Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Gelderland

ECLI:NL:RBGEL:2026:7171

2026-09-09 Civiel recht; Burgerlijk procesrecht C/05/455072
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Gelderland
Uitspraakdatum
2026-09-09
Publicatiedatum
2026-09-17
Rechtsgebied
Civiel recht; Burgerlijk procesrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
C/05/455072
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

IPR (rechtsmacht en toepasselijk recht) en toepassing Duits recht, na een Europese betalingsbevelprocedure waarin verweer wordt gevoerd. Zie ook de eerdere vonnissen, ECLI:NL:RBGEL:2025:9817 en ECLI:NL:RBGEL:2025:9818.

Citeert (3)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (14.926 tekens)
RECHTBANK Gelderland


Civiel recht



Zittingsplaats Arnhem



Zaaknummer: C/05/455072 / HA ZA 25-320




Vonnis van 9 september 2026




in de zaak van




V.G.A.A. B.V.,
gevestigd te Gameren, gemeente Zaltbommel,
eisende partij,
hierna te noemen: VGAA,
advocaat: mr. R. Stekelenburg,



tegen





[gedaagde] ,
wonende te [woonplaats] , Duitsland,gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
niet bij advocaat verschenen.






1De procedure


1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 15 april 2026
- het herstelexploot van 20 april 2026
- het certificaat van betekening van dit exploot
- het uitblijven van advocaatstelling door [gedaagde] .



1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.





2De beoordeling


2.1.
Volgens VGAA was [gedaagde] [functie] van In-Trauma Medtec Solutions GmbH (In-Trauma). Op 15 augustus 2023 heeft VGAA een auto van In-Trauma gekocht voor € 120.000,00, inclusief € 19.159,66 aan Duitse omzetbelasting die VGAA na levering van de auto terug zou ontvangen van In-Trauma. VGAA heeft de kooprijs voldaan en de auto is daarna op 31 augustus 2023 feitelijk in Nederland aan VGAA geleverd. De juridische overdracht heeft echter pas 6 maanden later plaatsgevonden in verband met aanspraken van de financier van In-Trauma. Gedurende deze periode kon VGAA de auto niet gebruiken. In-Trauma heeft het bedrag van € 19.159,66 niet aan VGAA terugbetaald. Bij vonnis van 5 november 2025 heeft de rechtbank de procedure tegen In-Trauma naar de parkeerrol verwezen omdat deze procedure vanwege het faillissement van In-Trauma van rechtswege was geschorst.



2.2.
VGAA heeft, ter compensatie van de vertraging, met [gedaagde] in privé afgesproken dat [gedaagde] een beschadigde velg en vier zomerbanden met de auto mee zou leveren en dat [gedaagde] daarnaast in privé een bedrag van € 5.000,00 aan VGAA zou betalen. [gedaagde] is deze afspraken niet nagekomen, aldus VGAA.



2.3.
VGAA vordert dat de rechtbank [gedaagde] zal veroordelen tot betaling van bedragen van € 19.159,66 en € 5.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente zoals bedoeld in art. 6:119 BW. Daarnaast vordert VGAA dat de rechtbank [gedaagde] , versterkt met een dwangsom, zal veroordelen om de beschadigde velg af te geven. VGAA eist verder de afgifte van vier zomerbanden voor de auto, althans tot betaling van de tegenwaarde daarvan ad € 3.198,92, althans een door de rechtbank te bepalen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente zoals bedoeld in art. 6:119 BW. Ten slotte vordert VGAA betaling van een bedrag van € 1.261,50 aan buitengerechtelijke kosten, vermeerderd met wettelijke rente en vergoeding van de proceskosten inclusief nakosten en de kosten van eventuele executie.



2.4.
Aan de vordering tot betaling van € 19.159,66 heeft VGAA het volgende ten grondslag gelegd. [gedaagde] heeft, toen hij geen [functie] of medewerker van In-Trauma meer was, althans zonder te beschikken over een toereikende volmacht, aan VGAA toegezegd dat In-Trauma het bedrag aan VGAA zou terugbetalen. Aldus heeft [gedaagde] gehandeld in strijd met art. 3:70 BW en is hij zelf, als pseudo-gevolmachtigde, aansprakelijk geworden voor deze schuld. Het was bovendien onrechtmatig om die toezegging te doen, ook omdat de toezegging enkele maanden voor het faillissement van In-Trauma is herhaald, terwijl [gedaagde] toen al wist of behoorde te weten dat In-Trauma niet tot betaling in staat was. [gedaagde] is gehouden het bedrag als schadevergoeding te voldoen. De overige vorderingen baseert VGAA klaarblijkelijk op nakoming, met uitzondering van de aanspraak op vergoeding van buitengerechtelijke kosten.



2.5.
In deze zaak met internationale aspecten is in de eerste plaats aan de orde of de rechtbank rechtsmacht heeft.



2.6.
In de stellingen van VGAA ligt besloten dat [gedaagde] zijn verbintenis tot levering van de velg en de zomerbanden vrijwillig is aangegaan en dat deze zaken in Nederland aan het adres van VGAA zouden worden geleverd. Aan de eis ligt aldus ten grondslag een verbintenis uit overeenkomst die in Gameren moet worden uitgevoerd, ook ter zake van de vordering tot betaling van de tegenwaarde van de zomerbanden nu dit een vervangende verbintenis betreft en dan de oorspronkelijke contractuele verbintenis competentie schept. Wat de overeengekomen betaling van € 5.000,00 betreft is van belang dat zowel naar Duits als naar Nederlands recht (respectievelijk § 270 lid 1 Bürgerliches Gesetzbuch (BGB) en art. 6:116 lid 1 BW) de betaling moet geschieden aan het adres van de schuldeiser, dus in Gameren. Ook deze aan de eis ten grondslag gelegde verbintenis moet dus in Gameren worden uitgevoerd. Deze rechtbank is dan ter zake van deze vorderingen internationaal bevoegd op grond van art. 7 aanhef en lid 1 onder a van de hier toepasselijke Brussel I-bis Verordening (nr. 1215/2012, verder Brussel I-bis).



2.7.
Met haar vordering tot betaling van € 19.159,66 beoogt VGAA aansprakelijkheid van [gedaagde] in het geding te brengen die geen verband houdt met een verbintenis uit overeenkomst met [gedaagde] , in de zin van art. 7 lid 1 Brussel I-bis. Ter zake van deze vordering moet dan worden bezien of een verbintenis uit onrechtmatige daad competentie schept, zoals voorzien in art. 7 aanhef en lid 2 Brussel I-bis. Dat is zo als het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan in het rechtsgebied van deze rechtbank.



2.8.

Het aan [gedaagde] verweten handelen heeft niet plaatsgehad in Nederland. [gedaagde] heeft steeds in Duitsland de toezeggingen gedaan. De plaats van de veroorzakende gebeurtenis die aan de schade ten grondslag ligt is dus niet in het rechtsgebied van deze rechtbank gelegen.
De mogelijkheid dat VGAA zuiver financiële schade lijdt die rechtstreeks intreedt op haar bankrekening en het rechtstreekse gevolg is van een onrechtmatige gedraging in Duitsland is niet voldoende om aan te kunnen nemen dat de schade in het rechtsgebied van deze rechtbank is ingetreden. VGAA heeft verder geen aanknopingspunten ervoor gegeven dat deze rechtbank rechtsmacht heeft ter zake van haar vordering tot betaling van € 19.159,66. In het aanvraagformulier voor het betalingsbevel heeft VGAA zich nog beroepen op art. 6 aanhef en onder a Rv, maar die bepaling mist hier toepassing, nu Brussel I-bis geldt (zie art. 1 Rv en art. 94 Gw). Ter zake van deze vordering zal de rechtbank zich dan ook onbevoegd verklaren.




2.9.
Wat de overige vorderingen betreft is dan van belang naar welk recht die vorderingen inhoudelijk moeten worden beoordeeld, mede gelet op art. 10:1 BW te beoordelen aan de hand van de Rome I Verordening (nr. 593/2008). Gesteld noch gebleken is dat VGAA en [gedaagde] een rechtskeuze hebben gemaakt bij de in 2.2. bedoelde overeenkomst. Die overeenkomst wordt niet genoemd in art. 3 lid 1 van Rome I. De overeenkomst wordt dan gelet op lid 2 van deze bepaling beheerst door het recht van het land waar de partij die de kenmerkende prestatie van de overeenkomst moet verrichten, haar gewone verblijfplaats heeft. Het is [gedaagde] die de prestaties moet verrichten. [gedaagde] heeft zijn gewone verblijfplaats in Duitsland. De resterende vorderingen moeten dus naar Duits recht worden beoordeeld.



2.10.
Ook naar Duits recht moeten verbintenissen uit overeenkomst worden nagekomen en kan de schuldenaar daartoe door de rechter worden veroordeeld. Vergelijk § 241 lid 1 BGB. Het gevorderde is niet weersproken. De vorderingen tot betaling van € 5.000,00 en tot afgifte van de beschadigde velg en van vier zomerbanden voor de auto zullen worden toegewezen, met dien verstande dat de velg binnen een termijn van een week na betekening van dit vonnis zal moeten worden afgegeven en niet binnen de gevorderde maar praktisch onhaalbare termijn van 24 uur. Nu de primaire vordering tot afgifte van zomerbanden zal worden toegewezen wordt aan de subsidiaire vordering tot betaling van de tegenwaarde van de zomerbanden niet toegekomen. Over de geldsom zal de Duitse wettelijk rente (§ 288 lid 1 BGB) worden toegewezen, zoals onweersproken gevorderd vanaf 14 juni 2024.



2.11.
De veroordeling tot afgifte van de beschadigde velg zal, zoals gevorderd, worden versterkt met een dwangsom. Een dergelijke prikkel tot nakoming is toewijsbaar naar Nederlands procesrecht, dat in deze zaak van toepassing is. De gevorderde dwangsom zal echter worden beperkt tot € 50,00 per dag tot een maximum van € 1.500,00, omdat VGAA niet heeft aangegeven dat de waarde van deze beschadigde velg hoger ligt of dat zij anderszins belang heeft bij de afgifte.



2.12.
VGAA heeft onvoldoende gesteld om ter zake van de toewijsbaar geoordeelde vorderingen aanspraak te hebben op vergoeding van buitengerechtelijke kosten (Verzugschaden in de zin van § 280 en 286 BGB). Niet is gesteld dat de aanspraak bestaat zonder dat [gedaagde] in verzuim (Verzug) is. VGAA heeft niet concreet gesteld wanneer [gedaagde] in verzuim is geraakt. Zij vordert vergoeding van rente vanaf 14 juni 2024. Daaruit kan worden afgeleid dat VGAA ervan uitgaat dat [gedaagde] met de brief van haar toenmalige advocaat van die datum in verzuim is komen te verkeren. Naar Duits recht bestaat echter alleen aanspraak op vergoeding van de kosten van buitengerechtelijke incassowerkzaamheden c.q. aanmaningen die na de datum van verzuim zijn verricht. Zie § 280 lid 2 BGB. Dergelijke werkzaamheden zijn gesteld noch gebleken.



2.13.

[gedaagde] is overwegend in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van VGAA worden aan de hand van de toegewezen vorderingen begroot op:









- kosten oproepingsexploot


€


151,94







- griffierecht (incl. EBB)


€


2.995,00







- salaris advocaat


€


653,00


(1 punt × € 653,00)




- nakosten


€


189,00


(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)




Totaal


€


3.988,94











2.14.
De kosten van het herstelexploot, € 151,94, worden als nodeloos veroorzaakt afgewezen. VGAA had moeten weten dat een oproepingstermijn van 9 dagen voor een partij in Duitsland niet voldeed aan art. 115 lid 1 Rv en moeten voorzien dat die termijn ook feitelijk niet toereikend zou zijn. De kosten van eventuele tenuitvoerlegging van dit vonnis komen van rechtswege ten laste van de schuldenaar. [gedaagde] hoeft dan niet te worden veroordeeld in de kosten van eventuele executie.





3De beslissing


De rechtbank



3.1.
verklaart de rechtbank onbevoegd om de tegen [gedaagde] gerichte vordering tot betaling van € 19.159,66 te behandelen en te beslissen,



3.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan VGAA te betalen een bedrag van € 5.000,00, te vermeerderen met de rente als bedoeld in § 288 lid 1 BGB over het toegewezen bedrag, met ingang van 14 juni 2024, tot de dag van volledige betaling,



3.3.
veroordeelt [gedaagde] om binnen zeven dagen na de betekening van dit vonnis, aan VGAA de beschadigde velg af te geven,



3.4.
veroordeelt [gedaagde] om aan VGAA een dwangsom te betalen van € 50,00 voor iedere dag of gedeelte van een dag dat hij niet aan de in 3.3. uitgesproken veroordeling voldoet, tot een maximum van € 1.500,00 is bereikt,



3.5.
veroordeelt [gedaagde] om aan VGAA vier zomerbanden geschikt voor de door VGAA gekochte auto af te geven,



3.6.
veroordeelt [gedaagde] in de kosten van de procedure tegen hem ad € 3.988,94, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,



3.7.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,



3.8.
wijst het meer of anders tegen [gedaagde] gevorderde af.









Dit vonnis is gewezen door mr. I.W.M. Olthof en in het openbaar uitgesproken op 9 september 2026.





!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS!





!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER!


























!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS!








512/1547




Zie HvJ EG 6 oktober 1976, 14/76, ECLI:EU:C:1976:134, NJ 1977/170.


HvJ EU 16 juni 2016, ECLI:EU:C:2016:449, NJ 2018/38 en HR 15 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2358, NJ 2018/39.