Rechtbank Gelderland
ECLI:NL:RBGEL:2026:7052
2026-07-13
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/05/460324 / ZJ RK 25-1020 C/05/460326 / ZJ RK 25-1021
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
MK; afwijzing verzoek machtiging uithuisplaatsing en vervanging van de gecertificeerde instelling. Rechtbank deelt op basis van hetgeen de GI aanvoert niet de zorg dat er sprake is van Munchhausen by Proxy of Kindermishandeling door Falsificatie (PCF). Frisse blik nodig voor de verdere uitvoering van de ondertoezichtstelling.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (32.047 tekens)
RECHTBANK GELDERLAND
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Zutphen
Zaaknummers: C/05/460324 / ZJ RK 25-1020
C/05/460326 / ZJ RK 25-1021
Datum uitspraak: 13 juli 2026
Beschikking van de meervoudige kamer over een machtiging tot uithuisplaatsing en over de vervanging van de gecertificeerde instelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Gelderland, regio Midden, gevestigd te Arnhem,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige]
, geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:
[vader]
,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. M.S. Clarenbeek uit te Zutphen,
[moeder]
,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. E.P. Niemeijer uit te Zutphen,
1Het verdere verloop van de procedures
1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de (tussen)beschikking van deze rechtbank van 12 maart 2026;
de brief met aanvullende stukken van de GI, ontvangen op 18 mei 2026;
de brief van de moeder met bijlagen, ontvangen op 29 mei 2026.
1.2.
Op 2 juni 2026 heeft de meervoudige kamer van de rechtbank de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
- de vader met zijn advocaat;
- de moeder met haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de Raad;
- een drietal vertegenwoordigers van de GI.
1.3.
De zaken zijn gelijktijdig behandeld met de zaak met zaakgegevens: C/05/450584 / FZ RK 25-930. In die zaak wordt uitspraak gedaan bij afzonderlijke beschikking van vandaag.
2Eerdere beslissingen
2.1.
Bij beschikking van 12 maart 2026 heeft de kinderrechter in deze rechtbank:
de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 11 februari 2027;
een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de andere ouder met gezag (de vader) verleend van 10 februari 2026 tot 12 juni 2026;
de beschikking van deze rechtbank van 7 oktober 2025 gewijzigd en vastgesteld als voorlopige regeling voor de verdeling van zorg- en opvoedingstaken dat [minderjarige] en de moeder op een doordeweekse middag na schooltijd en gedurende een dagdeel in het weekend onbegeleid contact met elkaar hebben;
iedere verdere beslissing over de machtiging tot uithuisplaatsing en de verzoeken van de moeder aangehouden tot de nader te plannen zitting van de meervoudige kamer van de rechtbank in de maand mei 2026 en de GI verzocht om uiterlijk twee weken voor de nieuwe zitting de rechtbank, de Raad, (de advocaat van) de vader en (de advocaat van) de moeder te berichten;
het meer of anders verzochte afgewezen.
2.2.
In afwachting van deze beschikking heeft de rechtbank tijdens de zitting van 2 juni 2026 de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader bij mondelinge uitspraak verlengd voor de duur van zes weken. De beslissing op het restant van de gevraagde machtiging tot uithuisplaatsing is aangehouden tot deze beschikking.
3De (nog) voorliggende verzoeken
3.1.
De rechtbank moet nog beslissen op:
- in de zaak met zaaknummer 460324: het verzoek van de GI om, uitvoerbaar bij voorraad, op grond van artikel 1:265b van het Burgerlijk Wetboek (BW) een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de andere ouder met gezag te verlenen voor de resterende duur van de ondertoezichtstelling;
- in de zaken met zaaknummers 460324 en 460326: het zelfstandige verzoek van de moeder om, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat, als er geen nieuwe jeugdbeschermer wordt aangewezen, op grond van artikel 1:259 BW de GI wordt vervangen door een andere gecertificeerde instelling, kosten rechtens.
4De standpunten
4.1.
Uit de nadere toelichting GI volgt dat zij ervan uitgaat dat er sprake is van een failure to thrive: [minderjarige] wordt vaak ziek en valt af bij de moeder. De GI kan de oorzaak daarvan niet achterhalen, maar zij is ervan overtuigd dat dit niet kan worden verklaard door [minderjarige] ’s slokdarmontsteking (EoE) of de problemen van de moeder met het bieden van structuur en duidelijke regels. Hoewel zij dat nu niet kan vaststellen, kan de GI de mogelijkheid dat er sprake is van kindermishandeling door falsificatie (PCF) door de moeder daarom ook niet uitsluiten. De GI is gebonden aan de meldcode Kindermishandeling en huiselijk geweld (de Meldcode). De Meldcode geeft twee opties om PCF uit te sluiten: [minderjarige] volledig bij de moeder plaatsen of hem daar volledig weghalen om te kijken wat het effect daarvan is op zijn gezondheid. De GI heeft gekozen voor de tweede optie, zij meent dat het voor [minderjarige] ’s gezondheid noodzakelijk is dat [minderjarige] volledig bij de moeder wordt weggehaald. De GI heeft geen volledig beeld van wat er speelt bij de moeder. Ook heeft zij onvoldoende zicht op haar opvoedvaardigheden. De GI ziet wel dat [minderjarige] zich afzet tegen de moeder en meent dat de moeder onvoldoende bij [minderjarige] aansluit. De GI maakt zich ook zorgen over de communicatie tussen de moeder en de hulpverlening. De moeder geeft aan dat zaken niet met haar zijn besproken, terwijl de GI meent dat wel het geval is. De GI vraagt zich daarom af of de moeder wel begrijpt wat de jeugdbeschermer met haar bespreekt. De GI maakt zich geen zorgen over de motivatie van de moeder, maar wel over de mate van zelfinzicht en het vermogen om de feedback van de hulpverleners daadwerkelijk te vertalen naar stabiele gedragsverandering.
4.2.
Tijdens de zitting heeft de GI benadrukt dat zij zich niet kan vinden in een eventuele uitbreiding van de zorgregeling met de moeder. Zij staat nog steeds achter haar (op 12 maart 2026 afgewezen) verzoek om een zorgregeling vast te stellen waarbij sprake is van 2,5 uur begeleide omgang met [minderjarige] per week. De GI heeft de rechtbank verzocht om, als de rechtbank zou besluiten het verzoek van de moeder tot uitbreiding van de zorgregeling in de zaak met zaaknummer C/05/450584 / FZ RK 25-930 toe te wijzen, een andere GI aan te wijzen om de ondertoezichtstelling uit te voeren.
4.3.
De vader deelt de zorgen van de GI en staat achter haar verzoek. Ook de vader heeft zorgen over hoe [minderjarige] zich ontwikkelt als hij bij de moeder is. Hij meent dat er meer moet spelen dan alleen de EoE om dat te kunnen verklaren. Hoewel de vader de moeder het contact met [minderjarige] gunt, gunt hij [minderjarige] ook de groei die hij nu doormaakt. Sinds [minderjarige] meer bij de vader verblijft, is [minderjarige] met sprongen vooruit gegaan. De vader ziet dat, sinds de moeder weer onbegeleid omgang met [minderjarige] heeft, [minderjarige] brutaler wordt.
4.4.
De moeder kan zich niet vinden in de verzoeken van de GI. Zij meent dat er geen noodzaak is om de machtiging tot uithuisplaatsing te verlengen. Zij is erg geschrokken van de verdenking van PCF en begrijpt die ook niet. [minderjarige] is pas in de zomer van 2024 gediagnosticeerd met EoE en dit is pas onder controle sinds er medio 2025 medicatie aan hem is voorgeschreven. Ook de moeder heeft zich veel zorgen gemaakt over [minderjarige] ’s gezondheid. De moeder beseft dat zij vanuit haar eigen eetproblemen keuzes heeft gemaakt die niet altijd in het belang zijn geweest van [minderjarige] , maar zij heeft nooit gehandeld met de opzet om [minderjarige] ziek te maken. De hulpverleners hebben haar geholpen om het onderscheid te kunnen maken tussen haar eigen gevoel over het niet kunnen doorslikken van eten en [minderjarige] ’s worsteling daarmee. De moeder heeft geen vertrouwen meer in de huidige jeugdbeschermer en stelt dat de GI zich niet neutraal opstelt. Zij heeft het besluit om [minderjarige] bij de moeder weg te halen genomen in de periode dat [minderjarige] juist zijn grootste groei doormaakte. Ook de communicatie tussen de moeder en de GI verloopt moeizaam. Er is veelvuldig sprake van miscommunicatie en de moeder heeft het gevoel dat zij niet wordt gehoord. Ook voelt zij zich buitengesloten, zij is weggestuurd bij het intakegesprek van [minderjarige] met GGNet. De GI heeft onvoldoende aandacht voor het loyaliteitsconflict waarin [minderjarige] zit. Ook ziet zij niet dat [minderjarige] door de vader wordt belast met volwassenenproblematiek. Bovendien ontgaat het de GI dat de spanningen tussen de ouders blijven oplopen en dat dit gevolgen heeft voor [minderjarige] . Hoewel de wet dit wel voorschrijft, bevordert de GI niet de gezinsband tussen de moeder en [minderjarige] . Er is de laatste anderhalf jaar niet gewerkt aan herstel van het onderling vertrouwen tussen de ouders, noch aan een constructieve communicatie tussen hen. Dit terwijl onder meer Helderzorg benadrukt dat het in het belang van [minderjarige] is als daar wel aan wordt gewerkt. De moeder meent daarom dat de GI moet worden vervangen door een andere GI, zodat alsnog kan worden gewerkt aan de doelen die de rechtbank bij het opleggen van de ondertoezichtstelling heeft gesteld.
5Het advies van de Raad
5.1.
De Raad adviseert de rechtbank in de zaak met zaaknummer C/05/ 460324 ZJ RK 25-1020 om de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] te bepalen bij de vader. Zij meent dat de vader [minderjarige] de structuur en stabiliteit kan bieden die hij nodig heeft voor zijn gezondheid. Dit betekent ook dat een machtiging uithuisplaatsing niet langer noodzakelijk is om de ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] af te wenden. De Raad ziet een uithuisplaatsing als een maatregel met een behoorlijke impact en wenst in dit geval te voorkomen dat die maatregel moet worden ingezet.
5.2.
De Raad benadrukt dat hoewel uit de stukken blijkt dat niet kan worden uitgesloten dat er sprake is van PCF of Münchausen by proxy (MbP), daaruit ook blijkt dat die verdenking niet kan worden bevestigd. De Raad meent daarom dat de GI haar veronderstelling dat daarvan sprake is los moet laten en moet gaan bekijken hoe de moeder kan worden verstevigd in haar rol als ouder van [minderjarige] .
6De beoordeling
Machtiging uithuisplaatsing
6.1.
De rechtbank zal geen machtiging tot uithuisplaatsing bij de vader verlenen voor een langere periode dan tot 14 juli 2026. Een machtiging tot uithuisplaatsing bij de vader is niet meer aan de orde omdat vandaag bij afzonderlijke beschikking in de zaak met zaakgegevens: C/05/450584 / FZ RK 25-930 is beslist dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de vader wordt bepaald. Die beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dat betekent dat die beslissing gelijk geldt en een eventueel hoger beroep van de moeder de werking van die beslissing niet opschort. De GI heeft daarom niet langer belang bij haar verzoek tot het verlengen van de machtiging tot uithuisplaatsing bij de vader. De rechtbank wijst het verzoek daarom af.
Wijziging GI
6.2.
In artikel 1:259 BW is geregeld dat de rechtbank de gecertificeerde instelling die het toezicht heeft op verzoek van de gecertificeerde instelling die het toezicht heeft, de raad voor de kinderbescherming, een met het gezag belaste ouder of de minderjarige van twaalf jaar of ouder, kan vervangen door een andere gecertificeerde instelling.
6.3.
De moeder verzoekt de rechtbank om, als er geen andere jeugdbeschermer wordt aangewezen, de uitvoerende GI te vervangen door een andere gecertificeerde instelling. Omdat de GI op zitting heeft aangegeven dat de huidige jeugdbeschermer betrokken zal blijven bij dit dossier en niet zal worden gewijzigd, komt de rechtbank toe aan de inhoudelijke beoordeling van dit verzoek.
6.4.
Kort samengevat meent de moeder dat de GI onvoldoende inzet om de gezinsband tussen haar en [minderjarige] te versterken. De moeder heeft geen vertrouwen meer in de huidige jeugdbeschermer en twijfelt aan de neutraliteit van de GI. De GI stelt dat zij zorgen heeft over de moeder en dat zij het daarom in het belang van [minderjarige] ’s gezondheid noodzakelijk vindt dat hij bij de vader verblijft en dat het contact tussen [minderjarige] en de moeder wordt beperkt. De GI heeft toegelicht dat haar handelswijze is ingegeven door de zorgen die zij heeft over de moeder. De rechtbank zal daarom, ter beoordeling van het verzoek van de moeder, hieronder eerst ingaan op de zorgen van de GI.
Zelfreflectie
6.5.
De GI maakt zich allereerst zorgen over de mate van zelfinzicht en het vermogen van de moeder om de feedback van de hulpverleners daadwerkelijk te vertalen naar stabiele gedragsverandering. Zij stelt dat de moeder niet goed kan reflecteren op haar eigen handelen en die vertaling daardoor niet goed kan maken. De rechtbank leidt uit de expliciete ontkenning van de behandelaar van de moeder in haar e-mailbericht van 27 mei 2026 (productie 14 van de moeder) af dat zij meent dat de moeder juist wel kan reflecteren op haar handelen. Ook de rechtbank ziet dat de moeder zich bewust is van haar handelen en de invloed daarvan op [minderjarige] . De moeder onderkent dat haar eigen ervaringen met eten van invloed zijn op hoe zij omgaat met de eetproblemen van [minderjarige] . Zij beseft ook dat zij daardoor niet altijd in het belang van [minderjarige] heeft gehandeld. De moeder benoemt dat de hulpverleners haar hebben geholpen hierin een weg te vinden. En hoewel de rechtbank ziet dat de moeder hier nog kan leren, ziet de rechtbank ook dat de moeder dat wil en kan. Het zou, zeker gezien de twijfel die de GI uit over het vermogen om de hulp te vertalen naar gedrag, goed zijn als de moeder hierin wordt begeleid.
Aansluiting bij behoeften [minderjarige]
6.6.
De rechtbank deelt verder de zorg van de GI dat de moeder onvoldoende kan aansluiten bij de behoeften van [minderjarige] . De GI meent dat de moeder [minderjarige] niet de regelmaat, regels en stabiliteit kan bieden die hij nodig heeft. In de situatie van [minderjarige] is structuur met betrekking tot voeding en consequent aanbieden van eten medisch noodzakelijk. De moeder erkent dat zij hier moeite mee heeft. Zij heeft ADHD en moeite om voor zichzelf een structuur vast te houden. Hierdoor is het voor haar ook moeilijk om dit aan [minderjarige] te bieden. De rechtbank ziet echter ook dat de moeder hulp zoekt om hiermee om te kunnen gaan. Zij staat onder behandeling bij GGNet. Ook heeft zij hulp van Helderzorg geaccepteerd om hiermee te leren omgaan op de momenten dat [minderjarige] bij haar was. Uit de eindevaluatie van Helderzorg van 16 februari 2026 blijkt dat de moeder hierin ook stappen heeft gezet. Zij biedt [minderjarige] meer structuur en benoemt duidelijker wat ze van hem verwacht. Omdat de moeder ook zelf aangeeft dat zij nog stappen kan zetten als het gaat om ritme, regelmaat en begrenzing, meent de rechtbank dat het goed is als de GI samen met de moeder zou nagaan welke aanvullende hulp zij daarvoor nodig heeft.
6.7.
Voor de stelling van de GI dat de moeder emotioneel ook niet kan aansluiten bij de behoeften van [minderjarige] ziet de rechtbank geen onderbouwing. Zij leest in het dossier juist dat Helderzorg ziet dat [minderjarige] ook troost zoekt bij de moeder en dat kan vinden. Dat lijkt hier haaks op te staan, zodat de rechtbank dit passeert.
Failure-to-thrive
6.8.
De grootste zorg van de GI is dat de moeder [minderjarige] bewust ziek zou maken en dat er mogelijk sprake is van PCF door de moeder. De GI is ervan overtuigd dat de ontwikkeling van [minderjarige] volledig stilstaat; zijn gewicht neemt af als hij bij de moeder is en hij is daar vaker ziek. De GI stelt dat zijn groeiachterstand niet volledig kan worden verklaard door de EoE, noch door wat de GI nu weet. Die zorg wordt gevoed door het schoolverzuim in de eerste 14 weken van het schooljaar 2025 – 2026, zo heeft de GI toegelicht; [minderjarige] werd toen door de moeder veel vaker ziekgemeld op school en thuisgehouden dan door de vader. De link met het schoolverzuim vindt de rechtbank onvoldoende onderbouwd. De rechtbank stelt vast dat de moeder [minderjarige] in die periode vier keer heeft thuisgehouden en dat er toen een co-ouderschapsregeling tussen de ouders liep. De rechtbank merkt op dat het ziek thuis houden niet altijd betekent dat het kind ook echt ziek is. Ook zegt dat niets over waar en hoe hij ziek is geworden. Dit geldt zeker in dit geval. Uit het dossier blijkt namelijk dat de moeder [minderjarige] mogelijk te snel thuishield en de vader wellicht niet snel genoeg. Zo staat onbetwist vast dat de vader [minderjarige] in die periode een keer naar school heeft gestuurd met een keelontsteking, waarna de moeder hem meerdere dagen ziek thuis heeft moeten houden.
6.9.
De GI licht toe dat haar zorg ook wordt versterkt door feit dat niet kan worden uitgesloten dat er sprake is van PCF door de moeder. De GI hecht dus geen of maar beperkt waarde aan het feit dat die verdenking, ook na onderzoek, niet is bevestigd. En hoewel dat ertoe leidt dat de GI vergaande beslissingen neemt over het contact tussen [minderjarige] en de moeder, laat de GI na (schriftelijk) te onderbouwen waarom zij meent zo te moeten beslissen. De GI stelt dat zij haar beslissing om [minderjarige] weg te halen bij de moeder baseert op de Meldcode en beroept zich op stukken van de kinderarts en een verslag van de speltherapeut. Hieruit zou blijken dat [minderjarige] pas groei heeft laten zien vanaf het moment dat hij volledig bij de vader verbleef en de moeder hem enkel nog begeleid zag, dus vanaf december 2025. Hoewel de rechtbank expliciet heeft gevraagd om stukken over te leggen waaruit blijkt dat er een causaal verband zou zijn tussen [minderjarige] ’s groei en het feit dat hij volledig bij de vader verblijft, heeft de GI die stukken niet aan de rechtbank verstrekt. In de stukken waarover de rechtbank wel beschikt leest zij niet wat de GI stelt. Het door de GI overgelegde evaluatieverslag van de speltherapeut, waarin staat dat [minderjarige] groei op meerdere vlakken heeft doorgemaakt, ziet namelijk op de periode oktober 2025 tot en met februari 2026. Dat die groei pas is gekomen vanaf het moment dat [minderjarige] niet meer bij de moeder verblijft, zoals de GI stelt, blijkt daaruit niet. De GI heeft op zitting aangegeven dat dit uit een ander verslag blijkt van de speltherapeut, maar dat verslag is niet overgelegd in deze procedure, zodat de rechtbank dat niet kan vaststellen. Ook blijkt het gestelde causale verband niet uit de gewichtsmetingen bij de kinderarts (productie 16 van de moeder). Uit die metingen blijkt juist dat [minderjarige] in de periode van medio september 2025 naar medio december 2025 (dus de periode grotendeels voorafgaand aan het moment waarop de GI begin december 2025 heeft besloten om de moeder alleen nog beperkt begeleide omgang te laten hebben met [minderjarige] ) een kilo aan gewicht is toegenomen, wat meer is dan in de periode daarvoor en ook meer is geweest dan in de periode daarna, toen [minderjarige] vrijwel volledig bij de vader is gaan verblijven. Over medio december 2025 tot medio april 2026 is [minderjarige] namelijk minder dan een kilo aangekomen. De rechtbank ziet ook in de overige stukken en hetgeen is besproken tijdens de zitting geen aanwijzing dat de moeder [minderjarige] (bewust) ziek zou maken zoals de GI vermoedt. Zij leest wel dat Veilig Thuis juist te weinig rode vlaggen ziet voor extra (bloed)onderzoek bij [minderjarige] . Ook anderszins blijkt niet dat de zorg dat er sprake zou zijn van PCF steunt op medische gegevens of duidelijke conclusies van behandelend artsen.
6.10.
De rechtbank merkt op dat het niet heeft geholpen dat de moeder geen openheid heeft willen geven over haar behandeling bij GGNet. De GI heeft de behandelaar van de moeder echter wel gesproken. Zij heeft vragen gesteld over de veiligheid van [minderjarige] in het contact met de moeder. Hoewel het op de weg van de GI had gelegen om haar veronderstelling dat er sprake was van PCF door de moeder in dat gesprek te verifiëren, heeft zij dat niet gedaan. Deze behandelaar had de GI bij uitstek het benodigde inzicht kunnen geven. De GI heeft echter de, voor de rechtbank meest logische vraag (denkt u dat er sprake is van PCF of MbP?), niet gesteld.
6.11.
De rechtbank deelt dus niet de zorg van de GI dat er sprake zou zijn van PCF door de moeder. Ook de rechtbank leest in het dossier dat [minderjarige] aanvankelijk minder in gewicht aankwam bij de moeder dan bij de vader en dat het de vader makkelijker lukt om [minderjarige] te laten eten dan de moeder. De moeder heeft tijdens de zitting bevestigd dat zij het moeilijk vindt om [minderjarige] te dwingen om te eten. Zij heeft vroeger zelf problemen gehad met eten dat heeft invloed gehad op haar wijze van opvoeden. Het handelen of nalaten te handelen vanuit een eigen trauma is echter niet hetzelfde als iemand bewust ziek maken. Ook de Raad gaat in haar rapportage van 17 januari 2025 niet uit van bewust handelen, maar van (pedagogische) onmacht. Curess benoemt expliciet dat zij niet de indruk heeft dat moeder [minderjarige] bewust tekort heeft gedaan. Zij benoemt dat de moeder vanuit haar eigen verleden op een andere manier naar de situatie kijkt. Zij ziet dat de moeder welwillend is in het aanbieden van eten aan [minderjarige] en hem motiveert om te eten, maar wanneer [minderjarige] bepaald gedrag inzet het haar vanuit onmacht niet altijd lukt om hem te laten eten. De rechtbank vindt dit niet onlogisch. Als je zelf weet hoeveel pijn het doet of hoeveel weerstand het geeft om eten door te slikken is het extra moeilijk om je eigen kind te dwingen om te eten. Tijdens de zitting heeft de moeder toegelicht dat zij dit probleem ziet en hieraan werkt. De hulpverlening haar heeft geholpen om het onderscheid te maken tussen haar eigen trauma en het gevoel van [minderjarige] . De moeder is ook bereid hieraan te blijven werken.
Tussenconclusie over de zorgen van de GI
6.12.
Kortom: ook de rechtbank ziet dat er zorgen zijn over het verblijf van [minderjarige] bij de moeder en dat er aandachtspunten zijn waaraan gewerkt moet worden. Zij meent dan ook dat het goed zou zijn dat er (aanvullende) hulpverlening wordt ingezet om die zorgen weg te nemen. Echter, de rechtbank ziet niet de grootste zorg van de GI. De rechtbank is er niet van overtuigd dat de moeder [minderjarige] (bewust) ziek zou maken. Dit maakt ook dat de rechtbank niet de noodzaak ziet om de maatregelen in te zetten die de GI voorstelt. De rechtbank is van oordeel, net als de Raad, dat moet worden ingezet op het verstevigen van de moeder in haar rol. De rechtbank vraagt zich af of de GI daartoe nog voldoende in staat is.
Loyaliteitsconflict en neutraliteit
6.13.
De rechtbank constateert namelijk dat de GI handelt vanuit de stellige overtuiging dat er wel sprake zou (kunnen) zijn van PCF bij de moeder. De GI focust zich daarbij sterk op het gedrag van de moeder. Zo geeft zij geen antwoord op de zeer expliciete vraag van de rechtbank of de groei van [minderjarige] ook kan worden verklaard door het feit dat hij, door de plaatsing bij de vader, tijdelijk is verlost van zijn loyaliteitsconflict. De GI onderkent wel dat [minderjarige] last heeft van een loyaliteitsconflict en benoemt dat [minderjarige] expliciet zijn voorkeur uitspreekt voor de partner van de vader boven zijn beide ouders, maar zij gaat niet op de oorzaak van dat loyaliteitsconflict, noch op de invloed daarvan op [minderjarige] ’s groei of ontwikkeling. De strijd en het gebrek aan communicatie tussen de ouders blijft daardoor onbesproken. In plaats daarvan kijkt de GI naar de uitwerking van het loyaliteitsconflict op het gedrag van [minderjarige] tegenover de moeder. Zij zoekt de oorzaak daarvan bij de moeder zelf. In haar conclusie benoemt de GI bovendien dat er vanaf de meivakantie een terugval wordt gezien in het gedrag van [minderjarige] en dat de juf niet kan inschatten of dat wordt veroorzaakt door de uitbreiding van het contact met de moeder. Ook daar wordt niet de link gelegd met het loyaliteitsconflict, maar wel met de zorgen over het contact tussen [minderjarige] en de moeder. Ook daar blijven de zorgen die er zijn bij de vader, danwel in de samenwerking tussen de vader en de moeder onbesproken. Dit maakt dat de rechtbank het met de moeder eens is dat de GI onvoldoende aandacht heeft voor het loyaliteitsconflict waarin [minderjarige] zit.
6.14.
De moeder zet haar vraagtekens bij de neutraliteit van de GI, en de rechtbank kan zich dat voorstellen. Tijdens de zitting heeft de vader toegelicht hoe hij zijn samenwerking met de GI ziet. De vader benoemt dat hij met al zijn vragen en zorgen terecht kan bij de GI. De GI lijkt door de vader zelfs te worden gezien als een vertrouwenspersoon. De GI zelf ervaart de vader als iemand met wie zij zeer goed kan samenwerken en die voor [minderjarige] een veilige haven biedt waar het heel goed met hem gaat. De moeder op haar beurt voelt zich niet gehoord door de GI. De GI wijst de moeder bij herhaling aan als de persoon bij wie het slecht gaat met [minderjarige] , die te weinig samenwerkt met de jeugdbeschermer en waarbij de GI geen zicht kan krijgen over wat er bij haar speelt.
6.15.
De rechtbank heeft de indruk dat de GI zo bezorgd is dat er sprake is of kan zijn van PCF door de moeder, hoewel de GI ook aangeeft dat dit niet kan worden vastgesteld, dat zij geen oog meer heeft voor een mogelijke andere lezing van de feiten of voor alternatieve verklaringen die erop kunnen duiden dat haar zorg onterecht is. Daardoor ligt haar focus teveel op (alleen) de moeder, en voert de GI de ondertoezichtstelling alleen nog in de schaduw van die verdenking uit, met verstrekkende gevolgen, met name voor de omgang tussen de moeder en [minderjarige] . Hierdoor bestaat het risico dat niet de juiste hulp wordt ingezet en de GI daardoor onvoldoende in staat is om [minderjarige] te beschermen tegen zijn ontwikkelingsbedreiging. De rechtbank ziet een bevestiging hiervan in het feit dat de GI op zitting heeft aangegeven dat als de zorgregeling met de moeder wordt uitgebreid door de rechtbank, zij de ondertoezichtstelling niet meer kan uitvoeren. Naar het oordeel van de rechtbank is het daarom nodig is dat er met een frisse blik wordt gekeken naar wat er nu in het belang is van [minderjarige] . Dit maakt dat de rechtbank bepaalt dat de GI die nu belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, moet worden vervangen door de gecertificeerde instelling Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering.
Uitvoerbaar bij voorraad
6.16.
De (mondelinge) beslissing tot verlening van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader met ingang van 12 juni 2026 tot 14 juli 2026 verklaart de rechtbank uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6.17.
De beslissing tot vervanging van de GI verklaart de rechtbank niet uitvoerbaar bij voorraad. Ingevolgde artikel 807 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering staat tegen die beslissing geen andere voorziening open dan cassatie in het belang der wet. De moeder heeft dus geen belang bij een uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
Proceskosten
6.18.
Dit verzoek van de moeder wijst de rechtbank af. In zaken van familierechtelijke aard is het gebruikelijk om de proceskosten te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
7De beslissing
De rechtbank:
7.1.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de andere ouder met gezag (de vader) met ingang van 12 juni 2026 tot 14 juli 2026;
7.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
7.3.
vervangt de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Gelderland door de gecertificeerde instelling Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering;
7.4.
wijst het meer of anders verzochte af.
De beschikking over de machtiging tot uithuisplaatsing onder 7.1 is mondeling gegeven op 2 juni 2026 door mr. K. van der Lee (voorzitter), mr. G. Hilberink en mr. J.L.F. van den Tooren, kinderrechters, in aanwezigheid van V.A.L. Hilgeman als griffier, en op schrift gesteld op 13 juli 2026.
De beschikking over de overige verzoeken is gegeven door mr. K. van der Lee (voorzitter), mr. G. Hilberink en mr. J.L.F. van den Tooren, kinderrechters, en in het openbaar uitgesproken op 13 juli 2026, in aanwezigheid van V.A.L. Hilgeman als griffier.
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS!
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER!
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS!
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is, voor zover de wet die mogelijkheid biedt, hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Over de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing is op 2 juni 2026 deels mondeling uitspraak gedaan.
Eosinofiele oesofagitis, een chronische ontsteking van de slokdarm.
Ook wel Pediatric Condition Falsification genoemd.
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Zutphen
Zaaknummers: C/05/460324 / ZJ RK 25-1020
C/05/460326 / ZJ RK 25-1021
Datum uitspraak: 13 juli 2026
Beschikking van de meervoudige kamer over een machtiging tot uithuisplaatsing en over de vervanging van de gecertificeerde instelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Gelderland, regio Midden, gevestigd te Arnhem,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige]
, geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:
[vader]
,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. M.S. Clarenbeek uit te Zutphen,
[moeder]
,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. E.P. Niemeijer uit te Zutphen,
1Het verdere verloop van de procedures
1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de (tussen)beschikking van deze rechtbank van 12 maart 2026;
de brief met aanvullende stukken van de GI, ontvangen op 18 mei 2026;
de brief van de moeder met bijlagen, ontvangen op 29 mei 2026.
1.2.
Op 2 juni 2026 heeft de meervoudige kamer van de rechtbank de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
- de vader met zijn advocaat;
- de moeder met haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de Raad;
- een drietal vertegenwoordigers van de GI.
1.3.
De zaken zijn gelijktijdig behandeld met de zaak met zaakgegevens: C/05/450584 / FZ RK 25-930. In die zaak wordt uitspraak gedaan bij afzonderlijke beschikking van vandaag.
2Eerdere beslissingen
2.1.
Bij beschikking van 12 maart 2026 heeft de kinderrechter in deze rechtbank:
de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 11 februari 2027;
een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de andere ouder met gezag (de vader) verleend van 10 februari 2026 tot 12 juni 2026;
de beschikking van deze rechtbank van 7 oktober 2025 gewijzigd en vastgesteld als voorlopige regeling voor de verdeling van zorg- en opvoedingstaken dat [minderjarige] en de moeder op een doordeweekse middag na schooltijd en gedurende een dagdeel in het weekend onbegeleid contact met elkaar hebben;
iedere verdere beslissing over de machtiging tot uithuisplaatsing en de verzoeken van de moeder aangehouden tot de nader te plannen zitting van de meervoudige kamer van de rechtbank in de maand mei 2026 en de GI verzocht om uiterlijk twee weken voor de nieuwe zitting de rechtbank, de Raad, (de advocaat van) de vader en (de advocaat van) de moeder te berichten;
het meer of anders verzochte afgewezen.
2.2.
In afwachting van deze beschikking heeft de rechtbank tijdens de zitting van 2 juni 2026 de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader bij mondelinge uitspraak verlengd voor de duur van zes weken. De beslissing op het restant van de gevraagde machtiging tot uithuisplaatsing is aangehouden tot deze beschikking.
3De (nog) voorliggende verzoeken
3.1.
De rechtbank moet nog beslissen op:
- in de zaak met zaaknummer 460324: het verzoek van de GI om, uitvoerbaar bij voorraad, op grond van artikel 1:265b van het Burgerlijk Wetboek (BW) een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de andere ouder met gezag te verlenen voor de resterende duur van de ondertoezichtstelling;
- in de zaken met zaaknummers 460324 en 460326: het zelfstandige verzoek van de moeder om, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat, als er geen nieuwe jeugdbeschermer wordt aangewezen, op grond van artikel 1:259 BW de GI wordt vervangen door een andere gecertificeerde instelling, kosten rechtens.
4De standpunten
4.1.
Uit de nadere toelichting GI volgt dat zij ervan uitgaat dat er sprake is van een failure to thrive: [minderjarige] wordt vaak ziek en valt af bij de moeder. De GI kan de oorzaak daarvan niet achterhalen, maar zij is ervan overtuigd dat dit niet kan worden verklaard door [minderjarige] ’s slokdarmontsteking (EoE) of de problemen van de moeder met het bieden van structuur en duidelijke regels. Hoewel zij dat nu niet kan vaststellen, kan de GI de mogelijkheid dat er sprake is van kindermishandeling door falsificatie (PCF) door de moeder daarom ook niet uitsluiten. De GI is gebonden aan de meldcode Kindermishandeling en huiselijk geweld (de Meldcode). De Meldcode geeft twee opties om PCF uit te sluiten: [minderjarige] volledig bij de moeder plaatsen of hem daar volledig weghalen om te kijken wat het effect daarvan is op zijn gezondheid. De GI heeft gekozen voor de tweede optie, zij meent dat het voor [minderjarige] ’s gezondheid noodzakelijk is dat [minderjarige] volledig bij de moeder wordt weggehaald. De GI heeft geen volledig beeld van wat er speelt bij de moeder. Ook heeft zij onvoldoende zicht op haar opvoedvaardigheden. De GI ziet wel dat [minderjarige] zich afzet tegen de moeder en meent dat de moeder onvoldoende bij [minderjarige] aansluit. De GI maakt zich ook zorgen over de communicatie tussen de moeder en de hulpverlening. De moeder geeft aan dat zaken niet met haar zijn besproken, terwijl de GI meent dat wel het geval is. De GI vraagt zich daarom af of de moeder wel begrijpt wat de jeugdbeschermer met haar bespreekt. De GI maakt zich geen zorgen over de motivatie van de moeder, maar wel over de mate van zelfinzicht en het vermogen om de feedback van de hulpverleners daadwerkelijk te vertalen naar stabiele gedragsverandering.
4.2.
Tijdens de zitting heeft de GI benadrukt dat zij zich niet kan vinden in een eventuele uitbreiding van de zorgregeling met de moeder. Zij staat nog steeds achter haar (op 12 maart 2026 afgewezen) verzoek om een zorgregeling vast te stellen waarbij sprake is van 2,5 uur begeleide omgang met [minderjarige] per week. De GI heeft de rechtbank verzocht om, als de rechtbank zou besluiten het verzoek van de moeder tot uitbreiding van de zorgregeling in de zaak met zaaknummer C/05/450584 / FZ RK 25-930 toe te wijzen, een andere GI aan te wijzen om de ondertoezichtstelling uit te voeren.
4.3.
De vader deelt de zorgen van de GI en staat achter haar verzoek. Ook de vader heeft zorgen over hoe [minderjarige] zich ontwikkelt als hij bij de moeder is. Hij meent dat er meer moet spelen dan alleen de EoE om dat te kunnen verklaren. Hoewel de vader de moeder het contact met [minderjarige] gunt, gunt hij [minderjarige] ook de groei die hij nu doormaakt. Sinds [minderjarige] meer bij de vader verblijft, is [minderjarige] met sprongen vooruit gegaan. De vader ziet dat, sinds de moeder weer onbegeleid omgang met [minderjarige] heeft, [minderjarige] brutaler wordt.
4.4.
De moeder kan zich niet vinden in de verzoeken van de GI. Zij meent dat er geen noodzaak is om de machtiging tot uithuisplaatsing te verlengen. Zij is erg geschrokken van de verdenking van PCF en begrijpt die ook niet. [minderjarige] is pas in de zomer van 2024 gediagnosticeerd met EoE en dit is pas onder controle sinds er medio 2025 medicatie aan hem is voorgeschreven. Ook de moeder heeft zich veel zorgen gemaakt over [minderjarige] ’s gezondheid. De moeder beseft dat zij vanuit haar eigen eetproblemen keuzes heeft gemaakt die niet altijd in het belang zijn geweest van [minderjarige] , maar zij heeft nooit gehandeld met de opzet om [minderjarige] ziek te maken. De hulpverleners hebben haar geholpen om het onderscheid te kunnen maken tussen haar eigen gevoel over het niet kunnen doorslikken van eten en [minderjarige] ’s worsteling daarmee. De moeder heeft geen vertrouwen meer in de huidige jeugdbeschermer en stelt dat de GI zich niet neutraal opstelt. Zij heeft het besluit om [minderjarige] bij de moeder weg te halen genomen in de periode dat [minderjarige] juist zijn grootste groei doormaakte. Ook de communicatie tussen de moeder en de GI verloopt moeizaam. Er is veelvuldig sprake van miscommunicatie en de moeder heeft het gevoel dat zij niet wordt gehoord. Ook voelt zij zich buitengesloten, zij is weggestuurd bij het intakegesprek van [minderjarige] met GGNet. De GI heeft onvoldoende aandacht voor het loyaliteitsconflict waarin [minderjarige] zit. Ook ziet zij niet dat [minderjarige] door de vader wordt belast met volwassenenproblematiek. Bovendien ontgaat het de GI dat de spanningen tussen de ouders blijven oplopen en dat dit gevolgen heeft voor [minderjarige] . Hoewel de wet dit wel voorschrijft, bevordert de GI niet de gezinsband tussen de moeder en [minderjarige] . Er is de laatste anderhalf jaar niet gewerkt aan herstel van het onderling vertrouwen tussen de ouders, noch aan een constructieve communicatie tussen hen. Dit terwijl onder meer Helderzorg benadrukt dat het in het belang van [minderjarige] is als daar wel aan wordt gewerkt. De moeder meent daarom dat de GI moet worden vervangen door een andere GI, zodat alsnog kan worden gewerkt aan de doelen die de rechtbank bij het opleggen van de ondertoezichtstelling heeft gesteld.
5Het advies van de Raad
5.1.
De Raad adviseert de rechtbank in de zaak met zaaknummer C/05/ 460324 ZJ RK 25-1020 om de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] te bepalen bij de vader. Zij meent dat de vader [minderjarige] de structuur en stabiliteit kan bieden die hij nodig heeft voor zijn gezondheid. Dit betekent ook dat een machtiging uithuisplaatsing niet langer noodzakelijk is om de ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] af te wenden. De Raad ziet een uithuisplaatsing als een maatregel met een behoorlijke impact en wenst in dit geval te voorkomen dat die maatregel moet worden ingezet.
5.2.
De Raad benadrukt dat hoewel uit de stukken blijkt dat niet kan worden uitgesloten dat er sprake is van PCF of Münchausen by proxy (MbP), daaruit ook blijkt dat die verdenking niet kan worden bevestigd. De Raad meent daarom dat de GI haar veronderstelling dat daarvan sprake is los moet laten en moet gaan bekijken hoe de moeder kan worden verstevigd in haar rol als ouder van [minderjarige] .
6De beoordeling
Machtiging uithuisplaatsing
6.1.
De rechtbank zal geen machtiging tot uithuisplaatsing bij de vader verlenen voor een langere periode dan tot 14 juli 2026. Een machtiging tot uithuisplaatsing bij de vader is niet meer aan de orde omdat vandaag bij afzonderlijke beschikking in de zaak met zaakgegevens: C/05/450584 / FZ RK 25-930 is beslist dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de vader wordt bepaald. Die beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dat betekent dat die beslissing gelijk geldt en een eventueel hoger beroep van de moeder de werking van die beslissing niet opschort. De GI heeft daarom niet langer belang bij haar verzoek tot het verlengen van de machtiging tot uithuisplaatsing bij de vader. De rechtbank wijst het verzoek daarom af.
Wijziging GI
6.2.
In artikel 1:259 BW is geregeld dat de rechtbank de gecertificeerde instelling die het toezicht heeft op verzoek van de gecertificeerde instelling die het toezicht heeft, de raad voor de kinderbescherming, een met het gezag belaste ouder of de minderjarige van twaalf jaar of ouder, kan vervangen door een andere gecertificeerde instelling.
6.3.
De moeder verzoekt de rechtbank om, als er geen andere jeugdbeschermer wordt aangewezen, de uitvoerende GI te vervangen door een andere gecertificeerde instelling. Omdat de GI op zitting heeft aangegeven dat de huidige jeugdbeschermer betrokken zal blijven bij dit dossier en niet zal worden gewijzigd, komt de rechtbank toe aan de inhoudelijke beoordeling van dit verzoek.
6.4.
Kort samengevat meent de moeder dat de GI onvoldoende inzet om de gezinsband tussen haar en [minderjarige] te versterken. De moeder heeft geen vertrouwen meer in de huidige jeugdbeschermer en twijfelt aan de neutraliteit van de GI. De GI stelt dat zij zorgen heeft over de moeder en dat zij het daarom in het belang van [minderjarige] ’s gezondheid noodzakelijk vindt dat hij bij de vader verblijft en dat het contact tussen [minderjarige] en de moeder wordt beperkt. De GI heeft toegelicht dat haar handelswijze is ingegeven door de zorgen die zij heeft over de moeder. De rechtbank zal daarom, ter beoordeling van het verzoek van de moeder, hieronder eerst ingaan op de zorgen van de GI.
Zelfreflectie
6.5.
De GI maakt zich allereerst zorgen over de mate van zelfinzicht en het vermogen van de moeder om de feedback van de hulpverleners daadwerkelijk te vertalen naar stabiele gedragsverandering. Zij stelt dat de moeder niet goed kan reflecteren op haar eigen handelen en die vertaling daardoor niet goed kan maken. De rechtbank leidt uit de expliciete ontkenning van de behandelaar van de moeder in haar e-mailbericht van 27 mei 2026 (productie 14 van de moeder) af dat zij meent dat de moeder juist wel kan reflecteren op haar handelen. Ook de rechtbank ziet dat de moeder zich bewust is van haar handelen en de invloed daarvan op [minderjarige] . De moeder onderkent dat haar eigen ervaringen met eten van invloed zijn op hoe zij omgaat met de eetproblemen van [minderjarige] . Zij beseft ook dat zij daardoor niet altijd in het belang van [minderjarige] heeft gehandeld. De moeder benoemt dat de hulpverleners haar hebben geholpen hierin een weg te vinden. En hoewel de rechtbank ziet dat de moeder hier nog kan leren, ziet de rechtbank ook dat de moeder dat wil en kan. Het zou, zeker gezien de twijfel die de GI uit over het vermogen om de hulp te vertalen naar gedrag, goed zijn als de moeder hierin wordt begeleid.
Aansluiting bij behoeften [minderjarige]
6.6.
De rechtbank deelt verder de zorg van de GI dat de moeder onvoldoende kan aansluiten bij de behoeften van [minderjarige] . De GI meent dat de moeder [minderjarige] niet de regelmaat, regels en stabiliteit kan bieden die hij nodig heeft. In de situatie van [minderjarige] is structuur met betrekking tot voeding en consequent aanbieden van eten medisch noodzakelijk. De moeder erkent dat zij hier moeite mee heeft. Zij heeft ADHD en moeite om voor zichzelf een structuur vast te houden. Hierdoor is het voor haar ook moeilijk om dit aan [minderjarige] te bieden. De rechtbank ziet echter ook dat de moeder hulp zoekt om hiermee om te kunnen gaan. Zij staat onder behandeling bij GGNet. Ook heeft zij hulp van Helderzorg geaccepteerd om hiermee te leren omgaan op de momenten dat [minderjarige] bij haar was. Uit de eindevaluatie van Helderzorg van 16 februari 2026 blijkt dat de moeder hierin ook stappen heeft gezet. Zij biedt [minderjarige] meer structuur en benoemt duidelijker wat ze van hem verwacht. Omdat de moeder ook zelf aangeeft dat zij nog stappen kan zetten als het gaat om ritme, regelmaat en begrenzing, meent de rechtbank dat het goed is als de GI samen met de moeder zou nagaan welke aanvullende hulp zij daarvoor nodig heeft.
6.7.
Voor de stelling van de GI dat de moeder emotioneel ook niet kan aansluiten bij de behoeften van [minderjarige] ziet de rechtbank geen onderbouwing. Zij leest in het dossier juist dat Helderzorg ziet dat [minderjarige] ook troost zoekt bij de moeder en dat kan vinden. Dat lijkt hier haaks op te staan, zodat de rechtbank dit passeert.
Failure-to-thrive
6.8.
De grootste zorg van de GI is dat de moeder [minderjarige] bewust ziek zou maken en dat er mogelijk sprake is van PCF door de moeder. De GI is ervan overtuigd dat de ontwikkeling van [minderjarige] volledig stilstaat; zijn gewicht neemt af als hij bij de moeder is en hij is daar vaker ziek. De GI stelt dat zijn groeiachterstand niet volledig kan worden verklaard door de EoE, noch door wat de GI nu weet. Die zorg wordt gevoed door het schoolverzuim in de eerste 14 weken van het schooljaar 2025 – 2026, zo heeft de GI toegelicht; [minderjarige] werd toen door de moeder veel vaker ziekgemeld op school en thuisgehouden dan door de vader. De link met het schoolverzuim vindt de rechtbank onvoldoende onderbouwd. De rechtbank stelt vast dat de moeder [minderjarige] in die periode vier keer heeft thuisgehouden en dat er toen een co-ouderschapsregeling tussen de ouders liep. De rechtbank merkt op dat het ziek thuis houden niet altijd betekent dat het kind ook echt ziek is. Ook zegt dat niets over waar en hoe hij ziek is geworden. Dit geldt zeker in dit geval. Uit het dossier blijkt namelijk dat de moeder [minderjarige] mogelijk te snel thuishield en de vader wellicht niet snel genoeg. Zo staat onbetwist vast dat de vader [minderjarige] in die periode een keer naar school heeft gestuurd met een keelontsteking, waarna de moeder hem meerdere dagen ziek thuis heeft moeten houden.
6.9.
De GI licht toe dat haar zorg ook wordt versterkt door feit dat niet kan worden uitgesloten dat er sprake is van PCF door de moeder. De GI hecht dus geen of maar beperkt waarde aan het feit dat die verdenking, ook na onderzoek, niet is bevestigd. En hoewel dat ertoe leidt dat de GI vergaande beslissingen neemt over het contact tussen [minderjarige] en de moeder, laat de GI na (schriftelijk) te onderbouwen waarom zij meent zo te moeten beslissen. De GI stelt dat zij haar beslissing om [minderjarige] weg te halen bij de moeder baseert op de Meldcode en beroept zich op stukken van de kinderarts en een verslag van de speltherapeut. Hieruit zou blijken dat [minderjarige] pas groei heeft laten zien vanaf het moment dat hij volledig bij de vader verbleef en de moeder hem enkel nog begeleid zag, dus vanaf december 2025. Hoewel de rechtbank expliciet heeft gevraagd om stukken over te leggen waaruit blijkt dat er een causaal verband zou zijn tussen [minderjarige] ’s groei en het feit dat hij volledig bij de vader verblijft, heeft de GI die stukken niet aan de rechtbank verstrekt. In de stukken waarover de rechtbank wel beschikt leest zij niet wat de GI stelt. Het door de GI overgelegde evaluatieverslag van de speltherapeut, waarin staat dat [minderjarige] groei op meerdere vlakken heeft doorgemaakt, ziet namelijk op de periode oktober 2025 tot en met februari 2026. Dat die groei pas is gekomen vanaf het moment dat [minderjarige] niet meer bij de moeder verblijft, zoals de GI stelt, blijkt daaruit niet. De GI heeft op zitting aangegeven dat dit uit een ander verslag blijkt van de speltherapeut, maar dat verslag is niet overgelegd in deze procedure, zodat de rechtbank dat niet kan vaststellen. Ook blijkt het gestelde causale verband niet uit de gewichtsmetingen bij de kinderarts (productie 16 van de moeder). Uit die metingen blijkt juist dat [minderjarige] in de periode van medio september 2025 naar medio december 2025 (dus de periode grotendeels voorafgaand aan het moment waarop de GI begin december 2025 heeft besloten om de moeder alleen nog beperkt begeleide omgang te laten hebben met [minderjarige] ) een kilo aan gewicht is toegenomen, wat meer is dan in de periode daarvoor en ook meer is geweest dan in de periode daarna, toen [minderjarige] vrijwel volledig bij de vader is gaan verblijven. Over medio december 2025 tot medio april 2026 is [minderjarige] namelijk minder dan een kilo aangekomen. De rechtbank ziet ook in de overige stukken en hetgeen is besproken tijdens de zitting geen aanwijzing dat de moeder [minderjarige] (bewust) ziek zou maken zoals de GI vermoedt. Zij leest wel dat Veilig Thuis juist te weinig rode vlaggen ziet voor extra (bloed)onderzoek bij [minderjarige] . Ook anderszins blijkt niet dat de zorg dat er sprake zou zijn van PCF steunt op medische gegevens of duidelijke conclusies van behandelend artsen.
6.10.
De rechtbank merkt op dat het niet heeft geholpen dat de moeder geen openheid heeft willen geven over haar behandeling bij GGNet. De GI heeft de behandelaar van de moeder echter wel gesproken. Zij heeft vragen gesteld over de veiligheid van [minderjarige] in het contact met de moeder. Hoewel het op de weg van de GI had gelegen om haar veronderstelling dat er sprake was van PCF door de moeder in dat gesprek te verifiëren, heeft zij dat niet gedaan. Deze behandelaar had de GI bij uitstek het benodigde inzicht kunnen geven. De GI heeft echter de, voor de rechtbank meest logische vraag (denkt u dat er sprake is van PCF of MbP?), niet gesteld.
6.11.
De rechtbank deelt dus niet de zorg van de GI dat er sprake zou zijn van PCF door de moeder. Ook de rechtbank leest in het dossier dat [minderjarige] aanvankelijk minder in gewicht aankwam bij de moeder dan bij de vader en dat het de vader makkelijker lukt om [minderjarige] te laten eten dan de moeder. De moeder heeft tijdens de zitting bevestigd dat zij het moeilijk vindt om [minderjarige] te dwingen om te eten. Zij heeft vroeger zelf problemen gehad met eten dat heeft invloed gehad op haar wijze van opvoeden. Het handelen of nalaten te handelen vanuit een eigen trauma is echter niet hetzelfde als iemand bewust ziek maken. Ook de Raad gaat in haar rapportage van 17 januari 2025 niet uit van bewust handelen, maar van (pedagogische) onmacht. Curess benoemt expliciet dat zij niet de indruk heeft dat moeder [minderjarige] bewust tekort heeft gedaan. Zij benoemt dat de moeder vanuit haar eigen verleden op een andere manier naar de situatie kijkt. Zij ziet dat de moeder welwillend is in het aanbieden van eten aan [minderjarige] en hem motiveert om te eten, maar wanneer [minderjarige] bepaald gedrag inzet het haar vanuit onmacht niet altijd lukt om hem te laten eten. De rechtbank vindt dit niet onlogisch. Als je zelf weet hoeveel pijn het doet of hoeveel weerstand het geeft om eten door te slikken is het extra moeilijk om je eigen kind te dwingen om te eten. Tijdens de zitting heeft de moeder toegelicht dat zij dit probleem ziet en hieraan werkt. De hulpverlening haar heeft geholpen om het onderscheid te maken tussen haar eigen trauma en het gevoel van [minderjarige] . De moeder is ook bereid hieraan te blijven werken.
Tussenconclusie over de zorgen van de GI
6.12.
Kortom: ook de rechtbank ziet dat er zorgen zijn over het verblijf van [minderjarige] bij de moeder en dat er aandachtspunten zijn waaraan gewerkt moet worden. Zij meent dan ook dat het goed zou zijn dat er (aanvullende) hulpverlening wordt ingezet om die zorgen weg te nemen. Echter, de rechtbank ziet niet de grootste zorg van de GI. De rechtbank is er niet van overtuigd dat de moeder [minderjarige] (bewust) ziek zou maken. Dit maakt ook dat de rechtbank niet de noodzaak ziet om de maatregelen in te zetten die de GI voorstelt. De rechtbank is van oordeel, net als de Raad, dat moet worden ingezet op het verstevigen van de moeder in haar rol. De rechtbank vraagt zich af of de GI daartoe nog voldoende in staat is.
Loyaliteitsconflict en neutraliteit
6.13.
De rechtbank constateert namelijk dat de GI handelt vanuit de stellige overtuiging dat er wel sprake zou (kunnen) zijn van PCF bij de moeder. De GI focust zich daarbij sterk op het gedrag van de moeder. Zo geeft zij geen antwoord op de zeer expliciete vraag van de rechtbank of de groei van [minderjarige] ook kan worden verklaard door het feit dat hij, door de plaatsing bij de vader, tijdelijk is verlost van zijn loyaliteitsconflict. De GI onderkent wel dat [minderjarige] last heeft van een loyaliteitsconflict en benoemt dat [minderjarige] expliciet zijn voorkeur uitspreekt voor de partner van de vader boven zijn beide ouders, maar zij gaat niet op de oorzaak van dat loyaliteitsconflict, noch op de invloed daarvan op [minderjarige] ’s groei of ontwikkeling. De strijd en het gebrek aan communicatie tussen de ouders blijft daardoor onbesproken. In plaats daarvan kijkt de GI naar de uitwerking van het loyaliteitsconflict op het gedrag van [minderjarige] tegenover de moeder. Zij zoekt de oorzaak daarvan bij de moeder zelf. In haar conclusie benoemt de GI bovendien dat er vanaf de meivakantie een terugval wordt gezien in het gedrag van [minderjarige] en dat de juf niet kan inschatten of dat wordt veroorzaakt door de uitbreiding van het contact met de moeder. Ook daar wordt niet de link gelegd met het loyaliteitsconflict, maar wel met de zorgen over het contact tussen [minderjarige] en de moeder. Ook daar blijven de zorgen die er zijn bij de vader, danwel in de samenwerking tussen de vader en de moeder onbesproken. Dit maakt dat de rechtbank het met de moeder eens is dat de GI onvoldoende aandacht heeft voor het loyaliteitsconflict waarin [minderjarige] zit.
6.14.
De moeder zet haar vraagtekens bij de neutraliteit van de GI, en de rechtbank kan zich dat voorstellen. Tijdens de zitting heeft de vader toegelicht hoe hij zijn samenwerking met de GI ziet. De vader benoemt dat hij met al zijn vragen en zorgen terecht kan bij de GI. De GI lijkt door de vader zelfs te worden gezien als een vertrouwenspersoon. De GI zelf ervaart de vader als iemand met wie zij zeer goed kan samenwerken en die voor [minderjarige] een veilige haven biedt waar het heel goed met hem gaat. De moeder op haar beurt voelt zich niet gehoord door de GI. De GI wijst de moeder bij herhaling aan als de persoon bij wie het slecht gaat met [minderjarige] , die te weinig samenwerkt met de jeugdbeschermer en waarbij de GI geen zicht kan krijgen over wat er bij haar speelt.
6.15.
De rechtbank heeft de indruk dat de GI zo bezorgd is dat er sprake is of kan zijn van PCF door de moeder, hoewel de GI ook aangeeft dat dit niet kan worden vastgesteld, dat zij geen oog meer heeft voor een mogelijke andere lezing van de feiten of voor alternatieve verklaringen die erop kunnen duiden dat haar zorg onterecht is. Daardoor ligt haar focus teveel op (alleen) de moeder, en voert de GI de ondertoezichtstelling alleen nog in de schaduw van die verdenking uit, met verstrekkende gevolgen, met name voor de omgang tussen de moeder en [minderjarige] . Hierdoor bestaat het risico dat niet de juiste hulp wordt ingezet en de GI daardoor onvoldoende in staat is om [minderjarige] te beschermen tegen zijn ontwikkelingsbedreiging. De rechtbank ziet een bevestiging hiervan in het feit dat de GI op zitting heeft aangegeven dat als de zorgregeling met de moeder wordt uitgebreid door de rechtbank, zij de ondertoezichtstelling niet meer kan uitvoeren. Naar het oordeel van de rechtbank is het daarom nodig is dat er met een frisse blik wordt gekeken naar wat er nu in het belang is van [minderjarige] . Dit maakt dat de rechtbank bepaalt dat de GI die nu belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, moet worden vervangen door de gecertificeerde instelling Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering.
Uitvoerbaar bij voorraad
6.16.
De (mondelinge) beslissing tot verlening van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader met ingang van 12 juni 2026 tot 14 juli 2026 verklaart de rechtbank uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6.17.
De beslissing tot vervanging van de GI verklaart de rechtbank niet uitvoerbaar bij voorraad. Ingevolgde artikel 807 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering staat tegen die beslissing geen andere voorziening open dan cassatie in het belang der wet. De moeder heeft dus geen belang bij een uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
Proceskosten
6.18.
Dit verzoek van de moeder wijst de rechtbank af. In zaken van familierechtelijke aard is het gebruikelijk om de proceskosten te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
7De beslissing
De rechtbank:
7.1.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de andere ouder met gezag (de vader) met ingang van 12 juni 2026 tot 14 juli 2026;
7.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
7.3.
vervangt de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Gelderland door de gecertificeerde instelling Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering;
7.4.
wijst het meer of anders verzochte af.
De beschikking over de machtiging tot uithuisplaatsing onder 7.1 is mondeling gegeven op 2 juni 2026 door mr. K. van der Lee (voorzitter), mr. G. Hilberink en mr. J.L.F. van den Tooren, kinderrechters, in aanwezigheid van V.A.L. Hilgeman als griffier, en op schrift gesteld op 13 juli 2026.
De beschikking over de overige verzoeken is gegeven door mr. K. van der Lee (voorzitter), mr. G. Hilberink en mr. J.L.F. van den Tooren, kinderrechters, en in het openbaar uitgesproken op 13 juli 2026, in aanwezigheid van V.A.L. Hilgeman als griffier.
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS!
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER!
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS!
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is, voor zover de wet die mogelijkheid biedt, hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Over de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing is op 2 juni 2026 deels mondeling uitspraak gedaan.
Eosinofiele oesofagitis, een chronische ontsteking van de slokdarm.
Ook wel Pediatric Condition Falsification genoemd.