Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Limburg

ECLI:NL:RBLIM:2026:3502

2026-04-14 Bestuursrecht ROE 22/1534
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Limburg
Uitspraakdatum
2026-04-14
Publicatiedatum
2026-04-13
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
ROE 22/1534
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Eiser heeft een handhavingsverzoek ingediend bij het college van de gemeente Gennep om handhavend op te treden tegen het opslaan van bouwmaterialen op de openbare weg. Het college heeft eisers verzoek terecht niet als aanvraag in behandeling genomen omdat hij geen belanghebbende is. Eiser woont op circa 20 km van de gestelde overtredingen en ervaart geen hinder van enige betekenis.

Citeert (7)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (9.957 tekens)
RECHTBANK LIMBURG


Bestuursrecht



zaaknummer: ROE 22/1534


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 april 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser


en


het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Gennep


Inleiding

1. Deze uitspraak gaat over het handhavingsverzoek van eiser. Eiser heeft het college verzocht om handhavend op te treden tegen het door bouwvakkers op de openbare wegen in de kern van Gennep opslaan van bouwmaterialen. Het college heeft besloten het verzoek niet in behandeling te nemen omdat eiser geen belanghebbende is. Hij woont namelijk op behoorlijke afstand en buiten de gemeente. Eiser is het daarmee oneens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van die beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het besluit om eisers verzoek niet in behandeling te nemen stand kan houden.

2. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het college heeft terecht overwogen dat eiser geen belanghebbende is. Eiser krijgt dus geen gelijk. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.



Procesverloop

3. Op 17 maart 2022 heeft eiser een handhavingsverzoek ingediend bij het college. Op 30 maart 2022 heeft het college besloten het verzoek niet in behandeling te nemen. Hiertegen heeft eiser bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 30 juni 2022 op het bezwaar van eiser is het college bij zijn standpunt gebleven.

4. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft een verweerschrift ingediend.

5. Omdat het beroep kennelijk ongegrond is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.



Beoordeling door de rechtbank



Waar gaat deze zaak over?



6. Eiser heeft het college verzocht op te treden tegen het illegaal opslaan van bouwmaterialen op de openbare weg in Gennep. Het college heeft dit verzoek niet als handhavingsverzoek in behandeling genomen. Het college heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat eiser geen belanghebbende is omdat zijn verzoek ziet op willekeurige straten in Gennep terwijl hij zelf in [woonplaats] woont.

7. Eiser stelt dat het niet uitmaakt dat hij niet in de gemeente Gennep woont. Eiser is belanghebbende omdat hij hinder ervaart van het opslaan van bouwmaterialen op de openbare weg. Eiser wordt daardoor namelijk beperkt in zijn recht op vrij verkeer van personen. Bij het aanspreken van de bouwvakkers zou ook zijn auto geblokkeerd zijn. Daarnaast moet de gemeente ook uit zichzelf (ambtshalve) handhaven, ongeacht of eiser belanghebbend is. Eiser stelt verder dat de gemeente hem compensatie moet betalen. In een soortgelijk geval is hem namelijk een last onder dwangsom opgelegd. De gemeente moet hem 500 euro per dag betalen vanaf 11 oktober 1909 totdat de regelgeving waarop die last onder dwangsom is gebaseerd niet meer geldt. Eiser heeft verder een omvangrijke algemene motivering over Europees recht ingediend.



Is eiser belanghebbende bij zijn handhavingsverzoek?



8. Een handhavingsverzoek is in beginsel een aanvraag zoals bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Awb. Alleen een belanghebbende kan een aanvraag indienen. Een belanghebbende is op grond van artikel 1:2, eerste lid van de Awb iemand wiens belang rechtstreeks geraakt is door het besluit. Dat belang moet objectief, persoonlijk, eigen, rechtstreeks en actueel zijn. Iemand die rechtstreeks de feitelijke gevolgen van een besluit ondervindt is in beginsel een belanghebbende. Een correctie op dat uitgangspunt is dat het moet gaan om gevolgen van enige betekenis. Er is geen sprake van een persoonlijk belang als de gevolgen voor de woon-, leef- of werksituatie van betrokkene te gering zijn. Daarbij spelen factoren zoals de afstand tot, het zicht op, en de aard en frequentie van de feitelijke gevolgen een rol.

9. De rechtbank is van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij gevolgen van enige betekenis heeft ondervonden.

10. Eiser woont in [woonplaats] en heeft geen zicht op de gestelde overtredingen in Gennep. Hij woont op circa 20 kilometer afstand. Daarnaast is niet aannemelijk dat eiser duurzaam en op gezette tijden – bijvoorbeeld voor werk – aanwezig moet zijn op de plaatsen ten aanzien waarvan hij om handhaving heeft verzocht. De rechtbank is daarom van oordeel dat het niet aannemelijk is dat eiser gevolgen ervaart in zijn woon- of leefsituatie. Eisers stelling dat zijn auto door bouwvakkers is geblokkeerd toen hij hen aansprak op het stallen van de bouwmaterialen op de openbare weg, blijkt niet uit de foto’s die eiser heeft overgelegd. Op basis van die foto’s kan de rechtbank niet vaststellen dat eiser zijn auto niet meer kon verplaatsen. De rechtbank is daarom van oordeel dat de gestelde hinder onvoldoende is om een persoonlijk belang aan te nemen. Het college heeft daarom terecht overwogen dat eiser geen belanghebbende is bij zijn handhavingsverzoek.

11. De rechtbank ziet in het unierecht en het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) of andere (Europese) verdragen geen aanleiding om alsnog tot het oordeel te komen dat eiser belanghebbende is of dat dit begrip niet toegepast kan worden. In de Awb is het recht om een aanvraag te doen, bezwaar te maken en beroep in te stellen gekoppeld aan de vraag of iemand belanghebbend is zoals bedoeld in artikel 1:2 van de Awb. Dat vereiste geldt onafhankelijk van de vraag of iemand beroep doet op nationaal recht, unierecht of ander Europees recht en maakt het ook niet onmogelijk of zeer moeilijk unierechten uit te oefenen. De rechtbank overweegt hierbij dat eiser een procedure kan starten bij de civiele rechter als hij van mening is dat het college of de vermeende overtreders zijn rechten schenden. Daarom is er geen sprake van strijd met het recht op een effectieve rechtsbescherming zoals opgenomen in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie of artikel 6 van het EVRM. Dat betekent dat het college het belanghebbende begrip mag toepassen ook als eiser een beroep doet op unierecht zoals het recht op vrije verkeer van personen uit artikel 21 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.

12. Uit het oordeel dat het college eiser terecht niet als belanghebbende heeft aangemerkt volgt al dat het college eisers aanvraag terecht niet in behandeling heeft genomen en het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Aan eisers overige beroepsgronden komt de rechtbank daarom niet toe.



Eisers verzoek om compensatie



13. De rechtbank begrijpt eisers vordering tot compensatie (ook) als een verzoek tot schadevergoeding. De bestuursrechter kan een bestuursorgaan op verzoek veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding als er sprake is van een onrechtmatig besluit en de schade het gevolg daarvan is. Dat staat in artikel 8:88, eerste lid, van de Awb. Gelet op wat de rechtbank hierboven heeft overwogen is er echter geen sprake van een onrechtmatig besluit. De rechtbank wijst het verzoek tot schadevergoeding reeds daarom af. De rechtbank – bestuursrechter – is niet bevoegd eiser op een andere grondslag de gevraagde compensatie toe te kennen. Eiser kan zich daarvoor tot de burgerlijk rechter wenden.




Conclusie en gevolgen


14. Het college heeft eisers verzoek terecht niet in behandeling genomen en het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is kennelijk ongegrond en het bestreden besluit blijft in stand. Het college hoeft dus niet opnieuw te reageren op het handhavingsverzoek van eiser. Het college hoeft eiser ook geen schadevergoeding te betalen. Eiser krijgt het betaalde griffierecht niet terug en krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.





Beslissing


De rechtbank:




verklaart het beroep ongegrond;


wijst het verzoek tot schadevergoeding af.





Deze uitspraak is gedaan door mr. F.A. van de Ven, rechter, in aanwezigheid van F.G.A. Claessen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 14 april 2026.














griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 14 april 2026





Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.


De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) 25 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1750, r.o. 19.2 en 23 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2271, r.o. 3.2.


Vergelijk de Afdeling 21 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:590, r.o. 8.


De Afdeling 26 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:741, 9.4-9.6.


Artikelen 1:3, eerste lid, 7:1, eerste lid, aanhef en 8:1 van de Awb.


Het CBB 28 oktober 2025, ECLI:NL:CBB:2008:BG1734, r.o. 6.6.


Vergelijk College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBB) 28 oktober 2008, ECLI:NL:CBB:2008:BG1734, r.o. 6.6.


Vergelijk de Afdeling 31 augustus 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2361, r.o. 2.2.