Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Gelderland

ECLI:NL:RBGEL:2026:7147

2026-09-16 Civiel recht; Verbintenissenrecht C/05/459546
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Gelderland
Uitspraakdatum
2026-09-16
Publicatiedatum
2026-09-17
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure
Bodemzaak
Zaaknummer
C/05/459546
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Uitleg overeenkomst. Veroordeling tot betaling. Afwijzing buitengerechtelijke incassokosten.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (23.782 tekens)
RECHTBANK Gelderland


Civiel recht



Zittingsplaats Arnhem



Zaaknummer: C/05/459546 / HA ZA 25-485




Vonnis van 16 september 2026




in de zaak van





[eiser] ,
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. A.J.C.L. Pals-Rubbens,



tegen





[gedaagde] ,
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. A. El Ouath.






1De procedure


1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 25 maart 2026,
- het verkort proces-verbaal van de mondelinge behandeling, gehouden op 30 juli 2026.



1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.





2De feiten


2.1.

[eiser] exploiteerde sinds 2022 als eenmanszaak de beautysalon ‘ [bedrijf] ’ te [vestigingsplaats] (hierna: de salon) waarin zij behandelingen verrichtte en cursussen gaf.



2.2.
In 2024 heeft [eiser] besloten de salon te verkopen. Zij heeft hiertoe onderhandelingen gevoerd met [persoon] , de zus van [gedaagde] (hierna: de zus). Tijdens die onderhandelingen werd [eiser] bijgestaan door haar broer en stond [gedaagde] zijn zus bij.



2.3.

In het kader van de verkoop zijn twee overeenkomsten opgesteld: - de ‘Verkoopovereenkomst’ tussen [eiser] als verkoper en de zus van [gedaagde] als koper (hierna: de verkoopovereenkomst);
- de ‘Leningovereenkomst’ tussen [gedaagde] als schuldenaar en [eiser] als schuldeiser (hierna: de overeenkomst).




2.4.
De verkoopovereenkomst is op 25 mei 2025 door [eiser] en de zus van [gedaagde] ondertekend. Hierin staat dat de salon per 1 juni 2025 wordt overgedragen voor een bedrag van € 25.000,00. De zus heeft dit bedrag betaald aan [eiser] .



2.5.

De (lening)overeenkomst is door [gedaagde] en [eiser] een aantal dagen eerder dan de verkoopovereenkomst ondertekend, namelijk op 19 mei 2025. Deze overeenkomst houdt onder meer het volgende in:

LENINGOVEREENKOMST




(…)

Overwegen als volgt:



• Schuldenaar heeft een schuld van €50.000,- aan Schuldeiser.


• Partijen willen deze schuld vastleggen inclusief afspraken over aflossing en zekerheidstelling.





Komen het volgende overeen:



Artikel 1 — Hoofdsom


Schuldenaar erkent per datum van ondertekening van deze overeenkomst een schuld van
€50.000,- (vijftigduizend euro)
aan Schuldeiser.





Artikel 2 — Aflossing


1. De aflossing vangt aan op
1 juli 2025
.


2. De looptijd bedraagt
12 maanden
, derhalve eindigt de laatste betaling uiterlijk op
1 juli 2026.


3. Aflossing geschiedt in
11 gelijke maandelijkse termijnen
van € 4.500,- en
1 laatste termijn
van €5.000,-, uiterlijk te voldoen op de eerste dag van elke maand.

(…)


Artikel 5 — Verzuim en persoonlijke aansprakelijkheid


1. Schuldenaar is automatisch in verzuim bij het uitblijven van een maandelijkse betaling, zonder dat ingebrekestelling vereist is.


2. Bij verzuim is over het openstaande bedrag een vertragingsvergoeding van € 25,- per maand verschuldigd, plus redelijke (buiten)gerechtelijke kosten.


3. Schuldenaar is volledig
persoonlijk aansprakelijk
, ook bij insolventie, faillissement of schuldsanering.


4. Schuldeiser behoudt het recht om bij wanbetaling het gehele resterende bedrag direct op te eisen.





2.6.

[eiser] heeft [gedaagde] op 3 juli 2025 via WhatsApp het volgende bericht gestuurd:



Kan ik morgen de eerste termijnbetaling ontvangen? Ik ga zaterdag namelijk op vakantie. Ik hoor het graag.




2.7.
Op 10 juli 2025 heeft mr. Tahtah (Tahtah Advocatuur) namens [gedaagde] aan [eiser] het volgende e-mailbericht gestuurd:



Op 25 mei jl. bent u een verkoopovereenkomst aangegaan met de heer [gedaagde] [op 11 juli 2025 mailde mr. Tahtah “De heer moet zijn “ [persoon] ”; rechtbank], waarbij [bedrijf] is overgedragen. In dat kader zijn door u mededelingen gedaan over te verwachten omzet en personele bezetting. Op basis van die mededelingen was koper bereid de aanzienlijke koopprijs overeen te komen.





Die mededelingen blijken verre van juist. De omzet van de verkochte onderneming blijkt een fractie van hetgeen door u bij de verkoop aan koper is meegedeeld.





Voor de schade die koper als gevolg hiervan lijdt wordt u hierbij volledig aansprakelijk gesteld. Koper treedt graag met u in overleg over hoe deze schade vergoed gaat worden door u. (…)





2.8.
Op 11 juli 2025 hebben [eiser] en [gedaagde] elkaar de volgende WhatsApp-berichten gestuurd:



Bericht van [eiser]
11 juli 2025, 12:27:22





Beste [gedaagde] ,





Ik stuur je dit bericht als laatste aanmaning. Je hebt een persoonlijke lening bij mij afgesloten, waarvoor je vanaf 1 juli 2025 maandelijks dient af te lossen. Tot op heden heb ik de eerste betaling van €4.500,- nog niet ontvangen.





Ik bied je hierbij de laatste mogelijkheid om vrijwillig aan je betalingsverplichting te voldoen. Indien de betaling niet uiterlijk maandag 14 juli is voldaan, zal ik direct juridische stappen nemen. (…)





Bericht van [gedaagde]
11 juli 2025, 12:56:08





Er is geen geld van hand gewisseld. Ik heb de lening niet van jou mogen ontvangen dus zal er ook geen betaling gedaan worden.





2.9.
De advocaat van [eiser] heeft [gedaagde] op 8 augustus 2025 via een brief aan zijn advocaat gesommeerd om binnen 17 dagen na dagtekening (onder meer) het bedrag van € 50.000,00 uit hoofde van de leningovereenkomst te voldoen bij gebreke waarvan aanspraak wordt gemaakt op buitengerechtelijke incassokosten.



2.10.

[gedaagde] heeft [eiser] niet betaald.





3Het geschil


3.1.

[eiser] vordert - samengevat - dat [gedaagde] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, wordt veroordeeld aan haar te betalen een bedrag van € 50.125,00, te vermeerderen met de contractuele boete [de rechtbank begrijpt: de vertragingsvergoeding op grond van artikel 5 van de overeenkomst] van € 25,00 per maand vanaf 1 november 2025 en de buitengerechtelijke kosten van € 1.275,00, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten. Het bedrag van € 50.125,00 bestaat volgens de dagvaarding uit de hoofdsom van € 50.000,00 en een bedrag van € 125,00 terzake de vertragingsvergoeding over de periode van 2 juli 2025 tot en met 3 november 2025.



3.2.

[eiser] legt aan haar vordering het volgende ten grondslag. Tussen partijen is een schriftelijke overeenkomst tot stand gekomen, die zij op 19 mei 2025 hebben ondertekend. In die overeenkomst staat dat [gedaagde] erkent dat hij een schuld van € 50.000,00 aan haar heeft. [gedaagde] is vervolgens niet zijn verplichting nagekomen om op 1 juli 2025 de eerste maandelijkse aflossing te voldoen. Hij is dus op 2 juli 2025 in verzuim geraakt. Op grond van artikel 5 lid 4 van de overeenkomst is de hoofdsom direct opeisbaar en is [gedaagde] ook de vertragingsvergoeding van € 25 per maand verschuldigd. [eiser] baseert de vordering tot vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten op artikel 6:96 BW.



3.3.

[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] verzoekt [eiser] niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering, dan wel deze af te wijzen met veroordeling van [eiser] in de proceskosten.



3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.





4De beoordeling


4.1.
In dit geschil moet beoordeeld worden of [eiser] op grond van de overeenkomst recht heeft op betaling van € 50.000,00 door [gedaagde] , die erkent dat hij deze overeenkomst heeft ondertekend. Partijen zijn het niet eens over de inhoud van hun overeenkomst. Volgens [eiser] heeft [gedaagde] een schuld aan haar van € 50.000,00 en moet hij dat bedrag aflossen; volgens [gedaagde] zou [eiser] hem € 50.000,00 lenen maar heeft zij dat geld nooit verstrekt zodat op hem ook geen terugbetalingsplicht rust.



4.2.
Dit betekent dat de rechter de overeenkomst moet uitleggen. Voor de uitleg van de tussen partijen gesloten overeenkomst komt het aan op de zin die partijen over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (de Haviltex-norm). De rechtbank betrekt bij deze uitleg niet alleen de tekst van de overeenkomst, maar ook alle door partijen aangevoerde omstandigheden voorafgaand, tijdens en na het sluiten van de overeenkomst. De rechtbank overweegt als volgt.



4.3.
De vraag is welke betekenis toekomt aan de titel van de overeenkomst, te weten ‘Leningovereenkomst’. Gesteld noch gebleken is dat de overeenkomst door een jurist is opgesteld of beoordeeld voordat deze werd ondertekend. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] onweersproken verklaard dat de overeenkomst is opgesteld door haar broer, die een bemiddelende rol had bij de verkoop van de salon. [gedaagde] heeft bij de mondelinge behandeling verklaard dat zijn zus de beide contracten heeft laten beoordelen door een boekhouder en dat er niet veel aan is gesleuteld, ook niet aan de (lening)overeenkomst. Hij heeft beide overeenkomsten gezien en was ook aanwezig bij het ondertekenen van de koopovereenkomst door zijn zus. Gelet op het vorenstaande komt naar het oordeel van de rechtbank geen doorslaggevende betekenis toe aan de titel van de overeenkomst ‘Leningovereenkomst’, in die zin dat uit die benaming volgt dat [eiser] aan [gedaagde] een bedrag van € 50.000,00 zou lenen, zoals bedoeld in artikel 7:129 BW.



4.4.
Ook de inhoud van de overeenkomst (de overwegingen en artikelen) bevat geen aanknopingspunt voor een uitleg in de door [gedaagde] gestelde zin. Er staat niet in dat [eiser] aan [gedaagde] een bedrag van € 50.000,00 leent en evenmin wanneer en hoe dat bedrag dan door haar ter beschikking zou worden gesteld. De overeenkomst kent alleen verplichtingen voor [gedaagde] .



4.5.

Dit wordt niet anders wanneer de overeenkomst wordt gezien in samenhang met de verkoopovereenkomst tussen [eiser] en de zus. Volgens [eiser] hebben partijen deze overeenkomst gesloten omdat de zus van [gedaagde] slechts € 25.000,00 van de totale koopsom van € 75.000,00 voor de salon kon betalen en [gedaagde] zijn zus zou helpen door het resterende bedrag van € 50.000,00 als eigen schuld op zich te nemen. Om die reden staat in de koopovereenkomst het bedrag van € 25.000,00 en in de overeenkomst een bedrag van € 50.000,00, aldus [eiser] . [gedaagde] heeft niet weersproken dat de overeenkomst verband hield met de verkoop van de salon aan zijn zus waarvoor zij, in bijzijn van [gedaagde] , op 25 mei 2025 een verkoopovereenkomst heeft getekend.
Deze wijze van contracteren doet naar het oordeel van de rechtbank niet af aan het feit dat in de verkoopovereenkomst staat dat de zus als koper van de salon de koopsom van € 25.000,00 aan [bedrijf] / [eiser] zal voldoen en dat in de overeenkomst staat dat [gedaagde] aan [eiser] een bedrag van € 50.000,00 schuldig is, welke schuld hij uiterlijk op 1 juli 2026 afgelost moet hebben. Beide overeenkomsten geven [eiser] dus recht op het verkrijgen van betalingen, van de zus € 25.000,00 ineens en van [gedaagde] € 50.000,00 in termijnen en binnen een jaar.




4.6.

Daar komt bij dat [gedaagde] uiteenlopend heeft verklaard over de uitvoering van de overeenkomst met de door hem gestelde inhoud. Die verklaringen komen er weliswaar steeds op neer dat [eiser] hem het geldbedrag niet ter beschikking heeft gesteld, maar de redenen die [gedaagde] daarvoor geeft, lopen uiteen.
In de conclusie van antwoord voerde hij aan dat hij de overeenkomst heeft getekend in de verwachting dat hij een lening verstrekt zou krijgen overeenkomstig die overeenkomst, dat het een voorwaarde was voor verstrekking van de lening dat eerst getekend werd voor ontvangst van het krediet maar dat [eiser] hem dat krediet vervolgens niet heeft verstrekt. Op vragen van de rechtbank heeft [gedaagde] tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat hij tussen de datum van ondertekening van de overeenkomst (19 mei 2025) en de spoedig daaropvolgende datum van eerste aflossing (1 juli 2025) niets heeft ondernomen om het bedrag van € 50.000,00 alsnog van [eiser] te ontvangen. Het had voor de hand gelegen dat [gedaagde] dit wel zou hebben gedaan als het, zoals hij stelt, de bedoeling van partijen was dat [gedaagde] nadat hij de overeenkomst had getekend, dat bedrag nog van [eiser] zou ontvangen.
Gevraagd naar een verklaring voor dit ‘stilzitten’ tussen 19 mei 2025 en 1 juli 2025 heeft [gedaagde] tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat hij [eiser] niet meer om het bedrag hoefde te vragen. Volgens [gedaagde] had zijn zus na het ondertekenen door [gedaagde] van de (lening)overeenkomst en voor het ondertekenen door zijn zus van de verkoopovereenkomst het voor de koop benodigde bedrag inmiddels van een derde geleend, zodat afgesproken is dat de lening met [eiser] niet zou doorgaan; [eiser] betwist dat.
Deze door [gedaagde] gestelde afspraak komt er op neer dat de overeenkomst teniet zou zijn gegaan. Dat is een andere reden om niet te voldoen aan de vordering van [eiser] , dan [gedaagde] in de conclusie van antwoord aanvoerde. Ondanks vragen van de rechtbank heeft [gedaagde] niet kunnen uitleggen waarom hij zich pas tijdens de mondelinge behandeling heeft beroepen op deze aanvullende overeenkomst. Er zijn ook geen stukken overgelegd die steun bieden aan het bestaan van een dergelijke aanvullende afspraak. Integendeel: uit de reactie van [gedaagde] (zie r.o. 2.8.) op de sommatie van 11 juli 2025 valt juist af te leiden dat de oorspronkelijke overeenkomst volgens hem nog bestond, maar in zijn beleving niet is uitgevoerd (“Er is geen geld van hand gewisseld. Ik heb de lening niet van jou mogen ontvangen (…)”).




4.7.
Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank geen reden om [gedaagde] te volgen in zijn uitleg van de overeenkomst omdat hij zijn stellingen onvoldoende heeft onderbouwd. Voor een bewijsopdracht bestaat daarom ook geen aanleiding.



4.8.
De rechtbank stelt vast dat in de overwegingen van de overeenkomst (letterlijk) is opgenomen dat [gedaagde] een schuld heeft van € 50.000,00 aan [eiser] en dat partijen die schuld willen vastleggen, inclusief afspraken over aflossing. Ook in artikel 1 van de overeenkomst is expliciet opgenomen dat [gedaagde] per datum van ondertekening van deze overeenkomst, dus per 19 mei 2025, erkent dat hij een schuld van € 50.000,00 aan [eiser] heeft. De verplichtingen die voor [gedaagde] uit de overeenkomst voortvloeien, staan ook in de overeenkomst beschreven. Die verplichtingen houden in dat hij met ingang van 1 juli 2025 en binnen 12 maanden de schuld moet aflossen, door betaling van maandelijkse termijnen (artikel 1 en 2 van de overeenkomst). De tekst van deze overwegingen en artikelen is duidelijk. [eiser] heeft dus op goede gronden gesteld dat [gedaagde] haar op grond van de overeenkomst een bedrag van € 50.000,00 schuldig is.



4.9.
Tussen partijen staat vast dat [gedaagde] [eiser] niet heeft betaald. Uit artikel 2 van de overeenkomst volgt dat de maandelijkse aflossing uiterlijk moet worden voldaan op de eerste dag van elke maand. Dit is een fatale termijn (vgl. artikel 6:83 sub a BW), zo volgt uit artikel 5 van de overeenkomst. [gedaagde] is dus op 2 juli 2025 in verzuim geraakt zonder dat een ingebrekestelling was vereist. [eiser] is daarmee ook gerechtigd het volledige bedrag van € 50.000,00 op te eisen, zodat de vordering in zoverre zal worden toegewezen.



De vertragingsvergoeding





4.10.
Volgens de overeenkomst is bij verzuim een vertragingsvergoeding van € 25,00 per maand verschuldigd (artikel 5 lid 2). [gedaagde] heeft terzake de vordering van deze vergoeding geen afzonderlijk verweer gevoerd.



4.11.
De rechtbank zal de vordering op dit onderdeel toewijzen, in die zin dat [gedaagde] een bedrag van € 125,00 dient te betalen (vijf keer € 25,00, namelijk per 2 juli 2025, 2 augustus 2025, 2 september 2025, 2 oktober 2025 en 2 november 2025), als het totaalbedrag van de tot 2 december 2025 verschenen vertragingsvergoeding, alsmede met ingang van 2 december 2025 een vertragingsvergoeding van € 25,00 per maand, totdat de schuld is voldaan.




Buitengerechtelijke incassokosten





4.12.


[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten ter hoogte van € 1.275,00. Deze vordering wordt beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten.
Bij gebreke van een andersluidende stelling gaat de rechtbank ervanuit dat [gedaagde] een natuurlijk persoon is die hier niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf. Daarom moet de rechtbank controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor het recht op buitengerechtelijke incassokosten. De sommatie die [eiser] op 8 augustus 2025 aan [gedaagde] heeft gestuurd, voldoet niet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW, omdat het toepasselijke wettelijke tarief niet is vermeld. De gevorderde vergoeding zal daarom worden afgewezen.




Uitvoerbaar bij voorraad verklaring, verzoek om zekerheidstelling





4.13.

[gedaagde] heeft verzocht een eventuele veroordeling niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren dan wel daaraan de voorwaarde te verbinden dat een bedrag ter zekerheid wordt gesteld omdat er volgens hem een groot restitutierisico is.



4.14.
Uitgangspunt is dat bij beoordeling van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad de kans van slagen van een aan te wenden rechtsmiddel buiten beschouwing behoort te blijven. De rechtbank ziet geen aanleiding om van die regel af te wijken, omdat [gedaagde] zijn stelling over het restitutierisico niet concreet heeft onderbouwd. Ook het verzoek om de uitvoerbaarverklaring bij voorraad slechts toe te staan tegen het stellen van zekerheid zal de rechtbank afwijzen, nu [gedaagde] onvoldoende heeft gemotiveerd waarom [eiser] , indien de veroordeling uiteindelijk niet in stand zou blijven, niet in staat zou zijn tot terugbetaling.



Proceskosten





4.15.

[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:









- kosten van de dagvaarding


€


145,45







- griffierecht


€


1.374,00







- salaris advocaat


€


2.580,00


(2 punten × € 1.290,00)




- nakosten


€


189,00


(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)




Totaal


€


4.288,45













5De beslissing


De rechtbank



5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 50.125,00, te vermeerderen met de vertragingsvergoeding van € 25,00 per maand, met ingang van 2 december 2025, tot de dag van volledige betaling,



5.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 4.288,45, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,



5.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,



5.4.
wijst af wat meer of anders is gevorderd.









Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. van der Mei en in het openbaar uitgesproken op
16 september 2026.





!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS!





!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER!


























!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS!








2124




HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158


HR 17 juni 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1400, NJ 1994/591