Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Limburg

ECLI:NL:RBLIM:2026:6415

2026-07-02 Bestuursrecht; Omgevingsrecht ROE 25/1212
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Limburg
Uitspraakdatum
2026-07-02
Publicatiedatum
2026-07-02
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
ROE 25/1212
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder a en c, van de Wabo voor een antennemast. De beroepsgronden van eiser die zien op participatie, alternatieven, belangenafweging, voorschriften en welstand slagen niet. De rechtbank is van oordeel dat het college heeft mogen concluderen dat de verleende omgevingsvergunning niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en geen onevenredige gevolgen voor eiser heeft. Er is voorts sprake van (voldoende) gemotiveerde besluitvorming. Het beroep is ongegrond.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (18.599 tekens)
RECHTBANK LIMBURG


Zittingsplaats Roermond



Bestuursrecht



zaaknummer: ROE 25 / 1212


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 juli 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser,


en




het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Landgraaf, het college,
(gemachtigde: mr. M. Costongs-Muris).



Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Althio I B.V., gevestigd in Vianen, vergunninghoudster,
(gemachtigde: D.D. Drenth).



Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de verlening van een omgevingsvergunning voor het realiseren van een telecommast op de kruising Leenstraat - Melchersstraat in Landgraaf. Eiser is niet eens met de verlening van deze omgevingsvergunning. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de verlening van de omgevingsvergunning.

2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de omgevingsvergunning mocht verlenen, omdat die omgevingsvergunning niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft.




Procesverloop

3. Het college heeft met het besluit van 11 november 2024 (het primaire besluit) de omgevingsvergunning verleend. Met het bestreden besluit van 22 april 2025 heeft het college het bezwaar van eiser tegen de verleende omgevingsvergunning ongegrond verklaard en de omgevingsvergunning in stand gelaten en daarbij een aantal voorschriften aan die omgevingsvergunning verbonden. Tegen het bestreden besluit heeft eiser beroep ingesteld.

4. Het college heeft op het beroep met een verweerschrift gereageerd. Eiser heeft daarop nog een reactie gegeven en het college heeft daarop weer gereageerd.
5. De rechtbank heeft het beroep op 3 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van het college en de gemachtigde van vergunninghoudster.




Totstandkoming van het bestreden besluit

6. Op 29 augustus 2023 heeft NOVEC B.V. (de rechtsvoorganger van vergunninghoudster) een aanvraag ingediend voor het realiseren van een telecommast. Uit de aanvraag blijkt dat de telecommast 40 meter hoog is met een oppervlakte van 48 m² (mast met apparatuur). Om de telecommast komt een omheining van 2,20 meter hoog.

7. Het college heeft met het primaire besluit de gevraagde omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten uit artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), te weten “het (ver)bouwen van een bouwwerk” en “het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan”. Op de locatie van de telecommast geldt het bestemmingsplan “Schaesberg Centrum” (het bestemmingsplan) dat op 28 januari 2016 is vastgesteld. De bestemmingen ‘Groen’ en ‘Waarde - Archeologie 5’ zijn hier van toepassing. Volgens het college is het realiseren van een telecommast in strijd met het bestemmingsplan, omdat op deze locatie niet de aanduiding ‘antennemast’ geldt en in het geval die aanduiding wel van toepassing zou zijn, wordt ook nog de maximale hoogte van 5,0 meter voor een antennemast bij die aanduiding overschreden. Voor deze strijdigheid heeft het college toepassing gegeven aan artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2º, van de Wabo in samenhang met artikel 4, vijfde lid, Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor)(de zogenoemde kruimelgevallenregeling).

8. Eiser heeft tegen de verlening van de omgevingsvergunning bezwaar gemaakt. In het bestreden besluit heeft het college het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en de omgevingsvergunning in stand gelaten en daarbij een aantal voorschriften aan die omgevingsvergunning verbonden. Die voorschriften zien op het aanbrengen van beplanting en de kleur van de mast en het hekwerk.




Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet


9. Per 1 januari 2024 is de Omgevingswet (Ow) in werking getreden en is de Wabo ingetrokken. Omdat de aanvraag die heeft geleid tot dit besluit vóór 1 januari 2024 is ingediend, volgt uit artikel 4.3 van de Invoeringswet Ow dat dit geschil moet worden beoordeeld aan de hand van het vóór die datum geldende recht. Dit betekent dat de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024 met aanverwante wetgeving, van toepassing blijft op deze zaak.





Beoordeling door de rechtbank



Participatie




10. Eiser voert aan dat hoewel participatie niet verplicht is, de participatie die heeft plaatsgevonden onvoldoende is. Er zijn maar slechts vier bewonersvragen in het dossier opgenomen zonder brede participatie of inspraak. Dat is in strijd met de geest van de Ow en de gemeentelijke participatiedoelen.



10.1.
De rechtbank overweegt dat een verplichting tot participatie onder de Wabo niet geldt. Deze beroepsgrond slaagt dan ook niet.



Heeft het college de omgevingsvergunning mogen verlenen?



11. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat het college de bevoegdheid heeft om van het bestemmingsplan af te wijken en de rechtbank komt ook tot dit oordeel. In geschil is wel of het college de omgevingsvergunning heeft mogen verlenen in afwijking van het bestemmingsplan. Met andere woorden: is de afwijking in strijd met de goede ruimtelijke ordening zoals eiser betoogt.

12. Bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, komt het college beleidsruimte toe en moet het college de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of het bestreden besluit voldoende gemotiveerd is en of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen.



Alternatieven



13. Eiser voert aan dat onvoldoende is gemotiveerd waarom de locatie van de telecommast de meest geschikte locatie is. Er is aangegeven dat andere locaties vanwege een Natura 2000-gebied en een beschermd stadsgezicht niet geschikt zijn, maar een nadere onderbouwing daarvan ontbreekt. Daarnaast voert eiser aan dat kleinere en lichtere antennes beschikbaar zijn. Op de hoorzitting van de bezwaarschriftencommissie heeft eiser gewezen op technische alternatieven die geen zware mast vereisen, maar het college is daarop niet in het besluit ingegaan. Het college had dan ook moeten nagaan of andere (minder ingrijpende) technische oplossingen mogelijk zijn op de bestaande infrastructuur.



13.1.
De rechtbank overweegt dat uit de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) volgt dat het college moet beslissen op een bouwplan zoals dat is ingediend. Indien een project op zichzelf voor het college aanvaardbaar is, kan het bestaan van alternatieven slechts dan tot het onthouden van medewerking nopen, indien op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren.



13.2.
De rechtbank is van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat met een andere locatie voor de telecommast een gelijkwaardig resultaat met aanmerkelijk minder bezwaren kan worden bereikt. Eiser heeft enkel de gekozen locatie in twijfel getrokken zonder daarbij aan te geven welke alternatieve locatie voor de telecommast mogelijk is en dat daarmee een gelijkwaardig resultaat met aanmerkelijk minder bezwaren kan worden bereikt. Vergunninghoudster heeft uitgebreid gemotiveerd waarom voor deze locatie is gekozen zoals ook onder 14.1 nog wordt besproken.



13.3.
Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat eiser ook niet aannemelijk heeft gemaakt dat met andere (minder ingrijpende) technische oplossingen op de bestaande infrastructuur (de hoogspanningsmast) een gelijkwaardig resultaat met aanmerkelijk minder bezwaren kan worden bereikt. Eiser stelt enkel dat andere (minder ingrijpende) technische oplossingen op de bestaande infrastructuur mogelijk zijn zonder daarbij aan te geven welke dat zijn. Vergunninghoudster heeft in dat kader uitgebreid gemotiveerd waarom het niet gewenst dan wel mogelijk is om gebruik te maken van de bestaande hoogspanningsmasten voor het plaatsen van antennes in plaats van het plaatsen van deze telecommast zoals ook onder 14.1 nog wordt besproken.



Belangenafweging




14. Eiser voert aan dat in de belangenafweging niet is ingegaan op de seizoensinvloeden (bladverlies), het hoogteverschil van circa 15 meter tussen zijn woning en de telecommast, de hoogte van de telecommast met meerdere zichtbare witte antennes en de permanente visuele belasting in plaats van tijdelijke hinder. Over de visuele impact voert eiser aan dat het college ten onrechte heeft gesteld dat de aanwezigheid van een spoorlijn en een hoogspanningsmast betekent dat de visuele impact van de telecommast beperkt is. Volgens vaste rechtspraak moet bij de belangenafweging ook rekening worden gehouden met de cumulatieve effecten van meerdere storende objecten in een zichtlijn. Dat is hier niet gebeurd. Ook ontbreekt bij de belangenafweging de onderbouwing dat het maatschappelijk belang zwaarder zou wegen dan het belang van eiser.




14.1.
De rechtbank is van oordeel dat het college in redelijkheid het algemeen maatschappelijk belang voor het plaatsen van de telecommast zwaarder mocht wegen dan de individuele belangen van eiser. Hiertoe overweegt de rechtbank dat vergunninghoudster uitgebreid heeft gemotiveerd waarom het noodzakelijk is om de telecommast te plaatsen. Kort gezegd komt het erop neer dat antennes niet aan de bestaande hoogspanningsmasten kunnen worden geplaatst vanwege constructieve eisen, dat het onderhoud van antennes aan de bestaande hoogspanningsmasten moeizaam zal verlopen vanwege lange wachttijden voor toestemming voor het verrichten van werkzaamheden daaraan en bovendien kan de continuïteit van de mobiele netwerken (waaronder bereikbaarheid van hulpdiensten) niet gewaarborgd worden bij uitschakeling van de hoogspanningsmasten bij onderhoud. Ook is uitgebreid gemotiveerd waarom voor deze locatie is gekozen. Zo heeft vergunninghoudster aangegeven dat voldaan moet worden aan de dekkingsverplichting die de rijksoverheid heeft gesteld en voor de omgeving dus 5G beschikbaar moet zijn. De rechtbank ziet geen reden aan het bovenstaande te twijfelen.



14.2.
Wat betreft het verlies van uitzicht merkt de rechtbank op dat op zitting de feitelijke situatie door middel van foto’s met de partijen is besproken. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestaat geen recht op blijvend vrij uitzicht. Hoewel vaststaat dat het uitzicht van eiser vanuit zijn dakterras, slaapkamers en tuin zal veranderen, heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze wijziging niet leidt tot een zodanige aantasting van het woon- en leefklimaat dat verlening van de vergunning onevenredig is en daardoor in strijd met een goede ruimtelijke ordening is. Daartoe overweegt de rechtbank dat eiser enkel gedurende de winterperiode vanuit zijn dakterras, slaapkamers en tuin zicht op de telecommast zal hebben en de overige jaargetijden zal er, gelet op aanwezige begroeiing, geen of weinig zicht op de telecommast zijn. Bij het uitzicht heeft het college ook van belang kunnen achten dat de woning van eiser op een afstand van 100 meter van de telecommast is gelegen en dat de telecommast wordt geplaatst op de zichtlijn van een reeds aanwezige hoogspanningsmast waarop eiser ook zicht heeft gedurende de winterperiode vanuit zijn woning.



14.3.
Dat eiser ook zicht op de antennes zal hebben en het college dit bij de afweging ten onrechte niet heeft betrokken, volgt de rechtbank niet. Zoals het college terecht stelt, is enkel voor de telecommast (zonder antennes) de omgevingsvergunning aangevraagd. De antennes kunnen onder bepaalde voorwaarden vergunningvrij worden geplaatst zoals blijkt uit artikel 2, lid 15, van bijlage II, van het Bor en om die reden en het feit dat daarvoor geen vergunning is aangevraagd, kan het college de antennes en eventueel de kleur daarvan niet bij de afweging van de verlening van een omgevingsvergunning betrekken.



14.4.
Verder acht de rechtbank van belang dat het college ook voorschriften aan de omgevingsvergunning heeft verbonden die zien op de grijze kleur van de telecommast en de groene kleur van het hekwerk daaromheen en het aanbrengen van begroeiing rondom de telecommast zodat die aan de onderkant aan het zicht wordt onttrokken in het geval eiser daar zicht op zou hebben vanuit zijn perceel. Door het verbinden van deze voorschriften is met de belangen van eiser rekening gehouden. Onder 15 en 15.1 gaat de rechtbank hierop in.



Voorschriften




15. Eiser stelt over het voorschrift dat de mast in een grijstint moet worden uitgevoerd dat niets over de kleur van de antennes is voorgeschreven, terwijl juist de antennes visueel het storend element vormen. De andere voorschriften over het in overleg uitvoeren van beplanting en het uitvoeren van een groen hekwerk zijn te open geformuleerd. Bij gebrek aan concrete verplichtingen zijn deze voorschriften niet handhaafbaar en bieden de omwonenden geen enkele zekerheid over daadwerkelijke afscherming of visuele mitigatie.




15.1.
De rechtbank is van oordeel dat het college geen voorschrift over antennes aan de omgevingsvergunning hoeft te verbinden, omdat die antennes geen onderdeel van de aanvraag om een omgevingsvergunning uitmaken zoals onder 14.3 al is overwogen. Daarnaast overweegt de rechtbank dat het college in het bestreden besluit als voorschrift heeft opgenomen dat vergunninghoudster binnen één jaar na het realiseren van de vergunde telecommast de in de overeenkomst tot vestiging van een recht van opstal van september 2024 tussen de gemeente en vergunninghoudster overeengekomen beplanting moet aanbrengen en in stand houden. In deze overeenkomst wordt onder 9 duidelijk aangegeven welke beplanting op welke locatie geplant moet worden. De rechtbank acht dit voorschrift voldoende concreet en handhaafbaar. Verder overweegt de rechtbank over het voorschrift over de groene kleur van het hekwerk dat, voor zover eiser vanuit zijn perceel daarop zicht zou hebben, hij niet heeft onderbouwd waarom dit voorschrift niet voldoende concreet zou zijn. Ook dit voorschrift is naar het oordeel van de rechtbank duidelijk en concreet geformuleerd. Deze beroepsgrond slaagt dan ook niet.



Welstand




16. Eiser voert aan dat het welstandsadvies onvoldoende is onderbouwd, omdat het
aanvankelijk ging om een stempeladvies en later pas van een motivering is voorzien.




16.1.
De rechtbank stelt vast dat de bezwaarschriftencommissie na de hoorzitting de welstandscommissie heeft gevraagd om haar advies (met enkel daarin een akkoord) nader toe te lichten. Op 4 april 2025 heeft de welstandscommissie haar advies nader toegelicht en dat advies is bij de beslissing op bezwaar betrokken, gelet op de volledige heroverweging van de omgevingsvergunning in bezwaar. Eiser heeft deze motivering van het welstandsadvies niet betwist en ook op zitting heeft eiser aangegeven het niet oneens te zijn met dat advies. Wel heeft eiser aangegeven dat de telecommast reflecteert en dat een coating moet worden aangebracht. Daarop heeft vergunninghoudster op zitting toegelicht dat door oxidatie de telecommast matter zal worden en daardoor minder zal reflecteren. De rechtbank kan deze redenering volgen. De rechtbank is gelet op het voorgaande niet gebleken dat het welstandsadvies onvoldoende is onderbouwd.


17. De rechtbank is van oordeel dat, gezien het bovenstaande, het college heeft mogen concluderen dat de verleende omgevingsvergunning niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en geen onevenredige gevolgen voor eiser heeft. Er is voorts sprake van (voldoende) gemotiveerde besluitvorming.






Conclusie en gevolgen


18. Het beroep van eiser gericht tegen het bestreden besluit is ongegrond. Dat betekent dat het college de omgevingsvergunning aan vergunninghoudster heeft mogen verlenen. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Voor een vergoeding van proceskosten bestaat geen aanleiding.






Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.



Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.G.H. Seerden, rechter, in aanwezigheid van
mr. A. Kloos, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2026.














griffier


rechter









Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 2 juli 2026.





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.




Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 27 mei 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3028


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 8 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:503.