Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Limburg

ECLI:NL:RBLIM:2026:7778

2026-07-29 Bestuursrecht ROE 23/822
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Limburg
Uitspraakdatum
2026-07-29
Publicatiedatum
2026-07-29
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
ROE 23/822
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Last onder dwangsom en invordering. Bouwkundige- en brandveiligheidsgebreken. Verweerder heeft de gestelde overtredingen deels niet voldoende onderzocht; in zoverre gegrond en voor het overige ongegrond. Voor zover eiser heeft aangevoerd dat verweerder niet de gelegenheid had mogen bieden om met een alternatieve maatregel de overtreding te beëindigen, overweegt de rechtbank dat herstelmaatregelen facultatief zijn en niet dwingend mogen zijn. Het is aan de overtreder om een keuze te maken uit mogelijke maatregelen om de overtreding te beëindigen. Nu de overtreding en de last duidelijk zijn (vastgesteld), kan de grond dat een (facultatieve) herstelmaatregel niet adequaat zou (kunnen) zijn niet slagen in het beroep tegen de last onder dwangsom. Of aan deze last is voldaan kan in beginsel in het kader van het invorderingsbesluit aan de orde komen. Tegen de invorderingsbeschikking is aangevoerd dat ten aanzien van een van de opgelegde lasten ten onrechte geen dwangsom is verbeurd. Omdat de overtreder tijdig uitvoering heeft gegeven aan de in de last vermelde herstelmaatregel, heeft verweerder terecht vastgesteld dat de dwangsom niet is verbeurd.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (43.944 tekens)
RECHTBANK limburg


Zittingsplaats Roermond



Bestuursrecht



zaaknummer: ROE 23/822


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 juli 2026 in de zaak tussen


[eiser] , te [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: R.V. Lie-A-Lien),


en


het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Roermond, verweerder
(gemachtigde: mr. M.P. de Vries).


Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: VB&T VvE Diensten Zuid, te Eindhoven.





Procesverloop


Eiser heeft ten aanzien van een aantal gebreken van het appartementencomplex [naam complex] aan de [adres] te [woonplaats] verzocht handhavend op te treden.



Bij besluiten van 17 mei, 4 augustus en 6 september 2022 (de primaire besluiten) heeft verweerder beslist op het handhavingsverzoek en op de verlenging van de begunstigingstermijn van de opgelegde last onder dwangsom.



Bij besluit van 2 maart 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van eiser tegen het besluit van 17 mei 2022 gegrond verklaard en dat besluit herroepen, tegen het besluit van 4 augustus 2022 deels gegrond en deels ongegrond verklaard en dat besluit onder aanpassing en aanvulling in stand gelaten, en tegen het besluit van 6 september 2022 gegrond verklaard en dat besluit herroepen.



Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.



Bij besluit van 25 september 2023 heeft verweerder ten aanzien van VB&T VvE Diensten Zuid, de
derde partij, een invorderingsbeschikking genomen. De derde-partij heeft daartegen een
bezwaarschrift in gediend en verweerder heeft bij besluit van 3 juni 2024 dat bezwaar ongegrond
verklaard. De derde-partij heeft daartegen geen beroep in gesteld.



Het beroep van eiser tegen het bestreden besluit is, omdat eiser ook gronden heeft ingediend tegen het
invorderingsbesluit mede aangemerkt als te zijn gericht tegen het invorderingsbesluit van
25 september 2023.



Verweerder heeft verweerschriften ingediend.



Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 mei 2026. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Eiser heeft ook een deskundige van EKS, [naam deskundige] , meegenomen naar de zitting. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en door mr. S. Kannen.



Eerst ter zitting is gebleken dat op 10 maart 2026 in de ledenvergadering van de vereniging van eigenaren van het betreffende appartementencomplex VB&T VvE Diensten Zuid, de derde-partij, is weggestemd als bestuurder. Verder is gebleken dat de gemachtigde van de derde-partij, die ter zitting is verschenen, niet weet of en namens wie hij (sindsdien) mandaat heeft om het woord te voeren, terwijl ter zitting geen duidelijkheid kon worden verstrekt over de rechtsopvolging van de bestuurder van de vereniging(en) van eigenaren. Op die grond heeft de rechtbank de derde-partij aangemerkt als niet te zijn verschenen. Omdat de kennisgeving van de zitting door de rechtbank op 19 maart 2026 correct is verzonden aan de toenmalige (bekende) gemachtigde van de derde-partij, komt het niet-verschijnen voor risico van de derde-partij.





Overwegingen



Inleiding



1. Op 24 mei 2016, 11 juni 2018 en 26 juni 2018 zijn omgevingsvergunningen verleend voor het bouwen van een appartementencomplex [adres] met ondergrondse parkeergarage (en een hotel) aan de [naam complex] te [woonplaats] . Na de realisatie van het complex zijn de appartementen in eigendom overgedragen aan de nieuwe bewoners, waaronder eiser [nummer] . De bewoners zijn verenigd in drie verenigingen van eigenaren die zich door de derde-partij lieten vertegenwoordigen als bestuurder.

2. Eiser heeft op 4 en 6 november 2020 (met verwijzing naar een zestienpuntenlijst van
4 november 2020) en uitgebreid op 4 mei 2021, en opnieuw op 24 september 2021 verzocht handhavend op te treden ten aanzien van bouwkundige gebreken en brandveiligheidsgebreken. Bij besluit van 17 mei 2022 heeft verweerder het verzoek van 24 september 2021 afgewezen. Bij besluit van 4 augustus 2022 heeft verweerder het verzoek van 6 november 2020 gedeeltelijk (op een aantal punten van de zestienpuntenlijst) afgewezen en is aan de derde-partij een last onder dwangsom opgelegd betreffende (zes) strijdigheden met de verleende omgevingsvergunningen en het Bouwbesluit 2012. Bij besluit van 6 september 2022 heeft verweerder de begunstigingstermijn van de opgelegde last onder dwangsom verlengd tot zes weken nadat de beslissing op bezwaar is genomen.

3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder beslist op de bezwaren van eiser tegen de primaire besluiten. Daarbij zijn de besluiten van 17 mei 2022 en van 6 september 2022 herroepen en is het besluit van 4 augustus 2022 aangepast en gehandhaafd.
Bij het besluit van 25 september 2023 heeft verweerder besloten tot invordering van verbeurde dwangsommen, het bezwaar van derde-partij tegen dat besluit is ongegrond verklaard en derde-partij heeft de verbeurde dwangsommen betaald.



Omvang geding



4. Het samengestelde verzoek om handhaving wordt gevormd door het verzoek van
4 en 6 november 2020 (en de zestienpuntenlijst van 4 november 2020), dat is uitgebreid met de brief van 4 mei 2021 en het verzoek van 24 september 2021 (met verwijzing naar de brief van 4 mei 2021).
In beroep heeft eiser gronden aangevoerd over de punten 1, 2, 3, 4, 10, 13 en 14 uit de zestienpuntenlijst van 4 november 2020, plus de daaraan gegeven uitbreiding bij brief van 4 mei 2021. Voor zover in beroep ook punt 5 van de zestienpuntenlijst is genoemd, is deze grond ter zitting ingetrokken. De gronden van beroep zijn naar aanleiding van de invorderingsbeschikking uitgebreid.



Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet



5. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een verzoek om handhaving van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) of het Bouwbesluit 2012 is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt.


5.1.
Het verzoek om handhaving van de Wabo en het Bouwbesluit 2012 is gedaan voor 1 januari 2024 en dat betekent dat in dit geval de Wabo en het Bouwbesluit 2012, zoals die golden vóór 1 januari 2024, van toepassing blijven.

6. Het wettelijke kader is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. De bijlage maakt onderdeel uit van de uitspraak.



Toetsingskader



7. Verweerder heeft aan de hand van de door eiser aangeleverde informatie in het kader van het handhavingsverzoek onderzocht of en welke overtredingen zijn vast te stellen en heeft, voor zover verweerder van mening was dat er sprake was van overtredingen, daarvoor een last opgelegd en herstelmaatrelen voorgesteld.
De rechtbank zal bij de beoordeling van het bestreden besluit aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden zo nodig vaststellen of verweerder het handhavingsverzoek correct heeft vertaald naar mogelijke overtredingen, of een overtreding is vast te stellen, of daarvoor een last is opgelegd of opgelegd had moeten worden en of voor de overtreding een herstelmaatregel is voorgesteld.



7.1.
Uitgangspunt is dat een bestuursorgaan dat in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moet maken. Onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd om dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisering bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.



7.2.

Op grond van artikel 5:32a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) omschrijft de last onder dwangsom de te nemen herstelmaatregelen. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, bijvoorbeeld in haar uitspraak van 30 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4389, vereist het rechtszekerheidsbeginsel dat een last zo duidelijk en concreet wordt geformuleerd dat degene tot wie de last is gericht niet in het duister hoeft te tasten over wat gedaan of nagelaten moet worden om de overtreding te beëindigen.
Het bestuursorgaan moet in de last nauwkeurig omschrijven welke herstelmaatregelen of werkzaamheden door de aan te schrijven overtreder moeten worden verricht om te voorkomen dat een betalingsverplichting ontstaat. Uit de uitspraak van de Afdeling van 9 juni 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:1218) volgt dat met de herstelmaatregelen het bestuursorgaan aangeeft op welke wijze een einde aan de overtreding kan worden gemaakt. De herstelmaatregelen mogen niet dwingend zijn. De overtreder dient een keuze te worden gelaten ten aanzien van de middelen die hij wenst toe te passen om aan de overtreding een einde te maken. Het is de last die ziet op het beëindigen van de overtreding en niet de voorgestelde, facultatieve, maatregelen.
Dat betekent naar het oordeel van de rechtbank ook dat ten tijde van de controle of aan de last is voldaan (in het invorderingstraject), bij de beoordeling van de uitgevoerde maatregelen vastgesteld kan worden of de overtreder dwangsommen heeft verbeurd.




De beroepsgronden





Voorzieningen luchttoevoer




8. Eiser heeft verzocht om handhavend op te treden ten aanzien van het ontbreken van voorzieningen van luchttoevoer(en) van buitenaf voor de bergingen, gangen naar de bergingen en containerruimte op de begane grond.
In het primaire besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat er geen ventilatie-eis geldt voor de bergingen en gangen naar en langs die bergingen omdat dit ruimtes zijn met ‘overige gebruiksfunctie’. Met betrekking tot de containerruimte vermeldt het primaire besluit dat hiervoor een last wordt opgelegd die inhoudt dat de ruimte wordt voorzien van een rooster in het paneel boven de deur met een doorlaat van minimaal 66 dm³/s en een minimale doorlaat van 1.060 cm², terwijl de gehele ventilatievoorziening dient te voldoen aan NEN 1087. Het bezwaar daartegen is ongegrond verklaard.
In beroep is aangevoerd dat deze gestelde overtreding niet is onderzocht en dat er niet afdoende is gemotiveerd waarom al dan niet sprake is van een overtreding, terwijl niet is onderzocht of de inmiddels aangebrachte voorzieningen voor ventilatie in de containerruimte voldoen aan het Bouwbesluit 2012.




8.1.
Met betrekking tot de bergingen en de gangen is de rechtbank van oordeel dat verweerder, door te onderzoeken of sprake is van overtreding van ventilatie-eisen, het handhavingsverzoek van eiser op dit punt correct heeft vertaald naar mogelijke overtredingen. Vervolgens heeft verweerder de gestelde overtreding onderzocht en geconcludeerd dat de ventilatie-eisen voor de bergingen en de gangen naar en langs de bergingen niet gelden omdat geen sprake is van gemeenschappelijke verkeersruimten. Eiser heeft niet gesteld of gemotiveerd dat die conclusie niet juist is. De beroepsgrond op dit punt slaagt niet.



8.2.
Met betrekking tot de containerruimte is de rechtbank van oordeel dat verweerder, door te onderzoeken of sprake is van overtreding van ventilatie-eisen, het handhavingsverzoek van eiser op dit punt correct heeft vertaald naar mogelijke overtredingen. Vervolgens heeft verweerder de gestelde overtreding onderzocht, vastgesteld en daarvoor een last onder dwangsom opgelegd. De beroepsgrond dat de overtreding niet is onderzocht slaagt niet, nu juist is vastgesteld dat de gehele ventilatievoorziening op dit punt dient te voldoen aan NEN 1087 en daarmee aan artikel 3.32, vierde lid, van het Bouwbesluit 2012.



Ventilatievoorziening in de centrale hal en het trappenhuis




9. Eiser heeft in zijn handhavingsverzoek aangegeven dat de, na de oplevering geïnstalleerde ventilatievoorziening in de centrale hal en het trappenhuis niet voldoet aan de eisen uit de artikelen 3.32, eerste lid, en 3.34, derde lid, van het Bouwbesluit 2012, omdat er op nivo -1 geen adequate afzuiging is en met het geïnstalleerde systeem vervuilde lucht rechtstreeks vanaf de [adres] wordt aangezogen en ongecontroleerd lucht wordt onttrokken aan de ondergelegen parkeergarage, omliggende ruimten en de liftschacht.
In het primaire besluit is voor het trappenhuis de last opgelegd om aan te tonen dat de ventilatie voldoet aan artikel 3.34, derde lid, van het Bouwbesluit 2012 en voor de centrale hal is aangegeven dat de voorgestelde ventilatiehoeveelheid akkoord is. Het bezwaar daartegen is ongegrond verklaard.
In beroep is aangevoerd dat deze gestelde overtreding niet is onderzocht en er niet afdoende is gemotiveerd waarom al dan niet sprake is van een overtreding.




9.1.

De rechtbank stelt vast dat verweerder de ventilatie-eisen voor de centrale hal heeft getoetst aan artikel 3.32, eerste lid, van het Bouwbesluit 2012, maar niet aan artikel 3.34, derde lid, van het Bouwbesluit 2012. De ventilatie-eisen voor het trappenhuis zijn wel aan beide artikelen getoetst en voor het trappenhuis is een last opgelegd met betrekking tot het voldoen aan artikel 3.34, derde lid van het Bouwbesluit 2012.
De rechtbank is van oordeel dat de beroepsgrond van eiser ten aanzien van het niet (voldoende) onderzocht hebben van de gestelde overtreding van ventilatie-eisen voor wat betreft de centrale hal, slaagt. Voor het overige slaagt de grond niet.




Bevestiging van hekwerken




10. Eiser heeft in zijn handhavingsverzoek aangegeven dat de bevestiging van de hekwerken op de terrassen van de vierde en vijfde verdieping en op de dakterrassen niet voldoen aan de eisen. Het gaat dan om slobgaten in de vloerplaten die te breed en te lang zijn en de bevestiging met boutverbindingen op de onderliggende voetplaat.
Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de constructieberekening met werknummer 221552 van 20 mei 2021 van B.V. Adviesburo Opzeeland (verder Opzeeland) geaccordeerd is door de constructeur en heeft daarop zijn conclusie gebaseerd dat er op dit punt geen sprake is van overtredingen.
In beroep heeft eiser aangevoerd dat deze gestelde overtreding niet is onderzocht en er niet afdoende is gemotiveerd waarom al dan niet sprake is van een overtreding. Hij heeft een advies van [naam bv] (verder [naam bv] ) van 17 september 2024 overgelegd waaruit blijkt dat de toegepaste bestaande sluitring niet voldoet en waarin geadviseerd wordt om volgplaten van 60x60x6 mm toe te passen.




10.1.

De rechtbank stelt vast dat verweerder zich bij zijn beoordeling heeft gebaseerd op een deskundigenbericht van Opzeeland en niet gesteld of gebleken is dat deze deskundige niet alle relevante feiten en omstandigheden heeft meegenomen in zijn onderzoek. Een bestuursorgaan als verweerder mag zich op een dergelijk deskundigenbericht baseren, indien en voor zover verweerder zich heeft vergewist dat dit onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Dat volgt uit artikel 3:9 van de Awb. Eiser heeft daar het advies van [naam bv] tegenovergesteld.
De rechtbank is van oordeel dat uit het advies van [naam bv] weliswaar blijkt van een andere mening, maar niet dat het onderzoek door Opzeeland niet correct, niet volledig of niet deugdelijk is of op een onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen. Dat betekent dat verweerder zich bij zijn besluitvorming mocht baseren op het advies van Opzeeland en op die grondslag tot de conclusie kon komen dat er geen sprake is van overtredingen op dit punt. Ook overigens is niet gebleken dat de gestelde overtreding niet of niet voldoende is onderzocht of dat niet voldoende is gemotiveerd dat er geen sprake is van een overtreding. Deze gronden slagen daarom niet.




Automatische draaideuren




11. Eiser heeft verder in zijn handhavingsverzoek aangegeven dat de automatisch bediende draaideuren (elektrische deurdrangers) op de begane grond en op nivo -1 niet voldoen aan de Europese norm EN 16005 omdat in deze deuren en/of bedieningen geen voorzieningen ter beveiliging tegen o.a. inklemmen en afknellen van personen zijn geïnstalleerd.
In het primaire besluit heeft verweerder zich, onder verwijzing naar een risico-inventarisatie door Assa Abloy B.V. (verder Assa Abloy), op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van een gevaarlijke situatie als bedoeld in artikel 7.22, aanhef en onder d, van het Bouwbesluit 2012. Verder heeft verweerder het aan de vereniging van eigenaren overgelaten om aanvullende voorzieningen te kiezen in het geval dat een van de kwetsbare gebruikers hoofdgebruiker is van de deuren. Het bezwaar van eiser is ongegrond verklaard.




11.1.
In beroep heeft eiser aangevoerd dat deze gestelde overtreding niet is onderzocht en er niet afdoende is gemotiveerd waarom al dan niet sprake is van een overtreding. Ook heeft eiser aangevoerd dat hij al in bezwaar heeft betoogd dat de risico-inventarisatie onzorgvuldig is opgesteld. Assa Abloy gaat ervan uit dat minderjarige/kwetsbare/oudere personen niet de hoofdgebruikers zijn van het complex, terwijl eiser heeft aangetoond dat dat nu juist wel het geval is; het overgrote deel van de bewoners is ouder dan 65 jaar en er zijn een aantal gebruikers mindervalide.



11.2.
De rechtbank stelt vast dat verweerder onvoldoende heeft onderzocht of het rapport van Assa Abloy een voldoende zorgvuldig en deugdelijk deskundigenbericht is om het standpunt dat er geen sprake is van gevaarzetting als bedoeld in artikel 7.22, sub d, van het Bouwbesluit 2012 te kunnen dragen. Dat betekent dat de rechtbank tot het oordeel komt dat de beroepsgronden van eiser op dit punt slagen. Het al dan niet bestaan van een overtreding op dit punt is door verweerder onvoldoende onderzocht en de motivering dat er geen sprake is van gevaarzetting is met een verwijzing naar een onvoldoende zorgvuldige risico-inventarisatie niet draagkrachtig geformuleerd.



Brandwerende wanddoorvoeren




12. Eiser heeft voorts in zijn handhavingsverzoek aangegeven dat de wanden die grenzen aan en/of deel uitmaken van de centrale leidingschachten ten behoeve van de appartementen niet voldoen aan de gestelde eisen ten aanzien van brandwerendheid. Brandwerende wanddoorvoeren zijn niet of onvoldoende aangebracht en door het ontbreken van brandwerende voorzieningen kan ongecontroleerd brandoverslag via de centrale leidingschachten bovendaks plaatsvinden.
In het primaire besluit heeft verweerder onder verwijzing naar de beoordeling van de brandweer geoordeeld dat de doorvoeren in de parkeergarage en van de woonfunctie naar de schacht en naar de meterkast (uiteindelijk) voldoen. De brandweer heeft verder de rapporten van de firma V.D. Hoek Brandwerende Applicaties B.V. (over het herstel van de doorvoeren door brandscheidingen) en van [naam] (over de constructie wand woonfunctie/schacht) geaccordeerd. Volgens de brandweer heeft de uitvoering brandmanchet schacht een Wbdbo van 60 minuten en daarmee is de eerder vastgestelde tekortkoming opgelost. Verweerder heeft geconcludeerd dat er ten aanzien van dit onderdeel van het handhavingsverzoek geen sprake (meer) is van een overtreding. Het bezwaar hiertegen is ongegrond verklaard.




12.1.
In beroep heeft eiser aangevoerd dat het rapport van [naam] enkel is opgesteld voor de woning van eiser en dat [naam] de andere woningen niet heeft onderzocht. Verwijzing naar het rapport van [naam] door verweerder kan volgens eiser dan ook niet de beslissing dragen. Bovendien schrijft [naam] in het rapport ook dat de openingen om de buizen afgedicht moeten worden en dat is nog niet gebeurd. Bij het appartement van eiser zijn op zijn verzoek metalen bevestigingen gebruikt voor de montage van de brandmanchetten en bij de overige appartementen kunststof pluggen, hetgeen niet is toegestaan. Eiser wijst nog op de in bezwaar overgelegde informatie over de toepasbaarheid van brandmanchetten. Verder is eiser van mening dat er niets is gedaan met de montagevoorschriften van de fabrikant over kunststofpluggen en de brandwerende afdichtingen rondom de manchetten. Zolang de brandzijde niet bekend is moeten aan beide zijden manchetten worden toegepast. Dat de veiligheidsregio (brandweer) aangeeft dat de schacht de brandzijde is omdat die zo gebouwd moet zijn dat die geen doorslag geeft, maakt niet dat de schacht daadwerkelijk zo is gebouwd dat die geen doorslag kan hebben; dat is niet onderzocht en vastgelegd. In de parkeergarage en op de begane grond zijn volgens eiser nog tal van doorvoeren niet brandveilig. Voor zover de overtreder heeft gezegd certificaten te hebben overgelegd, is eiser van mening dat die certificaten geen onderdeel zijn van de beslissing op bezwaar. Voor zover de veiligheidsregio heeft gesteld dat er nog manchetten zijn aangebracht waar nodig, is dit niet gecontroleerd of vastgelegd in de beslissing op bezwaar.



12.2.

De rechtbank stelt vast dat verweerders beslissing om de bezwaren van eiser op dit punt ongegrond te verklaren is gebaseerd op de beoordeling door de (de vertegenwoordigers van de) brandweer (ter hoorzitting in bezwaar) en slechts indirect op het rapport van [naam] . In het rapport van [naam] , dat slechts beperkt is weergegeven in het dossier, is het uitgangspunt benoemd dat in de schachten in de woningbouw zelden ontstekingsbronnen aanwezig zijn en dat dan ook in de schacht geen brand zal ontstaan. Daarmee vormt de schacht een scheidingsconstructie tussen de boven elkaar gelegen woningen/brandcompartimenten. De steenachtige schachtwanden zijn volgens [naam] 60 minuten brandwerend. Door ook de doorvoeringen van leidingen in de richting van de woning naar de schacht uit te voeren met 60 minuten brandwerende voorzieningen, wordt voldaan aan de eisen, terwijl er geen brandwerendheidseisen worden gesteld vanuit de schacht naar de woning.
Voor zover eiser in beroep heeft aangevoerd dat verweerders beslissing niet gedragen kan worden door het rapport van [naam] , volgt de rechtbank hem niet. Het rapport van [naam] is immers niet rechtstreeks aan de beslissing op bezwaar ten grondslag gelegd en bovendien blijkt uit de tekst en de conclusie van het rapport niet dat dit alleen gaat over de woning van eiser. De beoordeling door de brandweer is dragend voor de beslissing op bezwaar en die houdt in dat alle geconstateerde tekortkomingen zijn opgelost. Hetgeen eiser overigens heeft aangevoerd, geeft de rechtbank geen aanleiding om te concluderen dat verweerder het deskundigenbericht van de brandweer niet heeft mogen volgen. Deze gronden slagen dan ook niet.




Ventilatie parkeergarage




13. Eiser heeft in zijn handhavingsverzoek ook aangegeven dat de uitblaasopening bovendaks van het ventilatiekanaal van de parkeergarage, verticaal gemeten, voor het afvoeren van de lucht uit de parkeergarage te laag is en conflicteert met de overige installatievoorzieningen op de daken met betrekking tot de appartementen. Eiser verwijst op dit punt naar het ventilatieonderzoek parkeergarage, rapportnr. M15.413.405 van 20 november 2015 van Bureau K+, behorende bij de omgevingsvergunning 50043-2015 met betrekking tot de uitstoot van benzeen.
In het primaire besluit heeft verweerder een last onder dwangsom opgelegd voor de vastgestelde overtreding van de voornoemde verleende omgevingsvergunning voor zover daarbij in het rapport van
20 november 2015 van K+ is voorgeschreven dat de schoorsteen 1 meter hoger dient te worden uitgevoerd dan de bovenkant van de daklijn van het appartement dat is gelegen op de vijfde verdieping. Verweerder heeft daarbij aangegeven dat om te kunnen voldoen aan het bepaalde in het rapport M15.413.405 van K+ van 20 november 2015, en dus aan de verleende omgevingsvergunning met kenmerk 50043-2015, de overtreder er ook voor kan kiezen om door middel van een berekening aan te tonen dat de verdunningsfactor kleiner is dan of gelijk is aan 0,01.
In beroep heeft eiser aangevoerd dat verweerder ten onrechte niet heeft gelast om de schoorsteen tenminste 1 meter te verhogen ten opzichte van de huidige dakrand en dat verweerder ten onrechte de overtreder in de gelegenheid heeft gesteld nieuwe berekeningen aan te leveren. Ook heeft eiser aangevoerd dat het rapport van K+ niet de verdunningsfactor regelt en dat verweerder ten onrechte heeft overwogen dat het Activiteitenbesluit niet van toepassing is. In het aanvullend beroepschrift van 4 april 2025 heeft eiser aangevoerd dat hij ook heeft verzocht om handhavend optreden ten aanzien van overtredingen van het Activiteitenbesluit (met betrekking tot de parkeergarage).




13.1.
De rechtbank leest het handhavingsverzoek van eiser op dit punt als verzoek om handhaving van de voorschriften van de verleende omgevingsvergunning en de daarvan deel uitmakende rapportage van K+ van 20 november 2015, en van bepalingen van het Bouwbesluit 2012, en ziet daarin geen uitbreiding van de grondslag van handhaving naar ook de normen van het Activiteitenbesluit. In zoverre slaagt de beroepsgrond dat verweerder onvoldoende onderzoek naar overtreding van de normen van het Activiteitenbesluit zou hebben verricht, dan ook niet.



13.2.

Verder stelt de rechtbank vast dat verweerder een last onder dwangsom heeft opgelegd voor de vastgestelde overtreding van de verleende omgevingsvergunning voor zover daarbij in het rapport van 20 november 2015 van K+ is voorgeschreven dat de schoorsteen 1 meter hoger dient te worden uitgevoerd dan de bovenkant van de daklijn van het appartement dat is gelegen op de vijfde verdieping. Dat is ook precies de overtreding die eiser vastgesteld wilde zien en de inhoud van de last is ook conform zijn verzoek en als maatregel passend en geschikt. In zoverre slaagt de beroepsgrond van eiser niet.
Voor zover eiser heeft aangevoerd dat verweerder niet de gelegenheid had mogen bieden om met een alternatieve maatregel de overtreding te beëindigen, verwijst de rechtbank naar hetgeen is overwogen in r.o. 7.2. Herstelmaatregelen zijn facultatief en mogen niet dwingend zijn. Het is aan de overtreder om een keuze te maken uit mogelijke maatregelen om de overtreding te beëindigen. Nu de overtreding en de last duidelijk zijn (vastgesteld), kan de grond dat een (facultatieve) herstelmaatregel niet adequaat zou (kunnen) zijn niet slagen in het beroep tegen de last onder dwangsom. Of aan deze last is voldaan kan in beginsel in het kader van het invorderingsbesluit aan de orde komen.




Uitmondingen op het dak




14. In zijn verzoek om handhaving heeft eiser aangegeven dat de uitmondingen op het dak voor de WTW-en cv-installaties, rookgassen en uitmondingen voor de beluchtingen van de standleidingen voor de rioleringen niet voldoen aan het vigerend bouwbesluit, omdat de onderlinge horizontale afstanden van de aan- en afvoeren van de installaties bovendaks te gering zijn om te kunnen voldoen aan de eisen met betrekking tot luchtverdunning. In punt 14 van de zestienpuntenlijst van
4 november 2020 is daarbij vermeld “o.a. van de appartementen Roerzijde” en in de aanvulling van het verzoek bij brief van 4 mei 2021 is vermeld dat hetgeen is geconstateerd bij de appartementen aan de Roerzijde ook heeft te gelden voor de appartementen aan de [adres] .




14.1.
Op aangeven van verweerder heeft eiser bij brief van 24 september 2021 een ‘nieuw’ verzoek om handhaving gedaan, dat achteraf bezien, terecht, is beschouwd als deel uit makend van het totale, samengestelde verzoek zoals beschreven in r.o. 4. Ter zitting is gebleken dat verweerder uit die brief van 24 september 2021 heeft afgeleid dat eiser de stelling over de appartementen aan de [adres] heeft laten vallen, omdat eiser in die brief vraagt om handhaving van de punten sub 1, sub 2 en sub 4 van bladzijde 3 van de brief van 4 mei 2021, en niet ook van sub 3 waarin hij verwijst naar de appartementen aan de [adres] . Nu de brief van 24 september 2021 is geschreven naar aanleiding van de onjuiste opvatting van verweerder dat eiser een nieuw verzoek diende in te dienen voor zover het betreft nieuwe punten dan wel een nieuw verzoek om handhaving en eiser door de formulering in de zestienpuntenlijst van 4 november 2020 (“o.a. van de appartementen aan de Roerzijde”) en bij brief van 4 mei 2021 heeft gewezen op het verzuim het geconstateerde ook in ogenschouw te nemen voor de appartementen aan de [adres] , kon eiser in de veronderstelling verkeren dat dit geen nieuw onderwerp of nieuw verzoek was. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat voor verweerders opvatting dat hiermee het verzoek om handhaving is beperkt tot de appartementen aan de Roerzijde, een feitelijke basis ontbreekt.



14.2.

In het primaire besluit is een last onder dwangsom opgelegd voor de onderlinge afstanden uitmondingen installaties op de plaats van stramien 25. De overtreder moet op die plaats de horizontale afstand tussen de toevoer van ventilatielucht en de afvoer van ontspanningsleiding van de riolering in overeenstemming brengen met de waarde van 6 meter zoals aangegeven in het rapport van K+ met kenmerk M15.413.405 van 20 november 2015.
In beroep heeft eiser aangevoerd dat dit ook heeft te gelden voor de stramienen 1 tot en met 5 en voor stramien 23 en 24.




14.3.
De rechtbank stelt vast dat niet op het gehele verzoek om handhaving van eiser op dit punt is beslist en is daarom van oordeel dat verweerder heeft verzuimd te beslissen op het verzoek om handhaving ten aanzien van dit punt ter plaatse van de stramienen 1 tot en met 5 en 23 en 24. Deze beroepsgrond slaagt.



Overtreder



15. Eiser heeft nog aangevoerd dat de derde-partij, die is aangemerkt als overtreder van artikel 2.3a, eerste lid, van de Wabo, ook moet worden aangemerkt als overtreder van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo.
De rechtbank stelt vast dat eiser hierbij geen belang heeft, omdat hij met deze beroepsgrond niet meer of iets anders kan bereiken dan dat reeds is vastgesteld, te weten dat de derde-partij overtreder is.



Invorderingsbeschikking



16. In de invorderingsbeschikking is vastgesteld dat de overtreder de overtredingen 1, 2, 5 en 6, genoemd en zo genummerd in het primaire dwangsombesluit van 4 augustus 2022, niet heeft beëindigd en dat daarom de daarvoor geldende dwangsommen verbeuren.



16.1.

Tegen de invorderingsbeschikking heeft eiser aangevoerd dat verweerder weliswaar optreedt tegen de overtredingen inzake uitstoot rookgassen, maar doordat de last onder dwangsom niet juist is, is de invordering om die reden ook niet volledig.
De rechtbank overweegt hierover dat het beroep van eiser tegen de dwangsombeschikking, zoals uit het voorgaande volgt, deels gegrond is, maar of en in hoeverre dat leidt tot meer en/of andere lasten en/of dwangsommen nu niet aan de orde is en niet kan leiden tot een gegrond beroep tegen de invorderingsbeschikking zoals die nu ter beoordeling voorligt.



17. Eiser heeft verder aangevoerd dat door verweerder ten onrechte het standpunt is ingenomen dat de dwangsom ten aanzien van de overtreding uitblaas parkeergarage niet is verbeurd (overtreding 4). Eiser is van mening dat het daaraan ten grondslag gelegde rapport van K+ van 9 september 2022 niet juist is.




17.1.
De rechtbank stelt vast dat aan de overtreder in zoverre de last is opgelegd om de schoorsteen 1 meter hoger uit te voeren dan de bovenkant van de daklijn van het appartement op de vijfde verdieping, zoals in het rapport van K+ van 20 november 2015 is beschreven. Bij deze last is als alternatieve maatregel aangegeven dat de overtreder ook ervoor kan kiezen om door middel van een berekening aan te tonen dat de verdunningsfactor kleiner is dan of gelijk is aan 0,01. Verweerder is, zo blijkt uit het controlerapport van 28 juni 2023, van mening dat met het rapport van 9 september 2022 van K+ is aangetoond dat met een aanpassing van de toevoervoorziening van ventilatielucht (door het aanbrengen van een bocht) en een afstand van minimaal 23 meter tussen de toevoervoorziening en de uiterste punt van de schoorsteenopening van de parkeergarage, een verdunningsfactor kleiner dan of gelijk aan 0,01 wordt bereikt. Omdat de overtreder naar de mening van verweerder correct uitvoering heeft gegeven aan de alternatieve maatregel heeft verweerder geen dwangsom verbeurd.



17.2.
De rechtbank stelt bij de beoordeling voorop dat verweerder zich mag baseren op een rapport van een deskundige, mits hij zich vergewist dat dit onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder voldaan aan die vergewisplicht met de beoordeling door de gemeentelijke bouwinspecteur. Eiser is weliswaar van mening dat het rapport van K+ van 9 september 2022 onjuist en niet concludent ten opzichte van de rapporten van 2015 en 2016 is, maar niet dat met de nieuwe constructie op het dak niet de verdunningsfactor kleiner dan of gelijk aan 0,01 wordt bereikt. Nu de overtreder tijdig uitvoering heeft gegeven aan de in de last vermelde herstelmaatregel, heeft verweerder terecht vastgesteld dat de dwangsom voor de last die is opgelegd voor de uitblaas parkeergarage niet is verbeurd. De beroepsgrond van eiser slaagt daarom niet. Voor zover eiser nu in beroep tegen de invordering aanvoert dat de rapporten van K+ van 2015 en 2016 ook onjuist zijn, leidt dit niet tot een ander oordeel omdat dat niet hier en nu maar tegen de oorspronkelijke vergunningverlening had moeten worden aangevoerd.



17.3.

Het door eiser overgelegde rapport van EKS Projects van 10 mei 2023 leidt de rechtbank evenmin tot een ander oordeel. In voornoemd rapport van EKS wordt weliswaar geconcludeerd dat niet is voldaan aan de uit het rapport van K+ van 20 november 2015 voortvloeiende afstand van 45 meter tussen de uitblaasopening van de parkeergarage en de toevoer van de ventilatielucht voor de appartementen, maar in het rapport van EKS wordt niet kenbaar ingegaan op het rapport van K+ van
9 september 2022 dat nu juist aan het standpunt van verweerder dat aan de alternatieve maatregel is voldaan ten grondslag ligt. Ook is uit het rapport van EKS niet af te leiden dat met de gewijzigde situatie - nu die niet is beoordeeld – de aan de overtreder voorgestelde herstelmaatregel wel of niet (correct) is uitgevoerd. Voor zover is aangevoerd dat (met het rapport van K+ van 9 september 2022) niet is voldaan aan het Activiteitenbesluit blijft dat bij de beoordeling over de beslissing van verweerder om de dwangsom niet te verbeuren ten aanzien van dit aspect buiten beschouwing. Immers, hiervoor is onder r.o. 13 en 13.1. terzake de last onder dwangsom overwogen dat het handhavingsverzoek van eiser niet ziet op handhaving van de normen van het Activiteitenbesluit zodat dit ook geen onderdeel is van de opgelegde last onder dwangsom dan wel in het kader van de invorderingsbeschikking aan de orde gesteld kan worden. De rechtbank is van oordeel dat ook de beroepsgrond van eiser tegen dit aspect van het invorderingsbesluit niet slaagt.




Conclusie




18. Het beroep van eiser slaagt ten aanzien van het niet voldoende onderzocht hebben van de ventilatie-eisen voor de centrale hal en ten aanzien van het niet voldoende onderzocht hebben van het bestaan van een gevaarlijke situatie bij de automatisch bediende draaideuren op de begane grond en op nivo-1. Verder slaagt het beroep van eiser ten aanzien van het niet hebben onderzocht van de onderlinge afstanden uitmondingen installaties op de plaats van de stramienen 1 tot en met 5 en 23 en 24 (appartementen [adres] ). In zoverre zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren en voor het overige ongegrond. Voor zover het beroep gegrond wordt verklaard en het bestreden besluit deels wordt vernietigd, zal verweerder een nieuw/aanvullend besluit moeten nemen op de bezwaren van eiser met inachtneming van deze uitspraak.




18.1.
Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.802,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). De overige door eiser genoemde kosten, te weten de kosten voor het rapport van EKS en voor een notitie van [naam bv] , komen niet voor vergoeding in aanmerking, omdat deze informatie niet hebben bijgedragen tot een oplossing van de geschilpunten.





Beslissing


De rechtbank:




verklaart het beroep gegrond voor zover verweerder de ventilatie-eisen voor de centrale hal, het bestaan van een gevaarlijke situatie bij de automatisch bediende draaideuren en de onderlinge afstanden uitmondingen installaties op de plaats van de stramienen 1 tot en met 5 en 23 en 24 niet voldoende heeft onderzocht;


vernietigt het bestreden besluit in zoverre;


verklaart het beroep voor het overige ongegrond;


draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaarschrift van eiser ten aanzien van de ventilatie-eisen voor de centrale hal en het bestaan van een gevaarlijke situatie bij de automatisch bediende draaideuren, met inachtneming van deze uitspraak;


draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 184,- aan eiser te vergoeden;


veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.802,-.




Deze uitspraak is gedaan door mr. G.J. Krens, rechter, in aanwezigheid van J.N. Buddeke, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 juli 2026.







griffier rechter




Afschrift verzonden aan partijen op: 29 juli 2026









Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

Bijlage




Artikel 3:9 Awb: Indien een besluit berust op een onderzoek naar feiten en gedragingen dat door een adviseur is verricht, dient het bestuursorgaan zich ervan te vergewissen dat dit onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden.



Artikel 5:1, eerste lid, Awb: In deze wet wordt onder overtreding verstaan: een gedraging die in strijd is met het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift.
Artikel 5:1, tweede lid, Awb: Onder overtreder wordt verstaan: degene die de overtreding pleegt of medepleegt.



Artikel 5:2, eerste lid, aanhef en onder b, Awb: In deze wet wordt verstaan onder herstelsanctie: een bestuurlijke sanctie die strekt tot het geheel of gedeeltelijk ongedaan maken of beëindigen van een overtreding, tot het voorkomen van herhaling van een overtreding, dan wel tot het wegnemen of beperken van de gevolgen van een overtreding.



Artikel 5:31d, Awb: Onder last onder dwangsom wordt verstaan: de herstelsanctie, inhoudende: (a) een last tot geheel of gedeeltelijk herstel van de overtreding, en (b) de verplichting tot betaling van een geldsom indien de last niet of niet tijdig wordt uitgevoerd.



Artikel 5:32a, eerste lid, Awb: De last onder dwangsom omschrijft de te nemen herstelmaatregelen.
Artikel 5:32a, tweede lid, Awb: Bij een last onder dwangsom die strekt tot het ongedaan maken van een overtreding of het voorkomen van verdere overtreding, wordt een termijn gesteld gedurende welke de overtreder de last kan uitvoeren zonder dat een dwangsom wordt verbeurd.



Artikel 5:37, eerste lid, Awb: Alvorens aan te manen tot betaling van de dwangsom, beslist het bestuursorgaan bij beschikking omtrent de invordering van een dwangsom.
Artikel 5:37, tweede lid, Awb: Het bestuursorgaan geeft voorts een beschikking omtrent de invordering van de dwangsom, indien een belanghebbende daarom verzoekt.



Artikel 3:32, vierde lid, Bouwbesluit 2012: Een opslagruimte voor huishoudelijk afval met een vloeroppervlakte van meer dan 1,5 m2 heeft een niet afsluitbare voorziening voor luchtverversing met een volgens NEN 1087 bepaalde capaciteit van ten minste 10 dm3/s per m2 vloeroppervlakte van die ruimte.



Artikel 3:34, derde lid, Bouwbesluit 2012: De toevoer van verse lucht naar een gemeenschappelijke verkeersruimte vindt rechtstreeks van buiten plaats. Afvoer van binnenlucht uit een dergelijke ruimte vindt rechtstreeks naar buiten plaats.



Artikel 7.22, aanhef en sub d, Bouwbesluit 2012: Onverminderd het bij of krachtens dit besluit of de Wet milieubeheer bepaalde is het verboden in, op of aan een bouwwerk of op een open erf of terrein voorwerpen of stoffen te plaatsen, te werpen of te hebben, handelingen te verrichten of na te laten of werktuigen te gebruiken, waardoor: (d) instortings-, omval- of ander gevaar wordt veroorzaakt.



Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, Wabo: Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit: (a) het bouwen van een bouwwerk.



Artikel 2.3a, eerste lid, Wabo: Het is verboden een bouwwerk of deel daarvan dat is gebouwd zonder omgevingsvergunning in stand te laten.



Wbdbo is de afkorting voor weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag.