Rechtbank Limburg
ECLI:NL:RBLIM:2026:7408
Inhoudsindicatie
Verlening van omgevingsvergunningen voor woningen / appartementen op grond van artikel 5.1, tweede lid, onder a, van de Omgevingswet (de technische bouwactiviteit) en artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet (de omgevingsplanactiviteit / binnenplanse afwijking). De rechtbank is van oordeel dat verweerder voor zover het de goothoogte en de hoogte van de bergingen betreft gebruik mocht maken van de afwijkingsbevoegdheid uit artikel 7 van het bestemmingsplan. De rechtbank is niet gebleken van een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat van eiseres. Het relativiteitsvereiste staat eraan in de weg dat de beroepsgrond van eiseres over bodemverontreiniging / de daarbij aangevoerde zorgplicht tot een vernietiging kan leiden. Het beroep van eiseres is ongegrond.
Citeert (4)
- ECLI:NL:RVS:2004:AP0402 Raad van State 02-06-2004
- ECLI:NL:RVS:2025:1460 Raad van State 02-04-2025
- ECLI:NL:RBOVE:2026:232 Rechtbank Overijssel 21-01-2026
- ECLI:NL:RVS:2016:850 Raad van State 30-03-2016
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (24.775 tekens)
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 25 / 2587
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 juli 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. K. Hoeveler),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Venlo, verweerder
(gemachtigde: mr. C.H.J.M. Michels).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Wanten Projecten B.V., uit Sevenum (vergunninghouder)
(gemachtigde: mr. J.L. Stoop).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de door verweerder verleende omgevingsvergunningen voor het realiseren van zes woningen en twee appartementen aan het [adres 1] , [adres 2] en [adres 3] te [woonplaats] . Eiseres is het niet eens met deze verlening en de ongegrondverklaring van haar bezwaar daartegen bij het bestreden besluit. Eiseres heeft daarom beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand hiervan beoordeelt de rechtbank of het bestreden besluit rechtmatig is.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep van eiseres ongegrond is. De rechtbank is van oordeel dat de aangevraagde omgevingsvergunning in overeenstemming is met het bestemmingsplan met uitzondering van de goothoogte en de hoogte van de bergingen voor zover het de vier woningen aan het [adres 1] betreft. De rechtbank is van oordeel dat verweerder gebruik mocht maken van de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid waarbij 10% kan worden afgeweken van de toegestane hoogtes. De rechtbank is niet gebleken van een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat van eiseres. Verder staat het relativiteitsvereiste eraan in de weg dat de beroepsgrond van eiseres over bodemverontreiniging / de daarbij aangevoerde zorgplicht tot een vernietiging van het bestreden besluit kan leiden. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is daarom ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen en wat de gevolgen hiervan zijn.
Procesverloop
2. Bij besluit van 29 april 2025 (het primaire besluit) heeft verweerder een omgevingsvergunning verleend voor het oprichten van zes woningen en twee appartementen aan het [adres 1] , [adres 2] en [adres 3] te Venlo.
2.1.
Eiseres heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.
2.2.
Bij besluit van 23 september 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
2.3.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
2.4.
Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.
2.5.
Vergunninghouder heeft zich als partij gemeld.
2.6.
De rechtbank heeft het beroep op 9 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, [naam 1] en [naam 2] namens vergunninghouder en de gemachtigden van eiseres, vergunninghouder en verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Feiten en omstandigheden / totstandkoming van het bestreden besluit
3. [naam architectenbureau] heeft namens vergunninghouder op
18 november 2024 een omgevingsvergunning gevraagd voor het oprichten van zes woningen en twee appartementen aan het [adres 1] , [adres 2] en [adres 3] te Venlo (het bouwplan).
3.1.
Eiseres is woonachtig aan het [adres 4] te [woonplaats] , op de vierde verdieping van een appartementencomplex. Het dichtstbijzijnde gebouw van het bouwplan ligt op ongeveer 6 meter afstand van het appartement van eiseres. Het meest veraf gelegen gebouw van het bouwplan ligt op ongeveer 20 meter afstand. Ter zitting heeft vergunninghouder foto’s overgelegd (die partijen al hadden) waarop het zicht vanuit het appartement van eiseres - de vloer daarvan ligt op ongeveer 13,5 meter - op het bouwplan is te zien. Eiseres kijkt uit op de achterkant van de vier woningen aan het [adres 1] .
Afbeelding 1
Afbeelding 2
3.2.
Met het primaire besluit heeft verweerder de gevraagde omgevingsvergunning op grond van artikel 5.1, tweede lid, onder a, van de Omgevingswet (Ow) (de technische bouwactiviteit), artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Ow (de omgevingsplanactiviteit / binnenplanse afwijking) en artikel 22.26 van het Omgevingsplan gemeente Venlo (hierna: omgevingsplan) verleend.
3.3.
Eiseres heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.
3.4.
Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar, onder aanvulling van de motivering, ongegrond verklaard en de omgevingsvergunning in stand gelaten. Verweerder heeft in het bestreden besluit (in tegenstelling tot in het primaire besluit) aangenomen dat de balkons niet in strijd zijn met het geldende bestemmingsplan ‘ [adres 1] ong’ (hierna: het bestemmingsplan) en daarvoor dus geen gebruik hoefde te worden gemaakt van de binnenplanse afwijkingsmogelijkheid uit artikel 7 van het bestemmingsplan.
Gronden van beroep
4. Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat verweerder onterecht wat betreft de hoogtes van de goot, de bergingen en de balkons binnenplans heeft afgeweken, omdat er een onevenredige afbreuk wordt gedaan aan haar woon- en leefklimaat, in het bijzonder vanwege het uitzicht, de privacy en bezonning. Volgens eiseres betekent een overschrijding van 4% wat betreft de goothoogte nog niet dat geen onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat plaatsvindt, omdat de goothoogte bepalend is voor de massa- en gevelwerking van het bouwwerk en de daarmee gepaard gaande effecten op de directe omgeving. Verweerder had aldus eiseres onderzoek moeten laten verrichten naar de aantasting van het woon- en leefklimaat, waarbij verweerder zelf de hoeveelheid lichthinder had moeten toetsen in plaats van uit te gaan van een door vergunninghouder aangeleverde bezonningsstudie. Volgens haar schendt verweerder het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel.
4.1.
Verder blijkt uit artikel 7, onder a, van het bestemmingsplan, waarin een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid is opgenomen, dat de toegestane hoogte met
10% mag worden overschreden maar de balkons overschrijden de toegestane hoogte met meer dan 10%, aldus eiseres.
4.2.
Volgens eiseres had een verplicht participatietraject gevolgd moeten worden, omdat voor de balkons sprake is van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Daarom heeft verweerder onterecht niet getoetst aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL) en de instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).
4.3.
Eiseres heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat uit de zorgplicht van artikel 1.6 van de Ow blijkt dat er maatregelen genomen dienen te worden indien er nadelige gevolgen kunnen zijn voor de fysieke leefomgeving, waaronder de kwaliteit van de bodem en asbestverontreiniging. Volgens eiseres hadden er grondboringen moeten plaatsvinden, zodat kon worden vastgesteld of de bodem verontreinigd is, zeker omdat uit een in 2019 verkennend bodemonderzoek lichte verontreiniging van de bodem is gebleken.
4.4.
Tot slot stelt eiseres dat het bestreden besluit niet voldoet aan de eisen van een volledige heroverweging, omdat de doelmatigheidstoets niet heeft plaatsgevonden.
Toetsingskader
5. Op het bouwplan is het bestemmingsplan van toepassing, dat onderdeel uitmaakt van het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Op de bij het bouwplan behorende locaties rust de bestemming ‘wonen’ en voor het [adres 1] 14, [adres 2] en [adres 3] te [woonplaats] is ook nog de bestemming ‘groen’ van toepassing.
5.1.
Ingevolge artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Ow is het verboden om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten. Uit artikel 5.1, tweede lid, onder a, van de Ow blijkt dat het verboden is om zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit (de technische bouwactiviteit) te verrichten. In artikel 2.26 van het omgevingsplan is bepaald dat het verboden is zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken (binnenplanse vergunning omgevingsplanactiviteit).
5.2.
Blijkens artikel 4.2.1, onder f, van het bestemmingsplan geldt voor het bouwen van woningen dat de goothoogte dient te voldoen aan de op de verbeelding aangegeven minimale en maximale goothoogte. Voor het [adres 1] geldt een maximale goothoogte van 10 meter. Voor [adres 2] en [adres 3] geldt een maximale goothoogte van 13 meter.
5.3.
In artikel 2.4 van het bestemmingsplan is bepaald dat de goothoogte van een bouwwerk wordt gemeten vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeiboord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.
5.4.
Volgens artikel 4.2.3, onder e, van het bestemmingsplan mag de bouwhoogte van aan- en uitbouwen en bijgebouwen met een plat dak niet meer dan 3,30 meter bedragen.
5.5.
In artikel 4.2.4, onder c, van het bestemmingsplan is bepaald dat voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, de hoogte van andere bouwwerken maximaal 3 meter mag bedragen, met uitzondering van:
1. vlaggenmasten, waarvan de hoogte niet meer dan 5 meter mag bedragen;
2. speeltoestellen, waarvan de hoogte niet meer dan 4 meter mag bedragen;
3. erf- en terreinafscheidingen, waarvan de hoogte niet meer dan 2 meter mag bedragen.
5.6.
Blijkens artikel 4.2.1, onder g, van het bestemmingsplan geldt voor het bouwen van woningen dat de bouwhoogte dient te voldoen aan de op de verbeelding aangegeven minimale en maximale bouwhoogte. Voor het [adres 1] geldt een maximale bouwhoogte van 16 meter. Voor [adres 2] en [adres 3] geldt een maximale bouwhoogte van 17 meter.
5.7.
Ingevolge artikel 7, aanhef en onder a, van het bestemmingsplan, kan het bevoegd gezag, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de gebruiksmogelijkheden, het woon- en leefklimaat, de stedenbouwkundige kwaliteit, de beeldkwaliteit, de verkeersveiligheid, de sociale veiligheid, de brandveiligheid en rampenbestrijding van de aangrenzende gronden en bouwwerken, bij omgevingsvergunning afwijken van:
a. de voorgeschreven maximum maten, afmetingen, percentages tot ten hoogste 10% van die maten, afmetingen en percentages.
Omvang van het geding
6. Het bouwplan kan worden opgesplitst in twee delen. Het eerste deel ziet op de vier woningen aan het [adres 1] en het tweede deel ziet op [adres 2] en [adres 3] . Tussen partijen is niet in geschil dat het tweede deel van het bouwplan in overeenstemming is met het bestemmingsplan. Hiermee beperkt de omvang van het geding zich voor het afwijken van het bestemmingsplan (de balkons, de goothoogte en de bergingen) tot het eerste deel van het bouwplan.
6.1.
Hetgeen eiseres heeft gesteld over de bodemverontreiniging, het ontbreken van participatie en de heroverweging heeft betrekking op het gehele bouwplan.
Overwegingen
De balkons
7. De rechtbank is het met verweerder eens dat balkons moeten worden aangemerkt als onderdelen van het hoofdgebouw en niet als bouwwerken, geen gebouwen zijnde, hetgeen blijkt uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling). Dit betekent dat de verwijzing door eiseres naar artikel 4.2.4, onder c, van het bestemmingsplan en de daarin opgenomen maximale hoogte van 3 meter hier niet geldt. Voor de balkons gelden de bepalingen van het bestemmingsplan die betrekking hebben op hoofdgebouwen. Dat wil zeggen dat voor de maximale hoogte gekeken dient te worden naar artikel 4.2.1, onder g, van het bestemmingsplan. Voor het [adres 1] geldt een maximale bouwhoogte van 16 meter.
7.1.
Bij het [adres 1] hebben de balkons, zoals ook ter zitting besproken, een maximale hoogte van 4,63 meter. Hiermee wordt ruim onder de maximale bouwhoogte van 16 meter gebleven en wordt voldaan aan het bestemmingsplan. Een binnenplanse dan wel buitenplanse afwijking van het bestemmingsplan is voor de balkons dan ook niet aan de orde.
Wordt er onevenredige afbreuk gedaan aan het woon- en leefklimaat van eiseres (goothoogte en bergingen)?
8. Tussen partijen is in geschil of er sprake is van een onevenredige afbreuk van het woon- en leefklimaat van eiseres door het afwijken van het bestemmingsplan voor het (eerste deel van het) bouwplan. De rechtbank heeft hiervoor reeds geoordeeld dat de balkons niet in strijd zijn met het bestemmingsplan. Die maken hier dus geen onderdeel uit van de beoordeling. Het geschil beperkt zich tot het binnenplans afwijken voor zover het de goothoogte en de hoogte van de bergingen betreft tot maximaal 10%. Beide overschrijden - dat is niet in geschil tussen partijen - namelijk de toegestane maximum hoogte.
8.1.
Verweerder heeft de volgende overwegingen gemaakt over het woon- en leefklimaat van eiseres. De afstand tussen de vier woningen uit het eerste deel van het bouwplan en het appartement van eiseres is vanaf de verdiepingen ongeveer 19,6 meter. Vanuit het appartement van eiseres is niet direct zicht tegen een hoge muur. Tussen de bebouwingen ligt een open ruimte waar geparkeerd kan worden en zijn aan de zijkanten bergingen gesitueerd. Verder wordt de toegestane goothoogte maar met 0,41 meter overschreden. Deze overschrijding van 4% maakt aldus verweerder niet dat de bouw dichter op het appartement van eiseres wordt gerealiseerd of verdergaand het uitzicht wordt ontnomen dan planologisch regulier al mogelijk is, hetgeen ook geldt voor schaduwwerking. Verweerder heeft verder meegewogen dat het bouwplan en het appartement van eiseres in een sterk stedelijk gebied zijn gelegen en dat het bouwplan stedenbouwkundig past in de omgeving.
8.2.
De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is van een onevenredige afbreuk van het woon- en leefklimaat van eiseres. De door eiseres aangedragen gronden gaan met name over uitzicht, privacy en bezonning. Dat ziet op de hoogte en omvang van het gebouw dat wordt gerealiseerd, hetgeen volgens het bestemmingsplan is toegestaan en waarvoor dus niet binnenplans hoeft te worden afgeweken. Zoals reeds gezegd worden alleen de afwijkende goothoogte en de hoogte van de bergingen in dit kader beoordeeld. Bij de goothoogte betreft het een afwijking van 0,41 meter, die te maken heeft met een oplopend maaiveld. Voor de hoogte van de bergingen gaat het om een afwijking van 0,30 meter.
Ter zitting is een en ander besproken en zijn (bouw)tekeningen bekeken. Vastgesteld is dat de nokhoogte van het gebouw hoger mag zijn, te weten 16 meter, dan op basis van de onderhavige omgevingsvergunning het geval is (15 meter). De rechtbank ziet gelet hierop niet in waarom hierdoor de massa- en gevelwerking (wezenlijk) anders wordt of waarom anderszins de goothoogte, die zo’n vijf meter lager is dan de nok, voor een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat van eiseres zou zorgen. Ter zitting is verder gebleken dat op de bergingen een sedumdak komt en dat hierdoor de maximale toegestane hoogte van 3,30 met 0,30 meter wordt overgeschreden. De rechtbank ziet ook hierin geen onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat van eiseres, waarbij de rechtbank opmerkt dat de bergingen groene daken (sedumdaken) krijgen, hetgeen voor eiseres juist zorgt voor een mooier uitzicht dan indien dit niet het geval is. Eiseres heeft desgevraagd ter zitting ook niet nader toegelicht waarom de vergunde goothoogte en de vergunde hoogte van de bergingen zorgen voor een onevenredige aantasting van haar woon-en leefklimaat.
8.3.
De rechtbank heeft ter zitting met partijen vastgesteld dat de bezonning / de bezonningsstudie niet relevant is voor de thans vergunde afwijkingen van het bestemmingsplan (goothoogte en hoogte bergingen) maar dat de in het bestemmingsplan bepaalde nokhoogte van het bouwplan daarvoor leidend is.
8.4.
De rechtbank is van oordeel dat de afwijkingen van de goothoogte en de hoogte van de bergingen binnen de 10% afwijkingsmogelijkheid blijven - dat is ook niet betwist - en niet zorgen voor een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat van eiseres. De verwijzing ter zitting door eiseres naar jurisprudentie over ETFAL leidt de rechtbank niet tot een andere conclusie. Van strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel is de rechtbank niet gebleken.
Participatie in het licht van ETFAL
9. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen vallen de hoogtes van de balkons ruim onder de in het bestemmingsplan toegestane bouwhoogte. Dat betekent dat hier geen sprake kan zijn van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Toetsing aan artikel 8.0a, tweede lid, van het Bkl en de daarin genoemde ETFAL is dan ook niet aan de orde.
9.1.
Gelet op het feit dat geen sprake is van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit gaat artikel 16.55, zevende lid, van de Ow, waarnaar eiseres verwijst, niet op. Daarin is immers bepaald dat de gemeenteraad gevallen van activiteiten aanwijst waarin participatie met derden verplicht is voordat een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, waarvoor het college van burgemeester en wethouders bevoegd gezag is, kan worden ingediend. Bovendien blijkt uit de geding- stukken dat indien sprake zou zijn van een buitenplanse afwijking van het bestemmingsplan participatie in dit geval niet is vereist.
Bodemverontreiniging
10. De rechtbank overweegt dat in artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat de bestuursrechter een besluit niet vernietigt op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.
10.1.
Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht blijkt dat de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis heeft willen stellen dat er een verband is tussen een beroepsgrond en het belang waarin de eisende partij door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van de eisende partij (het zogenoemde relativiteitsvereiste).
10.2.
Ter zitting is besproken dat het aspect bodemverontreiniging moet worden gezien in het licht van onder andere de indieningsvereisten voor een omgevingsvergunning (voor de technische bouwactiviteit) en niet in relatie met de door eiseres genoemde (algemene) zorgplicht van artikel 1.6 van de Ow.
10.3.
Wat daarvan ook zij, de regels over bodemverontreiniging / het verrichten van bodemonderzoek strekken niet tot de bescherming van de belangen van eiseres maar tot die van de gebruikers / bewoners van het bouwplan. Het relativiteitsvereiste brengt met zich dat een inhoudelijke beoordeling van deze beroepsgrond van eiseres hierover dus niet tot vernietiging kan leiden. Bovendien is de rechtbank het volgende gebleken. In het kader van de vaststelling van het bestemmingsplan is op 22 februari 2019 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd door HMB B.V. Daaruit is gebleken dat de aangetroffen gehalten dermate laag waren dat geen nader onderzoek nodig bleek te zijn en de bodem niet asbesthoudend is. Verder is er ook nog een vooronderzoek van HMB B.V. van 3 februari 2025 overlegd. Dat is niet weerlegd door eiseres. Voorts is niet gebleken volgens de rechtbank dat eiseres te duchten heeft van de door haar gestelde bodemverontreiniging.
Volledige heroverweging
11. De rechtbank overweegt dat bij een heroverweging in bezwaar als bedoeld in artikel 7:11 van de Awb als uitgangspunt geldt dat rekening moet worden gehouden met alle relevante feiten en omstandigheden zoals die zich op dat moment voordoen en het recht moet worden toegepast zoals dat op dat moment geldt. Uit het voorgaande blijkt dat het bestreden besluit niet onrechtmatig is. Aan de door eiseres gestelde maar niet nader toegelichte doelmatigheidstoets komt de rechtbank niet toe.
Conclusie en gevolgen
12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder de gevraagde omgevingsvergunningen voor het bouwplan mocht verlenen en het bestreden besluit daarom in stand kan blijven. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Ook bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.G.H. Seerden, rechter, in aanwezigheid van
mr. K.J.M. Thelen, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 juli 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 23 juli 2026
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Het rechter gebouw op afbeelding 1.
Het linker gebouw op afbeelding 1.
Zie de vorige voetnoot en ook afbeelding 2.
Vastgesteld op 26 april 2023.
Zie voetnoot 2.
Zie bij voorbeeld de uitspraak van 2 juni 2004 ECLI:NL:RVS:2004:AP0402, r.o. 2.3 en de uitspraak van 2 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1460, r.o. 8.3.
Zie voor de werkelijke bouwhoogte onder 8.2.
Ter zitting is vastgesteld dat de afstand van het appartement van eiseres tot aan de vier woningen aan het [adres 1] ongeveer 20 meter behelst.
Zie afbeelding 1 (aangegeven met pijl).
Zie voetnoot 2.
Dat is te zien op afbeelding 2.
Zie afbeeldingen 1 en 2.
Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Rechtbank Overijssel van 21 januari 2026, ECLI:NL:RBOVE:2026:232, r.o. 7.3.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 30 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:850.