Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Limburg

ECLI:NL:RBLIM:2024:10365

2024-10-16 Civiel recht; Burgerlijk procesrecht 10790486\CV EXPL 23-4908
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Limburg
Uitspraakdatum
2024-10-16
Publicatiedatum
2026-07-20
Rechtsgebied
Civiel recht; Burgerlijk procesrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
10790486\CV EXPL 23-4908
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Doorbraak muur onrechtmatig?, deskundigenonderzoek.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (26.244 tekens)
RECHTBANK
LIMBURG



Civiel recht
Kantonrechter



Zittingsplaats Maastricht



Zaaknummer: 10790486 \ CV EXPL 23-4908




Vonnis van 16 oktober 2024




in de zaak van





[eiser]
,
wonend te [woonplaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. A.C. Dabekaussen,



tegen





1 [gedaagde sub 1] ,

2. [gedaagde sub 2],
beiden wonend te [woonplaats 2] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagden] ,
gemachtigden: mr. S. Khanlarov en mr. D.L. Vissers.





1De procedure


1.1.
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit

 de rolbeslissing van 8 mei 2024
 de brief van [eiser] van 19 augustus 2024 met producties 19 tot en met 37
 de akte houdende vermeerdering van eis van [eiser]
 de akte overlegging aanvullende producties 24 tot en met 26 van [gedaagden]
 de antwoordakte naar aanleiding van akte houdende vermeerdering van eis, tevens akte

van overlegging aanvullende productie 27 van [gedaagden]
 het proces-verbaal van mondelinge behandeling van 30 augustus 2024 met daaraan gehecht de spreekaantekeningen (toelichting ter zitting) van [eiser] en de pleitnota van [gedaagden]



1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.





2De feiten


2.1.


[eiser] en [gedaagden] (broer en zus) zijn buren van elkaar en wonen al vanaf
ongeveer 1985 naast elkaar aan de [adres 1] resp. [adres 2] te ( [postcode] )

[plaats] . In de woning op [adres 2] woont tevens [partner van gedaagde sub 1] ,
geregistreerd partner van gedaagde sub 1. [gedaagden] hebben de woning in eigendom verkregen na het overlijden van hun vader.




2.2.
Op 4 april 2020 hebben [gedaagden] sloop-/verbouwingswerkzaamheden aan hun woning verricht (of laten verrichten). [gedaagden] wensten een nis te creëren en hierbij is een gat in de muur naar de woning van [eiser] geslagen en een ander deel van een muur verwijderd.



2.3.
Er is vervolgens tussen partijen contact geweest over de schade.



2.4.
Op 19 mei 2020 dan wel begin juli 2020 heeft [naam bouwbureau] (in de persoon van de [naam 1] ) in opdracht van de verzekeringsmaatschappij van [gedaagden] , Aegon, onderzoek naar de schade gedaan. [naam 1] heeft een verklaring afgegeven (productie 4 [gedaagden] ).



2.5.

[gedaagden] zijn vervolgens overgegaan tot herstel van het gat.



2.6.

[eiser] heeft [B.V. 1] ingeschakeld, die heeft begroot dat herstel van de schade aan de muur en het hoekverband € 8.370,78 incl. btw zou kosten (productie 4 [eiser] ).



2.7.

Op enig moment in 2021 heeft [eiser] vochtschade in zijn woning ontdekt, waarvan hij vermoedde dat het door achterstallig onderhoud aan de woning van [gedaagden] kwam. Over het achterstallig onderhoud is in 1992 al een procedure gevoerd, naar aanleiding waarvan een bouwkundig rapport (productie 5 [eiser] ) is opgesteld. In de rapporten zijn drie maatregelen voorgesteld, die alle drie zijn genomen door [gedaagden] [eiser] heeft het huidige vochtprobleem vervolgens door drie partijen laten onderzoeken, te weten (i) [naam 2] (4 oktober 2021, productie 7 [eiser] ), (ii) [naam 3] (22 april 2022, productie 9 [eiser] ) en (iii) [naam 4] (31 juli 2022, productie 10 [eiser] ). Van de kant van [gedaagden] heeft [naam 5] van [expertisebureau] op 20 mei 2021 de situatie opgenomen (rapport overgelegd als productie 6 [gedaagden] ) en op 23 november 2021

[naam 6] van DEKRA Experts namens Aegon (rapport productie 7 en foto’s productie 8 [gedaagden] ).




2.8.
Bij brief van 4 november 2021 heeft [eiser] [gedaagden] aansprakelijk gesteld voor de (vocht)schade in de woning van [eiser] en de muur.



2.9.

Op 14 maart 2022 liet Aegon aan [eiser] - kort gezegd - weten dat de door Aegon ingeschakelde deskundige (werkzaam bij DEKRA) de oorzaak en de omvang van de schade heeft begroot. Op basis daarvan heeft Aegon (€ 792,50 en € 2.377,50) in totaal
€ 3.170,00 aangeboden voor herstel dat [eiser] in eigen beheer werd geacht te doen.
In het rapport staan twee schadeoorzaken:
“oorzaak 1: doordat verzekerde sloopwerkzaamheden heeft uitgevoerd aan de scheidingswand is schade ontstaan in de woning van de wederpartij;
oorzaak 2: als gevolg van een lekkage bij de dakspits van het pand van verzekerde kan het hemelwater uitstromen langs de gevel. De gevel is door het binnengedrongen water verzadigd geraakt. Hierdoor is schade ontstaan aan de opstal van de wederpartij.”
(productie 14 [eiser] ).



2.10.
Tussen [eiser] en Aegon is vervolgens gecorrespondeerd over de omvang en hoogte van de schade (producties 15 tot en met 18 [eiser] ).



2.11.
Het is partijen niet gelukt tot een minnelijke regeling te komen wat betreft de schade aan de muur en de vochtschade bij de dakspits van de woning van [eiser] .





3Het geschil


3.1.

[eiser] vordert - na vermindering en vermeerdering van eis - dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad voor zover de wet zulks toelaat [gedaagden] te veroordelen:


tot betaling aan [eiser] van een bedrag van € 8.370,78 incl. btw ter zake het herstel door [eiser] van de door [gedaagden] toegebrachte schade aan [eiser] spouwmuur c.s., althans een zodanig bedrag als de kantonrechter in goede justitie zal vermenen te behoren, zulks binnen 14 dagen na betekening van de grosse van het in deze te wijzen vonnis, waarna [gedaagden] hierover de wettelijke rente aan [eiser] verschuldigd zullen zijn tot de dag der algehele voldoening;



primair: tot het geven van uitvoering aan de in de offertes Van [B.V. 2] d.d. 26 april 2022 en [naam 3] (betreffende het dak / gevel) genoemde werkzaamheden waarvan de kosten in totaal € 8.047,81 bedragen, uit te voeren binnen één maand na betekening van het in deze te wijzen vonnis, zulks onder verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per dag of gedeelte van een dag indien [gedaagden] vinnen één maand na betekening van de grosse van het in deze te wijzen vonnis hiertoe niet overgaat.



subsidiair: tot betaling aan [eiser] een bedrag van € 8.047,81 zodat [eiser] zelf de benodigde werkzaamheden, zoals genoemd in de offertes van [B.V. 2] en [naam 3] , kan laten uitvoeren en [gedaagden] op te leggen dat zij medewerking dienen te verlenen aan de uitvoering van de benodigde werkzaamheden zulks onder verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per dag of gedeelte van een dag indien [gedaagden] vinnen één maand na betekening van de grosse van het in deze te wijzen vonnis niet tot medewerking overgaat.
3. tot betaling aan [eiser] van een bedrag van € 5.305,41 incl. btw en € 3.025,00 incl. btw in totaal derhalve € 8.330,40 incl. btw ter zake het herstel door [eiser] van de door [gedaagden] veroorzaakte gevolgschade bij [eiser] vanwege het feit dat [gedaagden] schade heeft veroorzaakt aan de spouwmuur c.s. van [eiser] en vanwege het feit dat [gedaagden] (vocht)schade hebben veroorzaakt aan het onroerend goed van [eiser] , althans een zodanig bedrag als de kantonrechter in goede justitie zal vermenen te behoren, zulks binnen 14 dagen na betekening van de grosse van het in deze te wijzen vonnis, waarna [gedaagden] hierover de wettelijke rente aan [eiser] verschuldigd zullen zijn tot de dag der algehele voldoening;
4. tot betaling van de door [eiser] gemaakte buitengerechtelijke kosten, groot
€ 875,00 zulks binnen 14 dagen na betekening van de grosse van het in deze te wijzen vonnis, waarna [gedaagden] hierover de wettelijke rente aan [eiser] verschuldigd zullen zijn tot de dag der algehele voldoening;
5. tot betaling van de kosten van dit geding, waaronder begrepen een salaris voor de gemachtigde van [eiser] , zulks binnen 14 dagen na betekening van de grosse van het in deze te wijzen vonnis, waarna [gedaagden] hierover de wettelijke rente aan [eiser] verschuldigd zullen zijn tot de dag der algehele voldoening;

6. tot betaling van de nakosten zonder (€ 163,00) en met (€ 255,00) betekening, zulks
binnen 14 dagen na betekening van de grosse van het in deze te wijzen vonnis, waarna [gedaagden] hierover de wettelijke rente aan [eiser] verschuldigd zullen zijn tot de dag der algehele voldoening;
7. tot betaling van de kosten van betekening van het vonnis en de kosten vallende op de executie van dit vonnis, zulks in de ruimste zin des woords, zulks binnen 14 dagen na betekening van de grosse van het in deze te wijzen vonnis, waarna [gedaagden] hierover de wettelijke rente aan [eiser] verschuldigd zullen zijn tot de dag der voldoening.



3.2.

[gedaagden] voeren verweer.



3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.





4De beoordeling



Vermeerdering van eis




4.1.

[gedaagden] hebben bezwaar gemaakt tegen de eisvermeerdering van [eiser] , omdat [eiser] eerder het petitum onder (2) heeft ingetrokken, maar dit punt nu als eisvermeerdering (weer) heeft ingebracht, wat volgens hen geen consistente processtrategie is. De kantonrechter volgt [gedaagden] hierin niet. Gelet op art. 130 Rv is [eiser] als eisende partij bevoegd zijn eis te vermeerderen zolang de rechter nog geen eindvonnis heeft gewezen. Niet is gebleken dat de eisvermeerdering in strijd is met de goede procesorde, nu bovendien [gedaagden] (inhoudelijk) daarop hebben kunnen reageren.



Verkeerde partij?





4.2.

[gedaagden] hebben aangevoerd dat de verkeerde partij door [eiser] is aangesproken: het was de partner van gedaagde sub 1 ( [partner van gedaagde sub 1] ) die volgens [gedaagden] het gat in de muur heeft geslagen en (een deel van) de muur heeft gesloopt. Hij is echter niet in deze procedure betrokken.



4.3.

[eiser] heeft hier tegen ingebracht dat uit niets is gebleken dat [gedaagde sub 1] de schade heeft veroorzaakt, en als het anders is, [gedaagden] toch aansprakelijk zijn.



4.4.

De kantonrechter is van oordeel dat tegenover het standpunt van [eiser] niet voldoende is onderbouwd dat [partner van gedaagde sub 1] het gat in de muur heeft veroorzaakt en (een deel van) de muur heeft gesloopt. Gelet daarop moet het er voor worden gehouden dat [gedaagden] de werkzaamheden hebben uitgevoerd. Het verweer dat [eiser] in zijn vorderingen jegens [gedaagden] niet-ontvankelijk moet worden verklaard, faalt reeds om die reden. Ten overvloede overweegt de kantonrechter dat ook in het geval [partner van gedaagde sub 1] het gat in de muur heeft veroorzaakt en een deel van de muur ter plaatste heeft gesloopt en hij uit dien hoofde aansprakelijk blijkt te zijn, ook [gedaagden] aansprakelijk kunnen worden gehouden, omdat de bepaling van art. 6:99 BW daartoe voldoende grondslag biedt. [gedaagden] hebben [partner van gedaagde sub 1] dan immers - zo begrijpt de kantonrechter - carte blanche gegeven om de werkzaamheden uit te voeren die hem goeddunkten teneinde de door [gedaagden] gewenste nis in de muur te creëren. Daarmee hebben ook [gedaagden] bijgedragen aan het ontstaan van de schade. Het verweer op dit punt van [gedaagden] moet dus ook om die reden worden verworpen.

Inhoudelijke beoordeling





4.5.
De kantonrechter komt vervolgens toe aan de inhoudelijke beoordeling van het geschil, dat - kort gezegd - neerkomt op de volgende vragen:


zijn [gedaagden] aansprakelijk voor het gat in de muur naar de woning van [eiser] en de sloop van een deel van de muur en zo ja, wat is de omvang en de hoogte van de schade die [eiser] daardoor heeft geleden?,


is de vochtproblematiek die [eiser] in zijn woning ondervindt ontstaan door de (slechte) staat van het dak van [gedaagden] , met name door achterstallig onderhoud van de nokgevel?





Gat in de muur en sloop deel (spouw)muur





4.6.

[eiser] heeft - kort gezegd - gesteld dat [gedaagden] bij sloop / renovatiewerkzaamheden op 4 april 2020 een gat in de muur van zijn woning hebben geslagen en een deel van de (spouw)muur hebben gesloopt. Niet alleen is volgens [eiser] circa 4-5 m2 van de buitenste spouwmuur gesloopt, ook circa 1-2 m2 van de binnenste spouwmuur, waardoor een gat ontstond in zijn woning. Het betreft volgens [eiser] een dragende muur waar de complete dakconstructie op rust. [gedaagden] hebben de muur niet gestut voordat zij gingen slopen ( [eiser] verwijst hierbij naar de foto’s van productie 1). Het herstel dat [gedaagden] vervolgens hebben uitgevoerd, is niet goed gebeurd. [eiser] heeft door deze handelingen van [gedaagden] schade geleden en lijdt dat nog steeds. Er zitten scheuren in de overige muren van zijn woning (trappenhuis en muren op de eerste verdieping) en het daarop aangebrachte stucwerk (zie productie 2), er is (vocht)schade aan de vloerbedekking op de tweede verdieping, die volledig moest worden verwijderd (zie productie 3). Ook is het hoekverband tussen de betreffende spouwmuur en de haaks daarop staande spouwmuur verbroken. Deskundige [B.V. 1] (productie 4) heeft de kosten van het herstel van de spouwmuur en hoekverband begroot, reden waarom [eiser] € 8.370,78 vordert.



4.7.


[gedaagden] betwisten - kort gezegd - een inbreuk te hebben gemaakt op het eigendom van [eiser] . [eiser] heeft niet voldoende onderbouwd dat de muur in eigendom aan hem toebehoort. [gedaagden] stellen dat zij de eigenaar zijn van de muur en niet [eiser] . [eiser] bouwde zijn pand tegen de buiten- en tuinmuur van [gedaagden] , die daardoor als binnenmuur van een deel van de woning van [eiser] is gaan dienen. Een deel van de tuinmuur begon in slechtere staat te verkeren, reden waarom [gedaagden] een deel hiervan sloopten om deze vervolgens opnieuw op te bouwen. Het
betreft geen spouwmuur, maar een 3,5 steens dikke massieve muur (productie 2 en 3).

[eiser] miskent dat het enkele toebrengen van zaakschade niet leidt tot de conclusie dat sprake is van een onrechtmatige gedraging vanwege een inbreuk op het eigendomsrecht. [gedaagden] betwisten de onrechtmatigheid van hun handelen. Als [gedaagden] al onrechtmatig zouden hebben gehandeld, betwisten zij dat deze gedragingen aan hen zijn toe te rekenen. [eiser] heeft circa dertig jaar geleden zelf een ruimte tegen de buiten- en tuinmuur van [gedaagden] aangebouwd zonder daarbij een eigen binnenmuur te bouwen. Aan [gedaagden] kan dan ook niet worden toegerekend dat zij door een gat in hun oorspronkelijke tuinmuur te slaan per ongeluk zijn doorgebroken tot de woning van [eiser] . Evenmin is aan het relativiteitsvereiste van art. 6:163 BW voldaan.




4.8.
Vast staat dat [gedaagden] op 4 april 2020 een gat in de muur naar de woning van [eiser] hebben gemaakt en een deel van de tuin-/buitenmuur hebben gesloopt. Gelet hierop is de kantonrechter van oordeel dat [gedaagden] aansprakelijk zijn voor de schade die [eiser] daardoor eventueel heeft geleden en lijdt. Voor wat betreft het vaststellen van de aansprakelijkheid van [gedaagden] doet niet ter zake of het een spouwmuur (zoals [eiser] heeft gesteld) betreft dan wel een 3,5 steens muur (zoals [gedaagden] hebben aangevoerd) is en of de muur wel of niet eigendom is van [eiser] . Feit is immers dat [gedaagden] - vermoedelijk: per ongeluk - dusdanige handelingen hebben verricht, dat zij daarbij een gat in de muur hebben veroorzaakt en een deel van de muur hebben gesloopt met als - in deze fase: verondersteld - gevolg dat de woning van [eiser] is aangetast. Dit kwalificeert in dat geval wel degelijk als een onrechtmatige handeling, die een inbreuk op het eigendomsrecht van [eiser] oplevert. Het valt niet in te zien dat deze handelingen niet aan [gedaagden] zijn toe te rekenen.



Schade deel I





4.9.
Volgens [eiser] hebben [gedaagden] - kort gezegd - de buitenste de spouwmuur van [eiser] deels gesloopt, waardoor er (ook) een gat ontstond in de binnenste spouwmuur van [eiser] . De binnenste spouwmuur draagt de dakconstructie van het lager gelegen gedeelte van de woning van [eiser] , dat daardoor “in de lucht hing” en waardoor scheuren ontstonden in de overige muren van de woning van [eiser] en het daarop aangebrachte stucwerk en er tevens (vocht)schade aan vloerbedekking op de tweede verdieping was, zodat die volledig moest worden verwijderd. [gedaagden] hebben ook het hoekverband tussen de litigieuze spouwmuur en de haaks daarop staande spouwmuur verbroken, aldus [eiser] .



4.10.


[gedaagden] heeft aangevoerd dat [eiser] heeft aangegeven € 5.000,00 te willen hebben voor het herstel, omdat het gat in de muur volgens hem onder meer verzakkingen in zijn woning had veroorzaakt. [gedaagden] betwisten dat het een spouwmuur is: het is een massieve muur van 3,5 steens dik. [gedaagden] betwisten dat er scheurvorming en verzakkingen in de woning van [eiser] zijn ontstaan. De offerte van [B.V. 1] volstaat niet, nu hij geen deskundige is, maar een aannemer met een commercieel belang. [expertisebureau] concludeerde dat er slechts sprake was van esthetische haarscheurtjes, die geen constructieve gevolgen hebben en zich beperken tot het stucwerk. De verzakkingen zijn dan ook niet aannemelijk. Het stucwerk dateert van voor 1985 en verkeerde in slechte staat, waardoor onthechting optrad. [gedaagden] betwisten dat de vloerbedekking op de tweede verdieping van [eiser] door vochtschade moest worden verwijderd. [eiser] heeft de (gevolg)schade in de vorm van optrekkend vocht als gevolg van de doorbreking van de muur op 4 april 2020 slechts onderbouwd met verwijzing naar de offerte van Waprof (productie 11 [eiser] ). Deze offerte onderbouwt echter niet dát sprake is van optrekkend vocht. [gedaagden] betwisten dat een causaal verband bestaat tussen de door [eiser] ervaren schade en de renovatiewerkzaamheden van [gedaagden] DEKRA, [naam bouwbureau] en [expertisebureau] kwamen alle drie tot de conclusie dat er geen causaal verband bestaat. Er is slechts sprake van (esthetische) haarscheurtjes in stucwerk direct rondom het gat in de muur, dat deels is veroorzaakt door de ouderdom van het stucwerk. [gedaagden] hebben voorts een beroep gedaan op eigen schuld van [eiser] : in de periode tussen
4 april 2020 en 8 september 2020 heeft Aegon tevergeefs geprobeerd in contact met [eiser] te komen. Omdat [eiser] niet reageerde, is het dossier op 8 september 2020 door Aegon gesloten.

Dakspits / nokgevel





4.11.

[eiser] heeft - kort gezegd - gesteld vochtschade te hebben ondervonden en te ondervinden door achterstallig onderhoud van [gedaagden] aan de dakspits / de nokgevel.



4.12.


[gedaagden] betwisten dat er sprake is van achterstallig onderhoud. Zij bestrijden verder dat de staat van de nokgevel van hun pand een onrechtmatige gedraging oplevert. Ten slotte betwisten ze de door [eiser] gestelde (vocht)schade. De offertes, die [gedaagden] betwisten, die [eiser] heeft overgelegd dienen allen een commercieel belang. [naam 2] is bovendien niet onafhankelijk, nu hij heeft samengewerkt met [eiser] . [expertisebureau] heeft
geconstateerd dar er geen ernstige waardes uit vochtcontroles kwamen. Alleen in de hal nabij de trap op de begane vloer constateerde hij verhoogde waardes vanaf de vloer tot 50 cm hoogte. Volgens [expertisebureau] is het vochtprobleem te wijten aan optrekkend vocht en niet aan een lekkend dak, incorrecte dakgoot of gevelafwerking. De omvang van de vochtproblematiek is beperkter dan [eiser] schetst. Aegon heeft deze schade niet erkend, er is geen causaal verband tussen de staat van de nokgevel van de woning van [gedaagden] en de door [eiser] ervaren vochtproblematiek (zie rapport [naam 4] ). Het rapport van [naam 7] is in het kader van een bestuursrechtelijke procedure in 1992 opgesteld. Hierbij waren [gedaagden] niet betrokken. [eiser] heeft onvoldoende gesteld dat er een verband bestaat tussen het rapport uit 1992 en de huidige toestand. [gedaagden] betwisten dat de huidige vochtproblematiek daar iets mee te maken heeft. [gedaagden] betwisten de toerekenbaarheid. Er is niet voldaan aan het relativiteitsvereiste. Ook wat betreft eventuele schade voortvloeiend uit vochtschade in de nokgevel, voeren [gedaagden] aan dat [eiser] , die de nokgevel vanuit zijn dakraam kan zien, hen had moeten waarschuwen voor de slechte staat waarin de nokgevel zich bevindt, zodat zij er (tijdig) wat aan hadden kunnen laten doen. Door dat niet te doen heeft [eiser] zelf bijgedragen aan het voortduren en verergeren van de situatie, aldus [gedaagden] hebben inmiddels een aannemer ingeschakeld voor werkzaamheden aan de betreffende nokgevel, die een offerte heeft uitgebracht (productie 27). De verwachting is dat eind augustus 2024 de werkzaamheden zijn afgerond, zodat [eiser] geen belang meer heeft bij hetgeen hij bij eisvermeerdering heeft gevorderd, aldus [gedaagden]




Schade deel II





4.13.
Voordat de kantonrechter kan vaststellen of [gedaagden] al dan niet aansprakelijk zijn voor eventuele schade die [eiser] heeft gesteld te hebben geleden en te lijden door een achterstand in onderhoud van de dakspits (de nokgevel) van [gedaagden] , dient duidelijkheid te komen over de oorzaak en de eventueel daaruit voortvloeiende schade.



Deskundigenonderzoek





4.14.
De kantonrechter is gelet daarop voornemens een deskundigenonderzoek te gelasten om duidelijkheid te krijgen over:



de omvang en hoogte van de schade aan de woning van [eiser] verband houdende met het gat in de muur en de sloop van de tuin-/buiten-/(spouw)muur,


de oorzaak en de omvang en hoogte van de schade die mogelijk verband houdt met achterstallig onderhoud aan de dakspits (de nokgevel) van de woning van [gedaagden]





4.15.
De kantonrechter overweegt, mede met het oog op de kosten, om een onderzoek door één deskundige in te laten stellen. Voordat daartoe wordt overgegaan, zal de kantonrechter partijen in de gelegenheid stellen zich uit te laten over:


- het aantal en het specialisme van de te benoemen deskundige(n),
- de naam van een (of meer) deskundige(n),
- de acceptabele maximale hoogte van het voorschot,
- de aan de deskundige(n) voor te leggen vragen (en deze vragen op te stellen).




4.16.
De kantonrechter ziet geen aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt in de wet dat het voorschot op de kosten van de deskundige(n) door de eisende partij moet worden betaald. Dit voorschot moet daarom door [eiser] worden betaald.



4.17.
In het eindvonnis zal de kantonrechter beslissen wie van partijen uiteindelijk de kosten van de deskundige moet betalen.



4.18.
Wellicht kunnen partijen onderling overeenstemming bereiken over de persoon die als deskundige gaat optreden. Als partijen daarover geen overeenstemming kunnen bereiken en om die reden iedere partij een deskundige voorstelt, moeten partijen gemotiveerd aangeven waarom zij de voorkeur geven aan de door henzelf voorgestelde deskundige en waarom de door de wederpartij voorgestelde deskundige niet voor benoeming in aanmerking mag komen. Daarbij valt te denken aan zwaarwegende redenen als gebrek aan deskundigheid of gerechtvaardigde twijfels met betrekking tot de onpartijdigheid van de deskundige. Die zwaarwegende redenen moeten worden onderbouwd. De kantonrechter zal dan, na weging van de onderbouwing vóór en tegen de benoeming van een potentiële deskundige, een door partijen aangedragen deskundige of een eigen deskundige benoemen.



4.19.

De kantonrechter zal de zaak naar de rol verwijzen, zodat partijen zich hierover bij
akte kunnen uitlaten. Partijen moeten de conceptakte uiterlijk een week vóór de roldatum naar elkaar toesturen, zodat zij in hun akte op de akte van de wederpartij kunnen reageren.




4.20.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.





5De beslissing


De kantonrechter



5.1.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 27 november 2024 om beide partijen in de gelegenheid te stellen een akte in te dienen waarin zij zich uitlaten over het aangekondigde deskundigenbericht,



5.2.
bepaalt dat partijen elkaar uiterlijk een week vóór de genoemde roldatum de conceptakte toesturen, zodat zij ieder in hun eigen akte nog kunnen reageren op de standpunten van de wederpartij,



5.3.
houdt iedere verdere beslissing aan.


Dit vonnis is gewezen door mr. R.P.J. Quaedackers en in het openbaar uitgesproken op 16 oktober 2024. JC