Rechtbank Limburg
ECLI:NL:RBLIM:2026:5619
2026-06-17
Civiel recht; Verbintenissenrecht
12006247 / CV EXPL 25-5802
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Premie ziektenkostenverzekering. Vordering toegewezen. Niet aangetoond dat beschermingsbewind is geëindigd.
Citeert (1)
- ECLI:NL:GHSHE:2025:1050 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 15-04-2025
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (7.026 tekens)
RECHTBANK
LIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: 12006247 \ CV EXPL 25-5802
Vonnis van 17 juni 2026
in de zaak van
CZ ZORGVERZEKERINGEN N.V.,
te Tilburg,
eisende partij,
hierna te noemen: CZ,
gemachtigde: GGN Mastering Credit B.V.,
tegen
[bewindvoerder] , in zijn/haar hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van [belanghebbende],
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde partij] ,
gemachtigde: mr. G. Tajjiou.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding- de conclusie van antwoord- de conclusie van repliek ook inhoudende een vermeerdering van eis- de conclusie van dupliek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
[belanghebbende] is of was tegen ziektekosten verzekerd bij CZ. Er zijn een aantal premies voor zowel de basis als de aanvullende verzekering niet betaald.
3Het geschil
3.1.
CZ vordert - samengevat en na vermeerdering van eis - veroordeling van [gedaagde partij] tot betaling van € 678,36, vermeerderd met rente en kosten.
3.2.
[gedaagde partij] voert verweer.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
4.1.
CZ vordert in de dagvaarding betaling van een bedrag van € 455,16. In haar conclusie van antwoord voert [gedaagde partij] aan dat zij de hoofdsom betwist. Zij stelt dat CZ geen stukken in het geding heeft gebracht waaruit blijkt dat de vordering terecht is.
4.2.
De kantonrechter verwerpt het verweer van [gedaagde partij] . Bij de dagvaarding is als productie 1 een overzicht overgelegd. Uit dit overzicht blijkt dat het gaat om de premie van de basis dan wel de aanvullende verzekering en over welke periode deze verschuldigd is.
Het is aan [gedaagde partij] om hiertegen gemotiveerd verweer te voeren dan wel om aan te tonen dat de betreffende premies wel zijn betaald. Dit heeft zij niet gedaan.
4.3.
Bij repliek heeft CZ haar vordering vermeerderd met tweemaal een bedrag van € 111,59, dus in totaal een bedrag van € 223,20. Ook hier geeft CZ aan waarop de bedragen betrekking hebben. Ook heeft zij een totaaloverzicht van de openstaande vorderingen overgelegd. Gelet hierop moet het voor [gedaagde partij] duidelijk zijn waarop de vordering betrekking heeft. In haar conclusie van dupliek betwist [gedaagde partij] de vermeerderde vordering niet. Integendeel, zij rept hier met geen enkel woord over.
4.4.
Het niet althans niet gemotiveerde verweer van [gedaagde partij] wordt daarom verworpen. Dit houdt in dat de stellingen van CZ vast staan en dat haar vermeerderde vordering kan worden toegewezen. [gedaagde partij] heeft nog aangevoerd dat CZ haar in de gelegenheid had moeten stellen een betalingsregeling te treffen. Uit het procesdossier leidt de kantonrechter af dat er al eerder een betalingsregeling is getroffen, maar dat die niet is nagekomen. Indien partijen nu weer een betalingsregeling willen treffen, zullen zij hierover in overleg moeten gaan. De kantonrechter kan in zijn vonnis geen regeling opnemen.
4.5.
In de conclusie van dupliek voert [gedaagde partij] verder aan dat het beschermingsbewind is beëindigd en dat daarvan nog stukken in het geding zullen worden gebracht. De zaak is echter in staat van wijzen, zodat geen stukken meer kunnen worden overlegd. Volgens de uitspraak van het Gerechtshof ‘s Hertogenbosch geldt het volgende. Mocht het bewind inderdaad beëindigd zijn, waarover nu nog geen duidelijk is gegeven omdat de beschikking niet is overgelegd, dan is de bewindvoerder niet langer bevoegd om [belanghebbende] in rechte te vertegenwoordigen. Dit is een schorsingsgrond die partijen kunnen laten betekenen dan wel door een akte ter rolle kunnen inroepen, bij gebreke waarvan het geding op naam van de oorspronkelijke partij wordt voortgezet (artikel 225 lid 2 Rv). Omdat geen van de partijen de schorsingsgrond heeft ingeroepen, wordt het geding voortgezet op naam van [gedaagde partij] .
4.6.
[gedaagde partij] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van CZ worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
145,45
- griffierecht
€
135,00
- salaris gemachtigde
€
288,00
(2 punten × € 144,00)
- nakosten
€
72,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
640,45
5De beslissing
De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde partij] om aan CZ te betalen een bedrag van € 678,36,
5.2.
veroordeelt [gedaagde partij] in de proceskosten van € 640,45, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde partij] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Dohmen en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026.
ECLI:NL:GHSHE:2025:1050.
LIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: 12006247 \ CV EXPL 25-5802
Vonnis van 17 juni 2026
in de zaak van
CZ ZORGVERZEKERINGEN N.V.,
te Tilburg,
eisende partij,
hierna te noemen: CZ,
gemachtigde: GGN Mastering Credit B.V.,
tegen
[bewindvoerder] , in zijn/haar hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van [belanghebbende],
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde partij] ,
gemachtigde: mr. G. Tajjiou.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding- de conclusie van antwoord- de conclusie van repliek ook inhoudende een vermeerdering van eis- de conclusie van dupliek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
[belanghebbende] is of was tegen ziektekosten verzekerd bij CZ. Er zijn een aantal premies voor zowel de basis als de aanvullende verzekering niet betaald.
3Het geschil
3.1.
CZ vordert - samengevat en na vermeerdering van eis - veroordeling van [gedaagde partij] tot betaling van € 678,36, vermeerderd met rente en kosten.
3.2.
[gedaagde partij] voert verweer.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
4.1.
CZ vordert in de dagvaarding betaling van een bedrag van € 455,16. In haar conclusie van antwoord voert [gedaagde partij] aan dat zij de hoofdsom betwist. Zij stelt dat CZ geen stukken in het geding heeft gebracht waaruit blijkt dat de vordering terecht is.
4.2.
De kantonrechter verwerpt het verweer van [gedaagde partij] . Bij de dagvaarding is als productie 1 een overzicht overgelegd. Uit dit overzicht blijkt dat het gaat om de premie van de basis dan wel de aanvullende verzekering en over welke periode deze verschuldigd is.
Het is aan [gedaagde partij] om hiertegen gemotiveerd verweer te voeren dan wel om aan te tonen dat de betreffende premies wel zijn betaald. Dit heeft zij niet gedaan.
4.3.
Bij repliek heeft CZ haar vordering vermeerderd met tweemaal een bedrag van € 111,59, dus in totaal een bedrag van € 223,20. Ook hier geeft CZ aan waarop de bedragen betrekking hebben. Ook heeft zij een totaaloverzicht van de openstaande vorderingen overgelegd. Gelet hierop moet het voor [gedaagde partij] duidelijk zijn waarop de vordering betrekking heeft. In haar conclusie van dupliek betwist [gedaagde partij] de vermeerderde vordering niet. Integendeel, zij rept hier met geen enkel woord over.
4.4.
Het niet althans niet gemotiveerde verweer van [gedaagde partij] wordt daarom verworpen. Dit houdt in dat de stellingen van CZ vast staan en dat haar vermeerderde vordering kan worden toegewezen. [gedaagde partij] heeft nog aangevoerd dat CZ haar in de gelegenheid had moeten stellen een betalingsregeling te treffen. Uit het procesdossier leidt de kantonrechter af dat er al eerder een betalingsregeling is getroffen, maar dat die niet is nagekomen. Indien partijen nu weer een betalingsregeling willen treffen, zullen zij hierover in overleg moeten gaan. De kantonrechter kan in zijn vonnis geen regeling opnemen.
4.5.
In de conclusie van dupliek voert [gedaagde partij] verder aan dat het beschermingsbewind is beëindigd en dat daarvan nog stukken in het geding zullen worden gebracht. De zaak is echter in staat van wijzen, zodat geen stukken meer kunnen worden overlegd. Volgens de uitspraak van het Gerechtshof ‘s Hertogenbosch geldt het volgende. Mocht het bewind inderdaad beëindigd zijn, waarover nu nog geen duidelijk is gegeven omdat de beschikking niet is overgelegd, dan is de bewindvoerder niet langer bevoegd om [belanghebbende] in rechte te vertegenwoordigen. Dit is een schorsingsgrond die partijen kunnen laten betekenen dan wel door een akte ter rolle kunnen inroepen, bij gebreke waarvan het geding op naam van de oorspronkelijke partij wordt voortgezet (artikel 225 lid 2 Rv). Omdat geen van de partijen de schorsingsgrond heeft ingeroepen, wordt het geding voortgezet op naam van [gedaagde partij] .
4.6.
[gedaagde partij] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van CZ worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
145,45
- griffierecht
€
135,00
- salaris gemachtigde
€
288,00
(2 punten × € 144,00)
- nakosten
€
72,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
640,45
5De beslissing
De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde partij] om aan CZ te betalen een bedrag van € 678,36,
5.2.
veroordeelt [gedaagde partij] in de proceskosten van € 640,45, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde partij] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Dohmen en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026.
ECLI:NL:GHSHE:2025:1050.