Rechtbank Gelderland
ECLI:NL:RBGEL:2026:7101
2026-09-17
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
ARN 24/4742
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Weigering intrekking natuurvergunning. Het college heeft onvoldoende gemotiveerd dat met de aangegeven maatregelen uitvoering wordt of zal worden gegeven aan de noodzakelijke daling van stikstofdepositie binnen een afzienbare termijn.
Citeert (13)
- ECLI:NL:RVS:2019:1603 Raad van State 29-05-2019
- ECLI:NL:RVS:2021:71 Raad van State 20-01-2021
- ECLI:NL:RVS:2025:2969 Raad van State 02-07-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:2973 Raad van State 02-07-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:2969 Raad van State 02-07-2025
- ECLI:NL:RVS:2026:1953 Raad van State 08-04-2026
- ECLI:NL:RVS:2020:2325 Raad van State 30-09-2020
- ECLI:NL:RVS:2010:BO0267 Raad van State 13-10-2010
- ECLI:NL:RVS:2010:BL0742 Raad van State 27-01-2010
- ECLI:NL:RBOBR:2025:2327 Rechtbank Oost-Brabant 16-04-2025
- ECLI:NL:RVS:2026:3651 Raad van State 24-06-2026
- ECLI:NL:RVS:2026:1953 Raad van State 08-04-2026
- ECLI:NL:RBGEL:2026:4884 Rechtbank Gelderland 22-06-2026
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (30.317 tekens)
RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/4742
uitspraak van de meervoudige kamer van
in de zaak tussen
Stichting Behoud Uiterwaardenlandschap, uit Ellecom,
Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A., uit Nijmegen
eisers
(gemachtigde: mr. D. Delibes-Vermeulen),
en
het college van gedeputeerde staten van de provincie Gelderland, het college
(gemachtigde: mr. C.F. Geerdes).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-partij] uit [vestigingsplaats] , vergunninghouder
(gemachtigde: mr. A.E.M. Olde Beverborg).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eisers om de aan vergunninghouder verleende natuurvergunning in te trekken. Eisers zijn het niet eens met de afwijzing van de aanvraag door het college. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij niet tot intrekking over gaat. Eisers krijgen dus gelijk en het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Het college heeft op 27 mei 2015 aan vergunninghouder een natuurvergunning verleend voor het realiseren van een melkveehouderij met 300 melk- en kalfkoeien en 168 stuks vrouwelijk jongvee op het perceel [adres] ongenummerd in Ellecom. Het perceel ligt op ongeveer 360 meter van het Natura 2000-gebied “Rijntakken”, 840 meter van het Natura 2000-gebied “Veluwe” en 8 kilometer van Natura 2000-gebied “Landgoederen Brummen”. Bij het verlenen van deze natuurvergunning is gesaldeerd met de natuurvergunning van 15 november 2013 voor de veehouderij aan [adres] in Ellecom en met de natuurvergunning van 16 juli 2012 voor de veehouderij aan de [adres] in Ellecom.
2.1.
Bij brief van 24 oktober 2022 hebben eisers het college verzocht om toepassing te geven aan artikel 2.4, artikel 5.4, eerste lid en artikel 5.4, tweede lid, van de Wet natuurbescherming (Wnb) en de natuurvergunningen voor [adres] ongenummerd, [adres] en [adres] in te trekken.
2.2.
Op 16 december 2022 heeft het college een ontwerp-weigeringsbesluit genomen.
2.3.
Eisers hebben een zienswijze ingediend.
2.4.
In het bestreden besluit van 4 juni 2024 heeft het college geweigerd om de natuurvergunningen in te trekken.
2.5.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.6.
Vergunninghouder heeft op 31 januari 2025 op het beroep gereageerd.
2.7.
Het college heeft op 1 juni 2026 op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.8.
De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens eisers [persoon 1] (van Stichting Behoud Uiterwaardenlandschap) en mr. D. Delibes-Vermeulen, namens het college mr. C.F. Geerdes en [persoon 2] en namens vergunninghouder [persoon 3] , [persoon 4] en mr. A.E.M. Olde Beverborg.
Beoordeling door de rechtbank
Wat is de omvang van het geding?
3. Op de zitting is vastgesteld dat het geschil uitsluitend betrekking heeft op de natuurvergunning van 27 mei 2015. Ook is vastgesteld dat het beroep uitsluitend ziet op de intrekkingsgronden in artikel 5.4, eerste lid, onder d, van de Wnb (gewijzigde omstandigheden) en artikel 5.4, tweede lid, van de Wnb (passende maatregelen).
Toetsingskader
4. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft in de Logtsebaan-uitspraak en in de uitspraken van 2 juli 2025 uiteengezet onder welke omstandigheden een natuurvergunning kan of moet worden ingetrokken of gewijzigd en welke eisen aan de motivering van een beslissing op een verzoek om intrekking of wijziging van een natuurvergunning worden gesteld.
Het toetsingskader uit deze Afdelingsjurisprudentie vormt de leidraad bij de beoordeling van de beroepsgronden. De rechtbank bespreekt hierna eerst de beroepsgronden die zien op de intrekkingsgrond die staat in artikel 5.4, eerste lid, onder d, van de Wnb. De rechtbank zal daarna ingaan op de beroepsgronden die zien op de intrekkingsgrond van artikel 5.4, tweede lid, van de Wnb.
Intrekkingsgrond artikel 5.4, eerste lid, onder d, van de Wnb
5. Artikel 5.4, eerste lid van de Wnb luidt als volgt:
“1 Een bij of krachtens deze wet verleende vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd indien:
(…)
d. de omstandigheden sedert het tijdstip waarop de vergunning, onderscheidenlijk ontheffing is verleend zodanig zijn gewijzigd, dat deze niet, niet zonder beperkingen of voorwaarden, of onder andere beperkingen of voorwaarden zou zijn verleend, indien deze omstandigheden op het tijdstip waarop de vergunning, onderscheidenlijk ontheffing is verleend zouden hebben bestaan.”
5.1.
In het bestreden besluit staat over deze intrekkingsgrond het volgende:
“Ten aanzien van artikel 5.4 eerste lid van de Wnb verzoekt u ons om een belangenafweging te maken. Het gaat hier om een zogenoemde discretionaire bevoegdheid. Dit betekent dat wij niet verplicht zijn om deze bevoegdheid te gebruiken. Wij maken een afweging van de betrokken belangen. Tot die belangen behoort mede het belang van de rechtszekerheid van de vergunninghouder (zie hierover ook de Logtsebaan uitspraak). Wij gaan hier uit van een sterke uitgangspositie van de vergunninghouder, aangezien het gaat om een onherroepelijke natuurvergunning waaraan rechtszekerheid kan worden ontleend en aan de beoordeling van dit verzoek al een lange procedurele voorgeschiedenis vooraf gaat. Mede in aanmerking genomen wat hiervoor is opgemerkt over de inhoudelijke maatregelenpakketten, gaan wij ook niet over tot intrekking op grond van artikel 5.4 eerste lid van de Wnb. De door u genoemde omstandigheden nopen hier, zover dit al gewijzigde omstandigheden zouden zijn zoals bedoeld in de wet, na een belangenafweging niet toe.”
5.2.
Eisers betogen dat zij in het intrekkingsverzoek gewijzigde omstandigheden hebben aangevoerd die volgens hen aanleiding vormen om over te gaan tot intrekking. In het bestreden besluit is hier volgens eisers niet op ingegaan en is alleen een belangenafweging gemaakt. Dit is volgens eisers in strijd met de Wnb. De belangenafweging is volgens eisers ook gebrekkig omdat niet alle belangen zijn gewogen.
5.3.
In het verweerschrift heeft het college aangegeven dat in het bestreden besluit inderdaad in het midden is gelaten of de door eisers aangevoerde omstandigheden daadwerkelijk onder één van de in dat artikellid genoemde intrekkingsgronden kunnen worden gebracht. Het college heeft overwogen dat artikel 5.4 eerste lid een discretionaire bevoegdheid is en geen intrekkingsplicht. Dat betekent dat, zelfs indien zou worden aangenomen dat zich één of meer door eisers aangevoerde omstandigheden voordoen, wij nog steeds een belangenafweging moeten maken en in redelijkheid hebben kunnen besluiten om niet tot intrekking over te gaan, aldus het college.
5.4.
De rechtbank volgt dit standpunt van het college niet. Zoals de Afdeling heeft overwogen in overweging 6.5 van de Logtsebaan-uitspraak van 20 januari 2021, is het college alleen bevoegd om de natuurvergunning in te trekken op grond van deze intrekkingsgrond als er sprake is van gewijzigde omstandigheden. Dat betekent dat het college eerst dient te onderzoeken of de door eisers in het intrekkingsverzoek aangevoerde punten als gewijzigde omstandigheden zijn aan te merken. Als er geen sprake is van gewijzigde omstandigheden dan wordt niet toegekomen aan de belangenafweging.
Het is ook voor de belangenafweging noodzakelijk dat de gewijzigde omstandigheden goed worden geduid. Als onduidelijk is welke omstandigheden zijn gewijzigd, kan geen goede belangenafweging worden gemaakt. Eisers voeren daarom ook terecht aan dat de belangenafweging zoals die nu is gemaakt gebrekkig is.
De beroepsgrond slaagt.
Intrekkingsgrond artikel 5.4, tweede lid, van de Wnb
6. Artikel 5.4, tweede lid, van de Wnb bepaalt dat een natuurvergunning wordt ingetrokken of gewijzigd indien dat nodig is ter uitvoering van artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn. Dit artikel uit de Habitatrichtlijn voorziet in een permanente beschermingsverplichting en strekt ertoe dat passende maatregelen getroffen worden als verslechtering of significante verstoring van natuurlijke habitats en habitats van soorten dreigt. In de hiervoor genoemde uitspraken van 2 juli 2025 heeft de Afdeling over de motivering van het besluit op een verzoek om intrekking van een natuurvergunning op grond van dit artikel het volgende overwogen:
“(…). De te hoge stikstofbelasting in Natura 2000-gebieden wordt veroorzaakt door de cumulatieve effecten van (veel) verschillende activiteiten afkomstig van verschillende bronnen. Daar waar een beperking van een hoge stikstofbelasting nodig is om de verslechtering van natuurwaarden te voorkomen, zijn passende maatregelen nodig, die onder meer gericht zijn op een daling van de stikstofdepositie in het Natura 2000-gebied. De intrekking of een wijziging van natuurvergunningen voor activiteiten die bijdragen aan die verslechtering is een passende maatregel, maar zal in de regel niet de enige mogelijke passende maatregel zijn ter beperking van de stikstofdepositie. Het college kan, als het niet voor de intrekking of een wijziging van de natuurvergunning kiest terwijl dat wel zou kunnen, niet volstaan met de enkele constatering dat andere passende maatregelen kunnen, en al zijn of nog zullen worden getroffen. Het college moet ook inzichtelijk maken met welke maatregelen uitvoering wordt of zal worden gegeven aan de noodzakelijke daling van stikstofdepositie binnen een afzienbare termijn. Als er een pakket van maatregelen of een programma in uitvoering is dat gericht is op een daling van stikstofdepositie en dat zo nodig vergezeld gaat van een monitoring van de uitvoering en effecten daarvan en het betrokken pakket of programma voorziet in een bijsturing of een aanvulling indien nodig, dan kan het college daar naar verwijzen. Vergelijk 28.2 van de uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1603 (hierna: de PAS-uitspraak). Is er geen zicht op de uitvoering van andere stikstofdepositiereducerende maatregelen binnen afzienbare termijn, dan komt de intrekking of een wijziging van de natuurvergunning nadrukkelijk in beeld, waarbij ook de intrekking of wijziging van één of meer andere natuurvergunningen in de afweging kan worden betrokken. Het bovenstaande geldt in het bijzonder als dergelijke intrekking(en) of wijziging(en) wel binnen afzienbare termijn tot een relevante verbetering kan of kunnen leiden.
(…). Het bovenstaande betekent dat het college niet alleen de te treffen maatregelen in beeld moet brengen, maar ook moet onderbouwen welke daling van stikstofdepositie naar het oordeel van het college noodzakelijk is, en binnen welke termijn deze daling van stikstofdepositie kan worden gerealiseerd. Aangezien deze onderbouwing per Natura 2000-gebied moet worden gegeven, hoeft het college daarbij niet noodzakelijkerwijs aan te sluiten bij de generieke omgevingswaarden die in art. 1.12a van de Wnb zijn opgenomen en het bijbehorende tijdpad, maar kan het college voor het betreffende Natura 2000-gebied een gebiedsspecifieke onderbouwing hanteren. Het college zal vervolgens moeten motiveren waarom de daling van stikstofdepositie door de voorgestelde maatregelen voldoende is om verslechtering tegen te gaan. Daarbij kan helpend zijn dat het college inzichtelijk maakt wat de kenmerken zijn van het gebied en wat op basis daarvan nodig en mogelijk is voor het betreffende Natura 2000-gebied om invulling te geven aan art. 6, tweede lid, van de Hrl. De passende maatregelen moeten vervolgens zijn gericht op het tegengaan van de (dreigende) verslechtering.”
Omvang van het geding
6.1.
In het intrekkingsverzoek hebben eisers de Natura 2000-gebieden “Veluwe” en “Rijntakken” benoemd. Het college is in het bestreden besluit vervolgens ingegaan op de gevolgen voor deze Natura 2000-gebieden. Voor zover eisers betogen dat het beroep ook betrekking heeft op Natura 2000-gebied “Landgoederen Brummen” overweegt de rechtbank dat het verzoek om intrekking daar niet op zag. Omdat eisers geen beroepsgronden hebben aangevoerd die zien op het Natura 2000-gebied “Rijntakken”, gaat het in deze zaak alleen over de gevolgen voor het Natura 2000-gebied “Veluwe” en de eventuele daarmee verband houdende intrekkingsplicht.
Het betoog van eisers
6.2.
Eisers betogen – kort samengevat – dat het college met de verwijzing naar de maatregelen onvoldoende heeft onderbouwd dat de noodzakelijke daling van stikstofdepositie binnen afzienbare termijn wordt gerealiseerd in het Natura 2000-gebied “Veluwe”.
6.3.
Niet in geschil is dat in het stikstofgevoelige Natura 2000-gebied “Veluwe” een verslechtering of significante verstoring van natuurwaarden dreigt. Ook is niet in geschil dat de activiteiten van de veehouderij effecten hebben op de natuurwaarden in dit gebied, nu de hoogste bijdrage in stikstofdepositie volgens de AERIUS-berekeningen 13,07 mol/ha/jaar bedraagt. Dit betekent dat passende maatregelen moeten worden getroffen.
6.4.
De rechtbank stelt vast dat het college in het bestreden besluit heeft verwezen naar een pakket aan maatregelen dat wordt genomen om de stikstofdepositie in de Natura 2000-gebieden terug te brengen, bestaande uit de Contourennota, het Programma Stikstofreductie en Natuurverbetering (PSN), de Uitvoeringsagenda Gelderse Maatregelen Stikstof (GMS) en maatregelen die in de beheerplannen voor de Natura 2000-gebieden zijn opgenomen. Verder heeft het college verwezen naar de Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties (Lbv), de Regeling Circulaire Mestverwerking, de Kadernota Agrifood, Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer, Gebiedscoöperatie Het Binnenveld, de Pilot ondernemingsplan Gelderse Vallei en de Regeling Samenwerking in veenweidegebieden en Natura 2000-gebieden. Het college heeft verder aangegeven dat het doel is om in 2025 tot een reductie van 25% van de emissies van de Gelderse stikstofbronnen te komen, en dat het doel verder is om de in de wet opgenomen resultaatsverplichting om in 2030 tenminste 50% en in 2035 tenminste 74% van stikstofgevoelige habitats in Natura 2000-gebieden onder de kritische depositiewaarden (KDW) te brengen.
6.5.
Het college heeft in het bestreden besluit echter niet inzichtelijk gemaakt wat de effecten van de maatregelen zijn op het Natura 2000-gebied “Veluwe”. Dat volgens het college door de landelijke en provinciale maatregelen sprake zal zijn van een daling van de stikstofdepositie is een te algemene motivering. Niet is onderbouwd dat de landelijke maatregelen en provinciale maatregelen zullen leiden tot de noodzakelijke daling van stikstofdepositie op de relevante natuurwaarden in het Natura 2000-gebied “Veluwe”. Naar het oordeel van de rechtbank is het bestreden besluit daarom in strijd met het motiveringsbeginsel.
De beroepsgrond slaagt.
Beoordeling finale geschilbeslechting en conclusie
7. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.
7.1.
In artikel 8:41a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) staat dat de bestuursrechter het hem voorgelegde geschil zoveel mogelijk definitief beslecht. Het college heeft in het verweerschrift van 1 juni 2026 en de daarbij behorende bijlage een nadere motivering opgenomen. Volgens het college is met deze aanvullende motivering het motiveringsgebrek hersteld. De rechtbank beoordeelt hierna bij wijze van finale geschilbeslechting of de aanvullende motivering toereikend is en of daarom de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen blijven.
Toetsingskader finale geschilbeslechting
7.2.
Voor het in stand laten van de rechtsgevolgen is niet vereist dat nog slechts één beslissing mogelijk is. Uit een oogpunt van proceseconomie kan het aangewezen zijn de rechtsgevolgen in stand te laten, als het bestuursorgaan vasthoudt aan zijn besluit, het besluit alsnog voldoende is gemotiveerd en de andere partij zich daarover in voldoende mate heeft kunnen uitlaten. Daarbij is beslissend of de inhoud van het vernietigde besluit na de kenbaar gemaakte motivering de rechterlijke toets kan doorstaan.
De rechtbank dient daarbij uit te gaan van de feiten en omstandigheden die zich voordoen ten tijde van het doen van de uitspraak. Bij de toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb heeft de rechtbank beoordelingsvrijheid.
7.3.
Het college heeft in de bijlage bij het verweerschrift in kaart gebracht welke emissiereductie wordt bereikt door de maatregelen die worden genomen. Deze heeft het college afgezet tegen de emissiewinst die wordt bereikt als de natuurvergunning wordt ingetrokken:
Het college heeft daarnaast de depositie per habitattype op de Veluwe door de berekende maatregelen inzichtelijk gemaakt en deze afgezet tegen de depositie van de veehouderij. Het college concludeert dat de emissie- en depositiereductie door de maatregelen vele malen groter is dan de reductie zou zijn als gevolg van intrekking van de vergunde situatie.
Tot slot heeft het college voor de “nee-tenzij”-habitattypen binnen 25 kilometer van de melkveehouderij in grafieken de trendlijnen van de depositie in kaart gebracht voor de habitattypen in Rijntakken, Landgoederen Brummen en de Veluwe.
In grafieken per habitattype heeft het college aangegeven hoe de stikstofdepositie zich ontwikkelt met de trendlijn uit AERIUS Monitor 2025 (roze lijn), de maatregel-reductie als onderdeel van AERIUS Monitor 2025 (groene lijn) en het surplus van het maatregelreductie ten opzichte van AERIUS Monitor 2025 (blauwe lijn).
(ter illustratie)
De extra dalende blauwe trendlijn is nog niet verwerkt in de NDA’s en in AERIUS Monitor en in die daling is nog geen rekening gehouden met de nieuwe maatregelen van provincies en het rijk. Volgens het college zijn de ramingen ook aan de voorzichtige kant. Voor wat betreft de Lbv zijn de effecten van de intrekkingen van vergunningen bijvoorbeeld uitgespreid over de hele provincie, maar betreft het veelal veehouderijen rondom de Veluwe.
7.4.
Eisers betogen dat de nieuwe motivering nog steeds in strijd is met de voorwaarden die zijn opgenomen in de 2 juli-uitspraken. Volgens eisers geeft de aanvullende motivering wel enig kwantitatief inzicht in de verwachte depositiereductie, maar wordt die depositiereductie niet afgezet tegen de daling van stikstofdepositie die noodzakelijk is om verdere verslechtering van natuurwaarden te stoppen. Veel habitats waarop stikstofdepositie plaatsvindt zijn volgens eisers zeer zwaar overbelast en in 2030 blijven nagenoeg alle stikstofgevoelige habitats boven de KDW. Daarom dient het maatregelenpakket zeer urgent, dat wil zeggen binnen één jaar, tot een substantiële daling van stikstofdepositie te leiden. Eisers verwijzen in dat verband naar overweging 5.10 uit de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 16 april 2025. Dat het maatregelenpakket leidt tot meer stikstofreductie dan de intrekking betekent ook niet dat intrekking niet meer nodig is als passende maatregel. Volgens eisers is het tegendeel waar, nu ondanks de maatregelen onvoldoende is onderbouwd dat de noodzakelijke daling binnen afzienbare termijn wordt bereikt. Er zijn volgens eisers dus méér passende maatregelen nodig, waaronder het intrekken van deze natuurvergunning.
Eisers hebben daarnaast aangegeven dat de aanpak Foodvalley geen vastgesteld beleid is en dat het afschaffen van derogatie nog niet ten uitvoering is gebracht. Van toekomstig beleid mag volgens eisers niet worden uitgegaan. Over de VAS en het strokenbeleid geven eisers aan dat het advies van de commissie MER over de milieueffectrapportage niet positief was en dat de commissie constateert dat de MER onvoldoende inzicht geeft in het doel en de onderbouwing van de positieve gevolgen. Ook verwijzen eisers naar de statenbrief van 24 februari 2026 waaruit blijkt dat de landsadvocaat van mening is dat er meer zekerheid moet zijn over de effectiviteit/rekenkundige onderbouwing van de maatregelen.
Over de Lbv en Lbv-plus geven eisers aan dat het overzicht van de aantallen deelnemende bedrijven geen inzicht geeft of de maatregelenpakketten voldoende zijn om de (dreigende) verslechtering op gebiedsniveau te voorkomen of tegen te gaan. Ook staan volgens eisers de effecten van deze regelingen vanaf 2025 onvoldoende vast nu uit updates van RVO blijkt dat er zich inmiddels veel deelnemers hebben teruggetrokken en uit stukken die zijn behandeld in de statenvergadering van 5 februari 2025 bleek dat de regelingen onvoldoende effect hebben in Gelderland en slechts 10 % reductie opleveren van de totale doelstelling van 7,5 kiloton. Het college heeft in de motivering ook verzuimd om de resultaten van de MAN-metingen te betrekken, wat temeer steekt nu deze niet wijzen op een blijvende daling maar op een niveau dat van jaar tot jaar wijzigt maar in essentie even hoog blijft.
7.5.
Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 24 juni 2026, is de omvang van de depositie niet relevant voor de vraag of de intrekking van de natuurvergunning kan kwalificeren als passende maatregel. Wel kan de omvang van de depositie betrokken worden bij de afweging of voor deze passende maatregel wordt gekozen op het moment dat andere passende maatregelen beschikbaar zijn waarmee een (dreigende) verslechtering wordt voorkomen. Het college heeft immers beoordelingsruimte bij de keuze van de te treffen passende maatregelen. Bij de invulling van die beoordelingsruimte speelt de vraag of de intrekking van een natuurvergunning een geschikte maatregel is, een rol.
De motivering van het college dat niet wordt gekozen voor de intrekking van deze natuurvergunning omdat de gezamenlijke generieke en gebiedsgerichte maatregelen een veelvoud aan depositiereductie bewerkstelligen ten opzichte van de intrekking van deze natuurvergunning is op zichzelf niet toereikend voor de afwijzing van het verzoek om intrekking van de natuurvergunning. Daarvoor is immers nodig dat het college aannemelijk en inzichtelijk maakt met welke andere maatregelen uitvoering wordt of zal worden gegeven aan de noodzakelijke reductie van stikstofdepositie binnen afzienbare termijn.
7.6.
De rechtbank heeft in de zaak die heeft geleid tot de uitspraak van 22 juni 2026 geoordeeld over een nadere motivering met betrekking tot een ander intrekkingsverzoek voor een veehouderij nabij de “Veluwe”. Het college heeft op de zitting toegelicht dat de ontwikkelingen elkaar snel opvolgen. In deze eerdere zaak was een beknoptere motivering aan de orde. In de zaak die hier voorligt is een kwantificeringsslag gemaakt van de te verwachten depositiereductie per habitattype.
7.7.
De rechtbank ziet dat er in deze zaak een verbeteringsslag is gemaakt in de motivering. Uit de berekeningen blijkt dat voor alle habitattypes sprake is van een afname van de stikstofdepositie. Tegelijkertijd blijkt uit de berekeningen dat voor een groot aantal habitattypes ook in 2030 (en later) met de aanvullende maatregelen nog steeds sprake is van een (forse) overschrijding van de KDW. Een ecologische beschouwing waaruit blijkt dat (dreigende) verslechtering als gevolg van stikstofoverbelasting – ondanks de resterende overschrijding - een halt wordt toegeroepen, ontbreekt. Het college heeft dan ook onvoldoende aangetoond dat hij met de maatregelen op juiste wijze invulling geeft aan de verplichting om voor die habitattypen een (dreigende) verslechtering te voorkomen en dat de intrekking van de natuurvergunning niet nodig is als aanvullende passende maatregel. Met deze berekening is al om die reden niet inzichtelijk gemaakt dat met de maatregelen uitvoering wordt gegeven aan de noodzakelijke daling van de stikstofdepositie binnen een afzienbare termijn. De rechtbank is het daarom met eisers eens dat het college nog steeds onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt dat de genoemde maatregelen voorzien in de noodzakelijke daling van stikstofdepositie om verslechtering van natuurwaarden tegen te gaan. De beroepsgrond slaagt.
7.8.
De nadere motivering van het college kan reeds gelet hierop het motiveringsgebrek niet herstellen.
Conclusie en gevolgen
8. De rechtbank is van oordeel dat met de aanvullende motivering het motiveringsgebrek niet is hersteld. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. De rechtbank ziet ook geen aanleiding om een tussenuitspraak te doen.
De minister heeft op 26 juni 2026 de kabinetsplannen voor stikstofreductiebeleid uiteengezet. Die plannen en de uitwerking daarvan leiden voor de Veluwe mogelijk tot een verdergaande stikstofreductie. Daarmee kan in het nieuwe besluit rekening worden gehouden.
Proceskosten en griffierecht
9. Omdat het beroep van eisers gegrond is moet het college hun griffierecht vergoeden en krijgen zij ook een vergoeding van hun proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. De rechtbank stelt de kosten van de door gemachtigde van eisers verleende rechtsbijstand op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op een bedrag van € 1.868, omdat de gemachtigde een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen (2 punten x € 934 per punt).
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
veroordeelt het college in de proceskosten van eisers voor een bedrag van € 1.868,-;
draagt het college op de griffiekosten van € 371,- aan eisers te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Emaus, voorzitter, en mr. M. van Harten en mr. E.C. Berkouwer, leden, in aanwezigheid van mr. E. Mengerink, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
ECLI:NL:RVS:2021:71.
ECLI:NL:RVS:2025:2969 (ro 10) en ECLI:NL:RVS:2025:2973 (ro 6).
Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna.
Zie ter vergelijking de uitspraak van de Afdeling van 2 juli 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:2969), overweging 13.4, en de uitspraak van 8 april 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:1953), overweging 9.1.
Dit kan op grond van artikel 8:72, derde lid, van de Awb.
Zie overweging 6.2 van de uitspraak van de Afdeling van 30 september 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:2325).
Zie overweging 2.4.1 van de uitspraak van de Afdeling van 13 oktober 2010 (ECLI:NL:RVS:2010:BO0267).
Zie overweging 2.6.1 van de uitspraak van de Afdeling van 27 januari 2010 (ECLI:NL:RVS:2010:BL0742).
Op de Veluwe zijn dit de habitattypen H2310: stuifzandheiden met struikhei, H2330: Zandverstuivingen, H3130: Zwakgebufferde vennen, H3160: Zure vennen, H4030: Droge heiden, H6230dka: Heischrale graslanden, droog kalkarm, H6230vka: Heischrale graslanden, vochtig kalkarm, H7110B: Actieve hoogvenen (heideveentjes), H9120: Beuken-eikenbossen met hulst en H9190: Oude eikenbossen
ECLI:NL:RBOBR:2025:2327.
Kenmerk 2025-009084, onderwerp “toezegging uit verkenning stikstofreductiegebied 11-2-2026”.
Zie overweging 8.1 en 10.1in de uitspraak van 24 juni 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:3651) en overweging 9 in de uitspraak van 8 april 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:1953).
ECLI:NL:RBGEL:2026:4884.
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/4742
uitspraak van de meervoudige kamer van
in de zaak tussen
Stichting Behoud Uiterwaardenlandschap, uit Ellecom,
Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A., uit Nijmegen
eisers
(gemachtigde: mr. D. Delibes-Vermeulen),
en
het college van gedeputeerde staten van de provincie Gelderland, het college
(gemachtigde: mr. C.F. Geerdes).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-partij] uit [vestigingsplaats] , vergunninghouder
(gemachtigde: mr. A.E.M. Olde Beverborg).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eisers om de aan vergunninghouder verleende natuurvergunning in te trekken. Eisers zijn het niet eens met de afwijzing van de aanvraag door het college. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij niet tot intrekking over gaat. Eisers krijgen dus gelijk en het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Het college heeft op 27 mei 2015 aan vergunninghouder een natuurvergunning verleend voor het realiseren van een melkveehouderij met 300 melk- en kalfkoeien en 168 stuks vrouwelijk jongvee op het perceel [adres] ongenummerd in Ellecom. Het perceel ligt op ongeveer 360 meter van het Natura 2000-gebied “Rijntakken”, 840 meter van het Natura 2000-gebied “Veluwe” en 8 kilometer van Natura 2000-gebied “Landgoederen Brummen”. Bij het verlenen van deze natuurvergunning is gesaldeerd met de natuurvergunning van 15 november 2013 voor de veehouderij aan [adres] in Ellecom en met de natuurvergunning van 16 juli 2012 voor de veehouderij aan de [adres] in Ellecom.
2.1.
Bij brief van 24 oktober 2022 hebben eisers het college verzocht om toepassing te geven aan artikel 2.4, artikel 5.4, eerste lid en artikel 5.4, tweede lid, van de Wet natuurbescherming (Wnb) en de natuurvergunningen voor [adres] ongenummerd, [adres] en [adres] in te trekken.
2.2.
Op 16 december 2022 heeft het college een ontwerp-weigeringsbesluit genomen.
2.3.
Eisers hebben een zienswijze ingediend.
2.4.
In het bestreden besluit van 4 juni 2024 heeft het college geweigerd om de natuurvergunningen in te trekken.
2.5.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.6.
Vergunninghouder heeft op 31 januari 2025 op het beroep gereageerd.
2.7.
Het college heeft op 1 juni 2026 op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.8.
De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens eisers [persoon 1] (van Stichting Behoud Uiterwaardenlandschap) en mr. D. Delibes-Vermeulen, namens het college mr. C.F. Geerdes en [persoon 2] en namens vergunninghouder [persoon 3] , [persoon 4] en mr. A.E.M. Olde Beverborg.
Beoordeling door de rechtbank
Wat is de omvang van het geding?
3. Op de zitting is vastgesteld dat het geschil uitsluitend betrekking heeft op de natuurvergunning van 27 mei 2015. Ook is vastgesteld dat het beroep uitsluitend ziet op de intrekkingsgronden in artikel 5.4, eerste lid, onder d, van de Wnb (gewijzigde omstandigheden) en artikel 5.4, tweede lid, van de Wnb (passende maatregelen).
Toetsingskader
4. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft in de Logtsebaan-uitspraak en in de uitspraken van 2 juli 2025 uiteengezet onder welke omstandigheden een natuurvergunning kan of moet worden ingetrokken of gewijzigd en welke eisen aan de motivering van een beslissing op een verzoek om intrekking of wijziging van een natuurvergunning worden gesteld.
Het toetsingskader uit deze Afdelingsjurisprudentie vormt de leidraad bij de beoordeling van de beroepsgronden. De rechtbank bespreekt hierna eerst de beroepsgronden die zien op de intrekkingsgrond die staat in artikel 5.4, eerste lid, onder d, van de Wnb. De rechtbank zal daarna ingaan op de beroepsgronden die zien op de intrekkingsgrond van artikel 5.4, tweede lid, van de Wnb.
Intrekkingsgrond artikel 5.4, eerste lid, onder d, van de Wnb
5. Artikel 5.4, eerste lid van de Wnb luidt als volgt:
“1 Een bij of krachtens deze wet verleende vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd indien:
(…)
d. de omstandigheden sedert het tijdstip waarop de vergunning, onderscheidenlijk ontheffing is verleend zodanig zijn gewijzigd, dat deze niet, niet zonder beperkingen of voorwaarden, of onder andere beperkingen of voorwaarden zou zijn verleend, indien deze omstandigheden op het tijdstip waarop de vergunning, onderscheidenlijk ontheffing is verleend zouden hebben bestaan.”
5.1.
In het bestreden besluit staat over deze intrekkingsgrond het volgende:
“Ten aanzien van artikel 5.4 eerste lid van de Wnb verzoekt u ons om een belangenafweging te maken. Het gaat hier om een zogenoemde discretionaire bevoegdheid. Dit betekent dat wij niet verplicht zijn om deze bevoegdheid te gebruiken. Wij maken een afweging van de betrokken belangen. Tot die belangen behoort mede het belang van de rechtszekerheid van de vergunninghouder (zie hierover ook de Logtsebaan uitspraak). Wij gaan hier uit van een sterke uitgangspositie van de vergunninghouder, aangezien het gaat om een onherroepelijke natuurvergunning waaraan rechtszekerheid kan worden ontleend en aan de beoordeling van dit verzoek al een lange procedurele voorgeschiedenis vooraf gaat. Mede in aanmerking genomen wat hiervoor is opgemerkt over de inhoudelijke maatregelenpakketten, gaan wij ook niet over tot intrekking op grond van artikel 5.4 eerste lid van de Wnb. De door u genoemde omstandigheden nopen hier, zover dit al gewijzigde omstandigheden zouden zijn zoals bedoeld in de wet, na een belangenafweging niet toe.”
5.2.
Eisers betogen dat zij in het intrekkingsverzoek gewijzigde omstandigheden hebben aangevoerd die volgens hen aanleiding vormen om over te gaan tot intrekking. In het bestreden besluit is hier volgens eisers niet op ingegaan en is alleen een belangenafweging gemaakt. Dit is volgens eisers in strijd met de Wnb. De belangenafweging is volgens eisers ook gebrekkig omdat niet alle belangen zijn gewogen.
5.3.
In het verweerschrift heeft het college aangegeven dat in het bestreden besluit inderdaad in het midden is gelaten of de door eisers aangevoerde omstandigheden daadwerkelijk onder één van de in dat artikellid genoemde intrekkingsgronden kunnen worden gebracht. Het college heeft overwogen dat artikel 5.4 eerste lid een discretionaire bevoegdheid is en geen intrekkingsplicht. Dat betekent dat, zelfs indien zou worden aangenomen dat zich één of meer door eisers aangevoerde omstandigheden voordoen, wij nog steeds een belangenafweging moeten maken en in redelijkheid hebben kunnen besluiten om niet tot intrekking over te gaan, aldus het college.
5.4.
De rechtbank volgt dit standpunt van het college niet. Zoals de Afdeling heeft overwogen in overweging 6.5 van de Logtsebaan-uitspraak van 20 januari 2021, is het college alleen bevoegd om de natuurvergunning in te trekken op grond van deze intrekkingsgrond als er sprake is van gewijzigde omstandigheden. Dat betekent dat het college eerst dient te onderzoeken of de door eisers in het intrekkingsverzoek aangevoerde punten als gewijzigde omstandigheden zijn aan te merken. Als er geen sprake is van gewijzigde omstandigheden dan wordt niet toegekomen aan de belangenafweging.
Het is ook voor de belangenafweging noodzakelijk dat de gewijzigde omstandigheden goed worden geduid. Als onduidelijk is welke omstandigheden zijn gewijzigd, kan geen goede belangenafweging worden gemaakt. Eisers voeren daarom ook terecht aan dat de belangenafweging zoals die nu is gemaakt gebrekkig is.
De beroepsgrond slaagt.
Intrekkingsgrond artikel 5.4, tweede lid, van de Wnb
6. Artikel 5.4, tweede lid, van de Wnb bepaalt dat een natuurvergunning wordt ingetrokken of gewijzigd indien dat nodig is ter uitvoering van artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn. Dit artikel uit de Habitatrichtlijn voorziet in een permanente beschermingsverplichting en strekt ertoe dat passende maatregelen getroffen worden als verslechtering of significante verstoring van natuurlijke habitats en habitats van soorten dreigt. In de hiervoor genoemde uitspraken van 2 juli 2025 heeft de Afdeling over de motivering van het besluit op een verzoek om intrekking van een natuurvergunning op grond van dit artikel het volgende overwogen:
“(…). De te hoge stikstofbelasting in Natura 2000-gebieden wordt veroorzaakt door de cumulatieve effecten van (veel) verschillende activiteiten afkomstig van verschillende bronnen. Daar waar een beperking van een hoge stikstofbelasting nodig is om de verslechtering van natuurwaarden te voorkomen, zijn passende maatregelen nodig, die onder meer gericht zijn op een daling van de stikstofdepositie in het Natura 2000-gebied. De intrekking of een wijziging van natuurvergunningen voor activiteiten die bijdragen aan die verslechtering is een passende maatregel, maar zal in de regel niet de enige mogelijke passende maatregel zijn ter beperking van de stikstofdepositie. Het college kan, als het niet voor de intrekking of een wijziging van de natuurvergunning kiest terwijl dat wel zou kunnen, niet volstaan met de enkele constatering dat andere passende maatregelen kunnen, en al zijn of nog zullen worden getroffen. Het college moet ook inzichtelijk maken met welke maatregelen uitvoering wordt of zal worden gegeven aan de noodzakelijke daling van stikstofdepositie binnen een afzienbare termijn. Als er een pakket van maatregelen of een programma in uitvoering is dat gericht is op een daling van stikstofdepositie en dat zo nodig vergezeld gaat van een monitoring van de uitvoering en effecten daarvan en het betrokken pakket of programma voorziet in een bijsturing of een aanvulling indien nodig, dan kan het college daar naar verwijzen. Vergelijk 28.2 van de uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1603 (hierna: de PAS-uitspraak). Is er geen zicht op de uitvoering van andere stikstofdepositiereducerende maatregelen binnen afzienbare termijn, dan komt de intrekking of een wijziging van de natuurvergunning nadrukkelijk in beeld, waarbij ook de intrekking of wijziging van één of meer andere natuurvergunningen in de afweging kan worden betrokken. Het bovenstaande geldt in het bijzonder als dergelijke intrekking(en) of wijziging(en) wel binnen afzienbare termijn tot een relevante verbetering kan of kunnen leiden.
(…). Het bovenstaande betekent dat het college niet alleen de te treffen maatregelen in beeld moet brengen, maar ook moet onderbouwen welke daling van stikstofdepositie naar het oordeel van het college noodzakelijk is, en binnen welke termijn deze daling van stikstofdepositie kan worden gerealiseerd. Aangezien deze onderbouwing per Natura 2000-gebied moet worden gegeven, hoeft het college daarbij niet noodzakelijkerwijs aan te sluiten bij de generieke omgevingswaarden die in art. 1.12a van de Wnb zijn opgenomen en het bijbehorende tijdpad, maar kan het college voor het betreffende Natura 2000-gebied een gebiedsspecifieke onderbouwing hanteren. Het college zal vervolgens moeten motiveren waarom de daling van stikstofdepositie door de voorgestelde maatregelen voldoende is om verslechtering tegen te gaan. Daarbij kan helpend zijn dat het college inzichtelijk maakt wat de kenmerken zijn van het gebied en wat op basis daarvan nodig en mogelijk is voor het betreffende Natura 2000-gebied om invulling te geven aan art. 6, tweede lid, van de Hrl. De passende maatregelen moeten vervolgens zijn gericht op het tegengaan van de (dreigende) verslechtering.”
Omvang van het geding
6.1.
In het intrekkingsverzoek hebben eisers de Natura 2000-gebieden “Veluwe” en “Rijntakken” benoemd. Het college is in het bestreden besluit vervolgens ingegaan op de gevolgen voor deze Natura 2000-gebieden. Voor zover eisers betogen dat het beroep ook betrekking heeft op Natura 2000-gebied “Landgoederen Brummen” overweegt de rechtbank dat het verzoek om intrekking daar niet op zag. Omdat eisers geen beroepsgronden hebben aangevoerd die zien op het Natura 2000-gebied “Rijntakken”, gaat het in deze zaak alleen over de gevolgen voor het Natura 2000-gebied “Veluwe” en de eventuele daarmee verband houdende intrekkingsplicht.
Het betoog van eisers
6.2.
Eisers betogen – kort samengevat – dat het college met de verwijzing naar de maatregelen onvoldoende heeft onderbouwd dat de noodzakelijke daling van stikstofdepositie binnen afzienbare termijn wordt gerealiseerd in het Natura 2000-gebied “Veluwe”.
6.3.
Niet in geschil is dat in het stikstofgevoelige Natura 2000-gebied “Veluwe” een verslechtering of significante verstoring van natuurwaarden dreigt. Ook is niet in geschil dat de activiteiten van de veehouderij effecten hebben op de natuurwaarden in dit gebied, nu de hoogste bijdrage in stikstofdepositie volgens de AERIUS-berekeningen 13,07 mol/ha/jaar bedraagt. Dit betekent dat passende maatregelen moeten worden getroffen.
6.4.
De rechtbank stelt vast dat het college in het bestreden besluit heeft verwezen naar een pakket aan maatregelen dat wordt genomen om de stikstofdepositie in de Natura 2000-gebieden terug te brengen, bestaande uit de Contourennota, het Programma Stikstofreductie en Natuurverbetering (PSN), de Uitvoeringsagenda Gelderse Maatregelen Stikstof (GMS) en maatregelen die in de beheerplannen voor de Natura 2000-gebieden zijn opgenomen. Verder heeft het college verwezen naar de Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties (Lbv), de Regeling Circulaire Mestverwerking, de Kadernota Agrifood, Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer, Gebiedscoöperatie Het Binnenveld, de Pilot ondernemingsplan Gelderse Vallei en de Regeling Samenwerking in veenweidegebieden en Natura 2000-gebieden. Het college heeft verder aangegeven dat het doel is om in 2025 tot een reductie van 25% van de emissies van de Gelderse stikstofbronnen te komen, en dat het doel verder is om de in de wet opgenomen resultaatsverplichting om in 2030 tenminste 50% en in 2035 tenminste 74% van stikstofgevoelige habitats in Natura 2000-gebieden onder de kritische depositiewaarden (KDW) te brengen.
6.5.
Het college heeft in het bestreden besluit echter niet inzichtelijk gemaakt wat de effecten van de maatregelen zijn op het Natura 2000-gebied “Veluwe”. Dat volgens het college door de landelijke en provinciale maatregelen sprake zal zijn van een daling van de stikstofdepositie is een te algemene motivering. Niet is onderbouwd dat de landelijke maatregelen en provinciale maatregelen zullen leiden tot de noodzakelijke daling van stikstofdepositie op de relevante natuurwaarden in het Natura 2000-gebied “Veluwe”. Naar het oordeel van de rechtbank is het bestreden besluit daarom in strijd met het motiveringsbeginsel.
De beroepsgrond slaagt.
Beoordeling finale geschilbeslechting en conclusie
7. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.
7.1.
In artikel 8:41a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) staat dat de bestuursrechter het hem voorgelegde geschil zoveel mogelijk definitief beslecht. Het college heeft in het verweerschrift van 1 juni 2026 en de daarbij behorende bijlage een nadere motivering opgenomen. Volgens het college is met deze aanvullende motivering het motiveringsgebrek hersteld. De rechtbank beoordeelt hierna bij wijze van finale geschilbeslechting of de aanvullende motivering toereikend is en of daarom de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen blijven.
Toetsingskader finale geschilbeslechting
7.2.
Voor het in stand laten van de rechtsgevolgen is niet vereist dat nog slechts één beslissing mogelijk is. Uit een oogpunt van proceseconomie kan het aangewezen zijn de rechtsgevolgen in stand te laten, als het bestuursorgaan vasthoudt aan zijn besluit, het besluit alsnog voldoende is gemotiveerd en de andere partij zich daarover in voldoende mate heeft kunnen uitlaten. Daarbij is beslissend of de inhoud van het vernietigde besluit na de kenbaar gemaakte motivering de rechterlijke toets kan doorstaan.
De rechtbank dient daarbij uit te gaan van de feiten en omstandigheden die zich voordoen ten tijde van het doen van de uitspraak. Bij de toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb heeft de rechtbank beoordelingsvrijheid.
7.3.
Het college heeft in de bijlage bij het verweerschrift in kaart gebracht welke emissiereductie wordt bereikt door de maatregelen die worden genomen. Deze heeft het college afgezet tegen de emissiewinst die wordt bereikt als de natuurvergunning wordt ingetrokken:
Het college heeft daarnaast de depositie per habitattype op de Veluwe door de berekende maatregelen inzichtelijk gemaakt en deze afgezet tegen de depositie van de veehouderij. Het college concludeert dat de emissie- en depositiereductie door de maatregelen vele malen groter is dan de reductie zou zijn als gevolg van intrekking van de vergunde situatie.
Tot slot heeft het college voor de “nee-tenzij”-habitattypen binnen 25 kilometer van de melkveehouderij in grafieken de trendlijnen van de depositie in kaart gebracht voor de habitattypen in Rijntakken, Landgoederen Brummen en de Veluwe.
In grafieken per habitattype heeft het college aangegeven hoe de stikstofdepositie zich ontwikkelt met de trendlijn uit AERIUS Monitor 2025 (roze lijn), de maatregel-reductie als onderdeel van AERIUS Monitor 2025 (groene lijn) en het surplus van het maatregelreductie ten opzichte van AERIUS Monitor 2025 (blauwe lijn).
(ter illustratie)
De extra dalende blauwe trendlijn is nog niet verwerkt in de NDA’s en in AERIUS Monitor en in die daling is nog geen rekening gehouden met de nieuwe maatregelen van provincies en het rijk. Volgens het college zijn de ramingen ook aan de voorzichtige kant. Voor wat betreft de Lbv zijn de effecten van de intrekkingen van vergunningen bijvoorbeeld uitgespreid over de hele provincie, maar betreft het veelal veehouderijen rondom de Veluwe.
7.4.
Eisers betogen dat de nieuwe motivering nog steeds in strijd is met de voorwaarden die zijn opgenomen in de 2 juli-uitspraken. Volgens eisers geeft de aanvullende motivering wel enig kwantitatief inzicht in de verwachte depositiereductie, maar wordt die depositiereductie niet afgezet tegen de daling van stikstofdepositie die noodzakelijk is om verdere verslechtering van natuurwaarden te stoppen. Veel habitats waarop stikstofdepositie plaatsvindt zijn volgens eisers zeer zwaar overbelast en in 2030 blijven nagenoeg alle stikstofgevoelige habitats boven de KDW. Daarom dient het maatregelenpakket zeer urgent, dat wil zeggen binnen één jaar, tot een substantiële daling van stikstofdepositie te leiden. Eisers verwijzen in dat verband naar overweging 5.10 uit de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 16 april 2025. Dat het maatregelenpakket leidt tot meer stikstofreductie dan de intrekking betekent ook niet dat intrekking niet meer nodig is als passende maatregel. Volgens eisers is het tegendeel waar, nu ondanks de maatregelen onvoldoende is onderbouwd dat de noodzakelijke daling binnen afzienbare termijn wordt bereikt. Er zijn volgens eisers dus méér passende maatregelen nodig, waaronder het intrekken van deze natuurvergunning.
Eisers hebben daarnaast aangegeven dat de aanpak Foodvalley geen vastgesteld beleid is en dat het afschaffen van derogatie nog niet ten uitvoering is gebracht. Van toekomstig beleid mag volgens eisers niet worden uitgegaan. Over de VAS en het strokenbeleid geven eisers aan dat het advies van de commissie MER over de milieueffectrapportage niet positief was en dat de commissie constateert dat de MER onvoldoende inzicht geeft in het doel en de onderbouwing van de positieve gevolgen. Ook verwijzen eisers naar de statenbrief van 24 februari 2026 waaruit blijkt dat de landsadvocaat van mening is dat er meer zekerheid moet zijn over de effectiviteit/rekenkundige onderbouwing van de maatregelen.
Over de Lbv en Lbv-plus geven eisers aan dat het overzicht van de aantallen deelnemende bedrijven geen inzicht geeft of de maatregelenpakketten voldoende zijn om de (dreigende) verslechtering op gebiedsniveau te voorkomen of tegen te gaan. Ook staan volgens eisers de effecten van deze regelingen vanaf 2025 onvoldoende vast nu uit updates van RVO blijkt dat er zich inmiddels veel deelnemers hebben teruggetrokken en uit stukken die zijn behandeld in de statenvergadering van 5 februari 2025 bleek dat de regelingen onvoldoende effect hebben in Gelderland en slechts 10 % reductie opleveren van de totale doelstelling van 7,5 kiloton. Het college heeft in de motivering ook verzuimd om de resultaten van de MAN-metingen te betrekken, wat temeer steekt nu deze niet wijzen op een blijvende daling maar op een niveau dat van jaar tot jaar wijzigt maar in essentie even hoog blijft.
7.5.
Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 24 juni 2026, is de omvang van de depositie niet relevant voor de vraag of de intrekking van de natuurvergunning kan kwalificeren als passende maatregel. Wel kan de omvang van de depositie betrokken worden bij de afweging of voor deze passende maatregel wordt gekozen op het moment dat andere passende maatregelen beschikbaar zijn waarmee een (dreigende) verslechtering wordt voorkomen. Het college heeft immers beoordelingsruimte bij de keuze van de te treffen passende maatregelen. Bij de invulling van die beoordelingsruimte speelt de vraag of de intrekking van een natuurvergunning een geschikte maatregel is, een rol.
De motivering van het college dat niet wordt gekozen voor de intrekking van deze natuurvergunning omdat de gezamenlijke generieke en gebiedsgerichte maatregelen een veelvoud aan depositiereductie bewerkstelligen ten opzichte van de intrekking van deze natuurvergunning is op zichzelf niet toereikend voor de afwijzing van het verzoek om intrekking van de natuurvergunning. Daarvoor is immers nodig dat het college aannemelijk en inzichtelijk maakt met welke andere maatregelen uitvoering wordt of zal worden gegeven aan de noodzakelijke reductie van stikstofdepositie binnen afzienbare termijn.
7.6.
De rechtbank heeft in de zaak die heeft geleid tot de uitspraak van 22 juni 2026 geoordeeld over een nadere motivering met betrekking tot een ander intrekkingsverzoek voor een veehouderij nabij de “Veluwe”. Het college heeft op de zitting toegelicht dat de ontwikkelingen elkaar snel opvolgen. In deze eerdere zaak was een beknoptere motivering aan de orde. In de zaak die hier voorligt is een kwantificeringsslag gemaakt van de te verwachten depositiereductie per habitattype.
7.7.
De rechtbank ziet dat er in deze zaak een verbeteringsslag is gemaakt in de motivering. Uit de berekeningen blijkt dat voor alle habitattypes sprake is van een afname van de stikstofdepositie. Tegelijkertijd blijkt uit de berekeningen dat voor een groot aantal habitattypes ook in 2030 (en later) met de aanvullende maatregelen nog steeds sprake is van een (forse) overschrijding van de KDW. Een ecologische beschouwing waaruit blijkt dat (dreigende) verslechtering als gevolg van stikstofoverbelasting – ondanks de resterende overschrijding - een halt wordt toegeroepen, ontbreekt. Het college heeft dan ook onvoldoende aangetoond dat hij met de maatregelen op juiste wijze invulling geeft aan de verplichting om voor die habitattypen een (dreigende) verslechtering te voorkomen en dat de intrekking van de natuurvergunning niet nodig is als aanvullende passende maatregel. Met deze berekening is al om die reden niet inzichtelijk gemaakt dat met de maatregelen uitvoering wordt gegeven aan de noodzakelijke daling van de stikstofdepositie binnen een afzienbare termijn. De rechtbank is het daarom met eisers eens dat het college nog steeds onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt dat de genoemde maatregelen voorzien in de noodzakelijke daling van stikstofdepositie om verslechtering van natuurwaarden tegen te gaan. De beroepsgrond slaagt.
7.8.
De nadere motivering van het college kan reeds gelet hierop het motiveringsgebrek niet herstellen.
Conclusie en gevolgen
8. De rechtbank is van oordeel dat met de aanvullende motivering het motiveringsgebrek niet is hersteld. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. De rechtbank ziet ook geen aanleiding om een tussenuitspraak te doen.
De minister heeft op 26 juni 2026 de kabinetsplannen voor stikstofreductiebeleid uiteengezet. Die plannen en de uitwerking daarvan leiden voor de Veluwe mogelijk tot een verdergaande stikstofreductie. Daarmee kan in het nieuwe besluit rekening worden gehouden.
Proceskosten en griffierecht
9. Omdat het beroep van eisers gegrond is moet het college hun griffierecht vergoeden en krijgen zij ook een vergoeding van hun proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. De rechtbank stelt de kosten van de door gemachtigde van eisers verleende rechtsbijstand op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op een bedrag van € 1.868, omdat de gemachtigde een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen (2 punten x € 934 per punt).
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
veroordeelt het college in de proceskosten van eisers voor een bedrag van € 1.868,-;
draagt het college op de griffiekosten van € 371,- aan eisers te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Emaus, voorzitter, en mr. M. van Harten en mr. E.C. Berkouwer, leden, in aanwezigheid van mr. E. Mengerink, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
ECLI:NL:RVS:2021:71.
ECLI:NL:RVS:2025:2969 (ro 10) en ECLI:NL:RVS:2025:2973 (ro 6).
Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna.
Zie ter vergelijking de uitspraak van de Afdeling van 2 juli 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:2969), overweging 13.4, en de uitspraak van 8 april 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:1953), overweging 9.1.
Dit kan op grond van artikel 8:72, derde lid, van de Awb.
Zie overweging 6.2 van de uitspraak van de Afdeling van 30 september 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:2325).
Zie overweging 2.4.1 van de uitspraak van de Afdeling van 13 oktober 2010 (ECLI:NL:RVS:2010:BO0267).
Zie overweging 2.6.1 van de uitspraak van de Afdeling van 27 januari 2010 (ECLI:NL:RVS:2010:BL0742).
Op de Veluwe zijn dit de habitattypen H2310: stuifzandheiden met struikhei, H2330: Zandverstuivingen, H3130: Zwakgebufferde vennen, H3160: Zure vennen, H4030: Droge heiden, H6230dka: Heischrale graslanden, droog kalkarm, H6230vka: Heischrale graslanden, vochtig kalkarm, H7110B: Actieve hoogvenen (heideveentjes), H9120: Beuken-eikenbossen met hulst en H9190: Oude eikenbossen
ECLI:NL:RBOBR:2025:2327.
Kenmerk 2025-009084, onderwerp “toezegging uit verkenning stikstofreductiegebied 11-2-2026”.
Zie overweging 8.1 en 10.1in de uitspraak van 24 juni 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:3651) en overweging 9 in de uitspraak van 8 april 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:1953).
ECLI:NL:RBGEL:2026:4884.