Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Gelderland

ECLI:NL:RBGEL:2026:7053

2026-08-13 Civiel recht; Personen- en familierecht C/05/459525 / FA RK 25-3873
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Gelderland
Uitspraakdatum
2026-08-13
Publicatiedatum
2026-09-11
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
C/05/459525 / FA RK 25-3873
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Vernietiging erkenning door juridisch vader, vaststelling vaderschap biologische vader en geslachtsnaamwijziging. Verzoeker ontvankelijk ondanks overschrijding wettelijke termijn. Artikel 8 EVRM vs. de met de termijn beoogde doelen: belang van het kind en rechtszekerheid.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (19.913 tekens)
RECHTBANK GELDERLAND


Familie- en Jeugdrecht



Locatie Arnhem



Zaaknummer: C/05/459525 / FA RK 25-3873
Datum uitspraak: 13 augustus 2026




Beschikking vernietiging van de erkenning, gerechtelijke vaststelling vaderschap en wijziging achternaam




in de zaak van





[verzoeker] ,

hierna te noemen [verzoeker] ,
wonende in [woonplaats] , [gemeente] ,
Advocaat mr. R.G.J. Booij uit Vleuten.



De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:





[belanghebbende 1] ,

hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] , [gemeente] ,





[belanghebbende 2] ,

hierna te noemen [belanghebbende 2] ,
wonende te [woonplaats] , [gemeente] ,





[belanghebbende 3] ,

hierna te noemen [belanghebbende 3] ,
wonende te [woonplaats] ( [land] ).





1Het verloop van de procedure


1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:


het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 12 november 2025;


een F9-formulier met bijlagen van [verzoeker] , ontvangen op 24 november 2025;


de instemmingsverklaring van [belanghebbende 2] , ontvangen op 3 december 2025;


de instemmingsverklaring van de moeder, ontvangen op 8 december 2025;


een F9-formulier met bijlagen van [verzoeker] , ontvangen op 3 juni 2026.





1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 7 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:



[verzoeker] met zijn advocaat;


de moeder.



[belanghebbende 3] heeft de zitting digitaal bijgewoond.



[belanghebbende 2] is, hoewel deugdelijk opgeroepen, niet verschenen. Hij heeft schriftelijk aangegeven geen gebruik te willen maken van zijn recht om door de rechter te worden gehoord.



De rechtbank heeft bijzondere toegang tot de zitting verleend aan:

- mevrouw [partner] , de partner van [verzoeker] , hierna te noemen [partner] .






2De feiten

2.1.

Uit de relatie tussen [belanghebbende 3] en de moeder is geboren:
- [verzoeker], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] .




2.2.
Op [datum 1] is [verzoeker] erkend door [belanghebbende 2] , destijds de nieuwe partner van de moeder. Zijn geslachtsnaam is op dat moment gewijzigd van [naam] (de naam van de moeder) naar [belanghebbende 2] .





3Het verzoek


3.1.

[verzoeker] verzoekt, uitvoerbaar bij voorraad voor zover de wet dit toelaat:
A. primair vernietiging van de erkenning van het vaderschap van/door [belanghebbende 2] ;

subsidiair gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap van [belanghebbende 2] ; en

te bepalen of een verklaring voor recht te geven dat [belanghebbende 3] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , de vader is van verzoeker;
te bepalen dat verzoeker vanaf de datum van in kracht van gewijsde gaan van de verzochte vernietiging respectievelijk de gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap, de geslachtsnaam [belanghebbende 3] zal hebben; en
kosten rechtens.




3.2.
Tijdens de zitting heeft [verzoeker] het verzoek ‘kosten rechtens’ ingetrokken. De rechtbank hoeft daar dus niet meer op te beslissen. [verzoeker] heeft bevestigd dat het verzoek onder B moet worden opgevat als een verzoek in de zin van artikel 1:207 eerste lid BW, dus een verzoek tot het vaststellen van het vaderschap van [belanghebbende 3] .





4De beoordeling


4.1.
De rechtbank wijst de verzoeken van [verzoeker] toe. De rechtbank legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt. Daarbij gaat zij in op de standpunten van partijen, voor zover die voor de beoordeling van belang zijn.



Vernietiging erkenning


Wettelijk kader




4.2.

Op grond van artikel 1:205 eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan het kind in principe zelf een verzoek tot vernietiging van de erkenning bij de rechtbank indienen als de erkenner niet de biologische vader van het kind is en de erkenning heeft plaatsgevonden toen het kind nog minderjarig was. Het verzoek wordt op grond van het vierde lid door het kind ingediend binnen drie jaren nadat het kind bekend is geworden met het feit dat de man vermoedelijk niet zijn biologische vader is. Als het kind tijdens zijn minderjarigheid bekend is geworden met dit feit kan het verzoek worden ingediend tot uiterlijk drie jaren nadat het kind meerderjarig is geworden.

Ontvankelijkheid




4.3.
De rechtbank stelt vast dat in beginsel niet is voldaan aan het vierde lid van artikel 1:205 BW. [verzoeker] heeft tijdens de zitting toegelicht dat hij altijd heeft geweten dat niet [belanghebbende 2] , maar [belanghebbende 3] zijn biologische vader is. Als de termijn strikt wordt gevolgd, had [verzoeker] het verzoek daarom moeten indienen binnen drie jaar nadat hij meerderjarig werd, dat wil zeggen voor [datum 2] . Nu het verzoek pas is ingediend op 12 november 2025, is de wettelijke termijn overschreden. Dit betekent dat [verzoeker] in beginsel niet-ontvankelijk is in zijn verzoek.



4.4.
Omdat [verzoeker] de rechtbank heeft verzocht voorbij te gaan aan de termijnoverschrijding moet de rechtbank de vraag beantwoorden of [verzoeker] tóch ontvankelijk is in zijn verzoek, omdat in dit geval het vasthouden aan de termijn voor indiening van het verzoek een ongerechtvaardigde inmenging in het family life van [verzoeker] zou opleveren en daardoor in strijd zou zijn met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). [verzoeker] stelt namelijk dat dat hier het geval is. Hij meent hij dat het belang van het in overeenstemming brengen van de juridische situatie met de biologische werkelijkheid moet prevaleren boven het belang van strikte hantering van de indieningstermijn. Ook het belang van de rechtszekerheid, de ratio voor de wettelijke termijn, moet minder zwaar wegen. Dit geldt hier temeer omdat alle belanghebbenden instemmen met het verzoek.



4.5.
De rechtbank stelt voorop dat het stellen van termijnen in beginsel geen ongerechtvaardigde inmenging in het family life van betrokkenen is in de zin van artikel 8 EVRM, omdat de in de wet gegeven termijnen noodzakelijk zijn in een democratische samenleving om de rechtszekerheid te waarborgen en ter bescherming van de belangen van het kind. Het is dan de vraag of de met de termijnstelling beoogde doelen van rechtszekerheid en het belang van het kind in dit geval worden gediend door vast te houden aan die in de wet gestelde termijn. De rechtbank oordeelt dat dat hier niet het geval is. Ook de rechtbank ziet dat alle betrokkenen het erover eens zijn dat de verzoeken van [verzoeker] moeten worden toegewezen. Dit betekent dat [belanghebbende 2] accepteert dat hij dan niet langer de juridisch vader is van [verzoeker] . [belanghebbende 3] wenst [verzoeker] te erkennen als zijn zoon. En ook de moeder staat achter het verzoek. Zij meent dat het goed is als de biologische werkelijkheid overeenstemt met de juridische. Zij heeft altijd beoogd te handelen in het belang van [verzoeker] en meent dat dat in dit geval betekent dat zij instemt met de vernietiging van de erkenning. Nu de betrokkenen het eens zijn is niet goed in te zien hoe de rechtszekerheid hier (ten opzichte van hen) wordt geschaad als niet wordt vastgehouden aan de wettelijke termijn.



4.6.
Ook de rechtszekerheid in bredere zin, ten opzichte van anderen dan de direct betrokkenen, wordt naar het oordeel van de rechtbank niet geschaad als de termijn hier wordt losgelaten. [verzoeker] heeft tijdens de zitting toegelicht dat iedereen in zijn omgeving weet dat [belanghebbende 3] zijn vader is. Hij krijgt ook veel vragen over zijn achternaam en moet vaak aan derden, zoals collega’s, uitleggen dat en waarom hij een andere achternaam heeft dan zijn vader en zijn moeder. [verzoeker] heeft toegelicht dat, los van het feit dat dit pijnlijk is voor hemzelf, die derden dit vaak niet goed begrijpen. Voor zijn omgeving zou het dus juist heel logisch zijn als de juridische situatie gelijk wordt gesteld met de biologische.



4.7.
Ook het belang van het kind, [verzoeker] zelf, wordt hier niet beschermd door vast te houden aan de wettelijke termijn van artikel 1:205 vierde lid BW, maar wordt hierdoor juist geschaad. Het vasthouden aan de termijn voorkomt namelijk dat de biologische en juridische werkelijkheid met elkaar in overeenstemming worden gebracht. Ook leidt dit ertoe dat hetgeen [verzoeker] het liefst wenst, dat zijn biologische vader de eretitel vader mag dragen, niet wordt vervuld. De geboorte van zijn zoon, de kleinzoon van de moeder en [belanghebbende 3] , maakt dat hier voor [verzoeker] extra lading op zit en het voor hem nog belangrijker en urgenter is om [belanghebbende 3] zijn vader te mogen noemen. Ook [partner] ziet dit belang en deelt deze wens. Dit alles maakt dat de rechtbank oordeelt dat in dit specifieke geval het vasthouden aan de wettelijke termijn een ongerechtvaardigde inmenging zou vormen in het familieleven van [verzoeker] en zijn familie en daarmee een schending oplevert van artikel 8 tweede lid EVRM.



Inhoudelijke beoordeling




4.8.
De rechtbank stelt vast dat in dit geval ook wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 1:205 eerste lid aanhef en onder a BW. [verzoeker] vraagt zelf om de vernietiging van de erkenning. Hij is erkend door [belanghebbende 2] toen hij 7 jaar oud was en was toen dus minderjarig. Dit blijkt uit de akte van erkenning die dateert van [datum 1] .



4.9.
Uit de stukken blijkt bovendien dat [belanghebbende 3] de biologische vader van [verzoeker] is en [belanghebbende 2] dat dus niet is. Niet alleen wordt dit bevestigd door zowel de moeder, als [belanghebbende 2] , als [belanghebbende 3] , maar dit blijkt ook uit het door [verzoeker] overgelegde rapport van het DNA of verwantschapsonderzoek. Hieruit blijkt namelijk dat [belanghebbende 3] met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid de biologische vader is van [verzoeker] .



4.10.
De rechtbank acht het in het belang van [verzoeker] dat de juridische werkelijkheid in overeenstemming gebracht met de biologische werkelijkheid. Zij weegt hierbij mee dat [verzoeker] en [belanghebbende 3] beiden aangeven dat zij een goed vader-zoonrelatie hebben opgebouwd. [verzoeker] heeft bovendien geen goede band (meer) met [belanghebbende 2] . Zij hebben al vanaf mei 2005 geen contact meer met elkaar. Daarnaast heeft [belanghebbende 2] ook ingestemd met het verzoek. De rechtbank zal daarom de erkenning door [belanghebbende 2] vernietigen.



Gegrondverklaring ontkenning vaderschap




4.11.
Omdat de rechtbank het primaire verzoek van [verzoeker] toewijst, komt zij niet toe aan de inhoudelijke behandeling van zijn subsidiaire verzoek.



Vaststelling vaderschap


Wettelijk kader




4.12.
Artikel 1:207 eerste lid BW geeft het kind – kort gezegd – de bevoegdheid om de rechtbank te verzoeken om het ouderschap vast te stellen van zijn verwekker. Uit het tweede lid van artikel 1:207 BW volgt dat het ouderschap niet kan worden vastgesteld als en zo lang het kind twee ouders heeft. Op grond van artikel 1:207 vijfde lid BW, werkt de vaststelling van het ouderschap, mits de beschikking daartoe in kracht van gewijsde is gegaan, terug tot het moment van de geboorte van het kind.



Ontvankelijkheid




4.13.
Hoewel een verzoek tot het vaststellen van het vaderschap door de moeder binnen een bepaalde termijn (5 jaar na de geboorte) moet zijn ingediend, geldt dat niet voor een verzoek dat is ingediend door het kind zelf. Het verzoek van [verzoeker] is dus niet gebonden aan een termijn, hij is daarom ontvankelijk in dit verzoek.





Inhoudelijke beoordeling




4.14.

[verzoeker] heeft toegelicht dat hij omstreeks het jaar 2008 in contact is gekomen met [belanghebbende 3] . De relatie tussen [verzoeker] en [belanghebbende 3] is in de loop der tijd uitgegroeid tot een betrokken vader-zoonrelatie. Zij spreken elkaar regelmatig en maken gevoelsmatig een volwaardig deel uit van elkaars leven. [verzoeker] wil deze relatie graag formaliseren en de feitelijke vader-zoonrelatie in overeenstemming brengen met de formele of juridische vader-zoonrelatie.



4.15.

[belanghebbende 3] heeft tijdens de zitting toegelicht dat het kunnen erkennen van [verzoeker] als zijn zoon voor hem voelt alsof hij iets formeel recht zet wat nu scheef is. Dat is erg belangrijk voor hem, belangrijker dan hij lang heeft gedacht. Hij, zijn vrouw en [verzoeker] hebben lang, zo’n 15 jaar, toegewerkt naar dit moment. De moeder geeft aan dat zij blij is dat [verzoeker] en [belanghebbende 3] in elkaars leven zijn en iets kunnen opbouwen. Zij steunt het verzoek omdat zij weet dat het belangrijk is voor [verzoeker] en [belanghebbende 3] dat hun biologische band wordt geformaliseerd en de buitenwereld hun band erkent.



4.16.
Nu het verzoek slechts kan worden toegewezen nadat de beslissing tot vernietiging van het vaderschap van [belanghebbende 2] in kracht van gewijsde is gegaan, zal de rechtbank het verzoek toewijzen onder die opschortende voorwaarde.



Geslachtsnaamwijziging


Wettelijk kader




4.17.
Uit artikel 1:5 eerste lid BW volgt dat, als een kind alleen in familierechtelijke betrekking tot de moeder staat, het haar geslachtsnaam heeft. Op grond van artikel 1:5 tweede lid BW en artikel 1:207 BW houdt een kind, indien het door gerechtelijke vaststelling van het vaderschap in familierechtelijke betrekking tot de vader komt te staan, de geslachtsnaam van de moeder, tenzij de moeder en de vader gezamenlijk verklaren dat het kind de geslachtsnaam van de vader zal hebben. Uit artikel 1:5 zevende lid BW volgt dat het kind, als hij op dat moment 16 jaar of ouder is, dat zelf mag verklaren.



Inhoudelijke beoordeling




4.18.
Na het in kracht van gewijsde gaan van de beslissing tot vernietiging van de erkenning door [belanghebbende 2] zal [verzoeker] van rechtswege weer de geslachtsnaam van de moeder dragen, zodat hij dan ‘ [naam] ’ zal heten. [verzoeker] wenst de geslachtsnaam [belanghebbende 3] te dragen, de naam van zijn biologische vader. De rechtbank zal van deze verklaring melding maken in het dictum van deze beschikking. Uit de instemmingsverklaring van de moeder blijkt dat zij op de hoogte is van de inhoud en strekking van het verzoekschrift met bijlagen en dat zij daarmee instemt. Tijdens de zitting heeft zij dit ook bevestigd. Ook [belanghebbende 3] zelf stemt in met het verzoek.



4.19.
Nu [verzoeker] expliciet heeft uitgesproken dat hij ook de geslachtsnaam van zijn zoon wil wijzigen in [belanghebbende 3] vindt de rechtbank het in dit kader ook relevant dat ook [partner] , de moeder van hun zoon, tijdens de zitting heeft bevestigd dat zij instemt met de wijziging van de geslachtnaam van [verzoeker] . Zij staat achter de wens van [verzoeker] om de naam [belanghebbende 3] op termijn door te geven aan hun zoon.



Uitvoerbaar bij voorraad




4.20.

[verzoeker] verzoekt de rechtbank de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Dat betekent dat deze blijft gelden, ook als iemand het er niet mee eens is en in hoger beroep gaat. De rechtbank wijst dit verzoek af omdat de beslissingen naar hun aard niet uitvoerbaar bij voorraad kunnen worden verklaard.





5De beslissing


De rechtbank:



5.1.
vernietigt de erkenning van [verzoeker], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] door [belanghebbende 2], geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] ;



5.2.
stelt, onder de opschortende voorwaarde dat de beslissing tot vernietiging van de erkenning van [verzoeker] in kracht van gewijsde is gegaan, vast dat de heer [belanghebbende 3], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , de vader is van [verzoeker];



5.3.
stelt vast dat [verzoeker] (ondersteund door de moeder en [belanghebbende 3]) heeft verklaard dat hij met ingang van de datum van vaststelling van het vaderschap, niet langer de geslachtsnaam ‘[belanghebbende 2]’, maar de geslachtsnaam ‘[belanghebbende 3]’ zal dragen;



5.4.
draagt de griffier op een afschrift van deze beschikking te zenden aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Eindhoven, zodra deze beschikking in kracht van gewijsde is gegaan;



5.5.
verstaat dat de wijzigingen geschieden doordat aan de desbetreffende akte een latere vermelding wordt toegevoegd overeenkomstig artikel 1:20 eerste lid van het Burgerlijk Wetboek;



5.6.
wijst het meer of anders verzochte af.









Deze beschikking is gegeven door mr. K, van der Lee, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 13 augustus 2026, in aanwezigheid van mr. A. van de Vendel als griffier.





!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS!





!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER!


























!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS!







Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:



degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;


andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.