Rechtbank Limburg
ECLI:NL:RBLIM:2026:4770
2026-05-20
Civiel recht; Verbintenissenrecht
12014097 \ CV EXPL 25-6157
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Geen aanspraak op wettelijke rente over legitieme portie. Geen verzuim en geen strijd met de redelijkheid en billijkheid. Vordering wordt afgewezen.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (10.905 tekens)
RECHTBANK
LIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: 12014097 \ CV EXPL 25-6157
Vonnis van 20 mei 2026
in de zaak van
[eisende partij]
,
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eisende partij] ,
gemachtigde: mr. B. van Meurs,
tegen
[gedaagde partij] ,
in haar hoedanigheid van executeur c.q. afwikkelingsbewindvoerder in de nalatenschap van de heer [erflater],
te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde partij] ,
gemachtigde mr. J.M.R. Balkenende.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding- de conclusie van antwoord- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald
- de mondelinge behandeling van 14 april 2026, waarbij partijen zijn verschenen,
bijgestaan door hun gemachtigden.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
Op [datum 1] 2020 is overleden de heer [erflater] (hierna: erflater).
Op [datum 2] 2019 was reeds overleden mevrouw [moeder] (hierna: moeder).
Moeder en erflater hadden twee kinderen: [gedaagde partij] (gedaagde) en [eisende partij] (eiseres).
De nalatenschap van moeder is afgewikkeld.
2.2.
Erflater heeft bij testament van 4 februari 2020 over zijn nalatenschap beschikt. In dit testament heeft erflater [eisende partij] onterfd en [gedaagde partij] tot enig erfgenaam benoemd. Daarnaast heeft erflater [gedaagde partij] benoemd tot executeur en afwikkelingsbewindvoerder van zijn nalatenschap. [gedaagde partij] heeft deze benoeming aanvaard.
2.3.
[eisende partij] heeft een beroep gedaan op haar legitieme portie in de nalatenschap van erflater. Partijen twistten over de hoogte van de legitimaire massa en de legitieme portie.
De rechtbank heeft bij vonnis van 7 mei 2025 de hoogte van de legitieme portie van [eisende partij] vastgesteld op € 32.199,95.
2.4.
Op 25 februari 2025 heeft [eisende partij] de legitieme portie van € 32.199,95 van [gedaagde partij] ontvangen.
3Het geschil
3.1.
[eisende partij] vordert - samengevat - dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
Voor recht verklaart dat [eisende partij] aanspraak heeft op de samengestelde, althans enkelvoudig, per dag berekende wettelijke rente over het bedrag van € 32.199,95 aan legitieme portie, zoals vastgesteld bij vonnis van 7 mei 2025;
[gedaagde partij] te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente tot 25 februari 2025 over die legitieme portie van € 32.199,95:
vanaf 9 juli 2021 oftewel betaling van € 5.405,23, althans
vanaf 3 september 2021 oftewel betaling van € 5.293,43, althans
vanaf 16 maart 2023 oftewel tot betaling van € 4.013,96, althans
vanaf 29 mei 2024 oftewel tot betaling van € 1.627,51, althans
vanaf 14 augustus 2024 oftewel tot betaling van € 1.153,31;
3) [gedaagde partij] te veroordelen in de kosten van de procedure, inclusief nakosten, en in de buitengerechtelijke incassokosten, steeds te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.2.
[eisende partij] legt aan haar vordering ten grondslag dat zij recht heeft op de wettelijke rente over de legitieme portie vanaf het moment dat zij aanspraak daarop maakte. Vanaf het moment dat zij daarop aanspraak maakte (in maart 2021) heeft [gedaagde partij] herhaaldelijk nagelaten de volgens haarzelf verschuldigde legitieme portie uit te betalen.
3.3.
[gedaagde partij] voert verweer. [gedaagde partij] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eisende partij] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eisende partij] , met veroordeling van [eisende partij] in de kosten van deze procedure.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
4.1.
De kantonrechter overweegt het volgende.
Tussen partijen is niet in geschil dat [eisende partij] in maart 2021 aanspraak heeft gemaakt op de legitieme portie. Tussen partijen staat verder vast dat [gedaagde partij] op grond van artikel 4:84 BW de wettelijke verhoging van de legitieme portie aan [eisende partij] heeft betaald ten bedrage van
€ 322,00. Deze wettelijke verhoging is verschuldigd vanaf de dag waarop aanspraak op de legitieme portie is gemaakt.
4.2.
De wettelijke rente die [eisende partij] in deze procedure vordert, vindt zijn grondslag in artikel 6:119 BW. De wettelijke rente is volgens dit artikel pas verschuldigd vanaf het moment dat de schuldenaar met de voldoening van zijn geldschuld in verzuim is. Voor verzuim is in beginsel een schriftelijke ingebrekestelling nodig, waarbij de schuldenaar een redelijke termijn voor nakoming wordt gesteld. [gedaagde partij] betwist dat zij een ingebrekestelling heeft ontvangen. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [eisende partij] dit ook niet aangetoond, zodat van verzuim na een schriftelijke ingebrekestelling geen sprake is.
4.3.
[eisende partij] stelt zich daarnaast op het standpunt dat, bij gebreke van een schriftelijke ingebrekestelling, de dagvaarding in de eerdere procedure bij de rechtbank als ingebrekestelling moet worden aangemerkt. De kantonrechter stelt vast dat [eisende partij] in die procedure heeft gevorderd dat de rechtbank voor recht verklaart dat contante geldopnames meegenomen dienen te worden bij het becijferen van de legitimaire massa en [gedaagde partij] veroordeelt om met inachtneming van de contante geldopnames de legitieme portie opnieuw te becijferen en aan [eisende partij] uit te keren. [eisende partij] heeft in die procedure echter geen concreet bedrag gevorderd en ook geen wettelijke rente. Die dagvaarding kan naar het oordeel van de kantonrechter dan ook niet als ingebrekestelling gelden, zodat ook daaruit geen verzuim is voortgevloeid.
4.4.
[eisende partij] stelt zich subsidiair op het standpunt dat de redelijkheid en billijkheid eraan in de weg staan dat [gedaagde partij] zich als schuldenaar op het uitblijven van een ingebrekestelling beroept. Er is immers veelvuldig gecorrespondeerd over de legitieme portie en [gedaagde partij] erkent dat [eisende partij] aanspraak heeft gemaakt op die legitieme portie. Verder wordt door of namens [gedaagde partij] op 6 april 2021 en op 9 juli 2021 geschreven over het uitkeren van een bedrag respectievelijk het afwikkelen van de legitieme portie. Dit kan bezwaarlijk anders worden uitgelegd dan dat [gedaagde partij] aangeeft de legitieme portie de willen uitbetalen, aldus [eisende partij] . Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft [eisende partij] daar nog aan toegevoegd dat zij jarenlang rendement had kunnen halen uit de legitieme portie indien deze eerder aan haar was uitgekeerd. De nalatenschap heeft dat rendement al die jaren wel gehad.
4.5.
De kantonrechter is van oordeel dat de omstandigheid dat [gedaagde partij] in de buitengerechtelijke correspondentie heeft laten blijken zich te realiseren dat zij de legitieme portie aan [eisende partij] moest uitbetalen, onvoldoende is om van verzuim te kunnen spreken. Daarvoor had [eisende partij] aan [gedaagde partij] een duidelijke ingebrekestelling moeten sturen met daarin vermeld een concreet bedrag, haar een termijn voor nakoming moeten stellen en, bij gebreke van nakoming, de wettelijke rente moeten aanzeggen. Dit heeft [eisende partij] niet gedaan. De kantonrechter acht het niet in strijd met de redelijkheid en billijkheid dat [gedaagde partij] vasthoudt aan haar stelling dat van verzuim geen sprake is. De stelling van [eisende partij] dat de nalatenschap jarenlang voordeel heeft gehad doordat [gedaagde partij] de legitieme portie niet aan haar heeft uitgekeerd en zij hierdoor rendement is misgelopen acht de kantonrechter evenmin voldoende om te kunnen stellen dat het in strijd met de redelijkheid en billijkheid is als [eisende partij] geen wettelijke rente over de legitieme portie toekomt.
4.6.
Nu er geen sprake is van verzuim en het naar het oordeel van de kantonrechter niet in strijd is met de redelijkheid en billijkheid dat [eisende partij] geen aanspraak kan maken op de wettelijke rente over de legitieme portie, zal de vordering van [eisende partij] worden afgewezen.
4.7.
[eisende partij] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde partij] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
€
720,00
(2 punten × € 360,00)
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
864,00
5De beslissing
De kantonrechter
5.1.
wijst de vorderingen van [eisende partij] af,
5.2.
veroordeelt [eisende partij] in de proceskosten van € 864,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eisende partij] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend.
Dit vonnis is gewezen door mr. Roeffen en in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2026.
LIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: 12014097 \ CV EXPL 25-6157
Vonnis van 20 mei 2026
in de zaak van
[eisende partij]
,
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eisende partij] ,
gemachtigde: mr. B. van Meurs,
tegen
[gedaagde partij] ,
in haar hoedanigheid van executeur c.q. afwikkelingsbewindvoerder in de nalatenschap van de heer [erflater],
te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde partij] ,
gemachtigde mr. J.M.R. Balkenende.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding- de conclusie van antwoord- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald
- de mondelinge behandeling van 14 april 2026, waarbij partijen zijn verschenen,
bijgestaan door hun gemachtigden.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
Op [datum 1] 2020 is overleden de heer [erflater] (hierna: erflater).
Op [datum 2] 2019 was reeds overleden mevrouw [moeder] (hierna: moeder).
Moeder en erflater hadden twee kinderen: [gedaagde partij] (gedaagde) en [eisende partij] (eiseres).
De nalatenschap van moeder is afgewikkeld.
2.2.
Erflater heeft bij testament van 4 februari 2020 over zijn nalatenschap beschikt. In dit testament heeft erflater [eisende partij] onterfd en [gedaagde partij] tot enig erfgenaam benoemd. Daarnaast heeft erflater [gedaagde partij] benoemd tot executeur en afwikkelingsbewindvoerder van zijn nalatenschap. [gedaagde partij] heeft deze benoeming aanvaard.
2.3.
[eisende partij] heeft een beroep gedaan op haar legitieme portie in de nalatenschap van erflater. Partijen twistten over de hoogte van de legitimaire massa en de legitieme portie.
De rechtbank heeft bij vonnis van 7 mei 2025 de hoogte van de legitieme portie van [eisende partij] vastgesteld op € 32.199,95.
2.4.
Op 25 februari 2025 heeft [eisende partij] de legitieme portie van € 32.199,95 van [gedaagde partij] ontvangen.
3Het geschil
3.1.
[eisende partij] vordert - samengevat - dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
Voor recht verklaart dat [eisende partij] aanspraak heeft op de samengestelde, althans enkelvoudig, per dag berekende wettelijke rente over het bedrag van € 32.199,95 aan legitieme portie, zoals vastgesteld bij vonnis van 7 mei 2025;
[gedaagde partij] te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente tot 25 februari 2025 over die legitieme portie van € 32.199,95:
vanaf 9 juli 2021 oftewel betaling van € 5.405,23, althans
vanaf 3 september 2021 oftewel betaling van € 5.293,43, althans
vanaf 16 maart 2023 oftewel tot betaling van € 4.013,96, althans
vanaf 29 mei 2024 oftewel tot betaling van € 1.627,51, althans
vanaf 14 augustus 2024 oftewel tot betaling van € 1.153,31;
3) [gedaagde partij] te veroordelen in de kosten van de procedure, inclusief nakosten, en in de buitengerechtelijke incassokosten, steeds te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.2.
[eisende partij] legt aan haar vordering ten grondslag dat zij recht heeft op de wettelijke rente over de legitieme portie vanaf het moment dat zij aanspraak daarop maakte. Vanaf het moment dat zij daarop aanspraak maakte (in maart 2021) heeft [gedaagde partij] herhaaldelijk nagelaten de volgens haarzelf verschuldigde legitieme portie uit te betalen.
3.3.
[gedaagde partij] voert verweer. [gedaagde partij] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eisende partij] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eisende partij] , met veroordeling van [eisende partij] in de kosten van deze procedure.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
4.1.
De kantonrechter overweegt het volgende.
Tussen partijen is niet in geschil dat [eisende partij] in maart 2021 aanspraak heeft gemaakt op de legitieme portie. Tussen partijen staat verder vast dat [gedaagde partij] op grond van artikel 4:84 BW de wettelijke verhoging van de legitieme portie aan [eisende partij] heeft betaald ten bedrage van
€ 322,00. Deze wettelijke verhoging is verschuldigd vanaf de dag waarop aanspraak op de legitieme portie is gemaakt.
4.2.
De wettelijke rente die [eisende partij] in deze procedure vordert, vindt zijn grondslag in artikel 6:119 BW. De wettelijke rente is volgens dit artikel pas verschuldigd vanaf het moment dat de schuldenaar met de voldoening van zijn geldschuld in verzuim is. Voor verzuim is in beginsel een schriftelijke ingebrekestelling nodig, waarbij de schuldenaar een redelijke termijn voor nakoming wordt gesteld. [gedaagde partij] betwist dat zij een ingebrekestelling heeft ontvangen. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [eisende partij] dit ook niet aangetoond, zodat van verzuim na een schriftelijke ingebrekestelling geen sprake is.
4.3.
[eisende partij] stelt zich daarnaast op het standpunt dat, bij gebreke van een schriftelijke ingebrekestelling, de dagvaarding in de eerdere procedure bij de rechtbank als ingebrekestelling moet worden aangemerkt. De kantonrechter stelt vast dat [eisende partij] in die procedure heeft gevorderd dat de rechtbank voor recht verklaart dat contante geldopnames meegenomen dienen te worden bij het becijferen van de legitimaire massa en [gedaagde partij] veroordeelt om met inachtneming van de contante geldopnames de legitieme portie opnieuw te becijferen en aan [eisende partij] uit te keren. [eisende partij] heeft in die procedure echter geen concreet bedrag gevorderd en ook geen wettelijke rente. Die dagvaarding kan naar het oordeel van de kantonrechter dan ook niet als ingebrekestelling gelden, zodat ook daaruit geen verzuim is voortgevloeid.
4.4.
[eisende partij] stelt zich subsidiair op het standpunt dat de redelijkheid en billijkheid eraan in de weg staan dat [gedaagde partij] zich als schuldenaar op het uitblijven van een ingebrekestelling beroept. Er is immers veelvuldig gecorrespondeerd over de legitieme portie en [gedaagde partij] erkent dat [eisende partij] aanspraak heeft gemaakt op die legitieme portie. Verder wordt door of namens [gedaagde partij] op 6 april 2021 en op 9 juli 2021 geschreven over het uitkeren van een bedrag respectievelijk het afwikkelen van de legitieme portie. Dit kan bezwaarlijk anders worden uitgelegd dan dat [gedaagde partij] aangeeft de legitieme portie de willen uitbetalen, aldus [eisende partij] . Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft [eisende partij] daar nog aan toegevoegd dat zij jarenlang rendement had kunnen halen uit de legitieme portie indien deze eerder aan haar was uitgekeerd. De nalatenschap heeft dat rendement al die jaren wel gehad.
4.5.
De kantonrechter is van oordeel dat de omstandigheid dat [gedaagde partij] in de buitengerechtelijke correspondentie heeft laten blijken zich te realiseren dat zij de legitieme portie aan [eisende partij] moest uitbetalen, onvoldoende is om van verzuim te kunnen spreken. Daarvoor had [eisende partij] aan [gedaagde partij] een duidelijke ingebrekestelling moeten sturen met daarin vermeld een concreet bedrag, haar een termijn voor nakoming moeten stellen en, bij gebreke van nakoming, de wettelijke rente moeten aanzeggen. Dit heeft [eisende partij] niet gedaan. De kantonrechter acht het niet in strijd met de redelijkheid en billijkheid dat [gedaagde partij] vasthoudt aan haar stelling dat van verzuim geen sprake is. De stelling van [eisende partij] dat de nalatenschap jarenlang voordeel heeft gehad doordat [gedaagde partij] de legitieme portie niet aan haar heeft uitgekeerd en zij hierdoor rendement is misgelopen acht de kantonrechter evenmin voldoende om te kunnen stellen dat het in strijd met de redelijkheid en billijkheid is als [eisende partij] geen wettelijke rente over de legitieme portie toekomt.
4.6.
Nu er geen sprake is van verzuim en het naar het oordeel van de kantonrechter niet in strijd is met de redelijkheid en billijkheid dat [eisende partij] geen aanspraak kan maken op de wettelijke rente over de legitieme portie, zal de vordering van [eisende partij] worden afgewezen.
4.7.
[eisende partij] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde partij] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
€
720,00
(2 punten × € 360,00)
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
864,00
5De beslissing
De kantonrechter
5.1.
wijst de vorderingen van [eisende partij] af,
5.2.
veroordeelt [eisende partij] in de proceskosten van € 864,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eisende partij] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend.
Dit vonnis is gewezen door mr. Roeffen en in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2026.