Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Gelderland

ECLI:NL:RBGEL:2026:7158

2026-09-16 Bestuursrecht; Belastingrecht ARN 24/9392
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Gelderland
Uitspraakdatum
2026-09-16
Publicatiedatum
2026-09-17
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
ARN 24/9392
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl; V-N Vandaag 2026/1998

Inhoudsindicatie

Leges. Beroep gegrond. Niet beoordeeld kan worden of tarief voor belanghebbende voldoende kenbaar was.

Citeert (3)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (12.116 tekens)
RECHTBANK GELDERLAND


Zittingsplaats Arnhem


Bestuursrecht


zaaknummer: ARN 24/9392



uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 16 september 2026


in de zaak tussen





[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende,


en




de heffingsambtenaar van de gemeente Nijmegen, de heffingsambtenaar.




Inleiding


In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 21 november 2024.



De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende een legesfactuur opgelegd en tegen de hoogte van deze legesfactuur heeft belanghebbende bezwaar gemaakt.



De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard en de legesfactuur verminderd.



Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld.



De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift en de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.



De rechtbank heeft het beroep op 5 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen belanghebbende, de echtgenote van belanghebbende, en namens de heffingsambtenaar [persoon] en mr. P.K.T. van Pallandt.





Feiten



Belanghebbende heeft op 5 februari 2024 een aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen van een passieve woning aan [adres] te Nijmegen ingediend.


Bij beschikking van 26 juni 2024 heeft de omgevingsdienst regio Nijmegen de omgevingsvergunning geweigerd.


Met dagtekening 28 september 2024 heeft de heffingsambtenaar aan belanghebbende de legesfactuur ten bedrage van € 9.970,70 opgelegd.


Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de hoogte van de legesfactuur.


De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende bij uitspraak op bezwaar gegrond verklaard en de aanslag voor zover die ziet op ‘Omgevingsplanactiviteit bouwen 232400 2024 2.50.B Welstandsadvies’ ten bedrage van € 836,64 vernietigd. De overige aanslagregels heeft de heffingsambtenaar gehandhaafd waardoor een bedrag van € 9.134,06 resteert.





Beoordeling door de rechtbank

6. De rechtbank beoordeelt of de heffingsambtenaar de legesfactuur tot de juiste hoogte heeft vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
7. Tijdens de zitting heeft belanghebbende bevestigd dat niet het gehele bedrag van de legesfactuur in geschil is maar dat het geschil uitsluitend ziet op de in rekening gebrachte leges voor de activiteit ‘Omgevingsplanactiviteit buitenplans’, met een totaalbedrag van € 5.299,46. De in rekening gebrachte leges voor de activiteit ‘Omgevingsplanactiviteit bouwen’ zijn niet in geschil.
8. De grond met betrekking tot het aansprakelijk stellen van de heffingsambtenaar voor de door belanghebbende geleden schade heeft belanghebbende tijdens de zitting ingetrokken.

9. De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond is omdat zij door het ontbreken van de bij de aanvraag van de omgevingsvergunning van toepassing zijnde legesverordening niet kan vaststellen of de heffingsambtenaar de legesfactuur tot de juiste hoogte heeft vastgesteld. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
10. Belanghebbende is van mening dat de legesverordening in strijd is met artikel 217 van de Gemeentewet, omdat het op grond van dit artikel het voor belanghebbende mogelijk moet zijn om de omvang van de belastingschuld te kunnen bepalen. Op basis van de tarieventabel wordt gesuggereerd dat daar een bijlage 1 bij hoort, wat volgens belanghebbende niet het geval is, waardoor niet duidelijk is welk tarief dient te worden toegepast. Ter onderbouwing van zijn standpunt verwijst belanghebbende naar de uitspraak van de rechtbank Den Haag waarin is geoordeeld dat de verordening uitsluitsel moet geven over de essentiële elementen van de heffing. Tot de essentiële elementen behoort het tarief van de heffing, die volgens de verordening is vermeld in de bij de verordening behorende en daarvan deel uitmakende tarieventabel. In de verordening wordt verwezen naar een tarief dat niet in de tarieventabel is opgenomen waardoor het voor de aanvrager niet duidelijk is op welk tarief de verhoging berust. De tarieventabel voldoet naar het oordeel van de rechtbank Den Haag daarmee niet aan de kenbaarheidseisen van artikel 217 van de Gemeentewet.

11. De heffingsambtenaar stelt zich op het standpunt dat de in het jaar 2024 geldende legesverordening met terugwerkende kracht tot 1 januari 2024 is gewijzigd. In de nieuwe verordening is in artikel 2.1.3.4, waar belanghebbende naar verwijst, bepaald dat “kleine buitenplanse omgevingsplanactiviteit: een buitenplanse omgevingsplanactiviteit waarop artikel 1 onder t van de legesverordening van toepassing is”. Nu er geen verwijzing meer naar een bijlage in de nieuwe verordening is opgenomen, is het argument van belanghebbende dat hij de hoogte van de belastingschuld niet kan bepalen volgens de heffingsambtenaar niet langer relevant.
11. Een gemeente kan rechten heffen ter zake van het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten. In verordeningen op grond waarvan de rechten worden geheven, worden tarieven zodanig vastgesteld dat de geraamde baten van de rechten niet uitgaan boven de geraamde lasten ter zake. Een belastingverordening vermeldt onder andere in de belastingplichtige, het voorwerp van de belasting, het belastbare feit, de heffingsmaatstaf en het tarief.


13. De gemeente Nijmegen heeft van de door de wetgever geboden mogelijkheid gebruik gemaakt door, onder andere ter dekking van de gemeentelijke lasten, rechten voor het in behandeling nemen van de aanvraag van een omgevingsvergunning te heffen. Belanghebbende heeft op 5 februari 2024 de aanvraag voor de omgevingsvergunning ingediend. Ten tijde van deze aanvraag was de Verordening op de heffing en de invordering van leges Gemeente Nijmegen 2024 (hierna: Legesverordening 2024) van toepassing. Voornoemde verordening is op 11 juli 2024 herroepen en met terugwerkende kracht tot 1 januari 2024 vervangen door de Verordening op de heffing en invordering van leges Gemeente Nijmegen 2024-A (hierna: Legesverordening 2024-A).
13. De heffingsambtenaar heeft uitsluitend de (nieuwe) Legesverordening 2024-A aan de rechtbank toegestuurd. Om te kunnen beoordelen welke legesverordening in onderhavige zaak van toepassing is, is naar het oordeel van de rechtbank de inhoud van beide legesverordeningen van belang. Indien namelijk blijkt dat de Legesverordening 2024-A in het nadeel van belanghebbende werkt dan moet vervolgens worden beoordeeld of de wijziging van deze Legesverordening in zodanig mate voorzienbaar was dat sprake is van een bijzondere omstandigheid die een inbreuk wettigt op het op de eisen van de rechtszekerheid berustende rechtsbeginsel dat wetgevende maatregelen alleen voor de toekomst behoren te gelden. Mocht dat het geval zijn dan is, anders dan door de heffingsambtenaar gesteld, de Legesverordening 2024 van toepassing en kan vervolgens worden beoordeeld in hoeverre het in geschil zijnde legestarief voor belanghebbende kenbaar was.


15. Door het ontbreken van de Legesverordening 2024 kan de rechtbank echter niet beoordelen of, zoals door belanghebbende gesteld, het tarief voor de ‘Omgevingsactiviteit Buitenplans’ voor belanghebbende voldoende kenbaar was. De stelling van de heffingsambtenaar dat het argument van belanghebbende niet meer relevant is kan de rechtbank niet volgen omdat het, door het ontbreken van de Legesverordening 2024, voor de rechtbank onmogelijk is om een vergelijking te maken tussen de Legesverordening 2024 en de Legesverordening 2024-A. Daar komt bij dat de Legesverordening 2024-A niets zegt over de kenbaarheid van het tarief ten tijde van het indienen van de aanvraag. Toen was immers de Legesverordening 2024-A nog niet van kracht.
15. Nu het beroep gegrond is behoeven de overige beroepsgronden geen bespreking. Vergoeding van de door belanghebbende gemaakte kosten
15. De bestuursrechter kan een partij veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het beroep bij de bestuursrechter en van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) kunnen de kosten worden vergoed indien door een derde beroepsmatig rechtsbijstand heeft verleend. Het begrip rechtsbijstand omvat zowel ‘bijstaan’ als ‘vertegenwoordiging’ in de zin van artikel 8:24 van de Awb.

18. Belanghebbende heeft juridisch advies bij [bedrijf] in Nijmegen ingewonnen, maar is niet door een advocaat of een andere (juridisch) deskundige in deze procedure bijgestaan of vertegenwoordigd door een gemachtigde. Naar het oordeel van de rechtbank is in dat geval geen sprake van een door een derde beroepsmatig verleende bijstand en komen de kosten van het juridisch advies niet voor vergoeding in aanmerking.
19. Van andere voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken.



Conclusie en gevolgen


20. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat de uitspraak op bezwaar wordt vernietigd.
20. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht terug.




Beslissing


De rechtbank:


 verklaart het beroep gegrond;
 vernietigt de uitspraak op bezwaar;
 vermindert de aanslag leges met een bedrag van € 5.299,46;
 bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;
 bepaalt dat de heffingsambtenaar de door belanghebbende betaalde griffierecht van € 51 vergoedt.





Deze uitspraak is gedaan door mr. L.L. van Benthem, rechter, in aanwezigheid van mr. M.I. Knol, griffier.
Uitgesproken op 16 september 2026.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.





















griffier


rechter









Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.


Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.



Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.





Rechtbank Den Haag, 2 november 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:14897, rechtsoverweging 13.


Artikel 229, eerste lid, onder b, van de Gemeentewet.


Artikel 229b, eerste lid, van de Gemeentewet.


Artikel 217 van de Gemeentewet.


Onder andere Hoge Raad, 24 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG4809.


Artikel 8:75, eerste lid, van de Awb.


Artikel 1, onder a, van het Bpb.


Nota van toelichting bij het Bpb, staatsblad 1993, 763.


Onder andere Hoge Raad 9 augustus 2013, ECLI:NL:HR:2013:197.