Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Limburg

ECLI:NL:RBLIM:2026:4819

2026-05-27 Civiel recht; Verbintenissenrecht C/03/345194 / HA ZA 25-393
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Limburg
Uitspraakdatum
2026-05-27
Publicatiedatum
2026-05-18
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure
Bodemzaak
Zaaknummer
C/03/345194 / HA ZA 25-393
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Gemeente is niet aansprakelijk voor stofoverlast veroorzaakt door verkeer over een half verharde bosweg. Tegen de achtergrond van de omstandigheden van het geval en de wederzijdse belangen van partijen bestaat onvoldoende grond voor de conclusie dat de hinder onrechtmatig is.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (16.690 tekens)
RECHTBANK Limburg


Civiel recht



Zittingsplaats Roermond



Zaaknummer: C/03/345194 / HA ZA 25-393




Vonnis van 27 mei 2026




in de zaak van





1 [eiser 1] ,

te [plaats] ,2. [eiser 2],
te [plaats] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eisers] ,
advocaat: mr. F.K. van den Akker,



tegen




GEMEENTE VENLO,
te Venlo,
gedaagde partij,
hierna te noemen: de gemeente,
advocaat: mr. M.G.G. van Nisselroij.






1De procedure


1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding- de conclusie van antwoord- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald
- de door [eisers] ingediende akte houdende nadere producties 32 tot en met 42
- de door de gemeente ingediende akte houdende nadere producties 2 en 3
- de mondelinge behandeling van 6 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt en ter gelegenheid waarvan door partijen spreekaantekeningen zijn overgelegd.



1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.





2De feiten


2.1.

[eisers] zijn sinds 27 mei 2021 eigenaar van de woning en ondergrond gelegen aan [adres] (hierna “de woning”). De woning is gelegen op [locatie 1] en ligt met de tuin naast de [straat 1] . De [straat 1] is een gedeeltelijk verharde bosweg.



2.2.
Naast [locatie 1] ligt [locatie 2] . Op dit park worden arbeidsmigranten gehuisvest op basis van een door de gemeente tijdelijk verleende omgevingsvergunning.



2.3.
De [straat 1] wordt gebruikt als ontsluitingsweg van [locatie 2] naar de doorgaande (geasfalteerde) weg [straat 2] .



2.4.
Vlak na hun intrek in de woning in juli 2022 hebben [eisers] bij de gemeente gemeld dat zij zand- en stofoverlast van de [straat 1] ondervonden door veelvuldig gebruik van de [straat 1] door de op [locatie 2] wonende arbeidsmigranten.



2.5.


[eisers] hebben op 23 maart 2023 over de zand- en stofoverlast een klacht ingediend bij de gemeente. Deze klacht heeft de gemeente bij brief van 25 januari 2024 ongegrond verklaard en verwezen naar het rapport van bevindingen van de klachtadviescommissie.
In dit rapport van bevindingen wordt niet bestreden dat de [straat 1] intensief wordt gebruikt door de arbeidsmigranten maar wordt geconcludeerd dat dit bekend was op het moment dat [eisers] daar hun huis kochten. De commissie erkent dat [eisers] stofoverlast ervaren maar achten het intensieve gebruik van de [straat 1] geen reden om de situatie aan te passen. Het asfalteren van de [straat 1] behoort volgens de commissie niet tot de opties en de gemeente voldoet volgens de commissie aan haar zorgplicht door jaarlijks onderhoud uit te voeren door de bosweg glad te strijken.
De commissie adviseert een gesprek tussen [eisers] , de beheerder van [locatie 2] en de gemeente.




2.6.
Het door de commissie geadviseerde gesprek heeft op 28 maart 2024 plaatsgevonden maar leverde geen voor [eisers] bevredigend resultaat op.



2.7.
Vervolgens hebben [eisers] de gemeente bij brief van 22 mei 2024 aansprakelijk gesteld voor de door hen geleden schade en gesommeerd om maatregelen te treffen. Deze aansprakelijkstelling is door de verzekeraar van de gemeente, namens deze, bij e-mails van 4 februari en 19 mei 2025 afgewezen.



2.8.
In opdracht van de gemeente heeft een aannemer op 3 april 2025 een laag Noors grit op de [straat 1] aangebracht. Om stofoverlast tegen te gaan wordt de [straat 1] nat gespoten met een tankwagen en worden kiezels op de weg aangebracht en worden stenen blokken geplaatst als snelheidsbeperkende maatregel. Tot slot worden als snelheidsbeperkende maatregel op 23 juni 2025 nog drempels geplaatst met Noors grit daartussen.






3Het geschil


3.1.


[eisers] vorderen bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
I een verklaring voor recht dat de gemeente jegens hen onrechtmatig handelt door toe te staan dat de [straat 1] wordt gebruikt voor vervoer van arbeidsmigranten met ernstige stofoverlast voor [eisers] als gevolg;
II de gemeente te veroordelen om binnen 28 dagen na betekening van dit vonnis de [straat 1] :
a) Primair: af te sluiten en afgesloten te houden voor alle gemotoriseerd verkeer, met uitzondering van nooddiensten of verkeer dat nodig is voor beheer en onderhoud van [locatie 2] ;
b) Subsidiair: te voorzien van een maximaal 4 meter brede asfaltlaag of andere niet stoffende verhardingslaag;
III de gemeente te veroordelen om met ingang van de dag na betekening van dit vonnis de [straat 1] zodanig nat te houden dat stofoverlast wordt voorkomen;
IV de gemeente te veroordelen om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis een schadevergoeding te betalen van € 300,-- per maand wegens gederfd woongenot vanaf 5 juli 2022 totdat aan de veroordeling onder II of III is voldaan;
V de gemeente te veroordelen in de proceskosten van [eisers] .




3.2.
De gemeente heeft geconcludeerd tot het niet-ontvankelijk verklaren van [eisers] in hun vorderingen, althans die vorderingen af te wijzen met veroordeling van [eisers] in de proceskosten.



3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.





4De beoordeling


4.1.

Partijen zijn het eens en de rechtbank gaat er vanuit dat [eisers] in perioden van droogte stofoverlast ervaren door verkeer dat over de [straat 1] langs hun perceel rijdt. In deze procedure gaat het om de vraag of deze overlast onrechtmatig is en de gemeente als eigenaar en beheerder van de weg daarvoor aansprakelijk is.
De rechtbank is van oordeel dat dit niet het geval is. Dit oordeel is gebaseerd op de volgende overwegingen.




Geen schending van de onderhoudsplicht




4.2.

[eisers] hebben de aansprakelijkheid van de gemeente gebaseerd op het schenden van de in de Wegenwet vastgelegde onderhoudsplicht van de gemeente voor de bij haar in beheer of eigendom zijnde wegen.



4.3.
Partijen zijn het eens dat de [straat 1] een gedeeltelijk verharde bosweg is die met name dient als ontsluiting van het [locatie 2] naar de doorgaande geasfalteerde [straat 2] . [eisers] hebben, mede gelet op het door de gemeente gevoerde verweer, onvoldoende gesteld en onderbouwd om de conclusie te rechtvaardigen dat de gemeente niet voldoet aan de op haar rustende onderhoudsplicht van de weg.



4.4.
De gemeente heeft aangevoerd en [eisers] hebben bevestigd dat de gemeente de [straat 1] na het ontstaan van gaten en kuilen in de weg regelmatig laat gladstrijken waardoor de weg veilig door het verkeer kan worden gebruikt. Uit het rapport van bevindingen van de klachtadviescommissie volgt dat het onderhoud in het voorjaar plaatsvindt omdat bij onderhoud in het najaar kans bestaat dat bij het gladstrijken modder ontstaat waardoor de weg beschadigd raakt.



4.5.

Dat de onderhoudstaak op grond van de Wegenwet verder gaat dan het in goede staat houden (lees: veilig als bosweg kunnen gebruiken) van de half verharde bosweg heeft de gemeente betwist en hebben [eisers] niet onderbouwd. Dit betekent dat de onderhoudsplicht van de gemeente niet zo ver strekt dat de gemeente dient te voorkomen dat bij gebruik van de bosweg stof ontstaat door deze bijvoorbeeld in droge periodes nat te houden of te asfalteren.
Met het regelmatig glad trekken van de [straat 1] voldoet de gemeente daarom aan de op haar rustende onderhoudsplicht.




Geen onrechtmatige hinder
4.6. Op grond van artikel 5:37 BW mag de eigenaar van een perceel (in dit geval de gemeente als eigenaar van een weg) aan de eigenaar van een ander perceel (in dit geval [eisers] die naast de weg wonen) geen onrechtmatige hinder toebrengen. [eisers] stellen dat de gemeente in strijd handelt met deze bepaling vanwege de stofoverlast die zij ondervinden van het verkeer over de [straat 1] .




4.7.
Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad hangt het antwoord op de vraag of sprake is van onrechtmatige hinder, af van de aard, de ernst en de duur van de hinder en de daardoor toegebrachte schade in verband met de verdere omstandigheden van het geval. Daarbij moet onder meer rekening worden gehouden met het gewicht van de belangen die door de hinder toebrengende activiteit worden gediend, en de mogelijkheid - mede gelet op de daaraan verbonden kosten - en de bereidheid om maatregelen ter voorkoming van schade te treffen. Daarbij is verder van belang of degene die zich beklaagt over hinder, zich op die plek heeft gevestigd vóór dan wel ná het tijdstip waarop de hinder veroorzakende omstandigheden zijn begonnen. In dat laatste geval zal hij ‘een zekere mate van hinder’ eerder hebben te accepteren.



4.8.
De stelplicht en bewijslast van de onrechtmatigheid van de hinder rust op [eisers] als degenen die zich op de rechtsgevolgen daarvan beroepen. De rechtbank is van oordeel dat zij onvoldoende hebben gesteld en onderbouwd om de conclusie te rechtvaardigen dat de gemeente aansprakelijk is voor de door [eisers] ondervonden stofoverlast. Dit oordeel is gebaseerd op de volgende overwegingen.



4.9.

Duidelijk is dat [eisers] in perioden van droogte overlast ondervinden van stof veroorzaakt door autoverkeer van hoofdzakelijk arbeidsmigranten over de [straat 1] . Eveneens is duidelijk dat de [straat 1] altijd een half verharde bosweg is geweest die gebruikt werd als verbindingweg tussen [locatie 2] en de doorgaande weg [straat 2] . Op het moment dat [eisers] hun woning kochten en deze gingen bewonen werd het [locatie 2] al gebruikt voor huisvesting van arbeidsmigranten. Dit was bij [eisers] ook bekend. [eisers] hebben dit namelijk tijdens de hoorzitting van de klachtadviescommissie van de gemeente bevestigd. [eisers] waren dan ook bij de koop van hun woning op de hoogte, of hadden op de hoogte kunnen zijn, dat het verkeer over de [straat 1] bij droog weer stofoverlast zou kunnen veroorzaken. De omstandigheid dat de huisvestiging van de arbeidsmigranten door de gemeente tijdelijk was toegestaan en bij [eisers] de verwachting bestond dat de arbeidsmigranten zouden worden verplaatst naar een andere locatie doet daar niet aan af.
Dit betekent dat [eisers] een zekere mate van hinder door stof hebben te accepteren en niet kunnen verlangen dat de gemeente iedere vorm van stofhinder dient te voorkomen.




4.10.
Uit de stukken en de door partijen tijdens de zitting gegeven toelichting volgt dat de gemeente diverse maatregelen heeft getroffen nadat [eisers] geklaagd hadden over stofoverlast. De gemeente heeft de [straat 1] voorzien van een nieuwe gritlaag en daarnaast zijn diverse maatregelen genomen om het verkeer te vertragen. De breedte van de weg werd op sommige plaatsen begrensd door middel van zogenaamde jumboblokken (betonblokken) en er zijn diverse verkeersdrempels geplaatst.



4.11.
Dat deze maatregelen de overlast niet althans onvoldoende beperken hebben [eisers] niet aangetoond. Het proces-verbaal van bevindingen van de deurwaarder is van 21 maart 2025 (periode van 12:30 uur tot 12:45) en is daarmee opgemaakt voordat de hiervoor genoemde maatregelen zoals het aanleggen van de drempels zijn getroffen. Over de ernst en de duur van de stofoverlast na het treffen van de maatregelen hebben [eisers] onvoldoende gesteld en onderbouwd. De gemeente heeft in dat verband onweersproken gesteld dat nadat de laatste drempels waren gelegd in het najaar van 2025, zij geen klachten meer heeft ontvangen van [eisers] .



4.12.

De gemeente heeft verder onderbouwd als verweer aangevoerd dat met deze maatregelen door haar een voldoende inspanning is verricht om de stofoverlast voor [eisers] zoveel mogelijk te beperken. Het asfalteren van de [straat 1] behoort vanwege het belang bij een behoud van het landelijke karakter van de [straat 1] en de zeer hoge kosten niet tot de mogelijkheden. Verder heeft de gemeente goed toegelicht dat het afsluiten van de [straat 1] voor gemotoriseerd verkeer geen optie is omdat het een openbare weg is en de alternatieve route van [locatie 2] zoals door [eisers] wordt voorgesteld om meerdere redenen niet geschikt is (te smal, te veel om, door natuurgebied).
De rechtbank merkt op dat bovendien van belang is dat de stofoverlast wordt veroorzaakt door passerend verkeer (dat wil zeggen: door derden) en niet door de gemeente zelf. De feitelijke rol van de gemeente van de gemeente is beperkt tot het toegankelijk houden van de weg en het onderhoud daarvan. De juridische bewegingsruimte van de gemeente is daarbij beperkt door de aard van de weg (bosweg in landelijk gebied) en de wettelijke verplichting om openbaar verkeer aldaar toe te laten.




4.13.
Tegen de achtergrond van de hiervoor weergegeven omstandigheden en de wederzijdse belangen van partijen bestaat onvoldoende grond voor de conclusie dat de hinder onrechtmatig is. Dit betekent dat de hierop gebaseerde vorderingen niet voor toewijzing in aanmerking komen.



proceskosten




4.14.

[eisers] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de gemeente worden begroot op:









- griffierecht


€


2.995,00







- salaris advocaat


€


1.108,00


(2 punten × € 554,00)




- nakosten


€


189,00


(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)




Totaal


€


4.292,00











4.15.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.





5De beslissing


De rechtbank



5.1.
wijst de vorderingen van [eisers] af,



5.2.
veroordeelt [eisers] in de proceskosten van € 4.292,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eisers] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,



5.3.
veroordeelt [eisers] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,



5.4.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.


Dit vonnis is gewezen door mr. dr. Kluin en in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2026.








artikel 16 van de Wegenwet


Dagvaarding randnummer 12


Productie 6 pagina 4 van het rapport


zie bijvoorbeeld Hoge Raad 21 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT8823


HR 18 september 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2704, NJ 1999/69 (bijenspat)


Productie 6 bij dagvaarding


productie 4 bij dagvaarding