Rechtbank Gelderland
ECLI:NL:RBGEL:2026:6746
2026-06-26
Civiel recht; Arbeidsrecht
12155185
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Ontslag op staande voet is niet rechtsgeldig. Werkgever heeft te snel naar het zwaarste arbeidsrechtelijke middel gegrepen. Werknemer maakte psychose door. Tegenverzoeken tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst worden afgewezen.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (27.223 tekens)
RECHTBANK
GELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer / rekestnummer: 12155185 \ HA VERZ 26-58
Beschikking van 24 juni 2026
in de zaak van
BILANCIO BUDGET B.V. Q.Q. OPTREDEND ALS BEWINDVOERDER NAMENS [verzoeker]
te [plaats]
verzoekende partij
verwerende partij in het tegenverzoek
hierna te noemen: de bewindvoerder als het gaat om de formele procespartij en [verzoeker] als het gaat om de materiële procespartij
gemachtigde: mr. A.O.C.A. van Schravendijk
tegen
BORGESIUS ARNHEM B.V.
te Arnhem
verwerende partij
verzoekende partij in het tegenverzoek
hierna te noemen: Borgesius
gemachtigde: mr. J.G. Mahn
1De procedure
1.1.
De bewindvoerder heeft bij verzoekschrift van 18 maart 2026 een verzoek gedaan om onder meer het aan [verzoeker] gegeven ontslag op staande voet te vernietigen. Borgesius heeft een verweerschrift, gedateerd 22 april 2026, met een (voorwaardelijk) tegenverzoek ingediend. De bewindvoerder heeft bij verweerschrift van 24 april 2026 gereageerd op het tegenverzoek. Vervolgens heeft Borgesius bij brief van 6 mei 2026 producties 19 tot en met 21 ingebracht.
1.2.
Op 13 mei 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Partijen en hun gemachtigden hebben daar hun standpunten toegelicht en vragen beantwoord. De griffier heeft daarvan aantekeningen gemaakt. De bewindvoerder en Borgesius hebben ook spreekaantekeningen overgelegd en voorgedragen.
1.3.
Vervolgens is beschikking bepaald.
2De feiten
2.1.
Bij beschikking van 8 november 2024 is Bilanco Budget B.V. voor de duur van vijf jaar benoemd als beschermingsbewindvoerder over de goederen die (zullen) toebehoren aan [verzoeker] .
2.2.
[verzoeker] , geboren [geboortedag] 1991, is sinds 16 juni 2025 in dienst bij Borgesius in de functie van teamleider 1 met een loon van laatstelijk € 3.844,97 bruto per maand. Daarnaast ontvangt [verzoeker] ook onregelmatigheidstoeslag.
2.3.
Voordien, maar niet aansluitend, was [verzoeker] bij Borgesius al eerder in dienst tot 1 juli 2024.
2.4.
In januari en februari 2026 hebben [verzoeker] en Borgesius gesproken over een (tijdelijke) overstap van [verzoeker] naar de vestiging van Borgesius in Rotterdam. Op 29 januari 2026 zijn hier schriftelijke afspraken over gemaakt. Onderdeel van de afspraak was dat [verzoeker] vanaf 1 februari 2026 (maar feitelijk vanaf maandag 2 februari 2026) in Rotterdam zou werken.
2.5.
Op 2 februari 2026 is [verzoeker] niet verschenen op de vestiging van Borgesius in Rotterdam. Borgesius heeft onder meer telefonisch geprobeerd contact te krijgen met [verzoeker] , maar dat is niet gelukt.
2.6.
Bij brief van 2 februari 2026 heeft Borgesius [verzoeker] te volgende brief per e-mail gestuurd:
Op maandag 2 februari 2026 ben je zonder enige kennisgeving niet op het werk verschenen. Dit betekent dat je ongeoorloofd afwezig bent. We hebben herhaaldelijk geprobeerd contact met je te krijgen via whatsapp en telefoon om je te verzoeken zo spoedig mogelijk contact met ons op te nemen. Tot op heden hebben we echter niets van je vernomen.
Op jouw verzoek hebben wij onlangs meegewerkt aan het mogelijk maken van een tijdelijke overstap van locatie Arnhem naar locatie Rotterdam, jij hebt bijgevoegd akkoord op de tijdelijke overstap vrijdag 30 januari 2026 getekend retour gestuurd, en jij hebt die dag ook bevestigd maandag 2 februari 2026 om 14.30 uur aanwezig te zijn in Rotterdam op de bakkerij.
Wij wijzen je op het feit dat we het nalaten van bovenstaande bevestigde afspraken zien als het negeren van je plichten die voortvloeien uitje arbeidsovereenkomst en ons huishoudelijk reglement. Als werknemer heb je immers een informatieplicht naar je werkgever en dien jij op het werk aanwezig te zijn wanneer je bent ingeroosterd.
Wij verzoeken je uitdrukkelijk om contact met ons op te nemen, uiterlijk dinsdag 3 februari vóór 12.00 uur, met (…), HR Business Partner op het telefoonnummer: (…). Wij verwachten een geldige verklaring voor je afwezigheid.
Aangezien jij vandaag niet aanwezig was op de bakkerij en er derhalve sprake is van
ongeoorloofde afwezig, zullen wij de gemiste uren noteren als onbetaald verlof.
Tevens wijze wij je erop dat indien jij voor bovengenoemde datum en tijdstip geen contact hebt opgenomen en niet op de bakkerij bent verschenen om te komen werken, wij over zullen gaan tot ontslag op staande voet per 3 februari 2026. We hopen echter dat het niet zover hoeft te komen.
2.7.
Op 3 februari 2026 is [verzoeker] op staande voet ontslagen. In de ontslagbrief staat het volgende:
Hierbij bevestigen wij het volgende.
Vanaf maandag 2 februari 2026 tot heden ben je zonder voorafgaande kennisgeving niet op je werk verschenen en daarmee ben je ongeoorloofd afwezig.
Ondanks het schriftelijke verzoek tot contact (zie brief d.d. 2 februari 2026) blijf je op ernstige wijze jouw verplichtingen die voortvloeien uit je arbeidsovereenkomst negeren.
In bovengenoemde brief d.d. 2 februari 2026 hebben we je er nadrukkelijk op gewezen dat indien we wederom niets van je zouden vernemen op 3 februari om 12.00uur, wij overgaan tot ontslag op staande voet.
Wederom hebben wij geen reactie van je ontvangen. Hierbij delen we je dan ook mede dat je vanwege je ongeoorloofde afwezigheid, met onmiddellijke ingang, per 3 februari 2026 op staande voet bent ontslagen.
Artikel 7:678 lid 2 BW rechtvaardigt dit ontslag op staande voet, waarbij rekening is gehouden met alle omstandigheden van het geval. Ten aanzien van het gegeven ontslag op staande voet behouden wij ons nadrukkelijk alle rechten en weren voor.
(…)
Borgesius Arnhem BV beschouwt de hiervoor omschreven dringende reden als ernstig verwijtbaar handelen, zodat geen aanspraak bestaat op de transitievergoeding.
2.8.
[verzoeker] is op 10 februari 2026 door zijn huisarts verwezen naar Pro Persona wegens een psychotische stoornis. In de verwijsbrief staat onder meer:
Reden van verwijzing: waanidee; paranoïde, achtervolgingsangst, telefoon en mail adres weggedaan. Afgelopen week ‘gevlucht’ naar Portugal (random keuze). Aldaar nog steeds aanwezige achtervolgingsangst/waan waarbij (bijna) vlucht naar Indonesië geboekt (onder bewindvoering). Via familie overtuigd om toch terug te komen naar Nederland en om hier verder hulp te zoeken.
2.9.
Bij brief van 3 maart 2026 heeft de gemachtigde van de bewindvoerder gereageerd richting Borgesius het niet eens te zijn met het aan [verzoeker] gegeven ontslag op staande voet.
3Het verzoek, het verweer en het (voorwaardelijk) tegenverzoek
3.1.
De bewindvoerder verzoekt
primair
voor recht te verklaren dat het ontslag op staande voet van 3 februari 2026 te beschouwen is als een onregelmatige opzegging, omdat [verzoeker] Borgesius daar geen dringende reden voor heeft gegeven, geen ontslagvergunning voorhanden was en Borgesius de opzegtermijn niet in acht heeft genomen;
de door Borgesius toegepaste beëindiging als zijnde een onregelmatige opzegging te vernietigen;
Borgesius te veroordelen tot betaling aan de bewindvoerder binnen twee dagen na betekening van deze beschikking:
1. in periode 2026-2 vanaf 3 februari van € 3.278,14 bruto, vermeerderd met de wettelijke verhoging;
2. vanaf 23 februari 2026 (begin periode 2026-3) van € 4.683,05 bruto voor iedere vierwekenperiode sindsdien, die op datum van de beschikking zal zijn verstreken, vermeerderd met de wettelijke verhoging;
3. € 4.683,05 bruto voor iedere vierwekenperiode die nog niet is verstreken op datum van deze beschikking en wel op de eerste dag na ommekomst van de bewuste kalendermaand;
ingeval het ontslag op staande voet in stand blijft, Borgesius te veroordelen tot betaling aan de bewindvoerder binnen twee dagen na betekening van deze beschikking:
1. de transitievergoeding van € 1.293,69 bruto;
2. de vakantietoeslag over de periode van 16 juni 2025 tot en met 2 februari 2026 van € 2.819,77 bruto, vermeerderd met de wettelijke verhoging;
3. een vergoeding voor de van 16 juni 2025 tot en met 2 februari 2026 opgebouwde, maar niet-genoten vakantiedagen van € 708,68 bruto, vermeerderd met de wettelijke verhoging;
subsidiair, voor het geval de bewindvoerder op enig moment in de procedure zijn primaire verzoek zal intrekken, Borgesius te veroordelen tot betaling aan de bewindvoerder binnen twee dagen na betekening van deze beschikking:
een billijke vergoeding;
de gefixeerde schadevergoeding van € 8.598,08 bruto;
de transitievergoeding van € 1.293,69 bruto;
de vakantie toeslag over de periode van 16 juni 2025 tot en met 2 februari 2026 van € 2.819,77 bruto, vermeerderd met de wettelijke verhoging;
een vergoeding voor de van 16 juni 2025 tot en met 2 februari 2026 opgebouwde maar, niet-genoten vakantiedagen van € 708,68 bruto, vermeerderd met de wettelijke verhoging
in beide gevallen
Borgesius te veroordelen:
tot betaling aan de bewindvoerder binnen twee dagen na betekening van deze beschikking, het loon van [verzoeker] in de periode 2026-2 van 26 januari tot en met 2 februari van € 1.404,92 bruto, vermeerderd met de wettelijke verhoging;
tot betaling aan de bewindvoerder van de wettelijke rente van alle hiervoor genoemde (bruto) bedragen;
tot betaling binnen twee dagen na betekening van deze beschikking de kosten van deze procedure.
3.2.
De bewindvoerder legt – kort gezegd – aan zijn verzoeken ten grondslag dat [verzoeker] ten onrechte op staande voet is ontslagen.
3.3.
Borgesius voert verweer en stelt dat het verzoek moet worden afgewezen. Op haar verweer wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
3.4.
Bij voorwaardelijk tegenverzoek verzoekt Borgesius om de arbeidsovereenkomst tegen de eerst mogelijke datum te ontbinden en daarbij te bepalen dat de transitievergoeding € 1.902,30 bedraagt.
3.5.
Borgesius legt aan haar tegenverzoeken de e, h en i-grond ten grondslag.
3.6.
De bewindvoerder voert aan dat het tegenverzoek moet worden afgewezen. Indien het ontbindingsverzoek toch wordt toegewezen, maakt de bewindvoerder aanspraak op de transitievergoeding en een billijke vergoeding.
4De beoordeling van het verzoek en het tegenverzoek
4.1.
Het gaat in deze zaak allereerst om de vraag of het ontslag op staande voet moet worden vernietigd en of Borgesius moet worden veroordeeld tot betaling van loon.
4.2.
Een ontslag op staande voet is alleen geldig als daarvoor een dringende reden is (artikel 7:677 lid 1 BW). De kantonrechter moet bij de beoordeling van de dringende reden alle omstandigheden van het geval in aanmerking nemen. Belangrijk is de aard en ernst van de dringende redenen. Ook kunnen meespelen de duur van de dienstbetrekking en de persoonlijke omstandigheden van de werknemer. Verder kan meewegen wat de gevolgen van een ontslag op staande voet voor de werknemer zijn. Maar ook als zo’n ontslag grote gevolgen heeft voor de werknemer, kan dat ontslag gerechtvaardigd zijn. Verder moet er onverwijld worden opgezegd en moet de dringende redenen onverwijld worden meegedeeld aan de werknemer. Onverwijld betekent dat dit direct of zo snel mogelijk gebeuren.
4.3.
De kantonrechter oordeelt in onderhavig geval dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is. De kantonrechter legt hierna uit hoe tot dit oordeel is gekomen.
Het ontslag op staande voet is niet rechtsgeldig
4.4.
De kantonrechter stelt voorop dat [verzoeker] gedurende zijn dienstverband altijd naar behoren heeft gefunctioneerd. Daarbij acht de kantonrechter van belang dat [verzoeker] eerder bij Borgesius in dienst is geweest en nadien opnieuw door Borgesius is aangenomen. Eveneens staat vast dat [verzoeker] en Borgesius in de periode voorafgaand aan de beoogde overplaatsing met elkaar in overleg waren over die overplaatsing en dat [verzoeker] daaraan zijn medewerking verleende. Het contact onderling was goed.
4.5.
Tegen die achtergrond was het plotseling uitblijven van enig bericht van [verzoeker] op de dag waarop de overplaatsing zou plaatsvinden voor [verzoeker] een atypische gedraging. Juist omdat [verzoeker] tot de dag van de overplaatsing goed contact onderhield over de overplaatsing, had dit voor Borgesius aanleiding moeten zijn om nader onderzoek te verrichten naar de reden van zijn afwezigheid. Dat geldt ook in het geval dat het niet direct mogelijk was om contact te krijgen met [verzoeker] . Onder de gegeven omstandigheden mocht van Borgesius worden verwacht dat zij zich meer zou inspannen om te achterhalen waarom [verzoeker] niet verscheen en niet reageerde.
4.6.
In plaats daarvan heeft Borgesius vrijwel onmiddellijk, in ieder geval nog op dezelfde dag, een brief/e-mail verzonden waarin [verzoeker] werd gesommeerd zich de volgende dag op het werk te melden, bij gebreke waarvan ontslag op staande voet zou volgen. Vervolgens is daadwerkelijk tot ontslag op staande voet overgegaan. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft Borgesius daarmee te snel naar het zwaarste arbeidsrechtelijke middel gegrepen. Een ontslag op staande voet is immers de meest verstrekkende sanctie die een werkgever een werknemer kan opleggen. Borgesius heeft onvoldoende inzichtelijk gemaakt waarom in de gegeven omstandigheden niet kon worden volstaan met een minder vergaande maatregel. Het enkele feit dat [verzoeker] , na een waarschuwing die feitelijk slechts betrekking had op een periode van ongeveer een halve dag, niet op het werk verscheen, levert onder deze omstandigheden onvoldoende grond op voor een ontslag op staande voet. Daarbij neemt de kantonrechter mede in aanmerking dat niet is komen vast te staan dat de brief waarin [verzoeker] werd gesommeerd zich te melden hem daadwerkelijk heeft bereikt.
4.7.
Dat Borgesius op dat moment niet bekend was met de psychische toestand van [verzoeker] , die naar later is gebleken een psychose doormaakt en vanwege wanen naar het buitenland was vertrokken, noch met het feit dat [verzoeker] onder bewind stond, leidt niet tot een ander oordeel. Deze omstandigheden waren Borgesius weliswaar onbekend, maar juist omdat zij niet wist wat de oorzaak was van het plotselinge en voor [verzoeker] ongebruikelijke wegblijven, had van Borgesius een meer zorgvuldige opstelling en nader onderzoek mogen worden verwacht. Door zonder dergelijk onderzoek vrijwel direct tot ontslag op staande voet over te gaan, heeft Borgesius onvoldoende terughoudendheid betracht. De kantonrechter komt daarom tot het oordeel dat van een dringende reden voor ontslag op staande voet geen sprake was en zal het gegeven ontslag op staande voet vernietigen. Het overige wat op dit punt is verzocht is niet voor toewijzing vatbaar.
Het tegenverzoek
4.8.
Borgesius heeft voorwaardelijk verzocht de arbeidsovereenkomst te ontbinden op de e-grond, de h-grond dan wel de i-grond. Op het verzoek van Borgesius om de arbeidsovereenkomst te ontbinden, moet worden beslist. De voorwaarde waaronder Borgesius dat verzoek heeft gedaan, is namelijk vervuld, omdat het ontslag op staande voet wordt vernietigd.
4.9.
Een arbeidsovereenkomst kan alleen worden ontbonden als daar een redelijke grond voor is. In de wet is bepaald wat een redelijke grond is. Ook is voor ontbinding vereist dat herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt.
4.10.
De kantonrechter oordeelt dat er geen redelijke grond is voor ontbinding. Dat wordt als volgt toegelicht.
4.11.
Ten aanzien van de e-grond overweegt de kantonrechter als volgt. Voor ontbinding op grond van verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer dient sprake te zijn van zodanig verwijtbaar gedrag dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Borgesius legt aan het ontbindingsverzoek op de e-grond in essentie dezelfde feiten en omstandigheden ten grondslag als aan het ontslag op staande voet.
4.12.
Zoals hiervoor is overwogen, is vast komen te staan dat [verzoeker] ten tijde van zijn afwezigheid een psychose doormaakte. Juist die psychische toestand lag ten grondslag aan het plotseling verbreken van het contact met Borgesius en zijn vertrek naar het buitenland. Onder deze omstandigheden kan [verzoeker] van zijn handelen en nalaten niet, althans niet in zodanige mate, een verwijt worden gemaakt dat sprake is van een redelijke grond voor ontbinding op de e-grond. Van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten is reeds daarom geen sprake. De e-grond is dan ook niet voldragen.
4.13.
Ook de h-grond kan het ontbindingsverzoek niet dragen. Borgesius heeft aangevoerd dat terugkeer van [verzoeker] tot risico’s op de werkvloer zou kunnen leiden vanwege de psychische klachten van [verzoeker] en de daarmee samenhangende angstgevoelens. De kantonrechter stelt vast dat deze stellingen grotendeels berusten op veronderstellingen en verwachtingen over mogelijke toekomstige situaties. Borgesius heeft haar standpunt niet onderbouwd met bevindingen van een bedrijfsarts, arbodienst of andere medische deskundige. Objectieve medische gegevens waaruit volgt dat [verzoeker] een gevaar vormt voor zichzelf, collega’s of derden ontbreken. Dat Pro Persona in het kader van de behandeling van [verzoeker] betrokken is, maakt dit niet anders. Uit de overgelegde stukken volgt niet dat sprake is van een door deskundigen vastgesteld veiligheidsrisico op de werkvloer. De enkele vrees van [verzoeker] dat zich in de toekomst mogelijk gevaarlijke situaties zouden kunnen voordoen, is zonder nadere onderbouwing onvoldoende om te kunnen concluderen dat sprake is van omstandigheden die zodanig zijn dat van Borgesius in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. De kantonrechter kan niet vaststellen dat sprake is van een zodanig concreet en reëel risico voor de veiligheid op de werkvloer dat voortzetting van de arbeidsovereenkomst in redelijkheid niet van werkgever kan worden gevergd. De stellingen van Borgesius zijn in belangrijke mate gebaseerd op hypothetische scenario’s en vinden onvoldoende steun in objectieve gegevens. De h-grond is daarom evenmin voldragen.
4.14.
Nu noch de e-grond noch de h-grond slaagt, ziet de kantonrechter evenmin aanleiding de arbeidsovereenkomst te ontbinden op de i-grond. De door Borgesius aangevoerde omstandigheden leveren, ook in onderlinge samenhang bezien, geen voldragen combinatie op die de ontbinding van de arbeidsovereenkomst rechtvaardigt. Het voorwaardelijk ontbindingsverzoek zal daarom worden afgewezen.
Loon
4.15.
[verzoeker] heeft recht op loon, omdat het ontslag op staande voet wordt vernietigd, het voorwaardelijk tegenverzoek van Borgesius wordt afgewezen en de arbeidsovereenkomst dus voortduurt. De vordering van de bewindvoerder tot loonbetaling – waarvan de hoogte door Borgesius niet is betwist – zal daarom eveneens worden toegewezen. De gevorderde wettelijke verhoging en de wettelijke rente zullen ook worden toegewezen, omdat Borgesius niet althans te laat heeft betaald.
Overig
4.16.
Omdat het primair verzochte wordt toegewezen, wordt niet toegekomen aan hetgeen de bewindvoerder subsidiair heeft verzocht.
Proceskosten in het verzoek
4.17.
Borgesius is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat de bewindvoerder heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal Borgesius niet worden veroordeeld tot betaling van de explootkosten en betekeningskosten. De proceskosten van de bewindvoerder worden begroot op:
- griffierecht
€
93,00
- salaris gemachtigde
€
865,00
- nakosten
€
144,00
Totaal
€
1.102,00
4.18.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Proceskosten in het tegenverzoek
4.19.
Borgesius is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van de bewindvoerder worden begroot op:
- salaris gemachtigde
€
432,50
(factor 0,5 × 865,00)
Totaal
€
432,50
5De beslissing
De kantonrechter
op het verzoek
5.1.
vernietigt het ontslag op staande voet;
5.2.
veroordeelt Borgesius tot betaling aan de bewindvoerder binnen twee dagen na
betekening van deze beschikking:
het loon van [verzoeker] in de periode 2026-2 van 26 januari tot en met 2 februari van € 1.404,92 bruto, vermeerderd met de wettelijke verhoging;
in periode 2026-2 vanaf 3 februari een bedrag van € 3.278,14 bruto, vermeerderd met de wettelijke verhoging daarover;
vanaf 23 februari 2026 (begin van periode 2026-3) een bedrag van € 4.683,05 bruto voor iedere vierwekenperiode sindsdien, die op datum van de beschikking zal zijn verstreken, vermeerderd met de wettelijke verhoging daarover;
een bedrag van € 4.683,05 bruto voor iedere vierwekenperiode die nog niet is verstreken op datum van de beschikking, en wel op de eerste dag na ommekomst van de bewuste kalendermaand;
5.3.
veroordeelt Borgesius tot betaling van de wettelijke rente over de hiervoor genoemde bedragen vanaf het moment van opeisbaarheid tot aan de dag van volledige betaling;
5.4.
veroordeelt Borgesius in de proceskosten van € 1.102,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe;
5.5.
veroordeelt Borgesius tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
5.6.
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
5.7.
wijst het meer of anders verzochte af;
op het tegenverzoek
5.8.
wijst het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst af;
5.9.
veroordeelt Borgesius in de proceskosten van € 432,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.J.M. van Breevoort en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2026.
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS!
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER!
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS!
Artikel 7:669 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).
Artikel 7:669 lid 1 BW.
Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.
GELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer / rekestnummer: 12155185 \ HA VERZ 26-58
Beschikking van 24 juni 2026
in de zaak van
BILANCIO BUDGET B.V. Q.Q. OPTREDEND ALS BEWINDVOERDER NAMENS [verzoeker]
te [plaats]
verzoekende partij
verwerende partij in het tegenverzoek
hierna te noemen: de bewindvoerder als het gaat om de formele procespartij en [verzoeker] als het gaat om de materiële procespartij
gemachtigde: mr. A.O.C.A. van Schravendijk
tegen
BORGESIUS ARNHEM B.V.
te Arnhem
verwerende partij
verzoekende partij in het tegenverzoek
hierna te noemen: Borgesius
gemachtigde: mr. J.G. Mahn
1De procedure
1.1.
De bewindvoerder heeft bij verzoekschrift van 18 maart 2026 een verzoek gedaan om onder meer het aan [verzoeker] gegeven ontslag op staande voet te vernietigen. Borgesius heeft een verweerschrift, gedateerd 22 april 2026, met een (voorwaardelijk) tegenverzoek ingediend. De bewindvoerder heeft bij verweerschrift van 24 april 2026 gereageerd op het tegenverzoek. Vervolgens heeft Borgesius bij brief van 6 mei 2026 producties 19 tot en met 21 ingebracht.
1.2.
Op 13 mei 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Partijen en hun gemachtigden hebben daar hun standpunten toegelicht en vragen beantwoord. De griffier heeft daarvan aantekeningen gemaakt. De bewindvoerder en Borgesius hebben ook spreekaantekeningen overgelegd en voorgedragen.
1.3.
Vervolgens is beschikking bepaald.
2De feiten
2.1.
Bij beschikking van 8 november 2024 is Bilanco Budget B.V. voor de duur van vijf jaar benoemd als beschermingsbewindvoerder over de goederen die (zullen) toebehoren aan [verzoeker] .
2.2.
[verzoeker] , geboren [geboortedag] 1991, is sinds 16 juni 2025 in dienst bij Borgesius in de functie van teamleider 1 met een loon van laatstelijk € 3.844,97 bruto per maand. Daarnaast ontvangt [verzoeker] ook onregelmatigheidstoeslag.
2.3.
Voordien, maar niet aansluitend, was [verzoeker] bij Borgesius al eerder in dienst tot 1 juli 2024.
2.4.
In januari en februari 2026 hebben [verzoeker] en Borgesius gesproken over een (tijdelijke) overstap van [verzoeker] naar de vestiging van Borgesius in Rotterdam. Op 29 januari 2026 zijn hier schriftelijke afspraken over gemaakt. Onderdeel van de afspraak was dat [verzoeker] vanaf 1 februari 2026 (maar feitelijk vanaf maandag 2 februari 2026) in Rotterdam zou werken.
2.5.
Op 2 februari 2026 is [verzoeker] niet verschenen op de vestiging van Borgesius in Rotterdam. Borgesius heeft onder meer telefonisch geprobeerd contact te krijgen met [verzoeker] , maar dat is niet gelukt.
2.6.
Bij brief van 2 februari 2026 heeft Borgesius [verzoeker] te volgende brief per e-mail gestuurd:
Op maandag 2 februari 2026 ben je zonder enige kennisgeving niet op het werk verschenen. Dit betekent dat je ongeoorloofd afwezig bent. We hebben herhaaldelijk geprobeerd contact met je te krijgen via whatsapp en telefoon om je te verzoeken zo spoedig mogelijk contact met ons op te nemen. Tot op heden hebben we echter niets van je vernomen.
Op jouw verzoek hebben wij onlangs meegewerkt aan het mogelijk maken van een tijdelijke overstap van locatie Arnhem naar locatie Rotterdam, jij hebt bijgevoegd akkoord op de tijdelijke overstap vrijdag 30 januari 2026 getekend retour gestuurd, en jij hebt die dag ook bevestigd maandag 2 februari 2026 om 14.30 uur aanwezig te zijn in Rotterdam op de bakkerij.
Wij wijzen je op het feit dat we het nalaten van bovenstaande bevestigde afspraken zien als het negeren van je plichten die voortvloeien uitje arbeidsovereenkomst en ons huishoudelijk reglement. Als werknemer heb je immers een informatieplicht naar je werkgever en dien jij op het werk aanwezig te zijn wanneer je bent ingeroosterd.
Wij verzoeken je uitdrukkelijk om contact met ons op te nemen, uiterlijk dinsdag 3 februari vóór 12.00 uur, met (…), HR Business Partner op het telefoonnummer: (…). Wij verwachten een geldige verklaring voor je afwezigheid.
Aangezien jij vandaag niet aanwezig was op de bakkerij en er derhalve sprake is van
ongeoorloofde afwezig, zullen wij de gemiste uren noteren als onbetaald verlof.
Tevens wijze wij je erop dat indien jij voor bovengenoemde datum en tijdstip geen contact hebt opgenomen en niet op de bakkerij bent verschenen om te komen werken, wij over zullen gaan tot ontslag op staande voet per 3 februari 2026. We hopen echter dat het niet zover hoeft te komen.
2.7.
Op 3 februari 2026 is [verzoeker] op staande voet ontslagen. In de ontslagbrief staat het volgende:
Hierbij bevestigen wij het volgende.
Vanaf maandag 2 februari 2026 tot heden ben je zonder voorafgaande kennisgeving niet op je werk verschenen en daarmee ben je ongeoorloofd afwezig.
Ondanks het schriftelijke verzoek tot contact (zie brief d.d. 2 februari 2026) blijf je op ernstige wijze jouw verplichtingen die voortvloeien uit je arbeidsovereenkomst negeren.
In bovengenoemde brief d.d. 2 februari 2026 hebben we je er nadrukkelijk op gewezen dat indien we wederom niets van je zouden vernemen op 3 februari om 12.00uur, wij overgaan tot ontslag op staande voet.
Wederom hebben wij geen reactie van je ontvangen. Hierbij delen we je dan ook mede dat je vanwege je ongeoorloofde afwezigheid, met onmiddellijke ingang, per 3 februari 2026 op staande voet bent ontslagen.
Artikel 7:678 lid 2 BW rechtvaardigt dit ontslag op staande voet, waarbij rekening is gehouden met alle omstandigheden van het geval. Ten aanzien van het gegeven ontslag op staande voet behouden wij ons nadrukkelijk alle rechten en weren voor.
(…)
Borgesius Arnhem BV beschouwt de hiervoor omschreven dringende reden als ernstig verwijtbaar handelen, zodat geen aanspraak bestaat op de transitievergoeding.
2.8.
[verzoeker] is op 10 februari 2026 door zijn huisarts verwezen naar Pro Persona wegens een psychotische stoornis. In de verwijsbrief staat onder meer:
Reden van verwijzing: waanidee; paranoïde, achtervolgingsangst, telefoon en mail adres weggedaan. Afgelopen week ‘gevlucht’ naar Portugal (random keuze). Aldaar nog steeds aanwezige achtervolgingsangst/waan waarbij (bijna) vlucht naar Indonesië geboekt (onder bewindvoering). Via familie overtuigd om toch terug te komen naar Nederland en om hier verder hulp te zoeken.
2.9.
Bij brief van 3 maart 2026 heeft de gemachtigde van de bewindvoerder gereageerd richting Borgesius het niet eens te zijn met het aan [verzoeker] gegeven ontslag op staande voet.
3Het verzoek, het verweer en het (voorwaardelijk) tegenverzoek
3.1.
De bewindvoerder verzoekt
primair
voor recht te verklaren dat het ontslag op staande voet van 3 februari 2026 te beschouwen is als een onregelmatige opzegging, omdat [verzoeker] Borgesius daar geen dringende reden voor heeft gegeven, geen ontslagvergunning voorhanden was en Borgesius de opzegtermijn niet in acht heeft genomen;
de door Borgesius toegepaste beëindiging als zijnde een onregelmatige opzegging te vernietigen;
Borgesius te veroordelen tot betaling aan de bewindvoerder binnen twee dagen na betekening van deze beschikking:
1. in periode 2026-2 vanaf 3 februari van € 3.278,14 bruto, vermeerderd met de wettelijke verhoging;
2. vanaf 23 februari 2026 (begin periode 2026-3) van € 4.683,05 bruto voor iedere vierwekenperiode sindsdien, die op datum van de beschikking zal zijn verstreken, vermeerderd met de wettelijke verhoging;
3. € 4.683,05 bruto voor iedere vierwekenperiode die nog niet is verstreken op datum van deze beschikking en wel op de eerste dag na ommekomst van de bewuste kalendermaand;
ingeval het ontslag op staande voet in stand blijft, Borgesius te veroordelen tot betaling aan de bewindvoerder binnen twee dagen na betekening van deze beschikking:
1. de transitievergoeding van € 1.293,69 bruto;
2. de vakantietoeslag over de periode van 16 juni 2025 tot en met 2 februari 2026 van € 2.819,77 bruto, vermeerderd met de wettelijke verhoging;
3. een vergoeding voor de van 16 juni 2025 tot en met 2 februari 2026 opgebouwde, maar niet-genoten vakantiedagen van € 708,68 bruto, vermeerderd met de wettelijke verhoging;
subsidiair, voor het geval de bewindvoerder op enig moment in de procedure zijn primaire verzoek zal intrekken, Borgesius te veroordelen tot betaling aan de bewindvoerder binnen twee dagen na betekening van deze beschikking:
een billijke vergoeding;
de gefixeerde schadevergoeding van € 8.598,08 bruto;
de transitievergoeding van € 1.293,69 bruto;
de vakantie toeslag over de periode van 16 juni 2025 tot en met 2 februari 2026 van € 2.819,77 bruto, vermeerderd met de wettelijke verhoging;
een vergoeding voor de van 16 juni 2025 tot en met 2 februari 2026 opgebouwde maar, niet-genoten vakantiedagen van € 708,68 bruto, vermeerderd met de wettelijke verhoging
in beide gevallen
Borgesius te veroordelen:
tot betaling aan de bewindvoerder binnen twee dagen na betekening van deze beschikking, het loon van [verzoeker] in de periode 2026-2 van 26 januari tot en met 2 februari van € 1.404,92 bruto, vermeerderd met de wettelijke verhoging;
tot betaling aan de bewindvoerder van de wettelijke rente van alle hiervoor genoemde (bruto) bedragen;
tot betaling binnen twee dagen na betekening van deze beschikking de kosten van deze procedure.
3.2.
De bewindvoerder legt – kort gezegd – aan zijn verzoeken ten grondslag dat [verzoeker] ten onrechte op staande voet is ontslagen.
3.3.
Borgesius voert verweer en stelt dat het verzoek moet worden afgewezen. Op haar verweer wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
3.4.
Bij voorwaardelijk tegenverzoek verzoekt Borgesius om de arbeidsovereenkomst tegen de eerst mogelijke datum te ontbinden en daarbij te bepalen dat de transitievergoeding € 1.902,30 bedraagt.
3.5.
Borgesius legt aan haar tegenverzoeken de e, h en i-grond ten grondslag.
3.6.
De bewindvoerder voert aan dat het tegenverzoek moet worden afgewezen. Indien het ontbindingsverzoek toch wordt toegewezen, maakt de bewindvoerder aanspraak op de transitievergoeding en een billijke vergoeding.
4De beoordeling van het verzoek en het tegenverzoek
4.1.
Het gaat in deze zaak allereerst om de vraag of het ontslag op staande voet moet worden vernietigd en of Borgesius moet worden veroordeeld tot betaling van loon.
4.2.
Een ontslag op staande voet is alleen geldig als daarvoor een dringende reden is (artikel 7:677 lid 1 BW). De kantonrechter moet bij de beoordeling van de dringende reden alle omstandigheden van het geval in aanmerking nemen. Belangrijk is de aard en ernst van de dringende redenen. Ook kunnen meespelen de duur van de dienstbetrekking en de persoonlijke omstandigheden van de werknemer. Verder kan meewegen wat de gevolgen van een ontslag op staande voet voor de werknemer zijn. Maar ook als zo’n ontslag grote gevolgen heeft voor de werknemer, kan dat ontslag gerechtvaardigd zijn. Verder moet er onverwijld worden opgezegd en moet de dringende redenen onverwijld worden meegedeeld aan de werknemer. Onverwijld betekent dat dit direct of zo snel mogelijk gebeuren.
4.3.
De kantonrechter oordeelt in onderhavig geval dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is. De kantonrechter legt hierna uit hoe tot dit oordeel is gekomen.
Het ontslag op staande voet is niet rechtsgeldig
4.4.
De kantonrechter stelt voorop dat [verzoeker] gedurende zijn dienstverband altijd naar behoren heeft gefunctioneerd. Daarbij acht de kantonrechter van belang dat [verzoeker] eerder bij Borgesius in dienst is geweest en nadien opnieuw door Borgesius is aangenomen. Eveneens staat vast dat [verzoeker] en Borgesius in de periode voorafgaand aan de beoogde overplaatsing met elkaar in overleg waren over die overplaatsing en dat [verzoeker] daaraan zijn medewerking verleende. Het contact onderling was goed.
4.5.
Tegen die achtergrond was het plotseling uitblijven van enig bericht van [verzoeker] op de dag waarop de overplaatsing zou plaatsvinden voor [verzoeker] een atypische gedraging. Juist omdat [verzoeker] tot de dag van de overplaatsing goed contact onderhield over de overplaatsing, had dit voor Borgesius aanleiding moeten zijn om nader onderzoek te verrichten naar de reden van zijn afwezigheid. Dat geldt ook in het geval dat het niet direct mogelijk was om contact te krijgen met [verzoeker] . Onder de gegeven omstandigheden mocht van Borgesius worden verwacht dat zij zich meer zou inspannen om te achterhalen waarom [verzoeker] niet verscheen en niet reageerde.
4.6.
In plaats daarvan heeft Borgesius vrijwel onmiddellijk, in ieder geval nog op dezelfde dag, een brief/e-mail verzonden waarin [verzoeker] werd gesommeerd zich de volgende dag op het werk te melden, bij gebreke waarvan ontslag op staande voet zou volgen. Vervolgens is daadwerkelijk tot ontslag op staande voet overgegaan. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft Borgesius daarmee te snel naar het zwaarste arbeidsrechtelijke middel gegrepen. Een ontslag op staande voet is immers de meest verstrekkende sanctie die een werkgever een werknemer kan opleggen. Borgesius heeft onvoldoende inzichtelijk gemaakt waarom in de gegeven omstandigheden niet kon worden volstaan met een minder vergaande maatregel. Het enkele feit dat [verzoeker] , na een waarschuwing die feitelijk slechts betrekking had op een periode van ongeveer een halve dag, niet op het werk verscheen, levert onder deze omstandigheden onvoldoende grond op voor een ontslag op staande voet. Daarbij neemt de kantonrechter mede in aanmerking dat niet is komen vast te staan dat de brief waarin [verzoeker] werd gesommeerd zich te melden hem daadwerkelijk heeft bereikt.
4.7.
Dat Borgesius op dat moment niet bekend was met de psychische toestand van [verzoeker] , die naar later is gebleken een psychose doormaakt en vanwege wanen naar het buitenland was vertrokken, noch met het feit dat [verzoeker] onder bewind stond, leidt niet tot een ander oordeel. Deze omstandigheden waren Borgesius weliswaar onbekend, maar juist omdat zij niet wist wat de oorzaak was van het plotselinge en voor [verzoeker] ongebruikelijke wegblijven, had van Borgesius een meer zorgvuldige opstelling en nader onderzoek mogen worden verwacht. Door zonder dergelijk onderzoek vrijwel direct tot ontslag op staande voet over te gaan, heeft Borgesius onvoldoende terughoudendheid betracht. De kantonrechter komt daarom tot het oordeel dat van een dringende reden voor ontslag op staande voet geen sprake was en zal het gegeven ontslag op staande voet vernietigen. Het overige wat op dit punt is verzocht is niet voor toewijzing vatbaar.
Het tegenverzoek
4.8.
Borgesius heeft voorwaardelijk verzocht de arbeidsovereenkomst te ontbinden op de e-grond, de h-grond dan wel de i-grond. Op het verzoek van Borgesius om de arbeidsovereenkomst te ontbinden, moet worden beslist. De voorwaarde waaronder Borgesius dat verzoek heeft gedaan, is namelijk vervuld, omdat het ontslag op staande voet wordt vernietigd.
4.9.
Een arbeidsovereenkomst kan alleen worden ontbonden als daar een redelijke grond voor is. In de wet is bepaald wat een redelijke grond is. Ook is voor ontbinding vereist dat herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt.
4.10.
De kantonrechter oordeelt dat er geen redelijke grond is voor ontbinding. Dat wordt als volgt toegelicht.
4.11.
Ten aanzien van de e-grond overweegt de kantonrechter als volgt. Voor ontbinding op grond van verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer dient sprake te zijn van zodanig verwijtbaar gedrag dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Borgesius legt aan het ontbindingsverzoek op de e-grond in essentie dezelfde feiten en omstandigheden ten grondslag als aan het ontslag op staande voet.
4.12.
Zoals hiervoor is overwogen, is vast komen te staan dat [verzoeker] ten tijde van zijn afwezigheid een psychose doormaakte. Juist die psychische toestand lag ten grondslag aan het plotseling verbreken van het contact met Borgesius en zijn vertrek naar het buitenland. Onder deze omstandigheden kan [verzoeker] van zijn handelen en nalaten niet, althans niet in zodanige mate, een verwijt worden gemaakt dat sprake is van een redelijke grond voor ontbinding op de e-grond. Van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten is reeds daarom geen sprake. De e-grond is dan ook niet voldragen.
4.13.
Ook de h-grond kan het ontbindingsverzoek niet dragen. Borgesius heeft aangevoerd dat terugkeer van [verzoeker] tot risico’s op de werkvloer zou kunnen leiden vanwege de psychische klachten van [verzoeker] en de daarmee samenhangende angstgevoelens. De kantonrechter stelt vast dat deze stellingen grotendeels berusten op veronderstellingen en verwachtingen over mogelijke toekomstige situaties. Borgesius heeft haar standpunt niet onderbouwd met bevindingen van een bedrijfsarts, arbodienst of andere medische deskundige. Objectieve medische gegevens waaruit volgt dat [verzoeker] een gevaar vormt voor zichzelf, collega’s of derden ontbreken. Dat Pro Persona in het kader van de behandeling van [verzoeker] betrokken is, maakt dit niet anders. Uit de overgelegde stukken volgt niet dat sprake is van een door deskundigen vastgesteld veiligheidsrisico op de werkvloer. De enkele vrees van [verzoeker] dat zich in de toekomst mogelijk gevaarlijke situaties zouden kunnen voordoen, is zonder nadere onderbouwing onvoldoende om te kunnen concluderen dat sprake is van omstandigheden die zodanig zijn dat van Borgesius in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. De kantonrechter kan niet vaststellen dat sprake is van een zodanig concreet en reëel risico voor de veiligheid op de werkvloer dat voortzetting van de arbeidsovereenkomst in redelijkheid niet van werkgever kan worden gevergd. De stellingen van Borgesius zijn in belangrijke mate gebaseerd op hypothetische scenario’s en vinden onvoldoende steun in objectieve gegevens. De h-grond is daarom evenmin voldragen.
4.14.
Nu noch de e-grond noch de h-grond slaagt, ziet de kantonrechter evenmin aanleiding de arbeidsovereenkomst te ontbinden op de i-grond. De door Borgesius aangevoerde omstandigheden leveren, ook in onderlinge samenhang bezien, geen voldragen combinatie op die de ontbinding van de arbeidsovereenkomst rechtvaardigt. Het voorwaardelijk ontbindingsverzoek zal daarom worden afgewezen.
Loon
4.15.
[verzoeker] heeft recht op loon, omdat het ontslag op staande voet wordt vernietigd, het voorwaardelijk tegenverzoek van Borgesius wordt afgewezen en de arbeidsovereenkomst dus voortduurt. De vordering van de bewindvoerder tot loonbetaling – waarvan de hoogte door Borgesius niet is betwist – zal daarom eveneens worden toegewezen. De gevorderde wettelijke verhoging en de wettelijke rente zullen ook worden toegewezen, omdat Borgesius niet althans te laat heeft betaald.
Overig
4.16.
Omdat het primair verzochte wordt toegewezen, wordt niet toegekomen aan hetgeen de bewindvoerder subsidiair heeft verzocht.
Proceskosten in het verzoek
4.17.
Borgesius is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat de bewindvoerder heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal Borgesius niet worden veroordeeld tot betaling van de explootkosten en betekeningskosten. De proceskosten van de bewindvoerder worden begroot op:
- griffierecht
€
93,00
- salaris gemachtigde
€
865,00
- nakosten
€
144,00
Totaal
€
1.102,00
4.18.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Proceskosten in het tegenverzoek
4.19.
Borgesius is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van de bewindvoerder worden begroot op:
- salaris gemachtigde
€
432,50
(factor 0,5 × 865,00)
Totaal
€
432,50
5De beslissing
De kantonrechter
op het verzoek
5.1.
vernietigt het ontslag op staande voet;
5.2.
veroordeelt Borgesius tot betaling aan de bewindvoerder binnen twee dagen na
betekening van deze beschikking:
het loon van [verzoeker] in de periode 2026-2 van 26 januari tot en met 2 februari van € 1.404,92 bruto, vermeerderd met de wettelijke verhoging;
in periode 2026-2 vanaf 3 februari een bedrag van € 3.278,14 bruto, vermeerderd met de wettelijke verhoging daarover;
vanaf 23 februari 2026 (begin van periode 2026-3) een bedrag van € 4.683,05 bruto voor iedere vierwekenperiode sindsdien, die op datum van de beschikking zal zijn verstreken, vermeerderd met de wettelijke verhoging daarover;
een bedrag van € 4.683,05 bruto voor iedere vierwekenperiode die nog niet is verstreken op datum van de beschikking, en wel op de eerste dag na ommekomst van de bewuste kalendermaand;
5.3.
veroordeelt Borgesius tot betaling van de wettelijke rente over de hiervoor genoemde bedragen vanaf het moment van opeisbaarheid tot aan de dag van volledige betaling;
5.4.
veroordeelt Borgesius in de proceskosten van € 1.102,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe;
5.5.
veroordeelt Borgesius tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
5.6.
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
5.7.
wijst het meer of anders verzochte af;
op het tegenverzoek
5.8.
wijst het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst af;
5.9.
veroordeelt Borgesius in de proceskosten van € 432,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.J.M. van Breevoort en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2026.
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS!
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER!
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS!
Artikel 7:669 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).
Artikel 7:669 lid 1 BW.
Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.