Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Gelderland

ECLI:NL:RBGEL:2026:6755

2026-08-05 Civiel recht; Verbintenissenrecht C/05/447927
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Gelderland
Uitspraakdatum
2026-08-05
Publicatiedatum
2026-08-31
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Zaaknummer
C/05/447927
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Forex trading. Stichting procedeert namens 573 claimanten op grond van procesvolmachten. Stichting vordert van gedaagden sub 1 en 2 betaling van geinvesteerde bedragen op grond van dwaling, ontbinding dan wel wanprestatie. De vordering tegen gedaagde sub 3 is gebaseerd op bestuurdersaansprakelijkheid. Tegen de vennootschappen is verstek verleend. De jegens de vennootschappen ingestelde vorderingen worden toegewezen. De jegens de bestuurder ingestelde vordering wordt afgewezen.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (41.138 tekens)
RECHTBANK Gelderland


Civiel recht



Zittingsplaats Arnhem



Zaaknummer: C/05/447927 / HA ZA 25-76




Vonnis van 5 augustus 2026




in de zaak van




STICHTING HEBBURN,
te Leusden,
eisende partij,
hierna te noemen: Hebburn,
advocaat: mr. B.J. van Schijndel,



tegen





1AIRFEET B.V.,

te Almelo,
niet verschenen,2. XEROF B.V.,
te Almelo,
niet verschenen,3. [gedaagde],
te [woonplaats] ,
advocaat: mr. R. van Viersen (onttrokken op 9 december 2025),
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: Airfeet, Xerof en [gedaagde] .






1De procedure


1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 28 mei 2025
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 11 december 2025, waarin onder meer staat dat de advocaat van [gedaagde] zich voor de mondelinge behandeling heeft onttrokken en dat [gedaagde] niet op de mondelinge behandeling is verschenen.



1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.





2De feiten


2.1.
Stichting Hebburn (hierna: Hebburn) is opgericht op 28 september 2023 en behartigt de belangen van (in deze procedure) in totaal 574 (rechts)personen (hierna: de claimanten) die stellen geld bij [gedaagde] , dan wel haar vennootschappen Airfeet of Xerof in beheer te hebben gegeven om te investeren.


2.2.

[gedaagde] is de bestuurder en enig aandeelhouder van Airfeet. Airfeet en [bedrijf] zijn de bestuurders en aandeelhouders van Xerof. De bestuurder en aandeelhouder van [bedrijf] is de heer [naam] . Daarnaast heeft [gedaagde] een eenmanszaak [eenmanszaak] (hierna: [eenmanszaak] ).


2.3.
De door de claimanten aan Xerof dan wel Airfeet in beheer gegeven en/of geïnvesteerde bedragen zouden worden aangewend voor ‘forex trading’, waarbij kort gezegd werd beoogd op jaarbasis veertig procent rendement te halen uit fluctuaties in voornamelijk de goud- en dollarkoers. De claimanten die hebben geïnvesteerd hebben allen geïnvesteerd bij, althans via het beleggingsplatform Mugan Markets . Zij hebben op dat platform een of meer trade accounts aangemaakt waarna zij het volledige beheer van hun trade accounts aan [gedaagde] hebben toevertrouwd door hun accounts te koppelen aan het beheer- of masteraccount van [gedaagde] waartoe alleen [gedaagde] toegang had. De ‘trades’ die [gedaagde] deed met haar beheer- of masteraccount werden door alle gekoppelde accounts gevolgd. Alle ‘trades’ op de accounts van de claimanten werden aldus feitelijk door [gedaagde] als zogeheten PAMM manager gedaan.



2.4.
Op 22 augustus 2023 is [gedaagde] (samen met twee anderen) door de Fiscale inlichtingen- en opsporingsdienst (hierna: FIOD) gearresteerd op verdenking van oplichting, verduistering, valsheid in geschrifte en het handelen zonder de daartoe benodigde vergunning van de Autoriteit Financiële Markten. Het strafrechtelijk onderzoek richt zich ook tot Xerof en Airfeet. Hierdoor is een einde gekomen aan het traden door [gedaagde] en daarmee ook aan de activiteiten van Xerof en Airfeet.





3De vordering en het verweer


3.1.
Hebburn vordert – na vermindering van eis – dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:



Ten aanzien van Airfeet





Primair:




de beheerovereenkomsten tussen Airfeet en de claimanten zal vernietigen op grond van dwaling;


Airfeet zal veroordelen tot (terug)betaling aan Hebburn van alle door de claimanten uit hoofde van de beheerovereenkomsten geïnvesteerde gelden dan wel de waarde van deze investeringen per 22 augustus 2023, te weten een bedrag van EUR 38.613.018,17;





Subsidiair:




de beheerovereenkomsten tussen Airfeet en de claimanten zal ontbinden;


Airfeet zal veroordelen tot (terug)betaling aan Hebburn van alle door de claimanten uit hoofde van de beheerovereenkomsten geïnvesteerde gelden dan wel de waarde van deze investeringen per 22 augustus 2023, te weten een bedrag van EUR 38.613.018,17;





Meer subsidiair:




een verklaring voor recht zal geven dat Airfeet toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit hoofde van de beheerovereenkomsten tussen Airfeet en de claimanten;


Airfeet zal veroordelen tot betaling van schadevergoeding ter hoogte van EUR 38.613.018,17, althans een bedrag in goede justitie te bepalen;


Airfeet zal veroordelen tot betaling van wettelijke rente over de schadevergoeding vanaf 22 augustus 2023, althans de dag van de dagvaarding tot aan de dag van volledige betaling;





Ten aanzien van Xerof





Primair:




de beheerovereenkomsten tussen Xerof en de claimanten zal vernietigen op grond van dwaling;


Xerof zal veroordelen tot (terug)betaling aan Hebburn van alle door de claimanten uit hoofde van de beheerovereenkomsten geïnvesteerde gelden, dan wel de waarde van deze investeringen per 22 augustus 2023, te weten een bedrag van EUR 773.251,16;





Subsidiair:




de beheerovereenkomsten tussen Xerof en de claimanten zal ontbinden;


Xerof zal veroordelen tot (terug)betaling aan Hebburn van alle door de claimanten uit hoofde van de beheerovereenkomsten geïnvesteerde gelden, dan wel de waarde van deze investeringen per 22 augustus 2023, te weten een bedrag van EUR 773.251,16;





Meer subsidiair:




een verklaring voor recht zal geven dat Xerof toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit hoofde van de beheerovereenkomsten tussen Xerof en de claimanten;


Xerof zal veroordelen tot betaling van schadevergoeding ter hoogte van EUR 773.251,16, althans een bedrag in goede justitie te bepalen;


Xerof zal veroordelen tot betaling van wettelijke rente over de schadevergoeding vanaf 22 augustus 2023, althans de dag van de dagvaarding tot aan de dag van volledige betaling;





Ten aanzien van [gedaagde]





een verklaring voor recht zal geven dat [gedaagde] , in haar hoedanigheid van bestuurder van Airfeet een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt in het kader van de uitoefening van haar bestuurstaken;



[gedaagde] , in het kader van de beheerovereenkomst tussen Airfeet en de claimanten, zal veroordelen tot betaling van schadevergoeding van € 38.613.018,17, althans een bedrag in goede justitie te bepalen;


een verklaring voor recht zal geven dat [gedaagde] , in haar hoedanigheid van bestuurder van Xerof een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt in het kader van de uitoefening van haar bestuurstaken;



[gedaagde] , in het kader van de beheerovereenkomst tussen Xerof en de claimanten, zal veroordelen tot betaling van schadevergoeding van € 773.251,16, althans een bedrag in goede justitie te bepalen;



[gedaagde] zal veroordelen tot betaling van wettelijke rente over de schadevergoeding zoals vermeld onder b) en d), vanaf 22 augustus 2023, althans de dag van de dagvaarding tot aan de dag van volledige betaling;





Ten aanzien van Airfeet, Xerof en [gedaagde]





Airfeet, Xerof en [gedaagde] zal veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten van € 6.775,00;


Airfeet, Xerof en [gedaagde] zal veroordelen tot betaling van de proceskosten en de nakosten.





3.2.
Hebburn stelt dat zij op basis van procesvolmachten de onderhavige procedure namens de claimanten is gestart.



3.3.
Ten aanzien van Airfeet en Xerof legt Hebburn – kort samengevat – aan de vorderingen ten grondslag dat de claimanten beheerovereenkomsten met Airfeet of Xerof hebben gesloten en dat die overeenkomsten primair op grond van dwaling ex artikel 6:228 BW kunnen worden vernietigd dan wel subsidiair op grond van artikel 6:265 BW kunnen worden ontbonden. Meer subsidiair legt Hebburn aan haar vorderingen ten grondslag dat sprake is van wanprestatie ex artikel 6:74 BW op grond waarvan Airfeet en Xerof gehouden zijn de schade van de claimanten te vergoeden.



3.4.
Ten aanzien van [gedaagde] legt Hebburn – kort samengevat – aan de vorderingen ten grondslag dat [gedaagde] als (indirect) bestuurder van Airfeet en Xerof op grond van bestuurdersaansprakelijkheid ex artikel 6:162 BW aansprakelijk is voor de schade van de claimanten.



3.5.

[gedaagde] voert gemotiveerd verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van Hebburn in de proceskosten (waaronder begrepen de nakosten), te vermeerderen met wettelijke rente en een en ander uitvoerbaar bij voorraad.



3.6.
Airfeet en Xerof zijn niet in deze procedure verschenen en hebben geen verweer gevoerd.



3.7.
Op de stellingen van Hebburn en [gedaagde] zal, voor zover relevant, hierna worden ingegaan.





4De beoordeling



De tijdens de mondelinge behandeling genomen vermindering van eis




4.1.
Hebburn heeft tijdens de mondelinge behandeling haar eis jegens Airfeet en [gedaagde] verminderd met het bedrag dat voor claimant [persoon 1] (hierna: [persoon 1] ) werd gevorderd.



4.2.
Uit productie 18 bij dagvaarding volgt dat [persoon 1] twee keer op de lijst staat (als investeerder in/via Airfeet) en dat zijn aandeel in de (oorspronkelijke) vorderingen twee keer € 40.913,52 bedraagt, zijnde de gestelde waarde van zijn investering op 22 augustus 2023. Ook staat op de als productie 18 overlegde lijst dat de initiële investering van [persoon 1] twee keer € 40.000,00 heeft bedragen. De rechtbank zal gelet op de eisvermindering een bedrag van (2 x € 40.913,52 =) € 81.827,04 in mindering laten strekken op de van Airfeet en [gedaagde] gevorderde bedragen en bij de verdere beoordeling uitgaan van de aldus verminderde eis en in totaal 573 claimanten.



De vorderingen jegens Xerof en Airfeet





4.3.
Omdat Xerof en Airfeet, hoewel daartoe naar behoren te zijn opgeroepen, niet in de onderhavige procedure zijn verschenen, is tegen hen verstek verleend. Dat betekent dat de tegen hen gerichte vorderingen moeten worden toegewezen, tenzij die de rechtbank onrechtmatig of ongegrond voorkomen.



4.4.
De primaire vorderingen onder a. jegens Airfeet en Xerof komen de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor. Dit betekent dat de rechtbank de volgens Hebburn gesloten beheerovereenkomsten zal vernietigen.



4.5.
De vernietiging werkt terug tot het tijdstip waarop de rechtshandeling is verricht. Dit leidt er toe dat de door de claimanten initieel geïnvesteerde bedragen zonder rechtsgrond zijn betaald en dus als onverschuldigd betaald kunnen worden teruggevorderd, hetgeen Hebburn namens de claimanten ook heeft gedaan. Uit productie 18 bij dagvaarding volgt dat dit voor Airfeet neerkomt op een bedrag van € 25.935.840,11 en voor Xerof op een bedrag van € 773.251,16. In zoverre komen de primaire vorderingen van Hebburn onder b. de rechtbank niet onrechtmatig en ongegrond voor en zullen die dus worden toegewezen.



4.6.
Volgens Hebburn hebben sommige claimanten ook contante bedragen ingelegd. Tijdens de mondelinge behandeling heeft Hebburn voor een aantal specifieke claimanten genoemd welke bedragen contant zouden zijn ingelegd. Op grond van productie 18 bij dagvaarding stelt de rechtbank vast dat een aantal van deze genoemde bedragen reeds in het oorspronkelijke opgevoerde bedrag van € 26.017.667,15 is begrepen. Alleen voor de door Hebburn genoemde claimanten [persoon 2] en [persoon 3] is dit niet het geval. De rechtbank zal voor hen de via Airfeet contant ingelegde bedragen van respectievelijk € 40.434,62 en € 2.440,97 meenemen in het toe te wijzen bedrag.



4.7.
Voor zover Hebburn heeft gesteld dat de claimanten aanvullend aanspraak kunnen maken op het verschil tussen de initiële inleg en de waarde van de beleggingen per 22 augustus 2023 (hierna: de waardestijging), is de rechtbank van oordeel dat de primaire vordering op Xerof en Airfeet onder b. ongegrond is. De waardestijging is immers niet een betaling van de claimanten aan Xerof of Airfeet geweest en kan derhalve niet na de vernietiging van de overeenkomsten als onverschuldigd betaald worden teruggevorderd. Voor zover de door Hebburn gestelde waardestijging wordt gevorderd als schade als gevolg van (een ontbinding op grond van) een toerekenbare tekortkoming in de nakoming is de vordering eveneens ongegrond. Vernietiging heeft immers terugwerkende kracht, zodat na vernietiging van de overeenkomsten van de gestelde tekortkoming in de nakoming van verbintenissen uit die overeenkomsten – die na vernietiging immers geacht worden nooit te hebben bestaan – geen sprake (meer) kan zijn. Voor zover Hebburn de waardestijging vordert als schadevergoeding op grond van onrechtmatige daad, is de vordering ongegrond omdat de stellingen van Hebburn op dit punt dubbelzinnig zijn. De vordering van Hebburn gericht op vernietiging van de overeenkomsten op grond van dwaling en de daaruit voortvloeiende vordering uit hoofde van onverschuldigde betaling strekken immers ertoe de claimanten in de positie te brengen waarin zij zouden hebben verkeerd als de overeenkomsten met Xerof of Airfeet nooit waren gesloten, in welk geval de claimanten geen geld zouden hebben geïnvesteerd en van de waardestijging dus ook geen sprake kan zijn, terwijl de vordering van Hebburn die strekt tot het uitbetaald krijgen van de waardestijging – of dat nu is in de vorm van schadevergoeding of nakoming – daarentegen gebaseerd is op de veronderstelling dat de claimanten wél via Xerof of Airfeet geld hebben geïnvesteerd en Xerof en Airfeet aan de overeenkomsten uitvoering gegeven hebben. Dat laatste is na de vernietiging van de overeenkomsten op grond van dwaling echter niet (meer) mogelijk, nog daargelaten dat Hebburn ook heeft gesteld dat sprake is van fraude en daarom bij Hebburn twijfel bestaat over of de waardestijging wel daadwerkelijk gerealiseerd is.



De vorderingen jegens [gedaagde]





4.8.
Anders dan Xerof en Airfeet is [gedaagde] wel in de procedure verschenen en heeft zij ook inhoudelijk verweer gevoerd. De door [gedaagde] gevoerde verweren maken dat hierna anders wordt geoordeeld dan de rechtbank heeft gedaan ten aanzien van de niet verschenen partijen Airfeet en Xerof, waarbij de rechtbank de verstektoets (zie 4.3) heeft toegepast.



Hebburn is niet niet-ontvankelijk





4.9.
Het meest verstrekkende verweer van [gedaagde] is dat Hebburn niet ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat zij niet heeft voldaan aan de vereisten van artikel 3:305a BW om een collectieve actie te starten. Dit verweer slaagt niet. Hebburn is de onderhavige procedure gestart op basis van procesvolmachten. Van een collectieve actie als bedoeld in het hiervoor genoemde artikel is dan ook geen sprake.



4.10.
Voor zover [gedaagde] heeft betoogd dat niet is onderbouwd dat Hebburn op basis van procesvolmachten de claimanten vertegenwoordigt en zij om die reden niet ontvankelijk in haar vorderingen dient te worden verklaard dan wel dat de vorderingen om die reden dienen te worden afgewezen, overweegt de rechtbank dat Hebburn geprobeerd heeft om de procesvolmachten bij akte houdende overlegging producties 22 tot en met 44 te overleggen, maar dat deze akte tijdens de mondelinge behandeling is geweigerd wegens strijd met de goede procesorde. Hoewel het weigeren van de akte ertoe heeft geleid dat Hebburn niet heeft kunnen onderbouwen dat zij claimanten vertegenwoordigt op basis van een procesvolmacht, is de rechtbank van oordeel dat het door [gedaagde] op dat punt gevoerde verweer onbesproken kan blijven. De vorderingen van Hebburn zijn namelijk op andere gronden niet toewijsbaar en die gronden zal de rechtbank hierna bespreken.






Juridisch kader





4.11.
Indien een vennootschap tekortschiet in de nakoming van een verbintenis of een onrechtmatige daad pleegt, is het uitgangspunt dat alleen de vennootschap aansprakelijk voor daaruit voortvloeiende schade. Onder bijzondere omstandigheden kan er daarnaast ruimte zijn voor aansprakelijkheid van een bestuurder van de vennootschap. Voor het aannemen van zodanige aansprakelijkheid is vereist dat die bestuurder ter zake van de benadeling persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Voor het aannemen van aansprakelijkheid van een bestuurder naast de vennootschap gelden dus hogere eisen dan in het algemeen het geval is. Deze hoge drempel voor aansprakelijkheid van een bestuurder tegenover een derde wordt gerechtvaardigd door de omstandigheid dat ten opzichte van de wederpartij primair sprake is van handelingen van de vennootschap en door het maatschappelijk belang dat wordt voorkomen dat bestuurders hun handelen in onwenselijke mate door defensieve overwegingen laten bepalen (vgl. HR 20 juni 2008, ECLI:NL:2008:BC4959).



4.12.
Het antwoord op de vraag of de bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt, is afhankelijk van de aard en ernst van de normschending en de overige omstandigheden van het geval. In geval van benadeling van een schuldeiser van een vennootschap door het onbetaald en onverhaalbaar blijven van diens vordering kan volgens vaste rechtspraak (Hoge Raad 8 december 2006, ECLI:NL:2006:AZ0758 (Ontvanger/ Roelofsen)) naast de aansprakelijkheid van de vennootschap mogelijk ook, afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval, grond zijn voor aansprakelijkheid van degene die als bestuurder (i) namens de vennootschap heeft gehandeld dan wel (ii) heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt. In beide gevallen mag in het algemeen alleen dan worden aangenomen dat de bestuurder jegens schuldeisers van de vennootschap onrechtmatig heeft gehandeld waar hem, mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in art. 2:9 BW, een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt.



4.13.
Als maatstaf geldt in de onder (i) bedoelde gevallen of de betrokken bestuurder bij het namens de vennootschap aangaan van verbintenissen wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden (de zogenaamde ‘Beklamel-norm’), en in de onder (ii) bedoelde gevallen of het handelen of nalaten van de betrokken bestuurder ten opzichte van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat hem daarvan een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt.



De stellingen van Hebburn en het verweer van [gedaagde]





4.14.
Hebburn stelt ten aanzien van [gedaagde] dat de claimanten overeenkomsten met Airfeet of Xerof hebben gesloten en dat [gedaagde] als (indirect) bestuurder van die vennootschappen aansprakelijk kan worden gehouden voor de schade die de claimanten lijden omdat de vennootschappen te dien aanzien niet aan hun verplichtingen hebben voldaan. De verwijten die Hebburn [gedaagde] als bestuurder van die vennootschappen maakt zijn in de kern:


dat Airfeet en Xerof beleggingsdiensten hebben aangeboden zonder te beschikken over de wettelijk vereiste vergunning;


dat [gedaagde] de beleggingsgelden ten onrechte voorstelde als zijnde verzekerd;


dat de trade accounts van de claimanten op Mugan Markets na de arrestatie van [gedaagde] volledig onbeheerd zijn gelaten; en


dat [gedaagde] na haar arrestatie op 22 augustus actief getracht heeft verhaal door schuldeisers te frustreren.


Volgens Hebburn wist [gedaagde] dan wel behoorde zij als (indirect) bestuurder van Airfeet en Xerof te weten dat als politie en/of justitie met het strafrechtelijk verwijtbaar handelen (het aanbieden van beleggingsdiensten zonder vergunning) bekend zou raken, de gevolgen en schade voor de claimanten niet te overzien zouden zijn. Hebburn meent dan ook dat [gedaagde] dit risico willens en wetens heeft aanvaard en zij daarmee dermate onzorgvuldig heeft gehandeld dat haar een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt.



4.15.
Hebburn stelt dat tussen de claimanten en Airfeet of Xerof overeenkomsten tot stand zijn gekomen en dat de totstandkoming telkens als volgt verliep:

- De claimanten namen contact met [gedaagde] op, waarna [gedaagde] een informatiemail met basisafspraken aan de claimanten zond.
Als voorbeeld wijst Hebburn op een tweetal door [gedaagde] aan niet gespecificeerde claimanten verzonden informatiemails die als productie 8 bij dagvaarding zijn overgelegd. In één van die mails staat het volgende:


‘Bedankt voor jullie interesse in het traden. (…) Bij traden staat het geld in € op jouw account en met die € ga ik handelen in koersverschillen tussen de dollar en goud. Per traden gebruik ik slechts 1% van iemand account. Het is dus handel in koersverschillen.



Korte samenvatting:
 Mijn performance fee is 10% van de winst
 Geld is altijd vrij opneembaar en zit niet vast
 Als ik uitval zijn er 2 back-up traders die voor mij waarnemen.
 Ik maak een account voor je aan bij de broker, het account staat op jouw naam en valt net als een bankrekening in jouw nalatenschap.
Om een account aan te maken heb ik de volgende gegevens nodig:



 Scan van een geldig legitimatiebewijs voor- en achterkant in een apart bestand
 Bewijs van adres. Dat kan zijn een bankafschrift met de saldi zwart, gas water licht rekening, telefoonrekening, schrijven van de beslatingsdienst of een gemeentelijkschrijven’.




De claimanten gaven daarop hun akkoord.



[gedaagde] meldde de desbetreffende persoon bij Mugan Markets aan.


Mugan Markets maakte een account aan en koppelde dit terug aan [gedaagde] .


Wanneer de claimanten en de documenten werden goedgekeurd door Mugan Markets , bevestigde [gedaagde] dit aan de claimanten.


De claimanten maakten vervolgens geld over aan Airfeet of Xerof en vanuit die vennootschappen werden de investeringen van verschillende claimanten als één batch naar Mugan Markets doorgestort.





4.16.

[gedaagde] heeft aangevoerd dat de overeenkomsten met de personen die met hulp van haar als PAMM-manager aan Forex trading hebben gedaan (zie 2.3) over een aanzienlijke periode en op vele verschillende manieren tot stand zijn gekomen. Sommige claimanten behoorden tot haar eigen netwerk, kenden haar al langere tijd en deden al zaken met haar in de paardenbranche; anderen kenden haar juist helemaal niet en kwamen via via bij haar terecht, of via [bedrijf] die zich ten aanzien van Xerof bezighield met de contacten met claimanten. Sommige claimanten lieten hun boekhouding al doen door [gedaagde] . De claimanten die haar al kenden wisten volgens [gedaagde] (althans hadden redelijkerwijs moeten weten) dat zij niet beschikte over een vergunning voor het aanbieden van beleggingsdiensten, voor zover [gedaagde] die al nodig zou hebben gehad, wat [gedaagde] betwist. Sommige claimanten ontvingen al een groot deel van hun inleg terug en daarnaast rendement en anderen niet. De vorderingen van de claimanten zijn daarom zowel op financieel als op juridisch vlak helemaal niet vergelijkbaar, aldus [gedaagde] . [gedaagde] betwist dat met alle claimanten een overeenkomst is aangegaan. Voor zover wel sprake was van overeenkomsten met claimanten heeft [gedaagde] betwist dat die overeenkomsten telkens dezelfde inhoud hadden en overeenkwamen met de tekst van de door Hebburn als voorbeeld overgelegde twee e-mails. Ook betwist [gedaagde] dat de overeenkomsten telkens op dezelfde wijze tot stand kwamen, dit mede gelet op de verschillen in de relaties die zij met de verschillende claimanten onderhield.



De beoordeling door de rechtbank





4.17.
Het feit dat de claimanten ervoor hebben gekozen hun vorderingen niet in te stellen via een collectieve actie door een belangenorganisatie als bedoeld in artikel 3:305a BW maar door middel van aan Hebburn verleende procesvolmachten heeft consequenties voor de stelplicht en de wijze waarop Hebburn als formele procespartij deze vorderingen dient te onderbouwen. Bundeling van claims van vele individuen via een procesvolmacht is mogelijk, maar die gebundelde claims moeten in dat geval, anders dan in een procedure ex artikel 3:305a BW, worden beschouwd als een even groot aantal individuele vorderingen die in een reguliere civiele procedure worden afgewikkeld en in beginsel zaak voor zaak individueel bekeken en onderbouwd moeten worden. Een claimstichting als Hebburn heeft als zodanig ook geen bijzondere positie in het procesrecht. Dit betekent dat Hebburn in beginsel per claimant aan haar stelplicht dient te voldoen, zowel wat betreft de grondslag van de vorderingen als wat betreft de feitelijke onderbouwing daarvan.



4.18.
De rechtbank stelt vast dat de claimanten volgens de stellingen van Hebburn op uiteenlopende momenten uiteenlopende bedragen hebben geïnvesteerd en dat niet voldoende met feiten is onderbouwd dat de door Hebburn onder 4.15 geschetste gang van zaken voor iedere afzonderlijke claimant (of zelfs maar voor één met name genoemde claimant) geldt. Niet in geschil is immers dat sommige claimanten [gedaagde] al langer kenden, omdat zij reeds via haar eenmanszaak [eenmanszaak] zaken met [gedaagde] deden of [gedaagde] reeds geruime tijd uit de paardenbranche kenden, terwijl andere claimanten [gedaagde] in het geheel niet kenden maar via via over haar hadden gehoord van andere claimanten en zelf het initiatief hebben genomen om met [gedaagde] in contact te treden. Door Hebburn is niet weersproken dat sommige claimanten bij [gedaagde] aan de keukentafel afspraken hebben gemaakt, terwijl met anderen uitsluitend via e-mail werd gecommuniceerd. Ook is niet onderbouwd dat de hiervoor aangehaalde informatiemail (zie eveneens 4.15) naar iedere afzonderlijke claimant (of zelfs maar één bij naam genoemde claimant) is gezonden. Verder constateert de rechtbank dat de door Hebburn aangehaalde informatiemail vanuit het e-mailadres van [eenmanszaak] is gezonden en dat de e-mail in de handtekening het logo van [eenmanszaak] bevat. Uit de toelichting van Hebburn tijdens de mondelinge behandeling blijkt dat dit (dus: dat de e-mail is verzonden door, althans onder de naam van [eenmanszaak] ) volgens haar “het beeld” is, hoewel volgens Hebburn [eenmanszaak] na de totstandkoming van de overeenkomsten geen rol meer speelde. De rol van [gedaagde] handelend onder de naam van haar eenmanszaak [eenmanszaak] voorafgaand aan de totstandkoming van de overeenkomsten is door Hebburn evenmin toegelicht en [gedaagde] is niet in de hoedanigheid van uitbater van haar eenmanszaak, maar uit hoofde van haar aansprakelijkheid als bestuurder van Xerof en Airfeet, in rechte betrokken. Hoe dit alles zich verhoudt tot de stelling van Hebburn dat niet [gedaagde] (al dan niet handelend onder de naam [eenmanszaak] ) maar Airfeet respectievelijk Xerof heeft te gelden als contractspartij van alle claimanten, heeft Hebburn evenmin toegelicht.



4.19.
Hoewel Hebburn enerzijds stelt dat de totstandkoming van de overeenkomsten met en het verlenen van de beleggingsdiensten door Xerof en Airfeet “in grote lijnen” steeds op dezelfde wijze verliep en ter onderbouwing volstaat met het overleggen van slechts twee geanonimiseerde voorbeelden van e-mails die onder de naam van [eenmanszaak] zijn verzonden aan claimanten en een algemene schets van “de werkwijze”, erkent Hebburn anderzijds dat er een grote mate van variatie was in tijdstip en wijze van tot stand komen van de gestelde overeenkomsten, de betrokken partijen, de geïnvesteerde bedragen, de wijze van betalen, of en hoeveel claimanten eerder terug- dan wel uitbetaald kregen en de wijze en mate van contact tussen claimanten en [gedaagde] . Het was, in de eigen woorden van Hebburn, “een heel gevarieerd beeld”.



4.20.
In deze omstandigheden, gelet op het verweer van [gedaagde] en gelet op het hiervoor reeds benadrukte gegeven dat het hier niet gaat om een collectieve verhaalsactie maar om 573 gebundelde individuele zaken, had het op de weg van Hebburn gelegen om per claimant (of indien gelet op de mate van overeenkomst tussen de gevallen mogelijk per voldoende duidelijk afgebakende groep van met name genoemde claimanten) op zijn minst te specificeren/individualiseren (a) wanneer en hoe de overeenkomst tot stand is gekomen, (b) met wie de overeenkomst is gesloten en waaruit dit blijkt en (c) wat de overeenkomst inhield en welke verplichtingen daaruit voortvloeien. Daarbij had zij ook per claimant/afgebakende groep claimanten dienen uiteen te zetten wat de relatie was tussen [gedaagde] en de betreffende claimant(en) voorafgaand aan het aangaan van de overeenkomst en wat zij van elkaar wisten, dit laatste mede in verband met de door [gedaagde] gestelde voorkennis van sommige claimanten omtrent de activiteiten van [gedaagde] . Vervolgens had Hebburn per claimant/afgebakende groep claimanten dienen te stellen en gelet op het verweer van [gedaagde] onderbouwen dat [gedaagde] ofwel handelend als (indirect) bestuurder van Airfeet en/of Xerof een voldoende ernstig verwijt valt te maken ofwel handelend in persoon (HR Spaanse Villa) een onrechtmatige daad heeft gepleegd.



4.21.
Nu Hebburn dat heeft nagelaten kan de rechtbank niet alleen niet voor alle claimanten vaststellen welke (eventuele) verplichtingen Xerof of Airfeet jegens de claimanten was aangegaan, of die zijn nagekomen en in hoeverre [gedaagde] in haar hoedanigheid van (indirect) bestuurder van een eventuele niet-nakoming een persoonlijk ernstig verwijt is te maken of in persoon een onrechtmatige daad heeft gepleegd (HR Spaanse Villa), maar kan zij dat voor niet één van de claimanten.



4.22.
Dit gebrek in de stellingen van Hebburn kan niet worden verholpen door het (alsnog) overleggen van de schriftelijke overeenkomsten/e-mails (voor zover beschikbaar) zoals Hebburn bij akte kort voor de mondelinge behandeling heeft proberen te doen. Het is immers niet aan de rechtbank (en evenmin aan [gedaagde] ) om uit een niet nader toegelichte stapel van (maximaal) 573 (sets van) e-mails/overeenkomsten/correspondentie de inhoud en kenmerken van de individuele overeenkomsten te destilleren, de overeenkomsten en verschillen daartussen te duiden en eventueel relevante categorieën van claimanten te identificeren. Dit betekent dat Hebburn niet heeft voldaan aan haar stelplicht, althans heeft nagelaten haar stellingen van een voldoende feitelijke onderbouwing te voorzien, zodat de rechtbank aan het verlenen van een bewijsopdracht niet toekomt en de vordering reeds hierom moet worden afgewezen.



4.23.
Het door Hebburn tijdens de mondelinge behandeling gedane aanbod om te bewijzen dat [gedaagde] met alle 573 claimanten beheersovereenkomsten heeft gesloten, door die overeenkomsten over te leggen, wordt gepasseerd. De aan de vordering uit hoofde van bestuurdersaansprakelijkheid ten grondslag gelegde stelling van Hebburn is immers juist (nog steeds) dat de overeenkomsten niet zijn gesloten met [gedaagde] maar met Airfeet en Xerof, zodat het aanbod niet relevant is. Bovendien kan een bewijsaanbod niet in de plaats treden van de verplichting van Hebburn om (namens alle claimanten als achterliggende partijen) te voldoen aan haar stelplicht, althans haar stellingen deugdelijk te onderbouwen.



4.24.
De conclusie is dat de vorderingen jegens [gedaagde] worden afgewezen.



Nevenvorderingen





4.25.
De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten komen de rechtbank ten aanzien van Airfeet en Xerof niet ongegrond of onrechtmatig voor en worden toegewezen als hierna te melden.



4.26.
Airfeet en Xerof zijn ten opzichte van Hebburn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van Hebburn betalen. De proceskosten van Hebburn worden begroot op:









- kosten van de dagvaarding


€


152,59







- griffierecht


€


6.861,00







- salaris advocaat


€


4.631,00


(1 punten × € 4.631,00)




- nakosten


€


189,00


(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)




Totaal


€


11.833,59











4.27.
Hebburn is ten opzichte van [gedaagde] in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:









- griffierecht


€


2.723,00







- salaris advocaat


€


4.631,00


(1 punt × € 4.631,00)




- nakosten


€


189,00


(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)




Totaal


€


7.543,00











4.28.
De door [gedaagde] gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.






5De beslissing


De rechtbank




Ten aanzien van Airfeet




5.1.
vernietigt de tussen Airfeet en de claimanten gesloten beheerovereenkomsten op grond van dwaling;



5.2.
veroordeelt Airfeet tot (terug)betaling aan Hebburn van een bedrag van € 25.978.715,70;



Ten aanzien van Xerof





5.3.
vernietigt de tussen Xerof en de claimanten gesloten beheerovereenkomsten op grond van dwaling;



5.4.
veroordeelt Xerof tot (terug)betaling aan Hebburn van een bedrag van € 773.251,16;



Ten aanzien van Airfeet en Xerof





5.5.
veroordeelt Airfeet en Xerof tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten van € 6.775,00;



5.6.
veroordeelt Airfeet en Xerof in de proceskosten van Hebburn van € 11.833,59, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als Hebburn niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;



5.7.
verklaart de veroordelingen onder 5.2., 5.4., 5.5. en 5.6. uitvoerbaar bij voorraad;



5.8.
wijst het meer of anders gevorderde af;



Ten aanzien van [gedaagde]





5.9.
wijst het gevorderde af;



5.10.
veroordeelt Hebburn in de proceskosten van [gedaagde] van € 7.543,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als Hebburn niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,



5.11.
veroordeelt Hebburn tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald, vanaf vijftien dagen na aanschrijving tot aan de dag van volledige betaling,



5.12.
verklaart de veroordelingen onder 5.10. en 5.11. uitvoerbaar bij voorraad.









Dit vonnis is gewezen door mr. S.A. van den Toorn, mr. P.F.A. Bierbooms en
mr. E. Boerwinkel en in het openbaar uitgesproken op 5 augustus 2026.





!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS!





!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER!


























!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS!











Coll: cl




€ 38.694.845,21 minus (2x € 40.913,52 =) € 81.827,04 (zie overwegingen 4.1.-4.2. van dit vonnis).



Het volgens Hebburn initieel ingelegde bedrag van € 26.017.667,15 minus twee keer het door [persoon 1] initieel ingelegde bedrag van € 40.913,52.


Vgl. Hof Den Haag 8 oktober 2019 ECLI:NL:GHDHA:2019:3289, r.o. 44.


Vgl. Rb Amsterdam 15 mei 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:3574, r.o. 3.18.


€ 25.935.840,11 + € 40.434,62 + € 2.440,97 (zie overwegingen 4.5. en 4.6.)