Rechtbank Limburg
ECLI:NL:RBLIM:2026:460
2026-01-21
Civiel recht; Burgerlijk procesrecht
C/03/346514 / HA ZA 25-450
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Omdat de vordering betrekking heeft op een tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst, verwijst de kamer voor andere zaken dan kantonzaken van deze rechtbank de zaak naar de kantonrechter.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (3.128 tekens)
RECHTBANK Limburg
Civiel recht
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: C/03/346514 / HA ZA 25-450
Vonnis van 21 januari 2026 (bij vervroeging)
in de zaak van
[eiser] B.V.,
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. S.M.M. Hamers,
tegen
[gedaagde]
,
te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. R.P.H. Sangers.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de rolbeslissing van 24 december 2025,
- de akte uitlating van [eiser] ,
- de akte uitlating van [gedaagde] .
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De beoordeling
2.1.
Bij rolbeslissing van 24 december 2025 heeft de rechtbank partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de vraag of de kamer voor andere zaken dan kantonzaken bevoegd is om van het geschil kennis te nemen. Verder is [gedaagde] in de gelegenheid gesteld om de ontbrekende producties 2 en 3 bij conclusie van antwoord in het geding te brengen.
2.2.
Beide partijen refereren zich aan het oordeel van de rechtbank.
2.3.
De rechtbank blijft bij haar oordeel dat de zaak moet worden verwezen naar de kantonrechter van deze rechtbank. Omdat [eiser] haar vordering niet heeft ingediend bij de kantonrechter, zal de rechtbank de zaak op de voet van artikel 71 lid 2 Rv ambtshalve naar de kantonrechter verwijzen.
2.4.
Tot slot stelt de rechtbank vast dat de ontbrekende producties 2 en 3 bij indiening van de originele conclusie van antwoord zijn ontvangen.
3De beslissing
De rechtbank
3.1.
verwijst de zaak in de stand waarin deze zich bevindt naar de rolzitting van de kantonrechter van deze rechtbank, locatie Maastricht, op woensdag 28 januari 2026 voor beraad zaaksrechter,
3.2.
wijst partijen erop dat zij op de hiervoor vermelde rolzitting niet hoeven te verschijnen, omdat de kantonrechter eerst zal beslissen op welke wijze de procedure zal worden voortgezet, waarna de griffier partijen over deze beslissing zal informeren,
3.3.
wijst partijen erop dat zij in het vervolg van de procedure niet meer vertegenwoordigd hoeven te worden door een advocaat, maar ook persoonlijk of bij gemachtigde kunnen verschijnen,
3.4.
wijst partijen erop dat het in deze procedure geheven griffierecht ingevolge artikel 8 lid 4 WGBZ zal worden verlaagd en dat het eventueel teveel betaalde griffierecht door de griffier zal worden teruggestort.
Dit vonnis is gewezen door mr. Etman en in het openbaar uitgesproken op 21 januari 2026.
Civiel recht
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: C/03/346514 / HA ZA 25-450
Vonnis van 21 januari 2026 (bij vervroeging)
in de zaak van
[eiser] B.V.,
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. S.M.M. Hamers,
tegen
[gedaagde]
,
te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. R.P.H. Sangers.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de rolbeslissing van 24 december 2025,
- de akte uitlating van [eiser] ,
- de akte uitlating van [gedaagde] .
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De beoordeling
2.1.
Bij rolbeslissing van 24 december 2025 heeft de rechtbank partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de vraag of de kamer voor andere zaken dan kantonzaken bevoegd is om van het geschil kennis te nemen. Verder is [gedaagde] in de gelegenheid gesteld om de ontbrekende producties 2 en 3 bij conclusie van antwoord in het geding te brengen.
2.2.
Beide partijen refereren zich aan het oordeel van de rechtbank.
2.3.
De rechtbank blijft bij haar oordeel dat de zaak moet worden verwezen naar de kantonrechter van deze rechtbank. Omdat [eiser] haar vordering niet heeft ingediend bij de kantonrechter, zal de rechtbank de zaak op de voet van artikel 71 lid 2 Rv ambtshalve naar de kantonrechter verwijzen.
2.4.
Tot slot stelt de rechtbank vast dat de ontbrekende producties 2 en 3 bij indiening van de originele conclusie van antwoord zijn ontvangen.
3De beslissing
De rechtbank
3.1.
verwijst de zaak in de stand waarin deze zich bevindt naar de rolzitting van de kantonrechter van deze rechtbank, locatie Maastricht, op woensdag 28 januari 2026 voor beraad zaaksrechter,
3.2.
wijst partijen erop dat zij op de hiervoor vermelde rolzitting niet hoeven te verschijnen, omdat de kantonrechter eerst zal beslissen op welke wijze de procedure zal worden voortgezet, waarna de griffier partijen over deze beslissing zal informeren,
3.3.
wijst partijen erop dat zij in het vervolg van de procedure niet meer vertegenwoordigd hoeven te worden door een advocaat, maar ook persoonlijk of bij gemachtigde kunnen verschijnen,
3.4.
wijst partijen erop dat het in deze procedure geheven griffierecht ingevolge artikel 8 lid 4 WGBZ zal worden verlaagd en dat het eventueel teveel betaalde griffierecht door de griffier zal worden teruggestort.
Dit vonnis is gewezen door mr. Etman en in het openbaar uitgesproken op 21 januari 2026.