Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Limburg

ECLI:NL:RBLIM:2026:5077

2026-05-21 Bestuursrecht ROE 24/4781
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Limburg
Uitspraakdatum
2026-05-21
Publicatiedatum
2026-05-21
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
ROE 24/4781
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Last onder dwangsom vanwege overtreding van artikel 3:1 van de Algemene Plaatselijke Verordening Heerlen 2021. De rechtbank is van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat eiser – kort gezegd – het kennelijke doel had om op een openbare plaats in verdovende middelen te handelen. Het beroep is daarom gegrond. De rechtbank voorziet zelf in de zaak door de last onder dwangsom te herroepen.

Citeert (5)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (13.707 tekens)
RECHTBANK LIMBURG


Zittingsplaats Roermond



Bestuursrecht



Zaaknummer: ROE 24/4781


Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 mei 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. F.E.L. Teerling),


en


de burgemeester van de gemeente Heerlen
(gemachtigde: mr. S. Quaedvlieg).


Samenvatting


1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser gericht tegen de last onder dwangsom die aan hem is opgelegd. Eiser is het daar niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van die beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de toewijzing van het verzoek.



1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.





Procesverloop


2. Op 13 augustus 2024 heeft de burgemeester aan eiser een last onder dwangsom opgelegd die inhoud dat bij een volgende overtreding van het bepaalde in artikel 3:1 van de Algemene Plaatselijke Verordening Heerlen 2021 (hierna: de APV) eiser een dwangsom zal verbeuren van € 5.000,- per geconstateerde overtreding, met een maximum van € 20.000,-.



2.1.
Eiser heeft bezwaar ingediend tegen de last onder dwangsom. Met de beslissing op bezwaar van 14 oktober 2024 heeft de burgemeester het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en is hij bij de oplegging van de last onder dwangsom gebleven.



2.2.
Vervolgens heeft eiser beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar. De burgemeester heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 8 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigden van partijen deelgenomen. Eiser is niet verschenen.






Beoordeling door de rechtbank



Wat is er gebeurd voorafgaand aan de last onder dwangsom?

3. De rechtbank stelt vast dat de last onder dwangsom is opgesteld naar aanleiding van de bestuurlijke rapportage van 23 juli 2024. Zij zal de gebeurtenissen die daarin zijn opgenomen eerst kort benoemen voordat zij ingaat op de beoordeling van het beroep.



3.1.
Als bevindingen staat in de bestuurlijk rapportage opgenomen dat vanwege een mogelijke steekpartij op 10 juli 2024 meerdere eenheden zijn verzocht om naar het centrum in Heerlen te rijden. Uit camerabeelden bleek dat eiser een ander persoon heeft mishandeld en dat hij iets zou verstoppen in de struikjes bij een verkeersbord. In het centrum zijn eiser en de andere persoon staande gehouden. De andere persoon heeft tijdens zijn staandehouding onder andere verklaard dat eiser een dealer is. Verbalisanten hebben vervolgens bij de struikjes 29 sealtjes met daarin in totaal 10 gram cocaïne gevonden. Naar aanleiding hiervan is ook de woning van eiser doorzocht, waar ook cocaïne is gevonden. Eiser heeft toen verklaard dat hij zelf gebruiker is.



Criminal charge


4. Eiser voert aan dat de last onder dwangsom als een criminal charge dient te worden aangemerkt, omdat de bestuursrechtelijke straf veel zwaarder is dan de daadwerkelijke straf die zou volgen vanuit het strafrecht. De bestuursrechtelijke aanpak is disproportioneel en onevenredig, aldus eiser.

5. De rechtbank is van oordeel dat de last onder dwangsom niet kan worden aangemerkt als een criminal charge. Zij overweegt daarover het volgende.



5.1.
Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft in het arrest Engel drie criteria geformuleerd voor de bepaling of sprake is van een criminal charge. Ten eerste is van belang de classificatie van de sanctie naar nationaal recht, ten tweede de aard van de overtreding - mede bezien in relatie tot het doel van de sanctie - en ten derde de zwaarte van de maatregel. De laatste twee criteria zijn niet cumulatief: het voldoen aan één van deze criteria kan in bepaalde gevallen reeds leiden tot de conclusie dat van een criminal charge sprake is. Daarnaast is mogelijk dat het tweede en derde criterium in samenhang bezien een dergelijke conclusie kunnen rechtvaardigen.



5.2.
Een last onder dwangsom is naar nationaal recht geclassificeerd als een herstelsanctie. Het doel van de last onder dwangsom is in dit geval het voorkomen van een herhaling van de overtreding van de APV. Met het artikel uit de APV wordt beoogd te voorkomen dat de openbare orde wordt verstoord. De last onder dwangsom is niet strafrechtelijk van aard. Als eiser niet opnieuw de overtreding begaat, verbeurt hij geen dwangsom. De zwaarte van de last is in die zin beperkt. De dwangsom is, volgens vaste jurisprudentie, ook niet zodanig hoog dat dit zou maken dat de last als een criminal charge moet worden aangemerkt. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.




Bevoegdheid van de burgemeester


6. Eiser voert aan dat er voor overtreding van de APV sprake moet zijn van handel in verdovende middelen in de openbare ruimte. Daar is op geen enkele wijze sprake van. De burgemeester draagt hiervoor de bewijslast. Het vermoeden van de burgemeester is zowel ongegrond als onvoldoende om aan de voorwaarden van die bepaling te voldoen. Eiser ontkent dat hij op straat verdovende middelen bij zich had en geeft aan dat de verdovende middelen die bij hem thuis zijn gevonden zijn bedoeld voor eigen gebruik. Hij is ook alleen strafrechtelijk vervolgd voor bezit van verdovende middelen en niet voor handel. Tenslotte merkt hij op dat er ook geen handelsattributen of iets dergelijks zijn aangetroffen.

7. In artikel 3:1 van de APV is bepaald dat het, onverminderd het bepaalde in de Opiumwet, verboden is om op of aan de weg post te vatten of zich daar heen en weer te bewegen en zich op of aan wegen in of op een voertuig te bevinden of daarmee heen en weer of rond te rijden, met het kennelijke doel om middelen als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, al dan niet tegen betaling af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.



7.1.
Vooropgesteld moet worden dat voor overtreding van artikel 3:1 van de APV sprake moet zijn van het kennelijke doel om in de openbare ruimte (binnen de gemeente) verdovende middelen af te leveren, aan te bieden, te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te middelen. Als geen sprake is van dat kennelijke doel, is geen sprake van een overtreding en kan de burgemeester ook niet optreden. Het is niet nodig dat, zoals eiser lijkt te veronderstellen, daadwerkelijk sprake is van handel. Dat sprake is van het kennelijke doel moet door de burgemeester worden onderbouwd. Daarbij mag hij, onverminderd zijn eigen verantwoordelijkheid om bewijs vast te stellen, in beginsel afgaan op de juistheid van de bevindingen in een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt en ondertekend proces-verbaal, voor zover deze eigen waarnemingen van de opsteller hiervan weergeven. Het kennelijke doel om verdovende middelen te verhandelen kan blijken uit ervaringsfeiten en concrete omstandigheden zoals het aanspreken van voorbijgangers en het waarnemen van transacties. Uit de rechtspraak van de hoogste rechter in dit soort zaken kan worden opgemaakt dat overtreding van (een soortgelijke bepaling uit) de APV doorgaans bewezen wordt geacht als sprake is van verklaringen van getuigen dat verdovende middelen worden verhandeld en er handelingen zijn waargenomen die worden herkend als dealergedrag.



7.2.
Uit het bestuurlijk rapportage blijkt naar oordeel van de rechtbank onvoldoende dat eiser, op de openbare plaats waar hij is aangetroffen, aanwezig was met het kennelijk doel om – kort gezegd – op een openbare plaats in verdovende middelen te handelen. Dat een derde heeft verklaard dat eiser een drugsdealer is en dat eiser – daargelaten of dat juist is – verspreid over meerdere zakjes harddrugs bij zich zou hebben, is onvoldoende voor het oordeel dat aannemelijk is dat eiser dit kennelijk op dat moment in de openbare ruimte wilde verhandelen of daarbij betrokken was. De aanwezigheid van verdovende middelen kan weliswaar een aanwijzing zijn voor drugshandel, maar rechtvaardigt het opleggen van een last onder dwangsom niet op zichzelf. Ook de verklaring van de derde rechtvaardigt niet de conclusie dat eiser op dat moment aanwezig was met dat kennelijke doel omdat de derde bijvoorbeeld niet heeft verklaard dat eiser iets aan hem heeft verkocht dan wel wilde verkopen. Er dienen alsnog concretere indicaties te zijn dat eiser het kennelijke doel had. De andere omstandigheden die worden benoemd in de bestuurlijk rapportage, zoals het (gewelds)incident, de ambtshalve bekendheid dat er nabij het centrum wordt gedeald en de verdovende middelen die zijn gevonden bij eiser thuis, maken ook niet dat vastgesteld kan worden dat eiser het kennelijke doel had om op een openbare plaats in verdovende middelen te handelen. De rechtbank is anderszins ook niet gebleken van verklaringen dat daadwerkelijk door eiser in de openbare ruimte verdovende middelen zijn of worden verhandeld of handelingen die worden herkend als dealergedrag. Er kan daarom niet worden vastgesteld dat de APV is overtreden. Deze beroepsgrond slaagt.





Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is gegrond. De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende is gebleken dat eiser zich op 10 juli 2024 op of aan de weg postvatte of zich daar heen en weer bewoog met het kennelijke doel om middelen als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, al dan niet tegen betaling af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen. Dat heeft tot gevolg dat de bevoegdheid tot opleggen van de last onder dwangsom ontbreekt. Zij vernietigt daarom de beslissing op bezwaar van 14 oktober 2024.

9. Verder ziet de rechtbank aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, onder b, van de Algemene wet bestuursrecht zelf in de zaak te voorzien. Omdat niet is gebleken van een overtreding van de APV bepaalt de rechtbank dat het bezwaar van eiser gegrond is en herroept zij de last onder dwangsom van 13 augustus 2024. Deze uitspraak zal in plaats treden van de beslissing op bezwaar.

10. Omdat de rechtbank het beroep tegen de beslissing op bezwaar gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat de burgemeester aan eiser het door hem betaalde griffierecht moet vergoeden.

11. De rechtbank veroordeelt de burgemeester tenslotte in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht in beroep voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met wegingsfactor 1 en een waarde per punt van € 934,-).





Beslissing


De rechtbank:




verklaart het beroep gegrond;


vernietigt de beslissing op bezwaar van 14 oktober 2024;


herroept de last onder dwangsom van 13 augustus 2024;


bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;


bepaalt dat de burgemeester het griffierecht van € 187,- aan eiser moet vergoeden;


veroordeelt de burgemeester tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.





Deze uitspraak is gedaan door mr. D.D. Kock, rechter, in aanwezigheid van B.A.E.I. van Hooff, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2026














griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 21 mei 2026





Informatie over hoger beroep


Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.




ECLI:NL:XX:1976:AC0386, overweging 82.


Zie wat is overwogen onder 2.4 in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 11 mei 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1361.


Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 20 april 2022, ECLI:NL:RVS:2020:1117.


Zie wat is overwogen onder 5.1 in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 9 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:400.


Zie wat is overwogen onder 5.1 in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 5 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5330.