Rechtbank Limburg
ECLI:NL:RBLIM:2023:4689
2023-07-20
Civiel recht
9586287 EL 21-21
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Effectenleasezaak.
Citeert (13)
- ECLI:NL:HR:2008:BC2837 Hoge Raad 28-03-2008
- ECLI:NL:HR:2009:BH
- ECLI:NL:HR:2011:BP4003 Hoge Raad 29-04-2011
- ECLI:NL:HR:2019:590 Hoge Raad 12-04-2019
- ECLI:NL:GHAMS:2014:1135 Gerechtshof Amsterdam 01-04-2014
- ECLI:NL:HR:2017:773 Hoge Raad 21-04-2017
- ECLI:NL:GHSHE:2019:515 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 12-02-2019
- ECLI:EU:C:2021:68
- ECLI:EU:C:2021:68
- ECLI:NL:GHAMS:2021:2826 Gerechtshof Amsterdam 14-09-2021
- ECLI:NL:HR:2015:1198 Hoge Raad 01-05-2015
- ECLI:NL:HR:2017:164 Hoge Raad 03-02-2017
- ECLI:NL:RBAMS:2021:7910 Rechtbank Amsterdam 25-11-2021
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (25.842 tekens)
RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 9586287 EL 21-21
Datum: 20 juli 2023
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
inzake
de besloten vennootschap DEXIA NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
eisende partij,
gemachtigde: USG Legal Professionals B.V.,
tegen
[gedaagde]
,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
gemachtigde: mr. G. van Dijk, Leaseproces.
Partijen worden hierna Dexia en [gedaagde] genoemd.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding van 25 november 2021 van Dexia;
de conclusie van antwoord van [gedaagde] ;
de conclusie van repliek van Dexia, waarbij zij voorwaardelijk haar vordering wijzigt;
de conclusie van dupliek van [gedaagde] , waarbij zij haar haar verweer omtrent artikel 1:88 BW intrekt.
1.2.
Hierna is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
Op de volgende leaseovereenkomsten staat [gedaagde] als lessee stond vermeld, met als wederpartij (de rechtsvoorganger van) Dexia:
Nr
Contractnr.
Datum
Naam overeenkomst
Looptijd
Leasesom
I.
[contractnummer 1]
08-06-1999
WinstVerDriedubbelaar
36 mnd
€ 23.441,71
II.
[contractnummer 2]
10-09-1999
Korting Kado
120 mnd
€ 49.436,46
2.2.
De overeenkomsten zijn respectievelijk geëindigd op 7 juni 2002 en 19 augustus 2003. Daarbij zijn negatieve resultaten van € 2.603,18 en € 19.778,44 behaald, die – met uitzondering van een bedrag van € 1.348,29, door [gedaagde] onbetaald zijn gelaten. [gedaagde] heeft daarnaast een bedrag van € 11.463,75 aan maandtermijnen aan Dexia voldaan. Dexia heeft € 1.183,91 aan dividenden uitgekeerd.
2.3.
Bij brief van 8 juli 2021 heeft Dexia [gedaagde] uitgenodigd om in gesprek te gaan en te onderzoeken of partijen tot afronding van het effectenleasedossier kunnen komen. [gedaagde] heeft hierop niet (inhoudelijk) gereageerd.
3De vordering en het verweer
3.1.
Dexia vordert – na voorwaardelijke wijzing van eis - dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad voor wat betreft de proceskosten,1. zal verklaren voor recht dat Dexia met betrekking tot de tussen haar en [gedaagde] gesloten leaseovereenkomsten met nummers [contractnummer 1] en [contractnummer 2] , na betaling van een door de rechtbank in goede justitie vast te stellen bedrag, aan al haar verbintenissen heeft voldaan, daaronder begrepen schadevergoedingsverbintenissen, en derhalve niets meer aan [gedaagde] verschuldigd is,
2. [gedaagde] zal veroordelen in de proceskosten.3.2. [gedaagde] voert verweer tegen de vorderingen en concludeert tot niet-ontvankelijk verklaring van Dexia, althans afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van Dexia in de proceskosten en de nakosten.
3.3.
Op de stellingen en verweren van partijen zal voor zover nodig hierna nader worden ingegaan.
4De beoordeling 4.1. [gedaagde] voert allereerst aan dat Dexia niet-ontvankelijk zou zijn in haar vorderingen, omdat zij geen contractspartij zou zijn bij onderhavige overeenkomsten. Dexia heeft daarop een aanvraagformulier met betrekking tot overeenkomst I. overgelegd, waaruit volgens haar volgt dat [gedaagde] , geboren [geboortedatum] 1967 deze overeenkomst heeft aangevraagd. Uit de administratie van Dexia volgt dat dit de naam en geboortedatum van [gedaagde] betreffen. In de eerste brief van 9 maart 2007 van de gemachtigde van [gedaagde] wordt namens [gedaagde] onder meer een beroep gedaan op de nietigheid van de overeenkomsten. Bij deze brief is door de gemachtigde van [gedaagde] tevens een vernietigingsverklaring van 9 maart 2007 van de eega van [gedaagde] gevoegd, waarin de eega stelt dat hem gebleken is dat [gedaagde] de overeenkomsten heeft afgesloten. Dexia heeft met deze stukken voldoende aangetoond dat
[gedaagde] als contractspartij van Dexia dient te worden beschouwd. Dexia is daarom ontvankelijk in haar vorderingen.
4.2.
Het gaat in deze zaak om een financieel product dat tussen 1990 en 2003 in Nederland ongeveer één miljoen keer is verkocht, namelijk een effectenleaseovereenkomst. Kenmerk van dit product is, dat de afnemer van het product met geleend geld belegt. Na het instorten van de aandelenmarkt zijn vele afnemers geconfronteerd met restschulden en andere verliezen. In de afgelopen 15 à 20 jaar zijn in Nederland hierover duizenden procedures gevoerd, waarbij Dexia vaak één van de procespartijen was. Door belangenbehartigers van afnemers en vertegenwoordigers van aanbieders van deze producten is, in het kader van de WCAM, een regeling getroffen, die bij beschikking van het Gerechtshof Amsterdam van 25 januari 2007 algemeen verbindend is verklaard. Enkele tienduizenden afnemers hebben deze regeling niet geaccepteerd en tijdig een opt-out-verklaring ingediend, onder wie [gedaagde] .
4.3.
De veelheid van procedures heeft geleid tot veel jurisprudentie, waaronder verschillende richtinggevende arresten van de Hoge Raad. Deze jurisprudentie is bij de gemachtigden van partijen bekend. In het bijzonder gaat het om de arresten van de Hoge Raad van 28 maart 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BC2837), 5 juni 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BH 2815), 29 april 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP4003), 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR: 2017:164) en 12 april 2019 (ECLI:NL:HR:2019:590) en de arresten van het gerechtshof Amsterdam van 1 december 2009 (ECLI:NL: GHAMS:2009:BK4981) en 1 april 2014, (ECLI:NL:GHAMS:2014:1135). Deze jurisprudentie wordt als leidraad genomen. Door partijen zijn geen (althans onvoldoende) bijzondere omstandigheden gesteld die in deze zaak een afwijking daarvan rechtvaardigen.
4.4.
Toepassing van deze maatstaven en beoordelingskaders leidt in het onderhavige geval tot de volgende conclusies:
er is sprake van huurkoop;
er is geen sprake van dwaling, misleidende reclame en/of misbruik van omstandigheden; evenmin is er sprake van (ver)nietig(baar)heid krachtens de Wck;
Dexia heeft haar bijzondere zorgplichten geschonden, in elk geval de waarschuwingsplicht, en daardoor onrechtmatig gehandeld;
[gedaagde] heeft schade geleden, bestaande uit betaalde termijnen en restschuld;
er is voldoende causaal verband aanwezig tussen de hiervoor bedoelde schade en de onrechtmatige daad van Dexia.
4.5.
Hierna zal achtereenvolgend worden ingegaan op:
de vaststelling van de schade wegens termijnen en de schade wegens restschuld;
het op de schade in mindering brengen van het genoten voordeel;
de eigen schuld (art. 6:101 BW);
een wel of niet onaanvaardbaar zware financiële last;
de consequenties van het voorgaande voor de verdeling van de (resterende) schade;
wat elke partij gelet op het voorgaande nog aan de andere partij verschuldigd is;
wettelijke rente, buitengerechtelijke kosten en proceskosten.
4.6.
Waar hierna sprake is van ‘leasetermijnen’ ‘restschuld’, ‘dividenden en claims’, ‘waarde effecten’, ‘restant hoofdsom beëindiging’, ‘uitkering’ en ‘fiscaal voordeel’ wordt gedoeld op de bedragen die bij de (betreffende) overeenkomst worden vermeld op het (meest recent) door Dexia overgelegde financiële overzicht (de laatste twee genoemde onder het kopje ‘Overige voordelen’). Nu Afnemer de juistheid van de daarop vermelde gegevens niet (voldoende gemotiveerd) heeft betwist wordt daarvan uitgegaan.
De vaststelling van de schade wegens termijnen en de schade wegens restschuld ten aanzien van beide overeenkomsten
4.7.
De schade die als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia is ontstaan bestaat uit de schade wegens de door [gedaagde] verschuldigde termijnen, dat wil zeggen zowel de betaalde termijnen als de bij de eindafrekening nog achterstallige termijnen, en uit een (eventuele) restschuld.
De resterende termijnen ten aanzien van overeenkomst II.
4.8.
Tussen partijen is in geschil of Dexia op grond van bedingen in de (Bijzondere voorwaarden bij) de overeenkomst bij de eindafrekening een bedrag van: € 14.375,26 bij [gedaagde] in rekening mocht brengen wegens de voortijdige beëindiging van deze overeenkomst. [gedaagde] heeft een beroep gedaan op de vernietigbaarheid van bovenbedoelde bedingen, onder meer omdat dit volgens hem ‘oneerlijk bedingen’ vormen als bedoeld in de Richtlijn 93/13 EEG (hierna: de Richtlijn).
4.9.
In zijn prejudiciële beslissing van 21 april 2017 (ECLI:NL:HR:2017:773) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat een beding in de algemene voorwaarden van Dexia op grond waarvan Dexia in het geval van een tussentijdse beëindiging van de overeenkomst wegens nalatigheid van de zijde van de wederpartij bevoegd is om zonder meer het onbetaalde restant van de overeengekomen leasesom(men) op te eisen, een beding is dat op grond van de Richtlijn als oneerlijk moet worden beschouwd. Om die reden is de rechter gehouden om een dergelijk beding op grond van artikel 6:233 BW te vernietigen voor zover dit betrekking heeft op termijnen die ten tijde van de beëindiging op grond van die bepaling nog toekomstig waren. Op die termijnen kan dan niet langer op grond van de contractuele Bijzondere Voorwaarden aanspraak worden gemaakt.
4.10.
De vraag of de beëindiging van de overeenkomst moet worden aangemerkt als een beëindiging op grond van contractuele bepalingen, dan wel als een ontbinding in de zin van artikel 6:265 BW, is naar het oordeel van de kantonrechter niet relevant voor de vraag of het beding in de Bijzondere Voorwaarden op grond waarvan Dexia aanspraak maakt op resterende termijnen ‘oneerlijk’ is in de zin van de Richtlijn (vergelijk Hof Den Bosch 12 februari 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:515). Bovenbedoelde beslissing van de Hoge Raad wordt ook in de onderhavige zaak van toepassing geacht.
4.11.
Evenmin wordt relevant geacht of de beëindiging van de overeenkomst is geschied door Dexia of door [gedaagde] . Dit is immers niet van invloed op de kwalificatie van de bedingen, op grond waarvan Dexia aanspraak heeft gemaakt op betaling wegens resterende termijnen, als zijnde ‘oneerlijk’ als bedoeld in de Richtlijn.
4.12.
Dit leidt tot de conclusie dat de bedingen die Dexia aanspraak geven op na beëindiging van de overeenkomst nog resterende termijnen dienen te worden vernietigd.
4.13.
Uit het arrest van het Hof van Justitie van 21 januari 2021 (ECLI:EU:C:2021:68) volgt dat bij vernietiging van het beding in de (Bijzondere Voorwaarden bij) de overeenkomst Dexia evenmin op grond van de wet aanspraak heeft op (gehele of gedeeltelijke) vergoeding van de schade die zij door de voortijdige beëindiging van de overeenkomsten heeft geleden.
4.14.
Dexia wordt niet gevolgd in haar stelling dat het vervallen van de post contant gemaakte resterende rentetermijnen ook meebrengt dat de toegepaste korting bij de post restant hoofdsom moet komen te vervallen, omdat deze korting dezelfde basis heeft als de korting op de toekomstige rentetermijnen. De vernietiging en de gevolgen daarvan strekken zich slechts uit tot het gedeelte van de overeenkomst dat oneerlijk is en zien daarmee alleen op de nog verschuldigde rentetermijnen. De overeenkomst moet voor het overige zonder wijzigingen voortbestaan (ECLI:EU:C:2021:68, punt 62). Voor zover Dexia op grond van de Bijzondere voorwaarden bij de beëindiging van de leaseovereenkomst de nog verschuldigde hoofdsom contant dient te maken, is zij ten gunste van de [naam] van de wettelijke regeling afweken. Niet gebleken is dat de overeenkomst in zoverre niet in stand kan blijven als het gedeelte daarvan dat oneerlijk is wordt vernietigd. In dit verband wordt verwezen naar het arrest van hof Amsterdam van 14 september 2021 (ECLI:NL:GHAMS:2021:2826).
4.15.
Het voorgaande brengt mee dat de post die ziet op de contant gemaakte resterende termijnen (in casu: € 14.375,26) in de eindafrekening van de overeenkomst komt te vervallen en geen deel uitmaakt van de bovenbedoelde schade.
Het op de schade in mindering brengen van het genoten voordeel ten aanzien van beide overeenkomsten
4.16.
Op de door [gedaagde] geleden schade dient eerst in mindering te worden gebracht het voordeel als bedoeld in artikel 6:100 BW. Dit bestaat uit de in verband met de betreffende overeenkomst ontvangen inkomsten uit ‘Dividenden en claims’ en het genoten fiscaal voordeel.
4.17
[gedaagde] heeft bij de laatste conclusie de juistheid van het door Dexia berekende fiscale voordeel betwist. Dexia heeft hierop niet meer kunnen reageren. De kantonrechter ziet geen aanleiding nog een schriftelijke ronde toe te staan en gaat er van uit dat partijen bij de berekening van de nog te vergoeden schade slechts fiscaal voordeel in aanmerking nemen dat daadwerkelijk is genoten.
4.18.
Een eventueel reeds door Dexia betaalde (gedeeltelijke) schadevergoeding behoort niet tot de hier bedoelde voordelen.
4.19.
Indien daarvan sprake is behoort tot het op de schade in mindering te brengen voordeel eveneens het batig saldo uit andere effectenleaseovereenkomsten tenzij deze meer dan een jaar vóór het aangaan van de overeenkomst waarbij de schade zich voordoet zijn beëindigd. Onder batig saldo wordt verstaan hetgeen aan opbrengst resteert nadat alle betalingen door de afnemer in mindering zijn gebracht.
4.20.
Voor zover sprake is van voordeel als hiervoor bedoeld dient dit eerst in mindering te worden gebracht op de schade die [gedaagde] heeft geleden wegens verschuldigde termijnen. Resteert dan nog een niet verrekend deel van het voordeel en is er sprake van meerdere verlieslatende overeenkomsten, dan dient vervolgens verrekening plaats te vinden met de schade wegens termijnen uit de volgende verlieslatende overeenkomst(en), en daarna met de restschuld, tot alle voordeel is verrekend.
De eigen schuld (art. 6:101 BW), wel of niet een onaanvaardbare financiële last
4.21.
Op grond van artikel 6:101 BW dient [gedaagde] een deel van de na verrekening van eventuele voordelen als hiervoor bedoeld resterende schade, (hierna: de resterende schade) wegens eigen schuld zelf te dragen. Daarbij dient een onderscheid te worden gemaakt tussen de resterende schade bestaande uit de verschuldigde termijnen en de resterende schade bestaande uit een (eventuele) restschuld.
4.22.
Onderzocht moet worden of nakoming door Dexia van haar onderzoeksplicht zou hebben uitgewezen dat Dexia het aangaan van deze overeenkomsten had behoren te ontraden, omdat daardoor naar redelijke verwachting een onaanvaardbaar zware financiële last op [gedaagde] werd gelegd. Indien het aangaan van de overeenkomsten voor [gedaagde] een onaanvaardbaar zware financiële last met zich bracht dient [gedaagde] een derde deel van de resterende schade uit zowel verschuldigde termijnen (de inleg) als de restschuld zelf te dragen. Indien geen sprake was van een dergelijke last dient de afnemer de resterende schade wegens verschuldigde termijnen geheel zelf te dragen en van de schade wegens restschuld een derde deel. Of sprake is van een zodanig onaanvaardbaar zware financiële last wordt beoordeeld door toepassing van de zogenoemde Hof-formule als weergegeven in het arrest van hof Amsterdam van 1 december 2009 (ECLI:NL: GHAMS:2009:BK4981). Afnemer dient de gegevens die nodig zijn voor deze beoordeling te verstrekken en met stukken te onderbouwen.
4.23.
Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een onaanvaardbaar zware financiële last moeten alle bekende omstandigheden die van invloed kunnen zijn op de financiële ruimte van een belegger in aanmerking worden genomen. De hiervoor gehanteerde vuistregel, de Hof-formule luidt: X - W - A- B- C < Y + 0,1 xY + 0,15 x (X-Y). De factor X staat voor het besteedbare netto-maandinkomen van Afnemer. De factor Y betreft de NIBUD-basisnorm voor het betrokken type huishouden. De factor W staat voor de maandelijkse huur-of hypotheeklasten voor de eigen dan wel gehuurde woning voor zover deze het daarvoor door het NIBUD gehanteerde basisbedrag overtreffen. De factor A staat voor de verplichtingen die voortvloeien uit de leaseovereenkomst, factor B staat voor eventuele financiële verplichtingen uit andere, eerder aangegane leaseovereenkomsten. De factor C staat voor eventuele (daadwerkelijk bestaande) rente- en aflossingsverplichtingen uit andersoortige eerdere kredietovereenkomsten.
Wel of geen onaanvaardbaar zware financiële last in dit geval
4.24.
Beide partijen zijn het er over eens dat, bij toepassing van de criteria van de Hof-formule, er ten aanzien van de overeenkomst met nummer [contractnummer 2] sprake is van een ‘onaanvaardbaar zware last’.
4.25.
Tussen partijen is (onder meer) in geschil of door het aangaan van de overeenkomst met nummer [contractnummer 1] voor [gedaagde] een onaanvaardbaar zware financiële met zich bracht.
4.26.
Tussen partijen is in het bijzonder in geschil of bij de berekening van het
genoten belastingvoordeel bij de huur- of hypotheeklasten moet worden uitgegaan van het
stipinkomen en niet van het daadwerkelijk genoten bruto inkomen. Dienaangaande wordt overwogen dat bij de berekening van het belastingvoordeel op de huur- of hypotheeklasten dient te worden uitgegaan van het bruto jaarinkomen dat volgt uit het Biljet van Proces en niet het stipinkomen, waarbij alle aftrekposten reeds van het bruto inkomen zijn afgetrokken. Het stipinkomen is geen correcte weergave van het inkomen dat [gedaagde] daadwerkelijk heeft verdiend.
4.27.
Met betrekking tot de overeenkomst met nummer [contractnummer 1] volgt uit het voorgaande dat geen sprake was van een onaanvaardbaar zware financiële last als gevolg van het aangaan daarvan. Voor de berekening wordt verwezen naar de Bijlage I.
De consequenties voor de verdeling van de (resterende) schade.
4.28.
Uit het voorgaande volgt dat met betrekking tot de overeenkomst met nummer [contractnummer 1] de resterende schade wegens verschuldigde termijnen geheel voor rekening van [gedaagde] blijft, evenals 1/3 deel van de resterende schade wegens restschuld.
4.29.
Met betrekking tot de overeenkomst met nummer [contractnummer 2] blijft de resterende schade wegens verschuldigde termijnen voor 1/3 deel voor rekening van [gedaagde] , evenals 1/3 deel van de resterende schade wegens restschuld.
Wat elke partij nog aan de andere partij verschuldigd is
4.30.
Nu de overeenkomsten niet rechtsgeldig zijn vernietigd of ontbonden zal [gedaagde] aan de daaruit voortkomende betalingsverplichtingen dienen te voldoen. Anderzijds zal Dexia de resterende schade dienen te vergoeden die volgens het bovenstaande voor haar rekening komt.
4.31.
Op grond van het voorgaande en de door Dexia (meest recent) overgelegde financiële gegevens van de onderhavige overeenkomsten zullen partijen in staat zijn te berekenen:
a. wat de schade is aan verschuldigde termijnen en restschuld, waarbij rekening dient te worden gehouden met hetgeen hiervoor is overwogen ten aan zien van post resterende termijnen in de eindafrekening van de overeenkomst nummer [contractnummer 2] .
b. wat de in mindering te brengen voordelen zijn (inclusief eventueel in aanmerking te nemen batig saldo uit voorgaande overeenkomsten) en wat na aftrek daarvan aan schade resteert.
c. of en zo ja tot welk bedrag [gedaagde] een resterende schade wegens termijnen en wegens restschuld dient te dragen;
d. wat [gedaagde] op grond van nakoming van betalingsverplichtingen uit de overeenkomsten in totaal aan Dexia verschuldigd is.
4.32.
[gedaagde] heeft in verband met de onderhavige overeenkomsten jegens Dexia aanspraak op schadevergoeding indien en voor zover [gedaagde] ter zake van een bepaalde overeenkomst méér aan Dexia heeft betaald dan het onder d. bedoelde bedrag verminderd met het totaal van de onder c. bedoelde bedragen en verminderd met een (eventueel) reeds door Dexia betaalde schadevergoeding (exclusief wettelijke rente).
4.33.
Dexia heeft in verband met de onderhavige overeenkomsten jegens [gedaagde] aanspraak op nakoming van betalingsverplichtingen indien en voor zover [gedaagde] ter zake van een bepaalde overeenkomst minder aan Dexia heeft betaald dan het onder d. bedoelde bedrag verminderd met het totaal van de onder c. bedoelde bedragen.
De wettelijke rente, buitengerechtelijke kosten en proceskosten.
4.34.
Een aanspraak op wettelijke rente over nadeel, dat bij de voordeelstoerekening wordt verrekend met de voordelen, moet worden geacht niet te zijn ontstaan, aangezien die de schadeberekening te zeer zou compliceren. Slechts over het nadeel dat na voordeelstoerekening resteert, kan overeenkomstig de uitspraak van de Hoge Raad van 1 mei 2015 (ECLI:NL:HR:2015:1198) wettelijke rente worden toegewezen (Hoge Raad 3 februari 2017 ECLI:NL:HR:2017:164, r.o. 3.6.3). De wettelijke rente wordt, als onvoldoende bestreden, toegewezen over het bedrag aan schadevergoeding voor zover deze nog door Dexia verschuldigd is. In het geval reeds eerder een schadevergoeding door Dexia is betaald, geldt ten aanzien van de verrekening daarvan hetgeen is overwogen in de beslissing van de Rechtbank Amsterdam van 25 november 2021 ECLI:NL:RBAMS:2021:7910).
4.35.
[gedaagde] is wettelijke rente verschuldigd over het eventueel nog openstaande bedrag aan restschuld berekend vanaf 10 dagen na de datum van de eindafrekening(en).
4.36.
Ten aanzien van de buitengerechtelijke kosten vormen de stellingen geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen dan in het arrest van de Hoge Raad van 12 april 2019 dat partijen bekend is.
4.37.
Nu beide partijen over en weer gedeeltelijk in het gelijk worden gesteld zullen de proceskosten worden gecompenseerd in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt.
5De beslissing
ten aanzien van de vorderingen van Dexia:
5.1.
verklaart voor recht dat Dexia jegens [gedaagde] aan al haar verplichtingen uit hoofde van de overeenkomsten met nummers [contractnummer 1] en [contractnummer 2] heeft voldaan, nadat is overgegaan tot uitbetaling van het bedrag dat Dexia volgens r.o. 4.32. nog verschuldigd is aan [gedaagde] , te vermeerderen met de wettelijke rente daarover te berekenen vanaf het moment dat alle voordeel is verrekend en met toepassing van de uitgangspunten als geformuleerd in r.o. 4.34. tot de dag van algehele voldoening;
5.2.
compenseert de proceskosten in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt;
5.3.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A, van Dijk, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 20 juli 2023 in tegenwoordigheid van de griffier.
type: MB
coll:KSF
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 9586287 EL 21-21
Datum: 20 juli 2023
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
inzake
de besloten vennootschap DEXIA NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
eisende partij,
gemachtigde: USG Legal Professionals B.V.,
tegen
[gedaagde]
,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
gemachtigde: mr. G. van Dijk, Leaseproces.
Partijen worden hierna Dexia en [gedaagde] genoemd.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding van 25 november 2021 van Dexia;
de conclusie van antwoord van [gedaagde] ;
de conclusie van repliek van Dexia, waarbij zij voorwaardelijk haar vordering wijzigt;
de conclusie van dupliek van [gedaagde] , waarbij zij haar haar verweer omtrent artikel 1:88 BW intrekt.
1.2.
Hierna is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
Op de volgende leaseovereenkomsten staat [gedaagde] als lessee stond vermeld, met als wederpartij (de rechtsvoorganger van) Dexia:
Nr
Contractnr.
Datum
Naam overeenkomst
Looptijd
Leasesom
I.
[contractnummer 1]
08-06-1999
WinstVerDriedubbelaar
36 mnd
€ 23.441,71
II.
[contractnummer 2]
10-09-1999
Korting Kado
120 mnd
€ 49.436,46
2.2.
De overeenkomsten zijn respectievelijk geëindigd op 7 juni 2002 en 19 augustus 2003. Daarbij zijn negatieve resultaten van € 2.603,18 en € 19.778,44 behaald, die – met uitzondering van een bedrag van € 1.348,29, door [gedaagde] onbetaald zijn gelaten. [gedaagde] heeft daarnaast een bedrag van € 11.463,75 aan maandtermijnen aan Dexia voldaan. Dexia heeft € 1.183,91 aan dividenden uitgekeerd.
2.3.
Bij brief van 8 juli 2021 heeft Dexia [gedaagde] uitgenodigd om in gesprek te gaan en te onderzoeken of partijen tot afronding van het effectenleasedossier kunnen komen. [gedaagde] heeft hierop niet (inhoudelijk) gereageerd.
3De vordering en het verweer
3.1.
Dexia vordert – na voorwaardelijke wijzing van eis - dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad voor wat betreft de proceskosten,1. zal verklaren voor recht dat Dexia met betrekking tot de tussen haar en [gedaagde] gesloten leaseovereenkomsten met nummers [contractnummer 1] en [contractnummer 2] , na betaling van een door de rechtbank in goede justitie vast te stellen bedrag, aan al haar verbintenissen heeft voldaan, daaronder begrepen schadevergoedingsverbintenissen, en derhalve niets meer aan [gedaagde] verschuldigd is,
2. [gedaagde] zal veroordelen in de proceskosten.3.2. [gedaagde] voert verweer tegen de vorderingen en concludeert tot niet-ontvankelijk verklaring van Dexia, althans afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van Dexia in de proceskosten en de nakosten.
3.3.
Op de stellingen en verweren van partijen zal voor zover nodig hierna nader worden ingegaan.
4De beoordeling 4.1. [gedaagde] voert allereerst aan dat Dexia niet-ontvankelijk zou zijn in haar vorderingen, omdat zij geen contractspartij zou zijn bij onderhavige overeenkomsten. Dexia heeft daarop een aanvraagformulier met betrekking tot overeenkomst I. overgelegd, waaruit volgens haar volgt dat [gedaagde] , geboren [geboortedatum] 1967 deze overeenkomst heeft aangevraagd. Uit de administratie van Dexia volgt dat dit de naam en geboortedatum van [gedaagde] betreffen. In de eerste brief van 9 maart 2007 van de gemachtigde van [gedaagde] wordt namens [gedaagde] onder meer een beroep gedaan op de nietigheid van de overeenkomsten. Bij deze brief is door de gemachtigde van [gedaagde] tevens een vernietigingsverklaring van 9 maart 2007 van de eega van [gedaagde] gevoegd, waarin de eega stelt dat hem gebleken is dat [gedaagde] de overeenkomsten heeft afgesloten. Dexia heeft met deze stukken voldoende aangetoond dat
[gedaagde] als contractspartij van Dexia dient te worden beschouwd. Dexia is daarom ontvankelijk in haar vorderingen.
4.2.
Het gaat in deze zaak om een financieel product dat tussen 1990 en 2003 in Nederland ongeveer één miljoen keer is verkocht, namelijk een effectenleaseovereenkomst. Kenmerk van dit product is, dat de afnemer van het product met geleend geld belegt. Na het instorten van de aandelenmarkt zijn vele afnemers geconfronteerd met restschulden en andere verliezen. In de afgelopen 15 à 20 jaar zijn in Nederland hierover duizenden procedures gevoerd, waarbij Dexia vaak één van de procespartijen was. Door belangenbehartigers van afnemers en vertegenwoordigers van aanbieders van deze producten is, in het kader van de WCAM, een regeling getroffen, die bij beschikking van het Gerechtshof Amsterdam van 25 januari 2007 algemeen verbindend is verklaard. Enkele tienduizenden afnemers hebben deze regeling niet geaccepteerd en tijdig een opt-out-verklaring ingediend, onder wie [gedaagde] .
4.3.
De veelheid van procedures heeft geleid tot veel jurisprudentie, waaronder verschillende richtinggevende arresten van de Hoge Raad. Deze jurisprudentie is bij de gemachtigden van partijen bekend. In het bijzonder gaat het om de arresten van de Hoge Raad van 28 maart 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BC2837), 5 juni 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BH 2815), 29 april 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP4003), 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR: 2017:164) en 12 april 2019 (ECLI:NL:HR:2019:590) en de arresten van het gerechtshof Amsterdam van 1 december 2009 (ECLI:NL: GHAMS:2009:BK4981) en 1 april 2014, (ECLI:NL:GHAMS:2014:1135). Deze jurisprudentie wordt als leidraad genomen. Door partijen zijn geen (althans onvoldoende) bijzondere omstandigheden gesteld die in deze zaak een afwijking daarvan rechtvaardigen.
4.4.
Toepassing van deze maatstaven en beoordelingskaders leidt in het onderhavige geval tot de volgende conclusies:
er is sprake van huurkoop;
er is geen sprake van dwaling, misleidende reclame en/of misbruik van omstandigheden; evenmin is er sprake van (ver)nietig(baar)heid krachtens de Wck;
Dexia heeft haar bijzondere zorgplichten geschonden, in elk geval de waarschuwingsplicht, en daardoor onrechtmatig gehandeld;
[gedaagde] heeft schade geleden, bestaande uit betaalde termijnen en restschuld;
er is voldoende causaal verband aanwezig tussen de hiervoor bedoelde schade en de onrechtmatige daad van Dexia.
4.5.
Hierna zal achtereenvolgend worden ingegaan op:
de vaststelling van de schade wegens termijnen en de schade wegens restschuld;
het op de schade in mindering brengen van het genoten voordeel;
de eigen schuld (art. 6:101 BW);
een wel of niet onaanvaardbaar zware financiële last;
de consequenties van het voorgaande voor de verdeling van de (resterende) schade;
wat elke partij gelet op het voorgaande nog aan de andere partij verschuldigd is;
wettelijke rente, buitengerechtelijke kosten en proceskosten.
4.6.
Waar hierna sprake is van ‘leasetermijnen’ ‘restschuld’, ‘dividenden en claims’, ‘waarde effecten’, ‘restant hoofdsom beëindiging’, ‘uitkering’ en ‘fiscaal voordeel’ wordt gedoeld op de bedragen die bij de (betreffende) overeenkomst worden vermeld op het (meest recent) door Dexia overgelegde financiële overzicht (de laatste twee genoemde onder het kopje ‘Overige voordelen’). Nu Afnemer de juistheid van de daarop vermelde gegevens niet (voldoende gemotiveerd) heeft betwist wordt daarvan uitgegaan.
De vaststelling van de schade wegens termijnen en de schade wegens restschuld ten aanzien van beide overeenkomsten
4.7.
De schade die als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia is ontstaan bestaat uit de schade wegens de door [gedaagde] verschuldigde termijnen, dat wil zeggen zowel de betaalde termijnen als de bij de eindafrekening nog achterstallige termijnen, en uit een (eventuele) restschuld.
De resterende termijnen ten aanzien van overeenkomst II.
4.8.
Tussen partijen is in geschil of Dexia op grond van bedingen in de (Bijzondere voorwaarden bij) de overeenkomst bij de eindafrekening een bedrag van: € 14.375,26 bij [gedaagde] in rekening mocht brengen wegens de voortijdige beëindiging van deze overeenkomst. [gedaagde] heeft een beroep gedaan op de vernietigbaarheid van bovenbedoelde bedingen, onder meer omdat dit volgens hem ‘oneerlijk bedingen’ vormen als bedoeld in de Richtlijn 93/13 EEG (hierna: de Richtlijn).
4.9.
In zijn prejudiciële beslissing van 21 april 2017 (ECLI:NL:HR:2017:773) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat een beding in de algemene voorwaarden van Dexia op grond waarvan Dexia in het geval van een tussentijdse beëindiging van de overeenkomst wegens nalatigheid van de zijde van de wederpartij bevoegd is om zonder meer het onbetaalde restant van de overeengekomen leasesom(men) op te eisen, een beding is dat op grond van de Richtlijn als oneerlijk moet worden beschouwd. Om die reden is de rechter gehouden om een dergelijk beding op grond van artikel 6:233 BW te vernietigen voor zover dit betrekking heeft op termijnen die ten tijde van de beëindiging op grond van die bepaling nog toekomstig waren. Op die termijnen kan dan niet langer op grond van de contractuele Bijzondere Voorwaarden aanspraak worden gemaakt.
4.10.
De vraag of de beëindiging van de overeenkomst moet worden aangemerkt als een beëindiging op grond van contractuele bepalingen, dan wel als een ontbinding in de zin van artikel 6:265 BW, is naar het oordeel van de kantonrechter niet relevant voor de vraag of het beding in de Bijzondere Voorwaarden op grond waarvan Dexia aanspraak maakt op resterende termijnen ‘oneerlijk’ is in de zin van de Richtlijn (vergelijk Hof Den Bosch 12 februari 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:515). Bovenbedoelde beslissing van de Hoge Raad wordt ook in de onderhavige zaak van toepassing geacht.
4.11.
Evenmin wordt relevant geacht of de beëindiging van de overeenkomst is geschied door Dexia of door [gedaagde] . Dit is immers niet van invloed op de kwalificatie van de bedingen, op grond waarvan Dexia aanspraak heeft gemaakt op betaling wegens resterende termijnen, als zijnde ‘oneerlijk’ als bedoeld in de Richtlijn.
4.12.
Dit leidt tot de conclusie dat de bedingen die Dexia aanspraak geven op na beëindiging van de overeenkomst nog resterende termijnen dienen te worden vernietigd.
4.13.
Uit het arrest van het Hof van Justitie van 21 januari 2021 (ECLI:EU:C:2021:68) volgt dat bij vernietiging van het beding in de (Bijzondere Voorwaarden bij) de overeenkomst Dexia evenmin op grond van de wet aanspraak heeft op (gehele of gedeeltelijke) vergoeding van de schade die zij door de voortijdige beëindiging van de overeenkomsten heeft geleden.
4.14.
Dexia wordt niet gevolgd in haar stelling dat het vervallen van de post contant gemaakte resterende rentetermijnen ook meebrengt dat de toegepaste korting bij de post restant hoofdsom moet komen te vervallen, omdat deze korting dezelfde basis heeft als de korting op de toekomstige rentetermijnen. De vernietiging en de gevolgen daarvan strekken zich slechts uit tot het gedeelte van de overeenkomst dat oneerlijk is en zien daarmee alleen op de nog verschuldigde rentetermijnen. De overeenkomst moet voor het overige zonder wijzigingen voortbestaan (ECLI:EU:C:2021:68, punt 62). Voor zover Dexia op grond van de Bijzondere voorwaarden bij de beëindiging van de leaseovereenkomst de nog verschuldigde hoofdsom contant dient te maken, is zij ten gunste van de [naam] van de wettelijke regeling afweken. Niet gebleken is dat de overeenkomst in zoverre niet in stand kan blijven als het gedeelte daarvan dat oneerlijk is wordt vernietigd. In dit verband wordt verwezen naar het arrest van hof Amsterdam van 14 september 2021 (ECLI:NL:GHAMS:2021:2826).
4.15.
Het voorgaande brengt mee dat de post die ziet op de contant gemaakte resterende termijnen (in casu: € 14.375,26) in de eindafrekening van de overeenkomst komt te vervallen en geen deel uitmaakt van de bovenbedoelde schade.
Het op de schade in mindering brengen van het genoten voordeel ten aanzien van beide overeenkomsten
4.16.
Op de door [gedaagde] geleden schade dient eerst in mindering te worden gebracht het voordeel als bedoeld in artikel 6:100 BW. Dit bestaat uit de in verband met de betreffende overeenkomst ontvangen inkomsten uit ‘Dividenden en claims’ en het genoten fiscaal voordeel.
4.17
[gedaagde] heeft bij de laatste conclusie de juistheid van het door Dexia berekende fiscale voordeel betwist. Dexia heeft hierop niet meer kunnen reageren. De kantonrechter ziet geen aanleiding nog een schriftelijke ronde toe te staan en gaat er van uit dat partijen bij de berekening van de nog te vergoeden schade slechts fiscaal voordeel in aanmerking nemen dat daadwerkelijk is genoten.
4.18.
Een eventueel reeds door Dexia betaalde (gedeeltelijke) schadevergoeding behoort niet tot de hier bedoelde voordelen.
4.19.
Indien daarvan sprake is behoort tot het op de schade in mindering te brengen voordeel eveneens het batig saldo uit andere effectenleaseovereenkomsten tenzij deze meer dan een jaar vóór het aangaan van de overeenkomst waarbij de schade zich voordoet zijn beëindigd. Onder batig saldo wordt verstaan hetgeen aan opbrengst resteert nadat alle betalingen door de afnemer in mindering zijn gebracht.
4.20.
Voor zover sprake is van voordeel als hiervoor bedoeld dient dit eerst in mindering te worden gebracht op de schade die [gedaagde] heeft geleden wegens verschuldigde termijnen. Resteert dan nog een niet verrekend deel van het voordeel en is er sprake van meerdere verlieslatende overeenkomsten, dan dient vervolgens verrekening plaats te vinden met de schade wegens termijnen uit de volgende verlieslatende overeenkomst(en), en daarna met de restschuld, tot alle voordeel is verrekend.
De eigen schuld (art. 6:101 BW), wel of niet een onaanvaardbare financiële last
4.21.
Op grond van artikel 6:101 BW dient [gedaagde] een deel van de na verrekening van eventuele voordelen als hiervoor bedoeld resterende schade, (hierna: de resterende schade) wegens eigen schuld zelf te dragen. Daarbij dient een onderscheid te worden gemaakt tussen de resterende schade bestaande uit de verschuldigde termijnen en de resterende schade bestaande uit een (eventuele) restschuld.
4.22.
Onderzocht moet worden of nakoming door Dexia van haar onderzoeksplicht zou hebben uitgewezen dat Dexia het aangaan van deze overeenkomsten had behoren te ontraden, omdat daardoor naar redelijke verwachting een onaanvaardbaar zware financiële last op [gedaagde] werd gelegd. Indien het aangaan van de overeenkomsten voor [gedaagde] een onaanvaardbaar zware financiële last met zich bracht dient [gedaagde] een derde deel van de resterende schade uit zowel verschuldigde termijnen (de inleg) als de restschuld zelf te dragen. Indien geen sprake was van een dergelijke last dient de afnemer de resterende schade wegens verschuldigde termijnen geheel zelf te dragen en van de schade wegens restschuld een derde deel. Of sprake is van een zodanig onaanvaardbaar zware financiële last wordt beoordeeld door toepassing van de zogenoemde Hof-formule als weergegeven in het arrest van hof Amsterdam van 1 december 2009 (ECLI:NL: GHAMS:2009:BK4981). Afnemer dient de gegevens die nodig zijn voor deze beoordeling te verstrekken en met stukken te onderbouwen.
4.23.
Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een onaanvaardbaar zware financiële last moeten alle bekende omstandigheden die van invloed kunnen zijn op de financiële ruimte van een belegger in aanmerking worden genomen. De hiervoor gehanteerde vuistregel, de Hof-formule luidt: X - W - A- B- C < Y + 0,1 xY + 0,15 x (X-Y). De factor X staat voor het besteedbare netto-maandinkomen van Afnemer. De factor Y betreft de NIBUD-basisnorm voor het betrokken type huishouden. De factor W staat voor de maandelijkse huur-of hypotheeklasten voor de eigen dan wel gehuurde woning voor zover deze het daarvoor door het NIBUD gehanteerde basisbedrag overtreffen. De factor A staat voor de verplichtingen die voortvloeien uit de leaseovereenkomst, factor B staat voor eventuele financiële verplichtingen uit andere, eerder aangegane leaseovereenkomsten. De factor C staat voor eventuele (daadwerkelijk bestaande) rente- en aflossingsverplichtingen uit andersoortige eerdere kredietovereenkomsten.
Wel of geen onaanvaardbaar zware financiële last in dit geval
4.24.
Beide partijen zijn het er over eens dat, bij toepassing van de criteria van de Hof-formule, er ten aanzien van de overeenkomst met nummer [contractnummer 2] sprake is van een ‘onaanvaardbaar zware last’.
4.25.
Tussen partijen is (onder meer) in geschil of door het aangaan van de overeenkomst met nummer [contractnummer 1] voor [gedaagde] een onaanvaardbaar zware financiële met zich bracht.
4.26.
Tussen partijen is in het bijzonder in geschil of bij de berekening van het
genoten belastingvoordeel bij de huur- of hypotheeklasten moet worden uitgegaan van het
stipinkomen en niet van het daadwerkelijk genoten bruto inkomen. Dienaangaande wordt overwogen dat bij de berekening van het belastingvoordeel op de huur- of hypotheeklasten dient te worden uitgegaan van het bruto jaarinkomen dat volgt uit het Biljet van Proces en niet het stipinkomen, waarbij alle aftrekposten reeds van het bruto inkomen zijn afgetrokken. Het stipinkomen is geen correcte weergave van het inkomen dat [gedaagde] daadwerkelijk heeft verdiend.
4.27.
Met betrekking tot de overeenkomst met nummer [contractnummer 1] volgt uit het voorgaande dat geen sprake was van een onaanvaardbaar zware financiële last als gevolg van het aangaan daarvan. Voor de berekening wordt verwezen naar de Bijlage I.
De consequenties voor de verdeling van de (resterende) schade.
4.28.
Uit het voorgaande volgt dat met betrekking tot de overeenkomst met nummer [contractnummer 1] de resterende schade wegens verschuldigde termijnen geheel voor rekening van [gedaagde] blijft, evenals 1/3 deel van de resterende schade wegens restschuld.
4.29.
Met betrekking tot de overeenkomst met nummer [contractnummer 2] blijft de resterende schade wegens verschuldigde termijnen voor 1/3 deel voor rekening van [gedaagde] , evenals 1/3 deel van de resterende schade wegens restschuld.
Wat elke partij nog aan de andere partij verschuldigd is
4.30.
Nu de overeenkomsten niet rechtsgeldig zijn vernietigd of ontbonden zal [gedaagde] aan de daaruit voortkomende betalingsverplichtingen dienen te voldoen. Anderzijds zal Dexia de resterende schade dienen te vergoeden die volgens het bovenstaande voor haar rekening komt.
4.31.
Op grond van het voorgaande en de door Dexia (meest recent) overgelegde financiële gegevens van de onderhavige overeenkomsten zullen partijen in staat zijn te berekenen:
a. wat de schade is aan verschuldigde termijnen en restschuld, waarbij rekening dient te worden gehouden met hetgeen hiervoor is overwogen ten aan zien van post resterende termijnen in de eindafrekening van de overeenkomst nummer [contractnummer 2] .
b. wat de in mindering te brengen voordelen zijn (inclusief eventueel in aanmerking te nemen batig saldo uit voorgaande overeenkomsten) en wat na aftrek daarvan aan schade resteert.
c. of en zo ja tot welk bedrag [gedaagde] een resterende schade wegens termijnen en wegens restschuld dient te dragen;
d. wat [gedaagde] op grond van nakoming van betalingsverplichtingen uit de overeenkomsten in totaal aan Dexia verschuldigd is.
4.32.
[gedaagde] heeft in verband met de onderhavige overeenkomsten jegens Dexia aanspraak op schadevergoeding indien en voor zover [gedaagde] ter zake van een bepaalde overeenkomst méér aan Dexia heeft betaald dan het onder d. bedoelde bedrag verminderd met het totaal van de onder c. bedoelde bedragen en verminderd met een (eventueel) reeds door Dexia betaalde schadevergoeding (exclusief wettelijke rente).
4.33.
Dexia heeft in verband met de onderhavige overeenkomsten jegens [gedaagde] aanspraak op nakoming van betalingsverplichtingen indien en voor zover [gedaagde] ter zake van een bepaalde overeenkomst minder aan Dexia heeft betaald dan het onder d. bedoelde bedrag verminderd met het totaal van de onder c. bedoelde bedragen.
De wettelijke rente, buitengerechtelijke kosten en proceskosten.
4.34.
Een aanspraak op wettelijke rente over nadeel, dat bij de voordeelstoerekening wordt verrekend met de voordelen, moet worden geacht niet te zijn ontstaan, aangezien die de schadeberekening te zeer zou compliceren. Slechts over het nadeel dat na voordeelstoerekening resteert, kan overeenkomstig de uitspraak van de Hoge Raad van 1 mei 2015 (ECLI:NL:HR:2015:1198) wettelijke rente worden toegewezen (Hoge Raad 3 februari 2017 ECLI:NL:HR:2017:164, r.o. 3.6.3). De wettelijke rente wordt, als onvoldoende bestreden, toegewezen over het bedrag aan schadevergoeding voor zover deze nog door Dexia verschuldigd is. In het geval reeds eerder een schadevergoeding door Dexia is betaald, geldt ten aanzien van de verrekening daarvan hetgeen is overwogen in de beslissing van de Rechtbank Amsterdam van 25 november 2021 ECLI:NL:RBAMS:2021:7910).
4.35.
[gedaagde] is wettelijke rente verschuldigd over het eventueel nog openstaande bedrag aan restschuld berekend vanaf 10 dagen na de datum van de eindafrekening(en).
4.36.
Ten aanzien van de buitengerechtelijke kosten vormen de stellingen geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen dan in het arrest van de Hoge Raad van 12 april 2019 dat partijen bekend is.
4.37.
Nu beide partijen over en weer gedeeltelijk in het gelijk worden gesteld zullen de proceskosten worden gecompenseerd in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt.
5De beslissing
ten aanzien van de vorderingen van Dexia:
5.1.
verklaart voor recht dat Dexia jegens [gedaagde] aan al haar verplichtingen uit hoofde van de overeenkomsten met nummers [contractnummer 1] en [contractnummer 2] heeft voldaan, nadat is overgegaan tot uitbetaling van het bedrag dat Dexia volgens r.o. 4.32. nog verschuldigd is aan [gedaagde] , te vermeerderen met de wettelijke rente daarover te berekenen vanaf het moment dat alle voordeel is verrekend en met toepassing van de uitgangspunten als geformuleerd in r.o. 4.34. tot de dag van algehele voldoening;
5.2.
compenseert de proceskosten in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt;
5.3.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A, van Dijk, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 20 juli 2023 in tegenwoordigheid van de griffier.
type: MB
coll:KSF