeder heeft verder zelfstandig verzocht te bepalen dat de zorgregeling tussen de vader en [de minderjarige] voorlopig zal plaatsvinden onder professionele begeleiding in het kader van een BOR-traject, waarbij de invulling van de BOR wordt overgelaten aan de professional. De moeder heeft tot slot verzocht haar vervangende toestemming te verlenen voor een vakantie met [de minderjarige] naar [plaats 3] , Spanje, in de periode van 7 tot en met 16 augustus 2026.
In de zaak met nummer 351619
3.5
De vader heeft verzocht om in elk geval met directe ingang een zorgregeling vast te stellen van twee keer in de week, bestaande uit elke vrijdag van 15.00 uur tot 19.00 uur en elke zondag van 11.00 uur tot 19.00 uur, waarbij de vader [de minderjarige] bij de moeder zal halen en brengen en de medewerking van de moeder te verzekeren middels een op te leggen dwangsom van € 200,- per dag - althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag - voor zover de moeder haar medewerking niet zou verlenen.
3.6
De moeder heeft verzocht het verzoek van de vader af te wijzen. De moeder heeft verder zelfstandig verzocht te bepalen dat de zorgregeling tussen de vader en [de minderjarige] voorlopig zal plaatsvinden onder professionele begeleiding in het kader van een BOR-traject, waarbij de invulling van de BOR wordt overgelaten aan de professional,
In alle zaken
3.7.
Op de door de ouders ingenomen stellingen en verweren zal voor zover nodig bij de beoordeling worden ingegaan.
4De beoordeling
In de zaak met nummer 351619
4.1.
De ouders hebben hun verzoeken over een voorlopige zorgregeling tussen de vader en [de minderjarige] ingetrokken. De rechtbank overweegt dat zolang zij nog geen eindbeschikking heeft gegeven, partijen hun verzoeken kunnen intrekken. De rechtbank kwalificeert de intrekking van de verzoeken als een vermindering van de verzoeken tot nihil. Dit brengt mee dat de gronden van de verzoeken niet meer kunnen worden beoordeeld. Gelet hierop zal de rechtbank deze verzoeken afwijzen.
In de zaak met nummer 351521
Wettelijk kader
4.2.
Op grond van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het gezag aan de rechter worden voorgelegd. De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt. De rechter kan op verzoek van de ouders of van een van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan onder meer omvatten een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken. De rechtbank kan tevens vervangende toestemming verlenen in geschillen over de gezamenlijke uitoefening van het gezag, die in de plaats komt van de toestemming van de andere ouder met gezag. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
Inhoudelijke beoordeling
Zorgregeling
4.3.
De rechtbank stelt voorop dat het uitgangspunt van de wet is dat een kind recht heeft op onbelast contact met beide ouders en dat beide ouders de verantwoordelijkheid dragen voor de verzorging en opvoeding van hun kind. Dit uitgangspunt ligt onder meer besloten in artikel 1:377 a BW, waarin het recht van een minderjarige op omgang met beide ouders is neergelegd. Van dit uitgangspunt kan slechts worden afgeweken indien sprake is van zwaarwegende omstandigheden die maken dat contact niet in het belang van de minderjarige is.
4.4.
Vaststaat dat de relatie tussen de ouders eind 2025 is beëindigd en dat de vader [de minderjarige] sindsdien vrijwel niet meer heeft gezien. Daarmee is gedurende een aanzienlijke periode geen sprake meer van contact tussen de vader en [de minderjarige] , terwijl de vader onweersproken heeft gesteld dat zij elkaar voorheen vrijwel dagelijks zagen. Het uitgangspunt is dat – ook na het uit elkaar gaan van de ouders – de zorg en opvoeding van [de minderjarige] wordt voorgezet door beide ouders, dus niet alleen door de moeder of de vader.
4.5.
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of dat in dit geval anders is. De moeder heeft immers toegelicht dat zij onbegeleid contact op dit moment niet mogelijk acht.
Tijdens de verbreking van de relatie tussen de ouders is er sprake geweest van een incident, waarbij de vader zich agressief heeft gedragen tegen de moeder en haar familie. Sindsdien ervaart de moeder angstgevoelens en spanning- en stressklachten met slaapproblemen tot gevolg. Daarnaast heeft de moeder geen enkel zicht op de opvoedcapaciteiten van de vader. Tijdens de relatie is hij nauwelijks betrokken geweest bij de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] . Tot slot maakt de moeder zich zorgen om het rookgedrag van de vader in het bijzijn van [de minderjarige] . Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of er sprake is van contra indicaties (een bedreiging voor de ontwikkeling of het welzijn van [de minderjarige] ) voor het vaststellen van een onbegeleide zorgregeling zoals door de vader verzocht.
4.6.
Naar het oordeel van de rechtbank betreft het incident dat de moeder beschrijft een incident dat zich heeft voorgedaan in de context van een emotioneel verlopen relatiebreuk, waarbij aannemelijk is dat de gemoederen aan beide zijden hoog zijn opgelopen. Een dergelijke escalatie is, hoe onwenselijk ook, niet zonder meer uitzonderlijk bij een relatiebreuk en rechtvaardigt op zichzelf niet de conclusie dat onbegeleid contact tussen de vader en [de minderjarige] onverantwoord zou zijn. Niet gebleken is dat er sprake is geweest van structureel geweld, bedreigingen of andere omstandigheden waaruit volgt dat de veiligheid of het welzijn van [de minderjarige] tijdens contact met de vader in gevaar is. Voor zover de moeder stelt dat zij als gevolg van het incident angst- en stressklachten ervaart, begrijpt de rechtbank dat deze gevoelens voor haar belastend kunnen zijn. Deze gevoelens zien echter op de verhouding tussen de ouders onderling en niet op de relatie tussen de vader en [de minderjarige] . Als de moeder hiervan hinder ervaart in het dagelijks leven en in het contact met de vader, dan ligt het op de weg van de moeder om hier hulp bij te zoeken. Daarin betrekt de rechtbank nog dat ter zitting is gebleken dat de communicatie tussen de ouders zeer slecht is en sterker nog: dat de ouders sinds de verbreking van de relatie niet een keer zelfstandig overleg met elkaar hebben gehad, althans niet zonder dat daarbij derden (familie) waren betrokken. Deze slechte verstandhouding tussen de ouders mag in elk geval niet in de weg staan aan de relatie tussen [de minderjarige] en de vader, die immers los staat van de relatie tussen de ouders. Tot slot weegt de rechtbank nog mee dat de moeder ter zitting desgevraagd heeft verklaard bereid te zijn de vader praktische verzorgingshandelingen, zoals het verschonen van een luier, aan te leren (omdat zij stelt dat hij dit niet kan). Deze bereidheid verdraagt zich moeilijk met haar stelling dat zij zodanig bevreesd is voor de vader, dat uitsluitend begeleid contact tussen de vader en [de minderjarige] verantwoord is.
4.7.
Ook het standpunt van de moeder dat zij onvoldoende zicht heeft op de opvoedcapaciteiten van de vader, en hem daarom niet in staat acht om zelfstandig voor [de minderjarige] te zorgen, volgt de rechtbank niet. De vader heeft onweersproken gesteld dat hij gedurende de relatie steeds betrokken is geweest bij de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] , zij het dat de moeder hem daarbij slechts beperkt de ruimte bood om ook verzorgende taken uit te voeren. De moeder heeft dat laatste niet weersproken. Dat de vader daardoor mogelijk minder praktische ervaring heeft opgedaan, rechtvaardigt nog niet de conclusie dat hij niet over voldoende opvoedvaardigheden beschikt of deze niet zou kunnen ontwikkelen als hij daarvoor de kans krijgt. Daarbij neemt de rechtbank tevens in aanmerking dat de vader ter zitting desgevraagd heeft verklaard dat hij, indien hij bij de verzorging van [de minderjarige] ergens onzeker over is of behoefte heeft aan ondersteuning, advies of hulp kan vragen aan zijn moeder of zijn zus. De rechtbank vindt deze houding van de vader juist getuigen van verantwoordelijkheid en voldoende inzicht in de eigen mogelijkheden en eventuele beperkingen. Dat de moeder geen vertrouwen heeft in de opvoedcapaciteiten van de vader is, zonder nadere onderbouwing en gelet op de gemotiveerde betwisting door de vader, dan ook onvoldoende om de rol van de vader als ouder nu te beperken.
4.8.
De rechtbank is gelet op het vorenstaande van oordeel dat de door de moeder aangevoerde omstandigheden, zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang bezien, geen contra-indicaties opleveren voor onbegeleid contact tussen de vader en [de minderjarige] . De rechtbank zal daarom een onbegeleide zorgregeling vaststellen en het verzoek van de moeder voor een begeleide zorgregeling afwijzen. Het is voor de ontwikkeling van [de minderjarige] van groot belang dat zij met beide ouders een hechte, warme band heeft en/of alsnog zo spoedig mogelijk opbouwt. Gelet op de jonge leeftijd van [de minderjarige] zal dat in dit geval betekenen dat [de minderjarige] beide ouders regelmatig (wekelijks) moet zien en dat zij door beide ouders verzorgd wordt. Omdat [de minderjarige] nog heel jong is en het contact al geruime tijd niet heeft plaatsgevonden, is het in het belang van [de minderjarige] dat het contact via een opbouwregeling wordt hersteld. Hoewel de moeder aangegeven heeft dat zij moeite heeft met onbegeleid contact, heeft zij zich niet verzet tegen de door de vader verzochte frequentie en opbouw. De rechtbank acht de door de vader verzochte frequentie en duur bij aanvang van de regeling ook redelijk en in het belang van [de minderjarige] en zal het verzoek van de vader daarom in zoverre toewijzen. Dit betekent dat [de minderjarige] voortaan iedere vrijdag (te beginnen na de vakantie van de vrouw met [de minderjarige] , voor het eerst op vrijdag 20 augustus 2026) van 15.00 uur tot 19.00 uur en iedere zondag van 11.00 uur tot 19.00 uur bij de vader zal verblijven. De rechtbank is van oordeel dat deze regeling na zes weken, dus met ingang van donderdag 1 oktober 2026, dient te worden uitgebreid naar – zoals door de vader verzocht – iedere donderdag van 15.00 uur tot vrijdag 19.00 uur en iedere zondag van 11.00 uur tot 19.00 uur.
4.9.
De rechtbank gaat er bij het bepalen van voornoemde zorgregeling van uit dat de moeder ervoor zorgt dat zij de vader informeert over het (dag)ritme van [de minderjarige] en eventuele bijzonderheden rondom bijvoorbeeld slapen en voeding, zodat hij hiermee rekening kan houden. De rechtbank gaat er verder van uit dat de vader ervoor zal zorgen dat zijn woning ‘baby-kindproof’ is (traphekje) en dat hij niet in het bijzijn van [de minderjarige] rookt. De vader heeft ter zitting al aangegeven dat dit wat hem betreft vanzelfsprekend is. De vader heeft verder nog gesteld dat het ook mogelijk is om het contact op zondag afwisselend te laten plaatsvinden, in die zin dat het in de ene week op zondag is en de andere week op maandag. Dit zodat de moeder ook een heel weekend met [de minderjarige] kan doorbrengen. Het staat de ouders vrij om hierover in onderling overleg nadere (andere) afspraken te maken.
Dwangsom
4.10.
Omdat de moeder ter zitting heeft aangegeven niet onwelwillend te staan tegenover contact an sich en de ouders bovendien tijdens een schorsing van de zitting hebben geprobeerd om tot een vergelijk te komen waarbij onbegeleid contact ook het uitgangspunt was, gaat de rechtbank er van uit dat de moeder mee zal werken aan de zorgregeling die de rechtbank vaststelt. De rechtbank ziet op dit moment dan ook geen aanleiding om de verzochte dwangsom op te leggen. Dit verzoek van de vader zal worden afgewezen.
Ouderschapsreorganisatie
4.11.
De rechtbank heeft de ouders ter zitting voorgehouden dat zij het naar [de minderjarige] toe verplicht zijn om te werken aan herstel van de onderlinge communicatie en het vertrouwen in elkaar. Zij moeten leren om constructief met elkaar in gesprek te gaan over [de minderjarige] . Tot nu toe is dit de ouders nog niet gelukt, althans hebben zij helemaal geen contact meer met elkaar. [de minderjarige] groeit door de strijd van de ouders op in een onvoorspelbare, onveilige en onrustige opvoedsituatie. Dat is niet in het belang van [de minderjarige] en dit zal op lange termijn negatieve gevolgen hebben voor de ontwikkeling van [de minderjarige] . De ouders hebben tijdens de zitting aangegeven bereid te zijn om hiervoor hulp te accepteren. De rechtbank verwacht daarom van de moeder dat zij zo spoedig mogelijk contact opneemt met Team Jeugd van de gemeente Heerlen om hulp te vragen bij de oudercommunicatie. Ook de vader zal daarna contact moeten opnemen met de gemeente Heerlen en hetzelfde verzoek moeten doen. De insteek daarbij is dat de ouders leren om een positieve invulling te geven aan het gezamenlijk ouderschap, zodat zij samen tot een ouderschapsplan kunnen komen waarin zij afspraken maken over [de minderjarige] (onder andere ook over de verdeling van vakanties- en feestdagen). De vader kan hier dan ook het kennelijk door hem gewenste co-ouderschap bespreekbaar maken. De rechtbank benadrukt dat van beide ouders wordt verwacht dat zij in het belang van [de minderjarige] een gedragsverandering laten zien en zich zullen inzetten om dit vrijwillige jeugdhulptraject te laten slagen.
Vakantie Spanje
4.12.
De moeder heeft verzocht haar vervangende toestemming te verlenen om met [de minderjarige] op vakantie te gaan. De vader heeft zich op het standpunt gesteld dat de vakantie niet in het belang van [de minderjarige] is, omdat zij zich - gelet op haar leeftijd - de reis en het verblijf op latere leeftijd niet zal kunnen herinneren en dus alleen maar last ervaart van een lange reis en de hitte in Spanje. De rechtbank volgt de vader hierin niet. Indien dit standpunt van de vader zou worden gevolgd, dan zou dit immers betekenen dat alle uitstapjes, vakanties of andere activiteiten met (zeer) jonge kinderen in beginsel nimmer in hun belang zijn, enkel omdat zij daaraan later geen bewuste herinnering meer hebben. Ook op zeer jonge leeftijd kunnen gezamenlijke ervaringen zoals vakanties bijdragen aan de sociale en emotionele ontwikkeling van een kind en aan de versterking van de band met de ouder met wie dit wordt ondernomen. Dat [de minderjarige] zich deze vakantie op latere leeftijd mogelijk niet zal herinneren, maakt daarom niet dat de vakantie reeds om die reden niet in haar belang is.
4.13.
De vader heeft verder gesteld dat de reis naar Spanje per touringcar voor een kind van deze leeftijd te belastend is. De rechtbank is met de vader van oordeel dat een dergelijke reis aanzienlijk langer duurt dan een vliegreis en dat dit aspect een relevante omstandigheid vormt bij de beoordeling van het verzoek. De rechtbank onderkent ook dat de keuze voor een lange busreis de beoordeling van het verzoek complexer maakt dan wanneer er sprake zou zijn van een korte(re) (vliegreis). Uit de stellingen van de moeder leidt de rechter echter af dat de moeder de reis zorgvuldig heeft doordacht en voorbereid. De moeder reist samen met haar moeder en een vriendin (en haar kind), die haar indien nodig kunnen ondersteunen ten behoeve van [de minderjarige] . De moeder heeft voor [de minderjarige] ook een aparte stoel geboekt, zodat er voldoende ruimte is. Daarnaast heeft de moeder toegelicht dat op deze reis meerdere gezinnen met jonge kinderen zullen meereizen, zodat niet kan worden gezegd dat deze manier van reizen zodanig uitzonderlijk is dat het reeds daarom niet in het belang van [de minderjarige] is.
4.14.
Tot slot heeft de vader gesteld dat hij vreest dat de moeder niet met [de minderjarige] naar Nederland zal terugkeren. De rechtbank acht deze vrees onvoldoende onderbouwd. De vader heeft geen concrete feiten of omstandigheden aangevoerd waaruit kan worden afgeleid dat sprake is van een reëel risico op ontvoering van [de minderjarige] . De enkele, subjectieve, vrees van de vader is daarvoor onvoldoende. Daarbij betrekt de rechtbank nog dat ter zitting is gebleken dat de moeder over het paspoort van [de minderjarige] beschikt. Indien de moeder daadwerkelijk het voornemen zou hebben om [de minderjarige] aan het gezag van de vader te onttrekken, zou zij daartoe in feite ook buiten deze vakantie om in staat zijn (geweest). Niet is gebleken dat de moeder nu of in het verleden enige gedraging heeft vertoond die erop wijst dat zij [de minderjarige] aan het gezag van de vader wil onttrekken. De moeder heeft weliswaar het contact tussen de vader en [de minderjarige] geweigerd, maar dat staat los van het eventueel achterhouden van [de minderjarige] in het buitenland.
4.15.
De rechtbank overweegt gelet op het voorgaande dan ook dat het in het belang van [de minderjarige] wenselijk is dat zij met de moeder op vakantie kan gaan naar Spanje in de door de moeder genoemde periode. De rechtbank zal dit verzoek daarom toewijzen.
In de zaak met nummer 350406
Wettelijk kader
4.16.
Artikel 1:392 BW bepaalt dat iedere ouder onderhoudsplichtig is jegens zijn kinderen. Tenzij de ouders anders overeenkomen, is het uitgangspunt dat de niet-verzorgende ouder bij voldoende draagkracht zijn eigen aandeel in de kosten van de kinderen beschikbaar stelt aan de andere ouder. De andere ouder dient deze bijdrage te besteden aan de daarvoor in aanmerking komende uitgaven voor de kinderen. De rechtbank stelt een kinderbijdrage op grond van artikel 1:397 BW vast.
Ingangsdatum
4.17.
Om procestechnische redenen zal de rechtbank eerst de ingangsdatum voor vaststelling van de kinderbijdrage bespreken. De moeder heeft verzocht de kinderbijdrage vast te stellen met ingang van 3 februari 2026, zijnde de datum waarop de moeder de vader hierover heeft aangeschreven, althans vanaf de datum indiening van het verzoek. De vader heeft hier geen verweer tegen gevoerd.
4.18.
De rechtbank stelt voorop dat op grond van artikel 1:402 lid 1 BW de rechter die het bedrag van een uitkering vaststelt tevens de dag vaststelt, van welke dit bedrag is verschuldigd of ophoudt verschuldigd te zijn. De rechter is daarbij vrij de ingangsdatum te bepalen op een dag gelegen op de dag vóór, op of na de uitspraak. Op grond van vaste rechtspraak dient de rechter wel behoedzaam gebruik te maken van zijn bevoegdheid om een onderhoudsverplichting met terugwerkende kracht vast te stellen dan wel te wijzigen, met name indien dat ingrijpende gevolgen kan hebben voor de onderhoudsgerechtigde in verband met een daardoor in het leven geroepen verplichting tot terugbetaling van hetgeen in de daaraan voorafgaande periode in feite is betaald of verhaald.
4.19.
De rechtbank acht het redelijk om als ingangsdatum de datum van deze beschikking te nemen. Daartoe overweegt de rechtbank dat ter zitting is gebleken dat de vader sinds 26 maart 2026 maandelijks alvast € 200,- ten behoeve van de [de minderjarige] aan de moeder heeft betaald en dit ook zal blijven doen tot een kinderbijdrage is vastgesteld. De vader heeft daarbij gesteld dat hij vóór deze datum ook meerdere betalingen heeft verricht. Hoewel onduidelijk is gebleven hoeveel, wanneer en hoe vaak dit dan is geweest, heeft de moeder dit standpunt van de vader niet weersproken. Bij deze stand van zaken acht de rechtbank het niet redelijk om een kinderbijdrage met terugwerkende kracht te bepalen.
Behoefte [de minderjarige]
4.20.
Tussen de ouders is discussie over de behoefte van [de minderjarige] . De moeder stelt dat de behoefte van [de minderjarige] in 2025 € 515,- per maand bedroeg. Geïndexeerd naar 2026 is dat € 539,-. Daarbij gaat zij uit van een situatie waarin de ouders samen hebben gewoond, een jaarinkomen van de vader van € 53.674,- en een inkomen van haarzelf van € 317,- per maand. Inclusief kindgebonden budget leidt dit tot een netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) van € 3.812,-. De vader betwist dat de ouders hebben samengewoond en ook dat het inkomen van de moeder zo laag is. De vader gaat bij de moeder uit van een inkomen op bijstandsniveau, inclusief kindgebonden budget.
4.20.
De rechtbank volgt de moeder niet in haar standpunt dat de ouders hebben samengewoond en overweegt daartoe als volgt. De verklaringen van de ouders staan haaks tegenover elkaar. De moeder stelt dat zij weliswaar ingeschreven stond op een ander adres (haar huurwoning, die zij in oktober 2024 heeft gekregen), maar dat zij bij de vader inwoonde. Zij mocht zich van de vader alleen niet op dit adres inschrijven, omdat de vader anders meer belasting zou moeten betalen of minder toeslagen zou ontvangen. De vader heeft dit standpunt van de moeder uitdrukkelijk betwist. Volgens de vader verbleef de moeder ofwel bij hem, ofwel bij haar ouders, ofwel in haar eigen woning. Van samenwoning is nooit sprake geweest. De woning van de vader is bovendien zijn eigendom, dus de vader weet niet waar de moeder op doelt als zij het heeft over belasting betalen. Bovendien heeft de vader gelet op zijn inkomen helemaal geen recht op toeslagen, dus ook in dat opzicht is het standpunt van de moeder onwaarschijnlijk. De moeder heeft nog gesteld dat de vader tegen haar heeft gezegd dat zij zich wel bij hem mocht inschrijven, maar dat de buurman dit niet goed vond. De rechtbank kan dit standpunt van de moeder niet volgen. Omdat de verklaringen van de ouders tegenstrijdig zijn en de moeder haar standpunt niet nader heeft onderbouwd, anders dan met ongedetailleerde verklaringen van derden over de vermeende samenwoning, kan de rechtbank niet anders dan uitgaan van de situatie zoals die blijkt uit de Basisregistratie Personen (BRP). Hieruit blijkt in ieder geval niet dat de ouders ooit gezamenlijk op een adres ingeschreven hebben gestaan. Verder blijkt hieruit dat [de minderjarige] vanaf haar geboorte op het adres van de moeder staat ingeschreven.
4.21.
Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank dan ook vast dat de ouders niet in gezinsverband met [de minderjarige] hebben samengeleefd. Daarmee dient op het moment van geboorte van [de minderjarige] haar behoefte in het gezin van de moeder te worden bepaald, en haar behoefte in het gezin van de vader, en dienen die uitkomsten te worden gemiddeld.
Uit de jaaropgaaf 2025 van de vader volgt een inkomen van € 53.674,-. De rechtbank houdt tevens rekening met de inkomensafhankelijke combinatiekorting (IACK) omdat de ouders weliswaar niet samenwoonden, maar wel een relatie hadden en de vader [de minderjarige] ook vrijwel dagelijks zag. De rechtbank is van oordeel dat de vader daarmee op zijn minst gelijk gesteld kan worden met een co-ouder, die ook recht heeft op IACK, ook al staat het kind niet op zijn adres ingeschreven. Bij deze gegevens hoort een netto besteedbaar inkomen (NBI) van de vader van € 3.630,- per maand (zie berekening I) en een behoefte van [de minderjarige] van € 486,- per maand.
De rechtbank volgt de vader niet in zijn standpunt dat de moeder ten tijde van de geboorte van [de minderjarige] een inkomen had op bijstandsniveau. Daarvan is niet gebleken. De rechtbank zal daarom uitgaan van de door de moeder overgelegde stukken, waaruit blijkt dat zij in verband met haar studie een prestatiebeurs ontving van afgerond € 317,- netto per maand. De moeder had daarmee tevens recht op kindgebonden budget en alleenstaande ouderkop van € 492,- per maand, zodat haar NBI € 809,- per maand is en de behoefte van [de minderjarige] € 200,- per maand bedraagt. Een en ander levert een gemiddelde behoefte op van € 343,- per maand (berekening II). Geïndexeerd naar 2026 is dit € 359,- per maand.
De draagkracht van de vader
4.22.
Tussen de ouders is niet in geschil dat het jaarinkomen van de vader (nog steeds) € 53.674,- bedraagt, zodat de rechtbank hier ook van uit zal gaan. Anders dan bij het bepalen van de behoefte, zal de rechtbank nu geen rekening houden met IACK, omdat [de minderjarige] niet op het adres van de vader staat ingeschreven en er ook geen sprake meer is van een situatie die gelijk kan worden gesteld aan co-ouderschap. Op grond van het voorgaande bepaalt de rechtbank het NBI van de vader op € 3.414,- per maand en zijn draagkracht op € 718,- per maand (berekening III).
De draagkracht van de moeder
4.23.
De ouders verschillen van mening over het inkomen van de moeder. De moeder stelt dat zij nog steeds enkel een prestatiebeurs ontvangt. Uit de door haar overgelegde stukken blijkt dat deze in 2026 afgerond € 327,- per maand is. De vader stelt opnieuw dat de moeder een inkomen op bijstandsniveau heeft, of dat op zijn minst zou moeten hebben. De rechtbank volgt de vader in dat standpunt. Daartoe overweegt de rechtbank dat de moeder onvoldoende duidelijkheid heeft verschaft over haar financiële situatie op dit moment, althans in ieder geval niet heeft aangetoond dat zij geen recht op een participatiewet-uitkering heeft. Volgens de informatie op de website van de Rijksoverheid zou de moeder mogelijk in aanmerking kunnen komen voor algemene bijstand, omdat haar inkomen lager is dan het sociaal minimum. Het had op de weg van de moeder gelegen om te onderzoeken of zij voldoet aan de voorwaarden (ook nu zij studeert) en zo ja, een participatiewet-uitkering aan te vragen. De moeder heeft niet aangetoond dat zij dit heeft gedaan, laat staan dat haar aanvraag is afgewezen. De rechtbank is van oordeel dat dit niet voor rekening van de vader dient te komen, temeer omdat het inkomen van de moeder zodanig laag is dat de vraag rijst waar de moeder dan van leeft (terwijl zij in ieder geval geen relatie meer heeft met de vader die haar mogelijk financieel kan ondersteunen). Ook dit is ter zitting namelijk niet duidelijk geworden.
4.24.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat voor het bepalen van de draagkracht van de moeder rekening moet worden gehouden met een fictief inkomen op bijstandsniveau. Bij dit (minimum)inkomen hoort normaliter een draagkracht van € 25,- per maand. De rechtbank zal evenwel in lijn met het Rapport Alimentatienormen geen draagkracht aannemen bij de moeder, aangezien [de minderjarige] haar hoofdverblijf bij de moeder heeft. Het aannemen van draagkracht in dit geval leidt er namelijk toe dat het aandeel in de kosten van de vader lager wordt. Dat zou de verhaalsmogelijkheid van de bijstand door de gemeente (indien de moeder deze uitkering alsnog aanvraagt en verkrijgt, waar de rechtbank op dit moment vanuit gaat) beperken.
De zorgkorting
4.25.
Op basis van de zorgregeling zoals die bij deze beschikking zal worden bepaald, verblijft [de minderjarige] iedere week twee dagen bij de vader en na uitbreiding ook met overnachting. Daarbij past een zorgkorting van 25%. Gelet hierop houdt de rechtbank rekening met een zorgkorting van € 90,- (25% x € 359,-) die bij de vader in mindering wordt gebracht op de door hem te betalen bijdrage voor [de minderjarige] .
Draagkrachtvergelijking
4.26.
De ouders beschikken over een gezamenlijke draagkracht van € 718,-. Dat is voldoende om in de behoefte van [de minderjarige] te voorzien. Omdat er voldoende draagkracht aanwezig is, kan de vader de zorgkorting volledig verzilveren. De rechtbank overweegt dat de te betalen kinderbijdrage wordt begrensd door de behoefte van [de minderjarige] enerzijds en de draagkracht van de vader anderzijds. De laagste van de twee maximeert de te betalen bijdrage. Omdat de moeder geen draagkracht heeft en de vader voldoende draagkracht om de behoefte van [de minderjarige] te voldoen, komt de volledige behoefte van [de minderjarige] van € 359,- voor rekening van de vader. Rekening houdend met de zorgkorting van € 90- dient de vader in totaal € 269,- per maand bij te dragen in de kosten van de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] .
4.28.
Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank beslissen, zoals hierna in het dictum te vermelden.
5De beslissing
De rechtbank:
in de zaak met nummer 351619
5.1.
wijst de verzoeken af;
in de zaak met nummer 351521
5.2.
bepaalt dat [de minderjarige] als volgt bij de vader verblijft:
- met ingang van vrijdag 21 augustus 2026 iedere vrijdag van 15.00 uur tot 19.00 uur en iedere zondag van 11.00 uur tot 19.00 uur en
en met ingang van donderdag 1 oktober 2026 iedere donderdag van 15.00 uur tot vrijdag 19.00 uur en iedere zondag van 11.00 uur tot 19.00 uur;
5.3.
verleent de moeder toestemming, die in de plaats komt van de toestemming van de vader, om met de minderjarige [de minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2025 in [geboorteplaats] , in de periode van 7 augustus 2026 tot en met 16 augustus 2026 naar [plaats 3] , Spanje te gaan;
5.4.
verklaart de beslissing onder 5.2. en 5.3. uitvoerbaar bij voorraad;
5.5.
wijst het meer of anders verzochte af;
In de zaak met nummer 350406
5.6.
bepaalt dat de vader met ingang van de datum van deze beschikking ten behoeve van [de minderjarige] aan de moeder heeft te betalen een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van € 269,- per maand, voor wat betreft de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
5.7.
verklaart de beslissing onder 5.6. uitvoerbaar bij voorraad;
5.8.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Van Mil, rechter, en ter openbare civiele terechtzitting van 3 augustus 2026 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.
Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch:
a. door de verzoekende partij en degenen aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden, binnen 3 maanden na de dag van de uitspraak;
b. door andere belanghebbenden binnen 3 maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.
Berekening I
Berekening II
Berekening III