Rechtbank Gelderland
ECLI:NL:RBGEL:2026:7239
2026-09-11
Civiel recht; Verbintenissenrecht
12114414 \ CV EXPL 26-558
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
De vordering tot betaling van de annuleringsvergoeding wordt afgewezen. Gedaagde heeft met betrekking tot de totstandkoming van de overeenkomst een voorbehoud gemaakt, te weten dat zijn verzekeraar dekking zou bieden. Niet komen vast te staan is dat er een overeenkomst tussen partijen tot stand is gekomen, zodat van een annulering daarvan evenmin sprake is geweest.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (16.310 tekens)
RECHTBANK
GELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Nijmegen
Zaaknummer: 12114414 \ CV EXPL 26-558
Vonnis van 11 september 2026
in de zaak van
[bedrijf]
,
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: Van Loon Incasso Advocaten,
tegen
[gedaagde]
,
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: [gemachtigde] .
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 t/m 7- de conclusie van antwoord met producties 1 t/m 9- de conclusie van repliek met producties 8 t/m 13- de conclusie van dupliek met producties 8 t/m 13.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
[eiser] oefent een bedrijf uit dat gespecialiseerd is in het leggen en leveren van onder andere premium pvc-vloeren, alsmede het uitvoeren van de benodigde werkzaamheden om een pvc-vloer te kunnen plaatsen.
2.2.
In de woning van [gedaagde] is op enig moment sprake geweest van lekkage, als gevolg waarvan de vloer in zijn woonkamer beschadigd is geraakt.
2.3.
Door [gedaagde] zijn bij [eiser] in totaal drie offertes opgevraagd voor (onder andere) het vervangen van zijn vloer. Voor het uitbrengen van die offertes heeft [eiser] de woning van [gedaagde] bezocht en metingen verricht. De uitgebrachte offertes hebben betrekking op (i) levering en legging van een PVC-vloer inclusief een complete vloerverwarmingsinstallatie voor € 10.720,- inclusief btw, (ii) levering en legging van een PVC-vloer zonder vloerverwarming voor € 6.452,20 inclusief btw en (iii) een houten parketvloer zonder vloerverwarming voor € 6.817,62 inclusief btw.
2.4.
Op 3 februari 2025 stuurt [gedaagde] aan [eiser] per WhatsAppbericht, onder verwijzing naar de offerte van € 10.720,-, ‘Zet mij maar in de planning ovb in verband met de verzekering’.
2.5.
Nadien heeft [eiser] de werkzaamheden voor [gedaagde] ingepland in week 25 van 2025.
2.6.
Bij WhatsAppbericht d.d. 20 mei 2025 heeft [gedaagde] aan [eiser] bericht ‘Hoy [eiser] ik kreeg net een belletje van jullie kantoor maar het kan niet door gaan in verband dat het niet gaat lukken financiël’.
3Het geschil
3.1.
[eiser] vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 3.165,99, vermeerderd met rente en kosten.
3.2.
[eiser] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. [eiser] heeft op 6 januari 2025, op verzoek van [gedaagde] , de woning van [gedaagde] bezocht voor het opmaken van een offerte. Deze offerte zag op de levering en het leggen van een PVC-vloer met vloerverwarming. De direct op locatie opgemaakte offerte voor een totaalbedrag van
€ 10.720,- inclusief btw, is door [gedaagde] per WhatsAppbericht van 3 februari 2025 geaccepteerd. Als gevolg daarvan is er tussen partijen een overeenkomst tot stand gekomen, waarna [eiser] de werkzaamheden voor [gedaagde] heeft ingepland.
3.3.
[gedaagde] heeft de opdracht op 20 mei 2025 echter geannuleerd, hetgeen maakt dat hij op grond van artikel 3 sub c van de op de overeenkomst van toepassing zijnde algemene voorwaarden 75% van de geoffreerde aanneemsom verschuldigd is geworden. [eiser] heeft er echter voor gekozen [gedaagde] een annuleringsvergoeding van maar 25% van de overeengekomen prijs in rekening te brengen, te weten een bedrag van € 2.680,03. De daarvoor door [eiser] opgemaakte en aan [gedaagde] verzonden factuur d.d. 20 juni 2025 heeft [gedaagde] tot op heden geweigerd te betalen, zodat [eiser] zich genoodzaakt heeft gezien [gedaagde] in rechte te betrekken. Daarbij maakt [eiser] ook aanspraak op buitengerechtelijke incassokosten en rente.
3.4.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
3.5.
[gedaagde] betwist dat er tussen partijen een overeenkomst tot stand is gekomen. De door [eiser] genoemde offerte is door [gedaagde] nimmer ondertekend en van een aanvaarding van de offerte (zonder voorbehoud) is geen sprake geweest. Door [gedaagde] is telkens duidelijk gecommuniceerd dat financiële dekking door de verzekeraar een essentiële voorwaarde vormde voor de totstandkoming van de overeenkomst en deze voorwaarde is nimmer in vervulling gegaan.
3.6.
[gedaagde] betwist daarnaast de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden omdat deze door [eiser] niet ter hand zijn gesteld en door [gedaagde] niet zijn geaccepteerd. Voor zover wordt geoordeeld dat er wel een overeenkomst tussen partijen tot stand is gekomen en de algemene voorwaarden van toepassing zijn, geldt daarnaast dat het annuleringsbeding onredelijk bezwarend is. Door [eiser] is bovendien niet aangetoond dat zij als gevolg van de annulering van de opdracht enige schade heeft geleden.
3.7.
Op de (overige) stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
Kernvraag en uitkomst
4.1.
Het geschil spitst zich toe op de vraag of [eiser] jegens [gedaagde] aanspraak heeft op de door haar gevorderde annuleringsvergoeding. Ter beantwoording van die vraag dient, gelet op het door [gedaagde] gevoerde verweer, beoordeeld te worden of er tussen partijen een overeenkomst tot stand is gekomen en, voor zover dit het geval is, of de algemene voorwaarden van [eiser] daarop van toepassing zijn. Indien beide vragen bevestigend kunnen worden beantwoord, dient tot slot ook nog te worden beoordeeld of het in artikel 3 van de algemene voorwaarden opgenomen annuleringsbeding al dan niet vernietigbaar is.
4.2.
De kantonrechter is van oordeel dat in deze procedure niet is komen vast te staan dat er een overeenkomst tussen partijen tot stand is gekomen, zodat van een annulering daarvan evenmin sprake is geweest en de overige vragen hier onbeantwoord kunnen blijven. De vordering van [eiser] wordt dan ook afgewezen, met veroordeling van [eiser] in de proceskosten. Hierna wordt toegelicht hoe de kantonrechter tot dit oordeel is gekomen.
Is er een overeenkomst tot stand gekomen?
4.3.
De vraag die als eerste beantwoord moet worden is of er tussen partijen een overeenkomst tot stand is gekomen, zoals door [eiser] is betoogd, omdat deze overeenkomst, en meer in het bijzonder de volgens [eiser] daarop van toepassing zijnde algemene voorwaarden, de grondslag vormt van de vordering van [eiser] en [gedaagde] de totstandkoming van de overeenkomst gemotiveerd heeft betwist. Naar het oordeel van de kantonrechter is er geen overeenkomst tussen partijen tot stand gekomen, dit oordeel wordt als volgt toegelicht.
4.4.
Een overeenkomst komt tot stand door een aanbod en de aanvaarding daarvan (artikel 6:217 BW). Aanbod en aanvaarding zijn wilsverklaringen die in iedere vorm kunnen geschieden en in een of meer gedragingen besloten kunnen liggen (artikel 3:37 BW). Of sprake is van aanbod en aanvaarding hangt af van wat partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen en gedragingen, overeenkomstig de zin die zij daaraan in de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mochten toekennen, hebben afgeleid en van hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (artikel 3:33 en 3:35 BW).
4.5.
Een overeenkomst komt tot stand op het moment dat partijen overeenstemming bereiken over de afspraken, een zogenaamde wilsovereenstemming. Indien een aanbod ontbreekt of een aanbod niet wordt aanvaard door de wederpartij, komt in beginsel geen overeenkomst tot stand. Er is dan immers geen wilsovereenstemming ontstaan. Daarnaast kunnen aan de totstandkoming van een overeenkomt voorwaarden worden gesteld, een zogenoemd totstandkomingsvoorbehoud. De overeenkomst komt dan pas tot stand op het moment dat aan de voorwaarden is voldaan.
4.6.
In het onderhavige geval is tussen partijen als zodanig niet in geschil dat [eiser] door het uitbrengen van de offerte met betrekking tot de levering en legging van een PVC-vloer inclusief een complete vloerverwarmingsinstallatie voor een bedrag van € 10.720,- inclusief btw, aan [gedaagde] een aanbod tot het sluiten van een overeenkomst heeft gedaan.
4.7.
Dat dit aanbod door [gedaagde] (onvoorwaardelijk) is aanvaard, is naar het oordeel van de kantonrechter echter niet komen vast te staan.
4.7.1.
Bij dit oordeel wordt in de eerste plaats van belang geacht dat uit het WhatsApp-bericht d.d. 3 februari 2025 van [gedaagde] , inhoudende ‘Zet mij maar in de planning ovb in verband met de verzekering’, kan worden afgeleid dat [gedaagde] met betrekking tot de totstandkoming van de overeenkomst een duidelijk voorbehoud heeft gemaakt, te weten de voorwaarde dat ook zijn verzekeraar met (de kosten van) de offerte akkoord zou gaan.
Dat [eiser] er al in een vroeg stadium bekend mee was dat de goedkeuring van de verzekeraar voor [gedaagde] een (belangrijke) voorwaarde vormde voor het aangaan van de overeenkomst, kan bovendien worden afgeleid uit de eerder door partijen gevoerde WhatsApp-correspondentie (productie 10 bij conclusie van repliek).
4.7.2.
Voor zover juist is dat, zoals door [eiser] is gesteld en door [gedaagde] niet (expliciet) is bestreden, ook het daaropvolgende WhatsApp-bericht van 3 februari 2025 (vermeld op pagina 1 van productie 3 bij dagvaarding) van [gedaagde] afkomstig is, geldt daarnaast dat ook daaruit duidelijk volgt dat er met betrekking tot het aangaan van de overeenkomst een voorbehoud door [gedaagde] is gemaakt. In dit bericht staat namelijk vermeld ‘Akkoord onder voorbehoud van goedkeuring verzekering i.o.m. [eiser]’.
4.7.3.
Tot slot geldt dat ook in geval het voornoemde WhatsAppbericht niet van [gedaagde] afkomstig is maar van [eiser] , hetgeen de kantonrechter gelet op de overgelegde afbeelding van het WhatsAppgesprek meer aannemelijk voor komt, [eiser] er nadien niet gerechtvaardigd op heeft mogen vertrouwen dat er een onvoorwaardelijke aanvaarding van haar aanbod had plaatsgevonden. Uit dit bericht volgt in dat geval namelijk dat voor [eiser] duidelijk was dat er voor wat betreft het aangaan van de overeenkomst een uitdrukkelijk voorbehoud gold en dat zij dit zelf ook expliciet heeft bevestigd.
4.8.
Volgens [gedaagde] is niet voldaan aan de voorwaarden van zijn voorbehoud, zodat er geen overeenkomst tot stand is gekomen. Dit is naar het oordeel van de kantonrechter ook voldoende komen vast te staan. Uit de tussen partijen gevoerde WhatsApp-correspondentie (productie 10 bij conclusie van repliek) volgt immers dat het voor beide partijen van meet af aan duidelijk was dat [gedaagde] voor de financiering van de vloer dekking van zijn verzekeraar nodig had en het WhatsAppbericht van [gedaagde] van 20 mei 2025 moet naar het oordeel van de kantonrechter dan ook in dat licht worden gelezen. In dit bericht staat weliswaar niet letterlijk dat de verzekeraar geen dekking heeft willen geven, maar wel dat de opdracht geen doorgang kon vinden omdat [gedaagde] de financiering niet rond kreeg. Dat hier andere redenen aan ten grondslag lagen is door [gedaagde] gemotiveerd bestreden en door [eiser] ook niet aangetoond.
4.9.
Hoewel een op schrift gestelde overeenkomst, die door beide partijen is ondertekend, geen noodzakelijke voorwaarde vormt voor de totstandkoming van een overeenkomst, geldt dat [eiser] in deze procedure wel een getekende offerte heeft overgelegd. Door [gedaagde] is echter gemotiveerd betwist dat hij deze offerte van [eiser] voor een bedrag van € 10.720,- heeft ondertekend.
4.10.
Op grond van artikel 159 lid 2 Rv levert een onderhandse akte, waarvan de ondertekening door de partij tegen welke zij dwingend bewijs zou opleveren stellig wordt ontkend, geen bewijs op zolang niet bewezen is van wie de ondertekening afkomstig is. Omdat [eiser] zich op de rechtsgevolgen van de offerte beroept, dient zij te bewijzen van wie de handtekening afkomstig is. [eiser] heeft echter geen relevante stellingen aangevoerd die bewijs opleveren van haar stelling en dat de handtekening wel van [gedaagde] afkomstig is, is de kantonrechter ook op geen enkele wijze gebleken. Voor (verdere) bewijslevering op dit punt ziet de kantonrechter voorts geen aanleiding. Immers ook in geval de handtekening wel van [gedaagde] afkomstig is, geldt nog steeds dat [gedaagde] bij zijn aanvaarding een duidelijk voorbehoud heeft gemaakt en er niet is voldaan aan de voorwaarden van dit voorbehoud.
Proceskosten
4.11.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
€
506,00
(2 punten × € 253,00)
- nakosten
€
126,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
632,50
5De beslissing
De kantonrechter
5.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 632,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.C. Zandman en in het openbaar uitgesproken op 11 september 2026.
2108 / 68707
GELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Nijmegen
Zaaknummer: 12114414 \ CV EXPL 26-558
Vonnis van 11 september 2026
in de zaak van
[bedrijf]
,
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: Van Loon Incasso Advocaten,
tegen
[gedaagde]
,
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: [gemachtigde] .
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 t/m 7- de conclusie van antwoord met producties 1 t/m 9- de conclusie van repliek met producties 8 t/m 13- de conclusie van dupliek met producties 8 t/m 13.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
[eiser] oefent een bedrijf uit dat gespecialiseerd is in het leggen en leveren van onder andere premium pvc-vloeren, alsmede het uitvoeren van de benodigde werkzaamheden om een pvc-vloer te kunnen plaatsen.
2.2.
In de woning van [gedaagde] is op enig moment sprake geweest van lekkage, als gevolg waarvan de vloer in zijn woonkamer beschadigd is geraakt.
2.3.
Door [gedaagde] zijn bij [eiser] in totaal drie offertes opgevraagd voor (onder andere) het vervangen van zijn vloer. Voor het uitbrengen van die offertes heeft [eiser] de woning van [gedaagde] bezocht en metingen verricht. De uitgebrachte offertes hebben betrekking op (i) levering en legging van een PVC-vloer inclusief een complete vloerverwarmingsinstallatie voor € 10.720,- inclusief btw, (ii) levering en legging van een PVC-vloer zonder vloerverwarming voor € 6.452,20 inclusief btw en (iii) een houten parketvloer zonder vloerverwarming voor € 6.817,62 inclusief btw.
2.4.
Op 3 februari 2025 stuurt [gedaagde] aan [eiser] per WhatsAppbericht, onder verwijzing naar de offerte van € 10.720,-, ‘Zet mij maar in de planning ovb in verband met de verzekering’.
2.5.
Nadien heeft [eiser] de werkzaamheden voor [gedaagde] ingepland in week 25 van 2025.
2.6.
Bij WhatsAppbericht d.d. 20 mei 2025 heeft [gedaagde] aan [eiser] bericht ‘Hoy [eiser] ik kreeg net een belletje van jullie kantoor maar het kan niet door gaan in verband dat het niet gaat lukken financiël’.
3Het geschil
3.1.
[eiser] vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 3.165,99, vermeerderd met rente en kosten.
3.2.
[eiser] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. [eiser] heeft op 6 januari 2025, op verzoek van [gedaagde] , de woning van [gedaagde] bezocht voor het opmaken van een offerte. Deze offerte zag op de levering en het leggen van een PVC-vloer met vloerverwarming. De direct op locatie opgemaakte offerte voor een totaalbedrag van
€ 10.720,- inclusief btw, is door [gedaagde] per WhatsAppbericht van 3 februari 2025 geaccepteerd. Als gevolg daarvan is er tussen partijen een overeenkomst tot stand gekomen, waarna [eiser] de werkzaamheden voor [gedaagde] heeft ingepland.
3.3.
[gedaagde] heeft de opdracht op 20 mei 2025 echter geannuleerd, hetgeen maakt dat hij op grond van artikel 3 sub c van de op de overeenkomst van toepassing zijnde algemene voorwaarden 75% van de geoffreerde aanneemsom verschuldigd is geworden. [eiser] heeft er echter voor gekozen [gedaagde] een annuleringsvergoeding van maar 25% van de overeengekomen prijs in rekening te brengen, te weten een bedrag van € 2.680,03. De daarvoor door [eiser] opgemaakte en aan [gedaagde] verzonden factuur d.d. 20 juni 2025 heeft [gedaagde] tot op heden geweigerd te betalen, zodat [eiser] zich genoodzaakt heeft gezien [gedaagde] in rechte te betrekken. Daarbij maakt [eiser] ook aanspraak op buitengerechtelijke incassokosten en rente.
3.4.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
3.5.
[gedaagde] betwist dat er tussen partijen een overeenkomst tot stand is gekomen. De door [eiser] genoemde offerte is door [gedaagde] nimmer ondertekend en van een aanvaarding van de offerte (zonder voorbehoud) is geen sprake geweest. Door [gedaagde] is telkens duidelijk gecommuniceerd dat financiële dekking door de verzekeraar een essentiële voorwaarde vormde voor de totstandkoming van de overeenkomst en deze voorwaarde is nimmer in vervulling gegaan.
3.6.
[gedaagde] betwist daarnaast de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden omdat deze door [eiser] niet ter hand zijn gesteld en door [gedaagde] niet zijn geaccepteerd. Voor zover wordt geoordeeld dat er wel een overeenkomst tussen partijen tot stand is gekomen en de algemene voorwaarden van toepassing zijn, geldt daarnaast dat het annuleringsbeding onredelijk bezwarend is. Door [eiser] is bovendien niet aangetoond dat zij als gevolg van de annulering van de opdracht enige schade heeft geleden.
3.7.
Op de (overige) stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
Kernvraag en uitkomst
4.1.
Het geschil spitst zich toe op de vraag of [eiser] jegens [gedaagde] aanspraak heeft op de door haar gevorderde annuleringsvergoeding. Ter beantwoording van die vraag dient, gelet op het door [gedaagde] gevoerde verweer, beoordeeld te worden of er tussen partijen een overeenkomst tot stand is gekomen en, voor zover dit het geval is, of de algemene voorwaarden van [eiser] daarop van toepassing zijn. Indien beide vragen bevestigend kunnen worden beantwoord, dient tot slot ook nog te worden beoordeeld of het in artikel 3 van de algemene voorwaarden opgenomen annuleringsbeding al dan niet vernietigbaar is.
4.2.
De kantonrechter is van oordeel dat in deze procedure niet is komen vast te staan dat er een overeenkomst tussen partijen tot stand is gekomen, zodat van een annulering daarvan evenmin sprake is geweest en de overige vragen hier onbeantwoord kunnen blijven. De vordering van [eiser] wordt dan ook afgewezen, met veroordeling van [eiser] in de proceskosten. Hierna wordt toegelicht hoe de kantonrechter tot dit oordeel is gekomen.
Is er een overeenkomst tot stand gekomen?
4.3.
De vraag die als eerste beantwoord moet worden is of er tussen partijen een overeenkomst tot stand is gekomen, zoals door [eiser] is betoogd, omdat deze overeenkomst, en meer in het bijzonder de volgens [eiser] daarop van toepassing zijnde algemene voorwaarden, de grondslag vormt van de vordering van [eiser] en [gedaagde] de totstandkoming van de overeenkomst gemotiveerd heeft betwist. Naar het oordeel van de kantonrechter is er geen overeenkomst tussen partijen tot stand gekomen, dit oordeel wordt als volgt toegelicht.
4.4.
Een overeenkomst komt tot stand door een aanbod en de aanvaarding daarvan (artikel 6:217 BW). Aanbod en aanvaarding zijn wilsverklaringen die in iedere vorm kunnen geschieden en in een of meer gedragingen besloten kunnen liggen (artikel 3:37 BW). Of sprake is van aanbod en aanvaarding hangt af van wat partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen en gedragingen, overeenkomstig de zin die zij daaraan in de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mochten toekennen, hebben afgeleid en van hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (artikel 3:33 en 3:35 BW).
4.5.
Een overeenkomst komt tot stand op het moment dat partijen overeenstemming bereiken over de afspraken, een zogenaamde wilsovereenstemming. Indien een aanbod ontbreekt of een aanbod niet wordt aanvaard door de wederpartij, komt in beginsel geen overeenkomst tot stand. Er is dan immers geen wilsovereenstemming ontstaan. Daarnaast kunnen aan de totstandkoming van een overeenkomt voorwaarden worden gesteld, een zogenoemd totstandkomingsvoorbehoud. De overeenkomst komt dan pas tot stand op het moment dat aan de voorwaarden is voldaan.
4.6.
In het onderhavige geval is tussen partijen als zodanig niet in geschil dat [eiser] door het uitbrengen van de offerte met betrekking tot de levering en legging van een PVC-vloer inclusief een complete vloerverwarmingsinstallatie voor een bedrag van € 10.720,- inclusief btw, aan [gedaagde] een aanbod tot het sluiten van een overeenkomst heeft gedaan.
4.7.
Dat dit aanbod door [gedaagde] (onvoorwaardelijk) is aanvaard, is naar het oordeel van de kantonrechter echter niet komen vast te staan.
4.7.1.
Bij dit oordeel wordt in de eerste plaats van belang geacht dat uit het WhatsApp-bericht d.d. 3 februari 2025 van [gedaagde] , inhoudende ‘Zet mij maar in de planning ovb in verband met de verzekering’, kan worden afgeleid dat [gedaagde] met betrekking tot de totstandkoming van de overeenkomst een duidelijk voorbehoud heeft gemaakt, te weten de voorwaarde dat ook zijn verzekeraar met (de kosten van) de offerte akkoord zou gaan.
Dat [eiser] er al in een vroeg stadium bekend mee was dat de goedkeuring van de verzekeraar voor [gedaagde] een (belangrijke) voorwaarde vormde voor het aangaan van de overeenkomst, kan bovendien worden afgeleid uit de eerder door partijen gevoerde WhatsApp-correspondentie (productie 10 bij conclusie van repliek).
4.7.2.
Voor zover juist is dat, zoals door [eiser] is gesteld en door [gedaagde] niet (expliciet) is bestreden, ook het daaropvolgende WhatsApp-bericht van 3 februari 2025 (vermeld op pagina 1 van productie 3 bij dagvaarding) van [gedaagde] afkomstig is, geldt daarnaast dat ook daaruit duidelijk volgt dat er met betrekking tot het aangaan van de overeenkomst een voorbehoud door [gedaagde] is gemaakt. In dit bericht staat namelijk vermeld ‘Akkoord onder voorbehoud van goedkeuring verzekering i.o.m. [eiser]’.
4.7.3.
Tot slot geldt dat ook in geval het voornoemde WhatsAppbericht niet van [gedaagde] afkomstig is maar van [eiser] , hetgeen de kantonrechter gelet op de overgelegde afbeelding van het WhatsAppgesprek meer aannemelijk voor komt, [eiser] er nadien niet gerechtvaardigd op heeft mogen vertrouwen dat er een onvoorwaardelijke aanvaarding van haar aanbod had plaatsgevonden. Uit dit bericht volgt in dat geval namelijk dat voor [eiser] duidelijk was dat er voor wat betreft het aangaan van de overeenkomst een uitdrukkelijk voorbehoud gold en dat zij dit zelf ook expliciet heeft bevestigd.
4.8.
Volgens [gedaagde] is niet voldaan aan de voorwaarden van zijn voorbehoud, zodat er geen overeenkomst tot stand is gekomen. Dit is naar het oordeel van de kantonrechter ook voldoende komen vast te staan. Uit de tussen partijen gevoerde WhatsApp-correspondentie (productie 10 bij conclusie van repliek) volgt immers dat het voor beide partijen van meet af aan duidelijk was dat [gedaagde] voor de financiering van de vloer dekking van zijn verzekeraar nodig had en het WhatsAppbericht van [gedaagde] van 20 mei 2025 moet naar het oordeel van de kantonrechter dan ook in dat licht worden gelezen. In dit bericht staat weliswaar niet letterlijk dat de verzekeraar geen dekking heeft willen geven, maar wel dat de opdracht geen doorgang kon vinden omdat [gedaagde] de financiering niet rond kreeg. Dat hier andere redenen aan ten grondslag lagen is door [gedaagde] gemotiveerd bestreden en door [eiser] ook niet aangetoond.
4.9.
Hoewel een op schrift gestelde overeenkomst, die door beide partijen is ondertekend, geen noodzakelijke voorwaarde vormt voor de totstandkoming van een overeenkomst, geldt dat [eiser] in deze procedure wel een getekende offerte heeft overgelegd. Door [gedaagde] is echter gemotiveerd betwist dat hij deze offerte van [eiser] voor een bedrag van € 10.720,- heeft ondertekend.
4.10.
Op grond van artikel 159 lid 2 Rv levert een onderhandse akte, waarvan de ondertekening door de partij tegen welke zij dwingend bewijs zou opleveren stellig wordt ontkend, geen bewijs op zolang niet bewezen is van wie de ondertekening afkomstig is. Omdat [eiser] zich op de rechtsgevolgen van de offerte beroept, dient zij te bewijzen van wie de handtekening afkomstig is. [eiser] heeft echter geen relevante stellingen aangevoerd die bewijs opleveren van haar stelling en dat de handtekening wel van [gedaagde] afkomstig is, is de kantonrechter ook op geen enkele wijze gebleken. Voor (verdere) bewijslevering op dit punt ziet de kantonrechter voorts geen aanleiding. Immers ook in geval de handtekening wel van [gedaagde] afkomstig is, geldt nog steeds dat [gedaagde] bij zijn aanvaarding een duidelijk voorbehoud heeft gemaakt en er niet is voldaan aan de voorwaarden van dit voorbehoud.
Proceskosten
4.11.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
€
506,00
(2 punten × € 253,00)
- nakosten
€
126,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
632,50
5De beslissing
De kantonrechter
5.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 632,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.C. Zandman en in het openbaar uitgesproken op 11 september 2026.
2108 / 68707