Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Limburg

ECLI:NL:RBLIM:2026:6156

2026-06-26 Bestuursrecht ROE 25/1650
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Limburg
Uitspraakdatum
2026-06-26
Publicatiedatum
2026-06-25
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
ROE 25/1650
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Het college heeft terecht een last onder dwangsom opgelegd aan eiser omdat sprake is van illegale bewoning van een loods. Er is geen sprake van bijzondere omstandigheden die maken dat van handhavend optreden moet worden afgezien. De rechtbank ziet wel aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen (artikel 8:72, vijfde lid Awb) inhoudende de begunstigingstermijn met 12 maanden te verlengen. Beroep ongegrond,

Citeert (3)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (16.383 tekens)
RECHTBANK LIMBURG


Zittingsplaats Roermond



Bestuursrecht



zaaknummer: ROE 25/1650


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser


en


het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Peel en Maas
(gemachtigde: mr. T.M. Stinges).


Samenvatting


1. Deze uitspraak gaat over de door het college aan eiser opgelegde last onder dwangsom. Eiser gebruikt een loods gelegen aan de [adres] in strijd met de geldende planregels. Om die reden heeft het college aan eiser een last onder dwangsom opgelegd. Eiser is het daar niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser.



1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college heeft mogen besluiten om een last onder dwangsom op te leggen aan eiser. Eiser krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Tegelijkertijd acht de rechtbank het in dit geval redelijk om ambtshalve een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat de begunstigingstermijn met twaalf maanden wordt verlengd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.




Procesverloop


2. Op 18 november 2024 heeft het college een last onder dwangsom opgelegd aan eiser. Hiertegen heeft eiser op 24 december 2024 bezwaar gemaakt.



2.1.
Het college is met het besluit van 3 juni 2025 (het bestreden besluit) bij de oplegging van de last onder dwangsom gebleven.



2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.



2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 31 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van het college.







Beoordeling door de rechtbank



Waar gaat de zaak over?




3. Eiser is eigenaar van een loods gelegen aan de [adres] . Op 23 april 2024 heeft een medewerker van het ‘ACT! Interventieteam’ op dit adres een controle uitgevoerd. Daarbij is geconstateerd dat de voorzijde van de loods zonder de vereiste omgevingsvergunning is verbouwd tot zelfstandige woning. Daarnaast is vastgesteld dat eiser samen met zijn partner en kinderen op het adres staat ingeschreven in het Basisregister Personen en dat zij daar ook feitelijk wonen. Dit gebruik is in strijd met het omgevingsplan gemeente Peel en Maas, omdat permanente of tijdelijke bewoning van gebouwen op deze locatie op grond daarvan niet is toegestaan.



3.1.
Op 18 november 2024 heeft het college aan eiser een last onder dwangsom opgelegd. Eiser is daarbij gelast de overtreding, bestaande uit illegale bewoning van de loods aan de [adres] , binnen 10 maanden te beëindigen en beëindigd te houden. Indien eiser niet (volledig) voldoet aan voornoemde last, dan verbeurt hij een dwangsom van €10.000,- ineens. Daarnaast moet eiser binnen 12 maanden de zonder omgevingsvergunning gerealiseerde verbouwing/omzetting van de voormalige loods tot woning ongedaan maken. Indien eiser hier niet (volledig) aan voldoet, verbeurt hij nogmaals een dwangsom van €10.000,- ineens.



Beginselplicht tot handhaven



4. Uit zowel de processtukken als hetgeen ter zitting is besproken volgt dat tussen partijen niet in geschil is dat sprake is van een overtreding van het omgevingsplan. Volgens vaste rechtspraak geldt als uitgangspunt dat tegen een overtreding moet worden opgetreden omdat het algemeen belang gediend is met handhaving. Dat wordt ook wel de beginselplicht tot handhaving genoemd. Alleen onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevraagd dit niet te doen. Dit kan zich voordoen als concreet zicht op legalisatie bestaat. Verder kan handhavend optreden onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen doelen, zodat van optreden in die concrete situatie moet worden afgezien.



Zijn er bijzondere omstandigheden om van handhaving af te zien?



5. Eiser voert aan dat sprake is van concreet zicht op legalisatie. Volgens eiser bieden de ‘Beleidsregels woningbouw Peel en Maas’ namelijk mogelijkheden om in het buitengebied woningen toe te voegen. Nu de woning van eiser in het buitengebied is gelegen, meent eiser dat legalisatie mogelijk is. Daarnaast beroept eiser zich op het vertrouwensbeginsel. In de eerste plaats wijst eiser erop dat tussen de eerste en tweede controle een lange periode heeft gezeten. Door dit tijdsverloop heeft eiser de indruk gekregen, en mocht hij erop vertrouwen, dat het college van handhavend optreden had afgezien. In de tweede plaats stelt eiser dat een ambtenaar van het college heeft meegedeeld dat bewoning mogelijk was op basis van een tijdelijke vrijstelling van het bestemmingsplan.

6. De rechtbank oordeelt dat geen sprake is van concreet zicht op legalisatie. Vanaf het moment dat het voornemen tot handhavend optreden kenbaar is gemaakt, heeft het college gemotiveerd uiteengezet dat het niet bereid is de vereiste vergunning te verlenen. In beginsel is die enkele weigering al voldoende voor het oordeel dat geen concreet zicht op legalisatie bestaat. Er bestaan bovendien geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het door het college ingenomen standpunt op voorhand rechtens onhoudbaar is. Daarbij acht de rechtbank van belang dat het college vóór het opleggen van de last heeft onderzocht of het verlenen van een omgevingsvergunning voor bewoning van de loods mogelijk en wenselijk was. Uit dat onderzoek is gebleken dat daarvan geen sprake is. Daarmee heeft het college zorgvuldig gehandeld. Verder volgt de rechtbank eiser niet in zijn standpunt dat sprake is van door het college gewekt vertrouwen dat bewoning van de loods was toegestaan of dat daartegen niet handhavend zou worden opgetreden. Het enkele tijdsverloop is daarvoor onvoldoende, temeer nu het college eiser juist heeft voorgehouden dat bewoning van de loods niet toelaatbaar was. Ook zijn geen andere aanknopingspunten aanwezig voor het oordeel dat eiser erop mocht vertrouwen dat de loods bewoond mocht worden. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is geweest van uitlatingen of gedragingen van ambtenaren waaruit een welbewuste standpuntbepaling van het college kan worden afgeleid dat bewoning was toegestaan of werd gedoogd. Deze beroepsgrond slaagt niet.



6.1.

De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat het college in redelijkheid heeft mogen besluiten handhavend op te treden. In dit geval is geen sprake van concreet zicht op legalisatie. De last onder dwangsom blijft dus bestaan.

Evenredigheid




7. Tijdens de zitting is uitvoerig met partijen gesproken over de gevolgen van het handhavingsbesluit. Eiser heeft daarbij toegelicht dat zijn onderneming enkele jaren geleden failliet is gegaan. Als gevolg daarvan is hij in de schuldsanering terecht gekomen en heeft hij zijn woning noodgedwongen moeten verkopen. Vanuit die (nood)situatie heeft eiser een loods gekocht om daar met zijn gezin te wonen. Verder heeft eiser naar voren gebracht dat hij inmiddels uit de schuldsanering is en bezig is zijn leven weer op te bouwen. Ook is hij op zoek naar vervangende woonruimte.




7.1.
Volgens eiser zal invordering van de last ertoe leiden dat hij opnieuw in ernstige financiële problemen raakt. Hij vreest dan wederom in de schuldsanering terecht te komen en bovendien de loods te moeten verlaten, waardoor hij zonder onderdak komt te zitten. Volgens eiser zal dit grote gevolgen hebben voor zijn hele gezin. In het bijzonder vreest hij dat zijn kinderen in dat geval niet meer bij hen kunnen blijven. Jeugdzorg heeft namelijk aangegeven dat wanneer eiser niet langer in staat is zijn kinderen onderdak te bieden, zij zullen overgaan tot plaatsing van de kinderen in een pleeggezin. Gelet op hetgeen ter zitting is besproken, vat de rechtbank dit op als een beroep op het evenredigheidsbeginsel. Volgens eiser is handhavend optreden in deze situatie zodanig onevenredig in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat in deze concrete situatie van handhaving behoort te worden afgezien.

8. De rechtbank is het met het college eens dat eiser al geruime tijd de gelegenheid heeft gehad om vervangende woonruimte te vinden. Het handhavingstraject is namelijk al in 2019 gestart, zodat eiser in ieder geval sinds dat moment ermee bekend was dat bewoning van de loods niet is toegestaan. Ook heeft het college aan eiser een termijn van 10 maanden gegund om de illegale bewoning te beëindigen én 12 maanden gegund om de zonder omgevingsvergunning gerealiseerde verbouwing/omzetting van de voormalige loods tot woning ongedaan maken. Uit de stukken blijkt echter niet dat eiser zich in de afgelopen jaren actief heeft ingespannen om andere woonruimte te vinden. Zo heeft eiser bijvoorbeeld geen biedingen op woningen of bewijs van andere concrete pogingen om vervangende woonruimte te verkrijgen overgelegd. De eventuele uithuisplaatsing van de kinderen en mogelijke financiële problemen zijn zeer ernstige gevolgen, maar betreffen tegelijkertijd geen omstandigheden die zich met zekerheid zullen voordoen. Dit vormt naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende bijzondere omstandigheden om te rechtvaardigen dat eiser permanent met zijn gezin blijft wonen op een locatie waar dit planologisch niet is toegestaan. Daarbij betrekt de rechtbank de voornoemde lange begunstigingstermijnen die aan eiser zijn geboden. Gezien het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden die maken dat het college van handhavend optreden had moeten afzien. Het college heeft eiser een redelijke termijn gegund om aan de last te voldoen en het besluit is niet onevenredig in verhouding tot de daarmee te dienen belangen.



Voorlopige voorziening



9. Hoewel er geen sprake is van een bijzondere situatie die aanleiding geeft om van handhaving af te zien, heeft de rechtbank wel oog voor de vraag of voor dit gezin alsnog een passende regeling kan worden getroffen. Daarop gaat de rechtbank hierna in. De rechtbank ziet aanleiding om ambtshalve een voorlopige voorziening te treffen inhoudende dat de begunstigingstermijn eenmalig wordt verlengd. Tijdens de zitting is naar voren gebracht dat eiser bij het verbeuren van de dwangsom mogelijk opnieuw in de schuldsanering terechtkomt en bij het naleven van de last het risico loopt zijn kinderen niet langer bij zich te kunnen houden. Dat zou niet alleen ingrijpende gevolgen hebben voor eiser, maar voor het hele gezin. Om die reden acht de rechtbank het van belang dat wordt gezocht naar een passende oplossing die de rust en stabiliteit biedt voor het gezin om - in overleg met de gemeente - tot een oplossing voor de huisvesting te komen. Om die rust en stabiliteit te bieden, en om te voorkomen dat op korte termijn tot invordering wordt overgegaan, treft de rechtbank daarom een voorlopige voorziening en verlengt zij de begunstigingstermijn met 12 maanden. Niemand wil dat een gezin op straat komt te staan en dat kinderen van hun ouders worden gescheiden, en dat lijkt wel de consequentie te zijn als de rechtbank niet overgaat tot het treffen van deze voorlopige voorziening. Bij de bepaling van de termijn neemt de rechtbank in aanmerking dat de huidige woningmarkt het vinden van een passende woonruimte bemoeilijkt. Een termijn van 12 maanden acht de rechtbank een redelijke termijn in deze situatie. Deze verlenging van de begunstigingstermijn betekent wel dat van eiser mag worden verwacht dat hij zich in deze periode aantoonbaar en actief inspant om vervangende woonruimte te vinden. Daarnaast acht de rechtbank ook van belang dat het college actief meedenkt en kijkt of het aan eiser hulp kan bieden waar dat nodig is. De rechtbank geeft partijen daarbij mee dat het in ieders belang is om met elkaar in gesprek te blijven en gezamenlijk naar een werkbare oplossing toe te werken.

Conclusie en gevolgen


10. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het college mocht overgaan tot handhavend optreden. Het beroep van eiser is dus ongegrond. Dat betekent dat de last onder dwangsom bij het bestreden besluit terecht door het college is gehandhaafd. Eiser moet de overtredingen beëindigen.



10.1.
Wel ziet de rechtbank aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen om te voorkomen dat het college op korte termijn over kan gaan tot het invorderen van de last onder dwangsom. De rechtbank verlengt daarom met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb de begunstigingstermijn, met terugwerkende kracht vanaf 19 september 2025 tot 12 maanden na verzending van deze uitspraak. Dat betekent dat eiser vanaf de dag na verzending van deze uitspraak 12 maanden de tijd heeft om aan de opgelegde last te voldoen. Indien binnen 12 maanden niet wordt voldaan aan de last, dan verbeurt eiser de last onder dwangsom alsnog van rechtswege.



10.2.
In aanmerking genomen dat het beroep ongegrond is en eiser in zoverre in het ongelijk wordt gesteld en een voorlopige voorziening wordt gelast die niet het gevolg is van een onjuistheid in het bestreden besluit maar enkel dient om een belang van eiser te dienen, ziet de rechtbank geen aanleiding om het college tot vergoeding van de proceskosten te veroordelen. Gelet daarop bestaat evenmin aanleiding om het college te gelasten het griffierecht te vergoeden. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug.



























Beslissing


De rechtbank:




verklaart het beroep ongegrond;


treft een voorlopige voorziening inhoudende dat de begunstigingstermijn van de opgelegde last onder dwangsom wordt verlengd tot 12 maanden, ingaande op 19 september 2025, en deze loopt tot 12 maanden na verzending van deze uitspraak.








Deze uitspraak is gedaan door mr. J.R.N. Crombaghs, rechter, in aanwezigheid van M.L. Neumann, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2026.













griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 26 juni 2026.





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:678, r.o. 6.1.


Zie de uitspraak van de Afdeling van 15 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:609, r.o. 9.1.1.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van17 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:117, r.o. 4.2.


Dit staat in artikel 8:72, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).


Datum aflopen begunstigingstermijn volgens het bestreden besluit.


Van het door de voormalige gemachtigde ingediende beroepschrift.