Rechtbank Limburg
ECLI:NL:RBLIM:2026:5831
2026-06-03
Bestuursrecht
ROE 25/2912
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Eiser verzoekt aan het college om handhavend op te treden tegen bouwwerken in de achtertuin van zijn buren. Handhavingsverzoek terecht afgewezen door het college. Er is geen overtreding geconstateerd dus het college is niet bevoegd handhavend op te treden. Beroep ongegrond.
Citeert (1)
- ECLI:NL:RVS:2015:2244 Raad van State 15-07-2015
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (21.941 tekens)
RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 25/2912
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 juni 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerlen
(gemachtigden: mr. S.F.A. Garritsen en mr. K.A.J. Ubachs).
Als derde-partij neemt aan de zaken deel: R.P. Nouwens en G. Theelen.
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van het handhavingsverzoek van eiser. Eiser heeft dit verzoek ingediend omdat hij vindt dat het bouwwerk in de tuin van de derde-partij niet voldoet aan de voorschriften. Het college heeft dit handhavingsverzoek afgewezen omdat het college vindt dat geen sprake is van een overtreding. Eiser is het daar niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college het handhavingsverzoek terecht heeft afgewezen. Eiser krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 19 maart 2025 een handhavingsverzoek ingediend bij het college. Het college heeft deze aanvraag op 16 juni 2025 afgewezen.
2.1.
Eiser heeft tegen deze afwijzing bezwaar gemaakt. Het college is met zijn beslissing op bezwaar van 3 november 2025 (het bestreden besluit) bij de afwijzing van het handhavingsverzoek gebleven.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.3.
De rechtbank heeft dit beroep op 2 april 2026 gezamenlijk op zitting behandeld met de beroepen ROE 25/196 en 25/2067 (over een vergunningverlening voor het verbreden van een uitrit en het verharden van de voortuin). Aan deze zitting hebben deelgenomen: de gemachtigden van het college en de derde-partij. Eiser heeft zich op de dag van de zitting afgemeld.
2.4.
In de andere twee beroepen (ROE 25/196 en 25/2067) - die gelijktijdig met het onderhavige beroep op zitting zijn behandeld – wordt separaat uitspraak gedaan.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat de zaak over?
3. Eiser woont naast de derde-partij. De derde-partij heeft bij hun woning aan de linker achterzijde een werkkamer gerealiseerd. In verband daarmee zijn verschillende bouwwerkzaamheden uitgevoerd. Dit bouwwerk heeft de derde-partij vergunningvrij gebouwd. Eiser heeft het college verzocht daartegen handhavend op te treden omdat hij meent dat dit bouwwerk niet vergunningvrij is en dat sprake is van meerdere overtredingen.
3.1.
Naar aanleiding van het verzoek van eiser heeft het college op 23 april 2025 een controle uitgevoerd op het perceel van de derde-partij. Op basis van het controlerapport stelt het college zich op het standpunt dat het bouwwerk vergunningvrij is en dat er geen overtredingen zijn. Om die reden heeft het college het handhavingsverzoek afgewezen.
Beroepsgronden eiser
4. Eiser voert aan dat hij in de bezwaarfase niet is gehoord. Volgens eiser is dit een gebrek dat niet meer hersteld kan worden. Alleen al daarom kan het bestreden besluit volgens hem niet in stand blijven. Daarnaast stelt eiser dat zijn zienswijze niet bij de besluitvorming is betrokken. In de afwijzing van het handhavingsverzoek is vermeld dat geen zienswijze is ingediend, terwijl eiser wel een zienswijze heeft ingediend. Verder voert eiser aan dat het bouwwerk niet zonder omgevingsvergunning mocht worden gebouwd. Ook voert eiser aan dat onvoldoende is gereageerd op zijn stelling dat het bouwwerk van de derde-partij vermoedelijk buiten het bouwvlak en buiten de rooilijnen is gerealiseerd. Volgens eiser is dit punt ook onvoldoende onderzocht. Daarnaast stelt eiser dat het college, nu de derde-partij meer dan 100 vierkante meter grond heeft aangevuld en opgehoogd in eigen tuin, een onderzoek had moeten uitvoeren naar mogelijke toekomstige toename van wateroverlast (een zogeheten watertoets). Het college heeft deze toets ten onrechte niet uitgevoerd. Ook is de bijgestorte grond gebruikt om zonder vergunning verhoogd te bouwen. Volgens eiser is het bouwwerk hoger gerealiseerd dan zonder vergunning is toegestaan. Het college dient volgens eiser ten aanzien van de hoogte van het bouwwerk te toetsen aan de afmetingen van een in 1973 gebouwde garage. Omdat te hoog is gebouwd wordt er ook licht ontnomen in de tuin van eiser. Volgens eiser is, gezien het voorgaande, sprake van meerdere overtredingen waartegen verweerder handhavend had moeten optreden. Tot slot voert eiser aan dat er bomen zijn gekapt zonder de daarvoor vereiste vergunning.
Is het besluit onzorgvuldig tot stand gekomen?
5. De rechtbank overweegt dat zij uitsluitend de rechtmatigheid van het bestreden besluit dient te beoordelen. Voor zover sprake zou zijn van een gebrek in de totstandkoming van het besluit van 16 juni 2025, namelijk dat de zienswijze niet bij de besluitvorming is betrokken, dan is dit gebrek hersteld met de beslissing op bezwaar. In de bezwaarfase heeft eiser immers zijn standpunten naar voren kunnen brengen en heeft er een volledige heroverweging van het besluit plaatsgevonden. Ook heeft het college op 17 juli 2025, nog voordat de beslissing op bezwaar werd genomen, gereageerd op de zienswijze van eiser. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Is de hoorplicht geschonden?
6. Voor de beoordeling van deze beroepsgrond zijn de volgende regels van belang. Een bestuursorgaan stelt belanghebbenden in de gelegenheid te worden gehoord, voordat het beslist op een bezwaar. Van het horen van een belanghebbende kan in een aantal gevallen worden afgezien. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat het horen een essentieel onderdeel van de bezwaarfase vormt en dat de gronden om ervan af te kunnen zien terughoudend dienen te worden toegepast.
7. De rechtbank is van oordeel dat het college ten onrechte eiser niet heeft gehoord in bezwaar. Van een uitzondering op de hoorplicht is niet gebleken, zodat het college niet van het horen van eiser mocht afzien. Het bestreden besluit is daarom genomen in strijd met de hoorplicht.
8. De rechtbank kan aan dit gebrek voorbijgaan en doet dat in dit geval ook. Het is namelijk niet aannemelijk dat eiser door de schending van de hoorplicht is benadeeld. Eiser heeft in deze beroepsprocedure zijn beroepsgronden kunnen toelichten, hetgeen hij schriftelijk heeft gedaan. Wel is dit gebrek voor de rechtbank aanleiding om het college te veroordelen tot het vergoeden van eventueel gemaakte proceskosten van eiser en het griffierecht.
Toetsing door de rechtbank
9. De rechtbank stelt voorop dat beoordeeld dient te worden of het college gehouden was tot het nemen van handhavingsmaatregelen. Op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan het college slechts handhavend optreden indien sprake is van een overtreding van een wettelijk voorschrift en indien uit dat voorschrift volgt dat het college bevoegd is om tegen die overtreding op te treden.
9.1.
De relevante wet- en regelging staat in de bijlage.
Is sprake van een overtreding?
Had de derde-partij een vergunning nodig voor het bouwwerk?
10. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Met de inwerkingtreding van deze wet heeft elke gemeente direct een omgevingsplan van rechtswege dat regels geeft over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente. Dat omgevingsplan bestaat voor nu uit een tijdelijk deel, waarin onder meer alle bestemmingsplannen zijn opgenomen die vóór 1 januari 2024 golden. Ook bestaat het tijdelijke deel van het omgevingsplan uit enkele gemeentelijke verordeningen en de bruidsschat. De bruidsschat bevat regels die eerst op Rijksniveau geregeld waren, maar nu (in ieder geval tijdelijk) onderdeel uitmaken van het omgevingsplan.
11. Op het perceel waar het bijgebouw is gebouwd, gold voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet het bestemmingsplan ‘Heerlen Zuid’ (bestemmingsplan). Dat bestemmingsplan maakt dus onderdeel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Heerlen (omgevingsplan). Op het perceel gelden de bestemmingen ‘Wonen’ en ‘Waarde – Archeologie 3 (hoge waarde)’.
12. Ingevolge artikel 22.26 van het omgevingsplan is het verboden zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten, een gebouwd bouwwerk in stand te houden en te gebruiken. In artikel 22.27 staan de activiteiten waarvoor deze vergunningplicht niet geldt. Daarbij geldt wel dat voor die activiteiten alleen geen vergunningplicht geldt, als ze in overeenstemming zijn met het omgevingsplan. In artikel 22.36 zijn activiteiten opgenomen die in ieder geval in overeenstemming met het omgevingsplan worden geacht en waarvoor dus geen vergunningplicht geldt.
13. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van een bouwwerk als bedoeld in artikel 22.27, aanhef en onder a van het omgevingsplan . Het gaat om een op de grond staand bouwwerk, gelegen in het achtergebied op een afstand van meer dan een meter vanaf openbaar toegankelijk gebied. Ook is het gebouw niet hoger dan 5 meter, heeft het niet meerdere bouwlagen en is het gebouw niet voorzien van een dakterras. Om vergunningvrij te zijn, moet het bouwwerk tevens vallen onder een van de in artikel 22.36 van het omgevingsplan genoemde categorieën. De rechtbank is van oordeel dat sprake is van het bouwen van een bijbehorend bouwwerk als bedoeld in artikel 22.36, aanhef en onder a, van het omgevingsplan. Het betreffende bouwwerk staat binnen een grens van 4 meter van het hoofdgebouw, is niet hoger dan 5 meter, is niet hoger dan 0,3 meter boven de bovenkant van de scheidingsconstructie met de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw en is ook niet hoger dan het hoofdgebouw. Dat betekent dat het bouwwerk in dit geval vergunningvrij is en dus niet hoeft te worden getoetst aan de bouwregels van het omgevingsplan.
14. Het voorgaande betekent ook dat voor dit bouwwerk niet afzonderlijk behoeft te worden getoetst aan de ruimtelijke regels van het tijdelijk deel van het omgevingsplan waarop eiser zich beroept, te weten dat het bouwwerk buiten het bouwvlak en buiten de rooilijnen is gerealiseerd en dat deze te hoog is gebouwd. Zoals hiervoor is overwogen betreft het een bouwwerk als bedoeld in artikel 22.27, aanhef en onder a, en artikel 22.36, aanhef en onder a van het omgevingsplan. Gelet daarop hoefde het college niet daarnaast nog afzonderlijk te toetsen of het bouwwerk in strijd is met de door eiser gestelde regels uit het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Dat zou slechts anders zijn indien een andere, voor deze locatie geldende regel de toepassing van artikel 22.36 uitsluit of beperkt. Van een dergelijke situatie is hier niet gebleken.
Had de derde-partij een vergunning nodig voor het bijstorten van grond?
15. Op het perceel waar het bijgebouw is gebouwd gelden de bestemmingen ‘Wonen’ en ‘Waarde – Archeologie 3 (hoge waarde)’. Uit artikel 19.4.1, aanhef en onder a van het bestemmingsplan volgt dat het, ter bescherming van het archeologisch bodemarchief, verboden is zonder vergunning bepaalde bodemingrepen uit te voeren, waaronder onder meer het afgraven van gronden. Van een dergelijke bodemingreep is in dit geval geen sprake. Er is geen sprake van het afgraven of anderszins verstoren van de bodem, maar juist van het ophogen van het terrein door middel van het bijstorten van grond. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit dit artikel niet dat voor het ophogen van gronden een vergunningplicht geldt. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Had het college een watertoets moeten uitvoeren?
16. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het college gehouden was in dit geval een watertoets uit te voeren. Eiser heeft niet onderbouwd waaruit een zodanige verplichting in dit geval volgt. Het college heeft toegelicht dat een watertoets ziet op ruimtelijk relevante besluiten, zoals de vaststelling van een bestemmingsplan of inpassingsplan. Nu het bouwinitiatief van de derde-partij vergunningvrij is en in overeenstemming wordt geacht met het omgevingsplan, moet het wateraspect worden geacht al te zijn betrokken bij de planologische afweging die aan het omgevingsplan ten grondslag ligt. Daarom bestond voor het college geen aanleiding om alsnog een afzonderlijke watertoets uit te voeren. De rechtbank kan deze motivering volgen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Is sprake van onrechtmatige hinder als gevolg van het bouwwerk?
17. De rechtbank heeft al geoordeeld dat voor het bouwwerk geen vergunning nodig is. Bij het ontbreken van een vergunningplicht bestaat ook geen toetsingskader waarbinnen het college de door eiser gestelde aantasting van zijn privacy moest betrekken. Het college hoefde deze grond daarom niet mee te nemen. Voor zover eiser meent dat het bouwwerk leidt tot een schending van zijn privacy, betreft dat daarom een privaatrechtelijk geschil dat niet in deze bestuursrechtelijke procedure, maar zo nodig bij de civiele rechter aan de orde kan worden gesteld.
Heeft het college terecht niet handhavend opgetreden tegen de kap van de bomen?
18. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat het college handhavend had moeten optreden tegen het kappen van de bomen. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat voor de kap van de betreffende bomen geen omgevingsvergunning was vereist omdat de bomen niet op de gemeentelijke bomenlijst stonden en zich bovendien bevonden op het eigen perceel van de derde-partij. Eiser heeft geen concrete aanknopingspunten aangedragen voor het oordeel dat dit standpunt onjuist is. Nu de rechtbank uitgaat van de juistheid van het standpunt van het college dat de kap vergunningvrij was, is geen sprake van een overtreding. Om die reden was het college niet bevoegd om handhavend op te treden. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie
19. Nu uit het voorgaande volgt dat geen sprake is van een overtreding, was het college niet bevoegd handhavend op te treden. Het college heeft het handhavingsverzoek van eiser daarom terecht afgewezen.
Conclusie en gevolgen
20. Het beroep is ongegrond. Het college is niet bevoegd om handhavend op te treden omdat er geen sprake is van een overtreding. Dat betekent dat het college terecht niet handhavend heeft opgetreden tegen de (bouw)werkzaamheden van de derde-partij.
21. Gelet op het geconstateerde gebrek onder rechtsoverweging 7, ziet de rechtbank aanleiding om met toepassing van artikel 8:74, tweede lid, van de Awb te bepalen dat het college het door eiser betaalde griffierecht vergoedt. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 194,- aan eiser moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.R.N. Crombaghs, rechter, in aanwezigheid van mr.K. Timmermans, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2026
Griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 3 juni 2026
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 5:1
1. In deze wet wordt verstaan onder overtreding: een gedraging die in strijd is met het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift.
(…)
Artikel 5:4
1. De bevoegdheid tot het opleggen van een bestuurlijke sanctie bestaat slechts voor zover zij bij of krachtens de wet is verleend.
(…)
Artikel 6:22
Een besluit waartegen bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld, kan, ondanks schending van een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, door het orgaan dat op het bezwaar of beroep beslist in stand worden gelaten indien aannemelijk is dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld.
Artikel 7:2
1. Voordat een bestuursorgaan op het bezwaar beslist, stelt het belanghebbenden in de gelegenheid te worden gehoord.(…)
Artikel 7:3
Van het horen van een belanghebbende kan worden afgezien indien:
a. het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk is,
b. het bezwaar kennelijk ongegrond is,
c. de belanghebbende heeft verklaard geen gebruik te willen maken van het recht te worden gehoord,
d. de belanghebbende niet binnen een door het bestuursorgaan gestelde redelijke termijn verklaart dat hij gebruik wil maken van het recht te worden gehoord, of
e. aan het bezwaar volledig tegemoet wordt gekomen en andere belanghebbenden daardoor niet in hun belangen kunnen worden geschaad.
Omgevingsplan gemeente Heerlen
Artikel 16.2.3 Aanbouwen
Voor het bouwen van aanbouwen gelden de volgende eisen:
a. situering, binnen het bestemmingsvlak en tenminste 3 meter achter de voorgevellijn;
b. goot- en bouwhoogte, maximaal 4,00 meter bij een platte afdekking, met dien verstande dat de bouwhoogte bij een schuine kap maximaal 7,00 meter mag bedragen;
c. oppervlakte, met inachtneming van het bepaalde in 16.2.1.
d. in afwijking van hetgeen onder a bepaald, mogen aanbouwen ter plaatste van debouwaanduiding 'bijgebouwen' voor de voorgevelrooilijn worden gerealiseerd.
Artikel 22.26
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken.
Artikel 22.27
Het verbod, bedoeld in artikel 22.26, geldt niet voor de activiteiten, bedoeld in dat artikel, als die betrekking hebben op een van de volgende bouwwerken:
a. een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
1. op de grond staand;
2. gelegen in achtererfgebied;
3. op een afstand van meer dan 1 m vanaf openbaar toegankelijk gebied;
4. niet hoger dan 5 m;
5. de ligging van een verblijfsgebied, bij meer dan een bouwlaag, alleen op de eerste bouwlaag; en
6. niet voorzien van een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte;
(…)
Artikel 22.36
Onverminderd de overige bepalingen van deze afdeling en de bepalingen van afdeling 22.3 zijn in ieder geval in overeenstemming met dit omgevingsplan:
a. het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan als bedoeld in artikel 22.27, onder a, als in aanvulling op de in dat onderdeel gestelde eisen ook wordt voldaan aan de volgende eisen:
1. voor zover op een afstand van niet meer dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw, niet hoger dan:
i. 5 m;
ii. 0,3 m boven de bovenkant van de scheidingsconstructie met de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw; en
iii. het hoofdgebouw;
(…)
Artikel 7:2, eerste lid, van de Awb.
Zie artikel 7:3, sub a tot en met e van de Awb.
Kamerstukken II 1988/89, 21 221, nr. 3, blz. 144-145 en 147.
Met toepassing van artikel 6:22 van de Awb.
Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 15 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2244, r.o. 4.2.
Zie artikel 5:1, eerste lid. van de Awb.
Zie artikel 5:4, eerste lid, van de Awb.
Zie artikel 22.1, aanhef en onder a, van de Omgevingswet in samenhang met artikel 4.6, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet.
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 25/2912
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 juni 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerlen
(gemachtigden: mr. S.F.A. Garritsen en mr. K.A.J. Ubachs).
Als derde-partij neemt aan de zaken deel: R.P. Nouwens en G. Theelen.
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van het handhavingsverzoek van eiser. Eiser heeft dit verzoek ingediend omdat hij vindt dat het bouwwerk in de tuin van de derde-partij niet voldoet aan de voorschriften. Het college heeft dit handhavingsverzoek afgewezen omdat het college vindt dat geen sprake is van een overtreding. Eiser is het daar niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college het handhavingsverzoek terecht heeft afgewezen. Eiser krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 19 maart 2025 een handhavingsverzoek ingediend bij het college. Het college heeft deze aanvraag op 16 juni 2025 afgewezen.
2.1.
Eiser heeft tegen deze afwijzing bezwaar gemaakt. Het college is met zijn beslissing op bezwaar van 3 november 2025 (het bestreden besluit) bij de afwijzing van het handhavingsverzoek gebleven.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.3.
De rechtbank heeft dit beroep op 2 april 2026 gezamenlijk op zitting behandeld met de beroepen ROE 25/196 en 25/2067 (over een vergunningverlening voor het verbreden van een uitrit en het verharden van de voortuin). Aan deze zitting hebben deelgenomen: de gemachtigden van het college en de derde-partij. Eiser heeft zich op de dag van de zitting afgemeld.
2.4.
In de andere twee beroepen (ROE 25/196 en 25/2067) - die gelijktijdig met het onderhavige beroep op zitting zijn behandeld – wordt separaat uitspraak gedaan.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat de zaak over?
3. Eiser woont naast de derde-partij. De derde-partij heeft bij hun woning aan de linker achterzijde een werkkamer gerealiseerd. In verband daarmee zijn verschillende bouwwerkzaamheden uitgevoerd. Dit bouwwerk heeft de derde-partij vergunningvrij gebouwd. Eiser heeft het college verzocht daartegen handhavend op te treden omdat hij meent dat dit bouwwerk niet vergunningvrij is en dat sprake is van meerdere overtredingen.
3.1.
Naar aanleiding van het verzoek van eiser heeft het college op 23 april 2025 een controle uitgevoerd op het perceel van de derde-partij. Op basis van het controlerapport stelt het college zich op het standpunt dat het bouwwerk vergunningvrij is en dat er geen overtredingen zijn. Om die reden heeft het college het handhavingsverzoek afgewezen.
Beroepsgronden eiser
4. Eiser voert aan dat hij in de bezwaarfase niet is gehoord. Volgens eiser is dit een gebrek dat niet meer hersteld kan worden. Alleen al daarom kan het bestreden besluit volgens hem niet in stand blijven. Daarnaast stelt eiser dat zijn zienswijze niet bij de besluitvorming is betrokken. In de afwijzing van het handhavingsverzoek is vermeld dat geen zienswijze is ingediend, terwijl eiser wel een zienswijze heeft ingediend. Verder voert eiser aan dat het bouwwerk niet zonder omgevingsvergunning mocht worden gebouwd. Ook voert eiser aan dat onvoldoende is gereageerd op zijn stelling dat het bouwwerk van de derde-partij vermoedelijk buiten het bouwvlak en buiten de rooilijnen is gerealiseerd. Volgens eiser is dit punt ook onvoldoende onderzocht. Daarnaast stelt eiser dat het college, nu de derde-partij meer dan 100 vierkante meter grond heeft aangevuld en opgehoogd in eigen tuin, een onderzoek had moeten uitvoeren naar mogelijke toekomstige toename van wateroverlast (een zogeheten watertoets). Het college heeft deze toets ten onrechte niet uitgevoerd. Ook is de bijgestorte grond gebruikt om zonder vergunning verhoogd te bouwen. Volgens eiser is het bouwwerk hoger gerealiseerd dan zonder vergunning is toegestaan. Het college dient volgens eiser ten aanzien van de hoogte van het bouwwerk te toetsen aan de afmetingen van een in 1973 gebouwde garage. Omdat te hoog is gebouwd wordt er ook licht ontnomen in de tuin van eiser. Volgens eiser is, gezien het voorgaande, sprake van meerdere overtredingen waartegen verweerder handhavend had moeten optreden. Tot slot voert eiser aan dat er bomen zijn gekapt zonder de daarvoor vereiste vergunning.
Is het besluit onzorgvuldig tot stand gekomen?
5. De rechtbank overweegt dat zij uitsluitend de rechtmatigheid van het bestreden besluit dient te beoordelen. Voor zover sprake zou zijn van een gebrek in de totstandkoming van het besluit van 16 juni 2025, namelijk dat de zienswijze niet bij de besluitvorming is betrokken, dan is dit gebrek hersteld met de beslissing op bezwaar. In de bezwaarfase heeft eiser immers zijn standpunten naar voren kunnen brengen en heeft er een volledige heroverweging van het besluit plaatsgevonden. Ook heeft het college op 17 juli 2025, nog voordat de beslissing op bezwaar werd genomen, gereageerd op de zienswijze van eiser. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Is de hoorplicht geschonden?
6. Voor de beoordeling van deze beroepsgrond zijn de volgende regels van belang. Een bestuursorgaan stelt belanghebbenden in de gelegenheid te worden gehoord, voordat het beslist op een bezwaar. Van het horen van een belanghebbende kan in een aantal gevallen worden afgezien. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat het horen een essentieel onderdeel van de bezwaarfase vormt en dat de gronden om ervan af te kunnen zien terughoudend dienen te worden toegepast.
7. De rechtbank is van oordeel dat het college ten onrechte eiser niet heeft gehoord in bezwaar. Van een uitzondering op de hoorplicht is niet gebleken, zodat het college niet van het horen van eiser mocht afzien. Het bestreden besluit is daarom genomen in strijd met de hoorplicht.
8. De rechtbank kan aan dit gebrek voorbijgaan en doet dat in dit geval ook. Het is namelijk niet aannemelijk dat eiser door de schending van de hoorplicht is benadeeld. Eiser heeft in deze beroepsprocedure zijn beroepsgronden kunnen toelichten, hetgeen hij schriftelijk heeft gedaan. Wel is dit gebrek voor de rechtbank aanleiding om het college te veroordelen tot het vergoeden van eventueel gemaakte proceskosten van eiser en het griffierecht.
Toetsing door de rechtbank
9. De rechtbank stelt voorop dat beoordeeld dient te worden of het college gehouden was tot het nemen van handhavingsmaatregelen. Op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan het college slechts handhavend optreden indien sprake is van een overtreding van een wettelijk voorschrift en indien uit dat voorschrift volgt dat het college bevoegd is om tegen die overtreding op te treden.
9.1.
De relevante wet- en regelging staat in de bijlage.
Is sprake van een overtreding?
Had de derde-partij een vergunning nodig voor het bouwwerk?
10. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Met de inwerkingtreding van deze wet heeft elke gemeente direct een omgevingsplan van rechtswege dat regels geeft over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente. Dat omgevingsplan bestaat voor nu uit een tijdelijk deel, waarin onder meer alle bestemmingsplannen zijn opgenomen die vóór 1 januari 2024 golden. Ook bestaat het tijdelijke deel van het omgevingsplan uit enkele gemeentelijke verordeningen en de bruidsschat. De bruidsschat bevat regels die eerst op Rijksniveau geregeld waren, maar nu (in ieder geval tijdelijk) onderdeel uitmaken van het omgevingsplan.
11. Op het perceel waar het bijgebouw is gebouwd, gold voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet het bestemmingsplan ‘Heerlen Zuid’ (bestemmingsplan). Dat bestemmingsplan maakt dus onderdeel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Heerlen (omgevingsplan). Op het perceel gelden de bestemmingen ‘Wonen’ en ‘Waarde – Archeologie 3 (hoge waarde)’.
12. Ingevolge artikel 22.26 van het omgevingsplan is het verboden zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten, een gebouwd bouwwerk in stand te houden en te gebruiken. In artikel 22.27 staan de activiteiten waarvoor deze vergunningplicht niet geldt. Daarbij geldt wel dat voor die activiteiten alleen geen vergunningplicht geldt, als ze in overeenstemming zijn met het omgevingsplan. In artikel 22.36 zijn activiteiten opgenomen die in ieder geval in overeenstemming met het omgevingsplan worden geacht en waarvoor dus geen vergunningplicht geldt.
13. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van een bouwwerk als bedoeld in artikel 22.27, aanhef en onder a van het omgevingsplan . Het gaat om een op de grond staand bouwwerk, gelegen in het achtergebied op een afstand van meer dan een meter vanaf openbaar toegankelijk gebied. Ook is het gebouw niet hoger dan 5 meter, heeft het niet meerdere bouwlagen en is het gebouw niet voorzien van een dakterras. Om vergunningvrij te zijn, moet het bouwwerk tevens vallen onder een van de in artikel 22.36 van het omgevingsplan genoemde categorieën. De rechtbank is van oordeel dat sprake is van het bouwen van een bijbehorend bouwwerk als bedoeld in artikel 22.36, aanhef en onder a, van het omgevingsplan. Het betreffende bouwwerk staat binnen een grens van 4 meter van het hoofdgebouw, is niet hoger dan 5 meter, is niet hoger dan 0,3 meter boven de bovenkant van de scheidingsconstructie met de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw en is ook niet hoger dan het hoofdgebouw. Dat betekent dat het bouwwerk in dit geval vergunningvrij is en dus niet hoeft te worden getoetst aan de bouwregels van het omgevingsplan.
14. Het voorgaande betekent ook dat voor dit bouwwerk niet afzonderlijk behoeft te worden getoetst aan de ruimtelijke regels van het tijdelijk deel van het omgevingsplan waarop eiser zich beroept, te weten dat het bouwwerk buiten het bouwvlak en buiten de rooilijnen is gerealiseerd en dat deze te hoog is gebouwd. Zoals hiervoor is overwogen betreft het een bouwwerk als bedoeld in artikel 22.27, aanhef en onder a, en artikel 22.36, aanhef en onder a van het omgevingsplan. Gelet daarop hoefde het college niet daarnaast nog afzonderlijk te toetsen of het bouwwerk in strijd is met de door eiser gestelde regels uit het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Dat zou slechts anders zijn indien een andere, voor deze locatie geldende regel de toepassing van artikel 22.36 uitsluit of beperkt. Van een dergelijke situatie is hier niet gebleken.
Had de derde-partij een vergunning nodig voor het bijstorten van grond?
15. Op het perceel waar het bijgebouw is gebouwd gelden de bestemmingen ‘Wonen’ en ‘Waarde – Archeologie 3 (hoge waarde)’. Uit artikel 19.4.1, aanhef en onder a van het bestemmingsplan volgt dat het, ter bescherming van het archeologisch bodemarchief, verboden is zonder vergunning bepaalde bodemingrepen uit te voeren, waaronder onder meer het afgraven van gronden. Van een dergelijke bodemingreep is in dit geval geen sprake. Er is geen sprake van het afgraven of anderszins verstoren van de bodem, maar juist van het ophogen van het terrein door middel van het bijstorten van grond. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit dit artikel niet dat voor het ophogen van gronden een vergunningplicht geldt. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Had het college een watertoets moeten uitvoeren?
16. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het college gehouden was in dit geval een watertoets uit te voeren. Eiser heeft niet onderbouwd waaruit een zodanige verplichting in dit geval volgt. Het college heeft toegelicht dat een watertoets ziet op ruimtelijk relevante besluiten, zoals de vaststelling van een bestemmingsplan of inpassingsplan. Nu het bouwinitiatief van de derde-partij vergunningvrij is en in overeenstemming wordt geacht met het omgevingsplan, moet het wateraspect worden geacht al te zijn betrokken bij de planologische afweging die aan het omgevingsplan ten grondslag ligt. Daarom bestond voor het college geen aanleiding om alsnog een afzonderlijke watertoets uit te voeren. De rechtbank kan deze motivering volgen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Is sprake van onrechtmatige hinder als gevolg van het bouwwerk?
17. De rechtbank heeft al geoordeeld dat voor het bouwwerk geen vergunning nodig is. Bij het ontbreken van een vergunningplicht bestaat ook geen toetsingskader waarbinnen het college de door eiser gestelde aantasting van zijn privacy moest betrekken. Het college hoefde deze grond daarom niet mee te nemen. Voor zover eiser meent dat het bouwwerk leidt tot een schending van zijn privacy, betreft dat daarom een privaatrechtelijk geschil dat niet in deze bestuursrechtelijke procedure, maar zo nodig bij de civiele rechter aan de orde kan worden gesteld.
Heeft het college terecht niet handhavend opgetreden tegen de kap van de bomen?
18. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat het college handhavend had moeten optreden tegen het kappen van de bomen. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat voor de kap van de betreffende bomen geen omgevingsvergunning was vereist omdat de bomen niet op de gemeentelijke bomenlijst stonden en zich bovendien bevonden op het eigen perceel van de derde-partij. Eiser heeft geen concrete aanknopingspunten aangedragen voor het oordeel dat dit standpunt onjuist is. Nu de rechtbank uitgaat van de juistheid van het standpunt van het college dat de kap vergunningvrij was, is geen sprake van een overtreding. Om die reden was het college niet bevoegd om handhavend op te treden. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie
19. Nu uit het voorgaande volgt dat geen sprake is van een overtreding, was het college niet bevoegd handhavend op te treden. Het college heeft het handhavingsverzoek van eiser daarom terecht afgewezen.
Conclusie en gevolgen
20. Het beroep is ongegrond. Het college is niet bevoegd om handhavend op te treden omdat er geen sprake is van een overtreding. Dat betekent dat het college terecht niet handhavend heeft opgetreden tegen de (bouw)werkzaamheden van de derde-partij.
21. Gelet op het geconstateerde gebrek onder rechtsoverweging 7, ziet de rechtbank aanleiding om met toepassing van artikel 8:74, tweede lid, van de Awb te bepalen dat het college het door eiser betaalde griffierecht vergoedt. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 194,- aan eiser moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.R.N. Crombaghs, rechter, in aanwezigheid van mr.K. Timmermans, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2026
Griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 3 juni 2026
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 5:1
1. In deze wet wordt verstaan onder overtreding: een gedraging die in strijd is met het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift.
(…)
Artikel 5:4
1. De bevoegdheid tot het opleggen van een bestuurlijke sanctie bestaat slechts voor zover zij bij of krachtens de wet is verleend.
(…)
Artikel 6:22
Een besluit waartegen bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld, kan, ondanks schending van een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, door het orgaan dat op het bezwaar of beroep beslist in stand worden gelaten indien aannemelijk is dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld.
Artikel 7:2
1. Voordat een bestuursorgaan op het bezwaar beslist, stelt het belanghebbenden in de gelegenheid te worden gehoord.(…)
Artikel 7:3
Van het horen van een belanghebbende kan worden afgezien indien:
a. het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk is,
b. het bezwaar kennelijk ongegrond is,
c. de belanghebbende heeft verklaard geen gebruik te willen maken van het recht te worden gehoord,
d. de belanghebbende niet binnen een door het bestuursorgaan gestelde redelijke termijn verklaart dat hij gebruik wil maken van het recht te worden gehoord, of
e. aan het bezwaar volledig tegemoet wordt gekomen en andere belanghebbenden daardoor niet in hun belangen kunnen worden geschaad.
Omgevingsplan gemeente Heerlen
Artikel 16.2.3 Aanbouwen
Voor het bouwen van aanbouwen gelden de volgende eisen:
a. situering, binnen het bestemmingsvlak en tenminste 3 meter achter de voorgevellijn;
b. goot- en bouwhoogte, maximaal 4,00 meter bij een platte afdekking, met dien verstande dat de bouwhoogte bij een schuine kap maximaal 7,00 meter mag bedragen;
c. oppervlakte, met inachtneming van het bepaalde in 16.2.1.
d. in afwijking van hetgeen onder a bepaald, mogen aanbouwen ter plaatste van debouwaanduiding 'bijgebouwen' voor de voorgevelrooilijn worden gerealiseerd.
Artikel 22.26
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken.
Artikel 22.27
Het verbod, bedoeld in artikel 22.26, geldt niet voor de activiteiten, bedoeld in dat artikel, als die betrekking hebben op een van de volgende bouwwerken:
a. een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
1. op de grond staand;
2. gelegen in achtererfgebied;
3. op een afstand van meer dan 1 m vanaf openbaar toegankelijk gebied;
4. niet hoger dan 5 m;
5. de ligging van een verblijfsgebied, bij meer dan een bouwlaag, alleen op de eerste bouwlaag; en
6. niet voorzien van een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte;
(…)
Artikel 22.36
Onverminderd de overige bepalingen van deze afdeling en de bepalingen van afdeling 22.3 zijn in ieder geval in overeenstemming met dit omgevingsplan:
a. het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan als bedoeld in artikel 22.27, onder a, als in aanvulling op de in dat onderdeel gestelde eisen ook wordt voldaan aan de volgende eisen:
1. voor zover op een afstand van niet meer dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw, niet hoger dan:
i. 5 m;
ii. 0,3 m boven de bovenkant van de scheidingsconstructie met de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw; en
iii. het hoofdgebouw;
(…)
Artikel 7:2, eerste lid, van de Awb.
Zie artikel 7:3, sub a tot en met e van de Awb.
Kamerstukken II 1988/89, 21 221, nr. 3, blz. 144-145 en 147.
Met toepassing van artikel 6:22 van de Awb.
Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 15 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2244, r.o. 4.2.
Zie artikel 5:1, eerste lid. van de Awb.
Zie artikel 5:4, eerste lid, van de Awb.
Zie artikel 22.1, aanhef en onder a, van de Omgevingswet in samenhang met artikel 4.6, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet.