Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Limburg

ECLI:NL:RBLIM:2026:7411

2026-07-23 Bestuursrecht ROE 24/4031 en ROE 24/4045 en ROE 24/4049
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Limburg
Uitspraakdatum
2026-07-23
Publicatiedatum
2026-07-22
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
ROE 24/4031 en ROE 24/4045 en ROE 24/4049
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Tijdelijke omgevingsvergunning voor huisvesten 118 internationale werknemers. Beroep van eiseres niet-ontvankelijk, omdat niet deze, maar een andere rechtspersoon bezwaar heeft gemaakt. 6:19 Awb besluit n.a.v. gewijzigde aanvraag. Tijdelijke omgevingsvergunning, maar niet op basis van onderdeel 11 van artikel 4 van bijlage II bij het Bor. De tienjaarstermijn is conform beleid. Geen strijd met een goede ruimtelijke ordening. Van strijd met het vertrouwensbeginsel is niet gebleken.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (27.136 tekens)
RECHTBANK LIMBURG


Zittingsplaats Roermond



Bestuursrecht



zaaknummers: ROE 24/4031, ROE 24/4045 en ROE 24/4049

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 juli 2026 in de zaken tussen



Hemo Group B.V. (voorheen: Henko B.V.), [eiser 1] en [eiser 2], uit [woonplaats] , eisers
(gemachtigde: M.C.H. van de Ven),



en


het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Weert, verweerder
(gemachtigde: S. Chalh).


Als derde-partij neemt aan de zaken deel: [naam bv] gevestigd in [vestigingsplaats] (vergunninghouder)
(gemachtigde: mr. P.A.J. Huijbregts).



Samenvatting


Deze uitspraak gaat over de door verweerder aan vergunninghouder verleende tijdelijke omgevingsvergunning voor het huisvesten van maximaal 118 internationale werknemers voor een periode van maximaal 10 jaar op het adres [adres 1] in [woonplaats] . Eisers zijn het hier niet mee eens. Zij hebben daarom beroep ingesteld en voeren daartoe een aantal gronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het bestreden besluit rechtmatig is.



De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep van Hemo Group B.V. niet-ontvankelijk is, omdat niet door deze, maar door een andere rechtspersoon bezwaar is gemaakt. De beroepen van de overige eisers die zien op het besluit van 17 juli 2024 zijn niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang, omdat dit besluit is vervangen door het besluit van 1 december 2025. De beroepen van de overige eisers die zien op het besluit van 1 december 2025 zijn ongegrond.





Procesverloop


Bij het primaire besluit van 17 januari 2024 heeft verweerder aan vergunninghouder een tijdelijke omgevingsvergunning verleend voor het huisvesten van maximaal 264 internationale werknemers voor een periode van maximaal tien jaar op het adres [adres 1] in [woonplaats] .



Bij het bestreden besluit I van 17 juli 2024 heeft verweerder het door Henko Workwear gemaakte bezwaar tegen het primaire besluit niet-ontvankelijk verklaard.



Bij de bestreden besluiten I van 18 juli 2024 heeft verweerder de door [eiser 1] en [eiser 2] (de overige eisers) afzonderlijk gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.



Eisers hebben ieder afzonderlijk beroep ingesteld. Na het instellen van beroep is Henko B.V. door naamswijziging gewijzigd in Hemo Group B.V.



Bij besluit van 1 december 2025 (het bestreden besluit II) heeft verweerder met verwijzing naar artikel 6:19 van de Awb de bij het primaire besluit verleende tijdelijke omgevingsvergunning gewijzigd.



De rechtbank heeft de beroepen op 23 juni 2026 gezamenlijk op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam 1] namens Hemo Group B.V., [eiser 1] en [eiser 2] , [naam 2] namens vergunninghouder en de gemachtigden van eisers, verweerder en vergunninghouder.





Beoordeling door de rechtbank



Totstandkoming van de bestreden besluiten



1. Bij besluit van 14 mei 2020 is aan TMF Techniek B.V. een tijdelijke omgevingsvergunning verleend voor maximaal 108 internationale werknemers voor een periode van maximaal tien jaar in het pand aan de [adres 1] in [woonplaats] (hierna: het pand). Deze vergunning is onherroepelijk. TMF Techniek B.V. heeft uiteindelijk het pand op het adres niet gekocht en de omgevingsvergunning van 14 mei 2020 is (daarom) nooit uitgevoerd. Deze vergunning is ook niet ingetrokken.

2. Vergunninghouder, die vervolgens het pand heeft gekocht, heeft op 4 oktober 2023 een tijdelijke omgevingsvergunning aangevraagd voor de tijdelijke huisvesting van maximaal 264 internationale werknemers voor een periode van maximaal tien jaar in het pand.

3. Het pand heeft volgens het bestemmingsplan ‘Bedrijventerrein 2013’ (het bestemmingsplan), dat thans onderdeel uitmaakt van het tijdelijke deel van het omgevingsplan van de gemeente Weert (het omgevingsplan), de bestemmingen ‘Bedrijventerrein’ en ‘Waarde – Archeologie middelhoog’.

4. Met het primaire besluit heeft verweerder de gevraagde tijdelijke omgevingsvergunning, in afwijking van het bestemmingsplan, verleend op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder a en onder c en artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2,van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
5. Tegen het primaire besluit hebben Henko Workwear, [eiser 1] en [eiser 2] bezwaar gemaakt. [eiser 1] woont aan de [adres 2] in [woonplaats] en [eiser 2] aan de [adres 3] in [woonplaats] .

6. Bij de bestreden besluiten I heeft verweerder het bezwaar van Henko Workwear niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van belanghebbendheid en de bezwaren van de overige eisers ongegrond verklaard.

7. Bij besluit van 1 december 2025 (het bestreden besluit II) heeft verweerder met verwijzing naar artikel 6:19 van de Awb, de verleende omgevingsvergunning gewijzigd, omdat vergunninghouder een wijziging van de aanvraag heeft ingediend, waarbij de wijzigingen volgens verweerder van ondergeschikte aard zijn. De wijzigingen houden het volgende in. Op de begane grond komt een self-storage concept (opslag) en een logiesverblijf voor twee personen nabij de entree, in plaats van de huisvesting van internationale werknemers op de gehele begane grond. Het aantal personen voor het tijdelijk huisvesten in het pand is gewijzigd van 264 naar 118 personen.

8. Eisers zijn het ook niet eens met het bestreden besluit II.



Het beroep van Hemo Group B.V.



9. Alvorens de rechtbank aan een inhoudelijke behandeling van het beroep van Hemo Group B.V. kan toekomen, moet zij ambtshalve beoordelen of het beroep van Hemo Group B.V. ontvankelijk is. Ter zitting heeft de rechtbank de vraag aan de orde gesteld of Hemo Group B.V. (voorheen Henko B.V.) ook bezwaar heeft gemaakt. Ingevolge artikel 8:1 van de Awb in samenhang met artikel 7:1 van de Awb dient alvorens beroep kan worden ingesteld, immers eerst bezwaar te worden gemaakt. Ter zitting heeft de vertegenwoordiger van Hemo Group B.V. een toelichting gegeven op de holdingstructuur en de verschillende rechtspersonen waarbij hij betrokken is.

10. De rechtbank stelt vast dat onder het bezwaarschrift is vermeld ‘Henko Workwear’, zonder verdere duiding. Deze naam komt als zodanig niet voor in de uittreksels van het handelsregister van de Kamer van Koophandel zoals verstrekt door Hemo Group B.V. en ook ter zitting is geen duidelijkheid gegeven over de onderneming die bezwaar heeft gemaakt. Hoewel er een handelsnaam Henko Workwear Group uit de stukken naar voren komt, komt het de rechtbank het meest aannemelijk voor dat met ‘Henko Workwear’ ‘Henko Workwear B.V.’ (inmiddels Hemo B.V.) bedoeld is en dat het bezwaarschrift dus door Henko Workwear B.V. is ingediend. Het beroep is ingesteld door Henko B.V. (inmiddels Hemo Group B.V.). Henko Workwear B.V. en Henko B.V. zijn twee gescheiden B.V’s, wat betekent dat het beroepschrift is ingediend door een andere rechtspersoon dan het bezwaarschift. Dat beide B.V.’s binnen dezelfde holdingstructuur opereren maakt dat niet anders. Het beroep van Hemo Group B.V. is daarom niet-ontvankelijk.



Het beroep van de overige eisers





Artikel 6:19 van de Awb



11. De rechtbank ziet zich voor de ambtshalve vraag gesteld of het besluit van 1 december 2025 (het bestreden besluit II) moet worden gezien als een besluit als bedoeld in artikel 6:19 van de Awb, waarbij in dit geval vooral van belang is of de bij het bestreden besluit II verleende omgevingsvergunning moet worden gezien als een wijziging van de omgevingsvergunning zoals die bij het bestreden besluit I in stand is gelaten. In dat geval heeft het beroep tegen het bestreden besluit I van rechtswege mede betrekking op het bestreden besluit II.

12. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) is geen nieuwe aanvraag nodig als de wijziging van het bouwplan van ondergeschikte aard is. De vraag of de wijziging van ondergeschikte aard is moet per concreet geval worden beantwoord. Indien de wijziging van de oorspronkelijke aanvraag zodanig ingrijpend is dat redelijkerwijs niet meer van hetzelfde bouwplan kan worden gesproken, moet daarvoor een nieuwe aanvraag worden ingediend. Een besluit op een dergelijke nieuwe aanvraag is een nieuw besluit en geen besluit waarmee het besluit op een eerdere aanvraag wordt gewijzigd.

13. Tussen partijen is niet in geschil dat (de omgevingsvergunning zoals verleend bij) het bestreden besluit II een artikel 6:19- besluit betreft dat (de omgevingsvergunning zoals in stand gelaten bij) het bestreden besluit I heeft vervangen. De rechtbank stelt vast dat er een relatief groot verschil zit tussen beide besluiten (aantal personen, het self-storage concept, aantal parkeerplaatsen, etc.), maar is van oordeel dat de ruimtelijke uitstraling van het aangepaste plan beperkter is dan het oorspronkelijke plan en dat het self-storage concept binnen het bestemmingsplan (c.q. het omgevingsplan) past. Eisers hebben geen separaat beroep ingesteld tegen het bestreden besluit II, maar hebben wel desgevraagd nadere gronden daartegen aangevoerd.

14. Gelet op het voorgaande volgt de rechtbank partijen dat sprake is van een ondergeschikte wijziging en dat op het bestreden besluit II artikel 6:19 van de Awb van toepassing is. De beroepen van eisers hebben dus mede betrekking op dit besluit.



Het bestreden besluit I



15. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen, is het bestreden besluit I vervangen door het bestreden besluit II. Eisers hebben niet gesteld nog belang te hebben bij een beoordeling van hun beroepen tegen het bestreden besluit I.

16. Het voorgaande betekent dat de beroepen van de overige eisers tegen het bestreden besluit I niet-ontvankelijk zijn wegens het vervallen van procesbelang.



Het bestreden besluit II



17. De rechtbank heeft geoordeeld dat de beroepen van de overige eisers (mede) gericht zijn tegen het bestreden besluit II. De rechtbank gaat daarom over tot een inhoudelijke beoordeling van de beroepen van de overige eisers tegen het bestreden besluit II.


- Het toetsingskader

18. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden en is onder andere de Wabo ingetrokken. Als vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet een aanvraag om een besluit is ingediend, blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het oude recht van toepassing tot het besluit onherroepelijk wordt. De (oorspronkelijke) vergunningaanvraag is op 4 oktober 2023 ingediend. Dit betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.

19. Ingevolge artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2 van de Wabo kan voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en, voor zover hier relevant, indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen.

20. Die algemene maatregel van bestuur is het Besluit omgevingsrecht (Bor). Artikel 4 van bijlage II bij het Bor bevat de zogenoemde ‘kruimelgevallenregeling’. Een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan kan alleen met toepassing van de kruimelgevallenregeling worden verleend als wordt voldaan aan twee voorwaarden. Allereerst moet – kort gezegd – sprake zijn van een geval als bedoeld in artikel 4 van bijlage II bij het Bor. Ten tweede mag de activiteit niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening. Het is aan verweerder om dat laatste te beoordelen; de bestuursrechter toetst dat besluit rekening houdend met de beleidsruimte die verweerder heeft. Op grond van artikel 4 aanhef en onder 1 van bijlage II van het Bor komen, voor zover hier relevant, voor verlening van een omgevingsvergunning in aanmerking:

9. het gebruiken van bouwwerken, eventueel in samenhang met bouwactiviteiten die de bebouwde oppervlakte of het bouwvolume niet vergroten, en van bij die bouwwerken aansluitend terrein, mits, voor zover gelegen buiten de bebouwde kom, het uitsluitend betreft een logiesfunctie voor werknemers of de opvang van asielzoekers of andere categorieën vreemdelingen;

11. ander gebruik van gronden of bouwwerken dan bedoeld in de onderdelen 1 tot en met 10, voor een termijn van ten hoogste tien jaar.

- De tienjaarstermijn

21. Volgens eisers kan voor het afwijken van het bestemmingsplan geen toepassing worden gegeven aan onderdeel 11 van artikel 4 van bijlage II bij het Bor, omdat niet blijkt dat de omgevingsvergunning na de gestelde termijn zal worden beëindigd, de termijn van tien jaar gelet op de verbouwingen niet aannemelijk is en in 2020 reeds een tijdelijke omgevingsvergunning voor 108 arbeidsmigranten met een duur van maximaal tien jaar is verleend op dit adres.

22. De rechtbank overweegt dat verweerder ten onrechte aanvullend aan het negende onderdeel van artikel 4 van bijlage II bij het Bor, onderdeel 11 aan het verlenen van de omgevingsvergunning ten grondslag heeft gelegd. Uit de Nota van toelichting bij de wijziging van het Bor (Stb. 2014, 333, p. 55) blijkt dat voor een omgevingsvergunning voor een tijdelijke afwijking van het bestemmingsplan voor gebruik dat is genoemd in een van de voorgaande onderdelen van artikel 4, het desbetreffende onderdeel, en niet onderdeel 11, de grondslag voor vergunningverlening dient te zijn. De omgevingsvergunning kan daarbij ook tijdelijk worden verleend met toepassing van artikel 2.23 van de Wabo, door verbinding van een termijn aan de vergunning. Indien het een planologisch strijdig gebruik betreft dat niet is genoemd in de onderdelen 1 tot en met 10, kan voor een tijdelijk gebruik met een duur van maximaal tien jaar, de vergunning ingevolge artikel 4, onderdeel 11, van bijlage II verleend worden met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de Wabo.

23. Omdat in het onderhavige geval aan het besluit tot verlenen van de (tijdelijke) omgevingsvergunning (mede) artikel 4, onderdeel 9, van bijlage II bij het Bor ten grondslag is gelegd, zal de rechtbank (alleen) die grondslag voor vergunningverlening beoordelen. Onderdeel 11 is in dit geval niet van toepassing en de vermelding daarvan is overbodig.

24. In het bestreden besluit II is, voor zover relevant, het volgende voorschrift aan de tijdelijke omgevingsvergunning verbonden:



”8. De tijdelijke omgevingsvergunning ziet op de tijdelijke huisvesting van maximaal 118 internationale werknemers voor een periode van maximaal tien jaar. Na afloop van deze tienjaarstermijn moet de voor de verlening van deze tijdelijke omgevingsvergunning naar de bestaande toestand worden terug gebracht. Voor de startdatum van de tienjaarstermijn wordt uitgegaan van de feitelijke ingebruikname. Hierbij wordt uitgegaan van het nachtregister.”



25. De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet gebonden is aan het totale maximum van tien jaar van onderdeel 11 uit artikel 4 van bijlage II bij het Bor, omdat dit onderdeel zoals hiervoor overwogen niet van toepassing is. Dit betekent ook dat verweerder in zoverre niet gebonden is aan de over onderdeel 11 gevormde jurisprudentie.

26. Het genoemde voorschrift is gebaseerd op de ‘Beleidsnota huisvesting internationale werknemers gemeente Weert, actualisatie 2021’ (Beleidsnota huisvesting). Daarin is alleen een maximumtermijn (van tien jaar) opgenomen voor het verlenen van de tijdelijke omgevingsvergunning, zonder een aanvangsdatum. De rechtbank acht het niet onredelijk om voor de aanvangstermijn aansluiting te zoeken bij de feitelijke ingebruikname van de vergunning, zoals opgenomen in voorschrift 8. Dat betekent ook dat de in 2020 verleende tijdelijke omgevingsvergunning, nu daar feitelijk geen gebruik van is gemaakt, niet van invloed is op de termijn voor onderhavige tijdelijke omgevingsvergunning. Dat na het verstrijken van de tienjaarstermijn de situatie weer moet worden teruggebracht naar de bestaande situatie is middels voorschrift 8 geborgd.

27. De rechtbank ziet gelet op het voorgaande geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder aan de tijdelijke omgevingsvergunning geen instandhoudingstermijn van tien jaar vanaf feitelijke ingebruikname mocht verbinden.

- Het beleid

28. Ter zitting is gebleken dat tussen partijen niet in geschil is dat er geen strijd bestaat met de ‘Beleidsnota Planologische afwijkingsmogelijkheden volgens artikel 4, bijlage II van het Besluit omgevingsrecht’ (Beleidsnota kruimelgevallenregeling). Wel is in geschil of de omgevingsvergunning in strijd is met de Beleidsnota huisvesting. De rechtbank overweegt daarover als volgt.

29. De rechtbank stelt vast dat de “Beleidsnota huisvesting internationale werknemers, actualisatie 2021” het actuele beleid bevat over de huisvesting van internationale werknemers in de gemeente Weert, zoals ter zitting door verweerder bevestigd. In paragraaf 3.2 van deze beleidsnota staat dat voor twee grootschalige locaties een vergunning is verleend, waarna deze locatie wordt benoemd als “ [adres 1] [woonplaats] , 108 personen”. Vervolgens wordt in deze paragraaf beleid gegeven voor een concrete derde locatie en wordt tot slot vermeld: “Voor het overige blijft het beleid uit 2020 van toepassing”. Het beleid uit 2020 is opgenomen in hoofdstuk 2 van de Beleidsnota huisvesting. In de tabel in hoofdstuk 2 staat als beleid voor 2020 onder meer: “Maximaal 3 initiatieven voor in totaal maximaal 1.000 personen, maximaal 1 initiatief per bedrijventerrein, per initiatief maximaal 400 personen”. In diezelfde tabel staat de actualisatie van 2021: “Drie locaties met tijdelijke huisvesting op een bedrijventerrein, te weten:  (…) max. 195 personen  [adres 1] [woonplaats] , max. 108 personen  (…) max. 400 personen”. In paragraaf 4.7 is vermeld dat in de paragrafen 4.1 tot en met 4.4 voorwaarden zijn geformuleerd in samenhang met de locatie over de omvang. In deze paragrafen staat niets genoemd over de omvang van onderhavige locatie of bedrijventerreinen. Wel staat in paragraaf 4.7 vermeld: “De locaties voor tijdelijke huisvesting zijn:  (…) max. 195 personen  [adres 1] [woonplaats] , max. 108 personen  (…) max. 400 personen (plan in voorbereiding)”.

30. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat het in de Beleidsnota huisvesting genoemde aantal personen van 108 enkel ziet op de vergunde situatie en dat dit geen maximum betreft. Deze uitleg strookt echter niet met de weergave op twee plaatsen in het beleid, waar letterlijk staat “max. 108 personen” voor deze locatie. De rechtbank stelt tegelijk vast dat de Beleidsnota huisvesting niet eenduidig is over het maximaal aantal toegestane personen, nu in paragraaf 3.2 staat dat het beleid uit 2020 van toepassing blijft en dat beleid (zoals overgenomen in de actualisatie 2021) drie locaties met per locatie een maximum van 400 personen toestaat, waarbij het totaal aantal personen voor deze drie locaties samen 1.000 bedraagt. In paragraaf 3.2 staan wel de 108 personen op onderhavige locatie genoemd, maar niet als maximum. De Beleidsnota huisvesting is daarmee innerlijk tegenstrijdig. Zowel omwonenden als vergunninghouder moeten rechtszekerheid kunnen ontlenen aan het beleid, namelijk de zekerheid dat verweerder behoudens bijzondere omstandigheden conform dit beleid zal handelen. De rechtbank acht in dit geval doorslaggevend dat een maximering tot 108 personen slechts kan worden afgeleid uit twee keer de vermelding “max.” zonder dat verder expliciet beschreven is dat hier niet meer personen kunnen worden gehuisvest, terwijl elders in het beleid wel expliciet wordt beschreven dat meer personen kunnen worden gehuisvest. Gelet bovendien op de geringe overschrijding van het op twee plaatsen in het beleid genoemde maximum aantal personen voor deze locatie, namelijk 118 in plaats van 108 personen, ziet de rechtbank geen aanleiding om de verleende tijdelijke omgevingsvergunning in strijd met de Beleidsnota huisvesting te achten.




- Verkeer, parkeren, geluid, overlast

31. Volgens eisers is geen sprake van een goede ruimtelijke ordening. Zij stellen dat sprake zal zijn van verkeersoverlast, dat verweerder in de ruimtelijke onderbouwing van een te krappe parkeerbehoefte is uitgegaan, dat sprake zal zijn van geluidsoverlast en dat er sociale onveiligheid zal ontstaan in de omgeving door de komst van de arbeidsmigranten.

32. Wat betreft de gestelde sociale onveiligheid is de rechtbank van oordeel dat dit niet onder de ruimtelijke uitstraling van het bouwplan valt. Relevant zijn de objectief vast te stellen negatieve invloeden op de omgeving als redelijkerwijs te verwachten gevolg van hetgeen de omgevingsvergunning mogelijk maakt. Subjectieve elementen, zoals een negatieve gevoelswaarde van omwonenden bij huisvesting van arbeidsmigranten in hun woon- en leefomgeving, kunnen geen rol spelen in de ruimtelijke of omgevingsrechtelijke besluitvorming. Voor zover in de praktijk overlast zou ontstaan, kan aan verweerder worden gevraagd handhavend op te treden (vanwege bijvoorbeeld overtreding van de Algemene plaatselijke verordening of andere openbare orde-wetgeving) of kan de politie worden benaderd.

33. Wat betreft verkeer en parkeren overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank is van oordeel dat als uitgangspunt bij de beoordeling dient te gelden wat planologisch is toegestaan volgens het bestemmingsplan en de eerder verleende onherroepelijke tijdelijke omgevingsvergunning van 14 mei 2020. In onderhavige vergunning worden slechts 10 personen meer vergund dan bij de onherroepelijke omgevingsvergunning van 14 mei 2020 (118 in plaats van 108 personen). Verder is op onderhavige locatie volgens het bestemmingsplan een bedrijf toegestaan zonder dat daarvoor beperkingen gelden wat betreft het aantal verkeersbewegingen of de uren waarin deze verkeersbewegingen mogen plaatsvinden. Vergunninghouder heeft daarnaast onderzoeken laten verrichten in het kader van de ruimtelijke onderbouwing. Eisers hebben geen contra expertise ingebracht en ook onvoldoende gemotiveerd betwist waarom deze onderzoeken niet juist zouden zijn.

34. De rechtbank ziet gelet op het voorgaande geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder de tijdelijke omgevingsvergunning niet in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening heeft mogen achten.

- Het vertrouwensbeginsel

35. Eisers stellen dat onder de toenmalige burgemeester bij de vergunningverlening in 2020 is toegezegd dat er niet meer dan 108 arbeidsmigranten op het adres gevestigd mogen worden. Omdat nu een omgevingsvergunning is verleend voor meer dan 108 arbeidsmigranten is volgens eisers het vertrouwensbeginsel geschonden. Verder zijn eisers van mening dat de vergunningverlening in strijd is met het beleid, waarop zij mogen vertrouwen, omdat ook blijkens het beleid maximaal 108 arbeidsmigranten op het adres zijn toegestaan.

36. Voor zover eisers stellen dat op (vergunningverlening conform) beleid mag worden vertrouwd, doen zij een beroep op het rechtszekerheidsbeginsel. De rechtbank heeft onder 30 geoordeeld dat de tijdelijke omgevingsvergunning niet in strijd is met het beleid. Dit betekent dat van strijd met het rechtszekerheidsbeginsel geen sprake is.

37. Over eisers verwijzing naar een uitlating door de toenmalige burgemeester is de rechtbank van oordeel dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat in dit verband een concrete toezegging is gedaan, zodat een verdere beoordeling van het vertrouwensbeginsel niet aan de orde is.



Conclusie en gevolgen



38. Het beroep van Hemo B.V. is niet-ontvankelijk, omdat deze eiseres (of een rechtsvoorganger daarvan) geen bezwaar heeft gemaakt. Zij krijgt daarom geen griffierecht terug en de rechtbank ziet ook geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

39. De beroepen van de overige eisers tegen het bestreden besluit I zijn niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang.

40. De beroepen van de overige eisers tegen het bestreden besluit II zijn ongegrond.

41. Omdat de beroepen van eisers niet-ontvankelijk respectievelijk ongegrond zijn, ziet de rechtbank geen aanleiding te bepalen dat verweerder het betaalde griffierecht of de gemaakte proceskosten vergoedt.





Beslissing


De rechtbank:



­ verklaart het beroep van Hemo Group B.V. niet-ontvankelijk;
­ verklaart de beroepen van de overige eisers tegen het bestreden besluit I van 14 juli 2024 niet-ontvankelijk;
­ verklaart de beroepen van de overige eisers tegen het bestreden besluit II van 1 december 2025 ongegrond.





Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Snijders, rechter, in aanwezigheid van mr. K.J.M. Thelen, griffier.



Uitgesproken in het openbaar op: 23 juli 2026














de griffier is verhinderd


rechter





deze uitspraak te ondertekenen



Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 23 juli 2026





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Het beroep van Hemo Group B.V. heeft zaaknummer: ROE 24/4031. Het beroep van [eiser 1] heeft zaaknummer: ROE 24/4045. Het beroep van [eiser 2] heeft zaaknummer: ROE 24/4049.


Vastgesteld op 26 juni 2013.


Zie onder meer de Afdelingsuitspraken van 10 september 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BF0323 en 1 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2952.