Rechtbank Gelderland
ECLI:NL:RBGEL:2026:6509
2026-08-20
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
AWB-24_2067
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag om bijstand op grond van de Participatiewet is ongegrond. Eiser heeft onvoldoende inzicht gegeven in zijn woonsituatie. Daarom mocht het college de aanvraag afwijzen.
Citeert (2)
- ECLI:NL:CRVB:2017:246 Centrale Raad van Beroep 10-01-2017
- ECLI:NL:CRVB:2022:1395 Centrale Raad van Beroep 12-07-2022
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (10.970 tekens)
RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Zutphen
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/2067
uitspraak van de enkelvoudige kamer van
in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. J.J.J. Broekhuizen),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Apeldoorn, het college
(gemachtigde: mr. L. Kikkert).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om bijstand op grond van de Participatiewet (Pw). Eiser is het niet eens met de afwijzing van zijn aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van eisers aanvraag om bijstand.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college een juiste beslissing heeft genomen en op juiste gronden eisers aanvraag om bijstand heeft afgewezen. Eiser krijgt daarom geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 6 juni 2023 een aanvraag ingediend voor bijstand. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 8 augustus 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 8 maart 2024 op het bezwaar van eiser is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 29 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het college.
Beoordeling door de rechtbank
De totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiser heeft zich op 10 mei 2023 gemeld voor het aanvragen van bijstand. Op 6 juni 2023 heeft een intakegesprek plaatsgevonden, waarbij eiser het aanvraagformulier heeft ingevuld en ondertekend. In verband met onduidelijkheden over eisers woon- en leefsituatie en zijn financiële situatie, heeft het college hem per brief van 28 juni 2023 verzocht om hierover vóór 12 juli 2023 aanvullende informatie te verschaffen. Op 14 juli 2023 heeft eiser een aantal gegevens verstrekt en verzocht om uitstel om de overige gevraagde gegevens aan te leveren. Met de brief van 17 juli 2023 is aan eiser uitstel verleend tot en met 31 juli 2023. Ook heeft op 31 juli 2023 een gesprek plaatsgevonden, waarbij eiser en zijn sociaal raadsvrouw ( [raadsvrouw] ) aanwezig waren. Eiser heeft dit gesprek voortijdig verlaten. Vervolgens is eiser per brief van 31 juli 2023 opnieuw verzocht om de verzochte informatie (alsnog) te verstrekken en toe te lichten in een persoonlijk gesprek op 7 augustus 2023. Eiser is op dit gesprek niet verschenen.
3.1.
Met het besluit van 8 augustus 2023 heeft het college besloten om eisers aanvraag af te wijzen, omdat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Met het bestreden besluit heeft het college, in navolging van het advies van de onafhankelijke bezwarencommissie van 4 maart 2024, het bezwaar ongegrond verklaard. Het college is bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
4. De rechtbank stelt vast dat de te beoordelen periode loopt van 10 mei 2023 tot en met 8 augustus 2023.
Wettelijk kader
5. Op grond van vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) dient degene die bijstand aanvraagt aannemelijk te maken dat hij recht heeft op bijstand. De bewijslast van de bijstandbehoevendheid rust dus in beginsel op de aanvrager. Daarna moet de bijstandverlenende instantie in het kader van de onderzoeksplicht deze inlichtingen op juistheid en volledigheid controleren. Als een aanvrager niet aan de inlichtingen- of medewerkingsplicht voldoet, is dit een grond voor weigering van de bijstand indien als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.
5.1.
De medewerkingsverplichting verplicht de belanghebbende om op verzoek van het college de (feitelijke) medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van de wet. Het college kan bepalen welke gegevens en bewijsstukken verstrekt, respectievelijk overgelegd moeten worden. Ook kan het college de wijze en het tijdstip bepalen waarop dit moet gebeuren. In het kader van de medewerkingsverplichting kan het college onder meer vragen om het overleggen van financiële gegevens. Zowel bij de aanvraag als tijdens de bijstandverlening, mag van een betrokkene worden verlangd dat hij zodanige (bewijs)stukken overlegt dat het college kan onderzoeken en beoordelen of toekenning, dan wel voortzetting van de bijstand gerechtvaardigd is.
Heeft eiser voldaan aan de op hem rustende medewerkingsverplichting?
6. Eiser voert aan dat hij het college alle beschikbare informatie heeft verschaft. Wat betreft zijn woon- en leefsituatie, stelt eiser dat hij in de te beoordelen periode overnachtte bij vrienden en familie. Hij kan de door het college gevraagde gegevens over deze verblijfadressen niet verstrekken, omdat dit een inbreuk vormt op de privacy van de betreffende personen. Eiser verbleef voornamelijk in een auto van een kennis bij een tankstation aan de snelweg te Apeldoorn. Hij heeft daarover duidelijke en controleerbare informatie verschaft. Het college heeft nimmer gecontroleerd of eiser bij dit tankstation verbleef/overnachtte. Ten aanzien van zijn inkomen, stelt eiser dat het college onterecht vermoedt dat hij inkomsten had uit auteursrechten. Ook stelt het college ten onrechte dat hij partneralimentatie kan krijgen. Dit ligt niet op eisers weg, omdat hij de relatie met zijn ex-vrouw en kinderen niet wil verstoren. Het college heeft bovendien een eigen bevoegdheid om de bijstand te verhalen op de ex-partner. Over zijn bezittingen en schulden, geeft eiser aan dat hij hierover voldoende inlichtingen heeft verschaft, waardoor zijn vermogenspositie kan worden vastgesteld. Hij heeft inzicht gegeven in de activiteiten van de bedrijven waaraan hij verbonden is/was. Wat betreft de bedrijven die op eisers eigen naam staan, heeft hij aangegeven dat er geen activiteiten meer plaatsvinden binnen deze bedrijven. Sommige bedrijven bestaan enkel nog, omdat hij de kosten voor de opheffing niet kan dragen. Uit de aanslag inkomstenbelasting uit 2022 blijkt ook dat geen sprake is van vermogen en/of inkomsten. Eiser heeft daarnaast grote schulden. Hiervan heeft hij ook een overzicht verstrekt.
7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser onvoldoende inzicht heeft gegeven in zijn woonsituatie. Eiser heeft het overzicht met overnachtingsadressen niet volledig ingevuld. Hij heeft aangegeven dat hij vaak sliep in een auto van een kennis bij een tankstation van Shell of BP aan de snelweg in Apeldoorn, maar hierover heeft hij geen objectieve en verifieerbare gegevens verschaft. Eiser heeft zich beperkt tot deze stellingname in zijn algemeenheid, ondanks dat het college (meermaals) heeft gevraagd om concrete data en locatie(s). Tijdens de zitting heeft het college aangegeven dat het wellicht mogelijk was geweest om te controleren of eiser daadwerkelijk bij deze tankstations verbleef, maar dat neemt niet weg dat eiser ook op andere plekken verbleef. Eiser heeft – na herhaaldelijk verzoek – nagelaten om te concretiseren waar hij verbleef, waardoor het college niet kon controleren waar eiser verbleef. Dat hij de namen van kennissen en hun verblijfadressen niet wilde verstrekken vanwege een inbreuk op de privacy van de betreffende personen, komt voor zijn rekening en risico.
7.1.
Nu eiser deze gegevens niet (volledig) heeft verstrekt, heeft hij niet voldaan aan de op hem rustende medewerkingsverplichting. Omdat ook anderszins onduidelijk was waar eiser tijdens de beoordelingsperiode verbleef, heeft het college eisers recht op bijstand niet kunnen vaststellen. De aanvraag is daarom terecht afgewezen. Eisers financiële situatie behoeft om die reden geen bespreking meer.
7.2.
De rechtbank ziet geen reden om aan te nemen dat aan eiser een extra termijn geboden had moeten worden om de gevraagde gegevens (alsnog) aan te leveren. Daarbij acht zij van belang dat eiser meermaals een hersteltermijn is geboden (met de brieven van 28 juni, 17 juli en 31 juli 2023). Ook is eiser tweemaal uitgenodigd voor een gesprek. Eiser heeft het eerste gesprek (op 31 juli 2023) vroegtijdig verlaten en is op het tweede gesprek (van 7 augustus 2023) niet verschenen.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Klein Egelink, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.M. van Kouwen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 30 januari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:246.
Zie artikel 17, tweede lid, van de Pw.
Zie artikel 53a, eerste lid, van de Pw.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 12 juli 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1395.
Zittingsplaats Zutphen
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/2067
uitspraak van de enkelvoudige kamer van
in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. J.J.J. Broekhuizen),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Apeldoorn, het college
(gemachtigde: mr. L. Kikkert).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om bijstand op grond van de Participatiewet (Pw). Eiser is het niet eens met de afwijzing van zijn aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van eisers aanvraag om bijstand.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college een juiste beslissing heeft genomen en op juiste gronden eisers aanvraag om bijstand heeft afgewezen. Eiser krijgt daarom geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 6 juni 2023 een aanvraag ingediend voor bijstand. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 8 augustus 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 8 maart 2024 op het bezwaar van eiser is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 29 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het college.
Beoordeling door de rechtbank
De totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiser heeft zich op 10 mei 2023 gemeld voor het aanvragen van bijstand. Op 6 juni 2023 heeft een intakegesprek plaatsgevonden, waarbij eiser het aanvraagformulier heeft ingevuld en ondertekend. In verband met onduidelijkheden over eisers woon- en leefsituatie en zijn financiële situatie, heeft het college hem per brief van 28 juni 2023 verzocht om hierover vóór 12 juli 2023 aanvullende informatie te verschaffen. Op 14 juli 2023 heeft eiser een aantal gegevens verstrekt en verzocht om uitstel om de overige gevraagde gegevens aan te leveren. Met de brief van 17 juli 2023 is aan eiser uitstel verleend tot en met 31 juli 2023. Ook heeft op 31 juli 2023 een gesprek plaatsgevonden, waarbij eiser en zijn sociaal raadsvrouw ( [raadsvrouw] ) aanwezig waren. Eiser heeft dit gesprek voortijdig verlaten. Vervolgens is eiser per brief van 31 juli 2023 opnieuw verzocht om de verzochte informatie (alsnog) te verstrekken en toe te lichten in een persoonlijk gesprek op 7 augustus 2023. Eiser is op dit gesprek niet verschenen.
3.1.
Met het besluit van 8 augustus 2023 heeft het college besloten om eisers aanvraag af te wijzen, omdat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Met het bestreden besluit heeft het college, in navolging van het advies van de onafhankelijke bezwarencommissie van 4 maart 2024, het bezwaar ongegrond verklaard. Het college is bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
4. De rechtbank stelt vast dat de te beoordelen periode loopt van 10 mei 2023 tot en met 8 augustus 2023.
Wettelijk kader
5. Op grond van vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) dient degene die bijstand aanvraagt aannemelijk te maken dat hij recht heeft op bijstand. De bewijslast van de bijstandbehoevendheid rust dus in beginsel op de aanvrager. Daarna moet de bijstandverlenende instantie in het kader van de onderzoeksplicht deze inlichtingen op juistheid en volledigheid controleren. Als een aanvrager niet aan de inlichtingen- of medewerkingsplicht voldoet, is dit een grond voor weigering van de bijstand indien als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.
5.1.
De medewerkingsverplichting verplicht de belanghebbende om op verzoek van het college de (feitelijke) medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van de wet. Het college kan bepalen welke gegevens en bewijsstukken verstrekt, respectievelijk overgelegd moeten worden. Ook kan het college de wijze en het tijdstip bepalen waarop dit moet gebeuren. In het kader van de medewerkingsverplichting kan het college onder meer vragen om het overleggen van financiële gegevens. Zowel bij de aanvraag als tijdens de bijstandverlening, mag van een betrokkene worden verlangd dat hij zodanige (bewijs)stukken overlegt dat het college kan onderzoeken en beoordelen of toekenning, dan wel voortzetting van de bijstand gerechtvaardigd is.
Heeft eiser voldaan aan de op hem rustende medewerkingsverplichting?
6. Eiser voert aan dat hij het college alle beschikbare informatie heeft verschaft. Wat betreft zijn woon- en leefsituatie, stelt eiser dat hij in de te beoordelen periode overnachtte bij vrienden en familie. Hij kan de door het college gevraagde gegevens over deze verblijfadressen niet verstrekken, omdat dit een inbreuk vormt op de privacy van de betreffende personen. Eiser verbleef voornamelijk in een auto van een kennis bij een tankstation aan de snelweg te Apeldoorn. Hij heeft daarover duidelijke en controleerbare informatie verschaft. Het college heeft nimmer gecontroleerd of eiser bij dit tankstation verbleef/overnachtte. Ten aanzien van zijn inkomen, stelt eiser dat het college onterecht vermoedt dat hij inkomsten had uit auteursrechten. Ook stelt het college ten onrechte dat hij partneralimentatie kan krijgen. Dit ligt niet op eisers weg, omdat hij de relatie met zijn ex-vrouw en kinderen niet wil verstoren. Het college heeft bovendien een eigen bevoegdheid om de bijstand te verhalen op de ex-partner. Over zijn bezittingen en schulden, geeft eiser aan dat hij hierover voldoende inlichtingen heeft verschaft, waardoor zijn vermogenspositie kan worden vastgesteld. Hij heeft inzicht gegeven in de activiteiten van de bedrijven waaraan hij verbonden is/was. Wat betreft de bedrijven die op eisers eigen naam staan, heeft hij aangegeven dat er geen activiteiten meer plaatsvinden binnen deze bedrijven. Sommige bedrijven bestaan enkel nog, omdat hij de kosten voor de opheffing niet kan dragen. Uit de aanslag inkomstenbelasting uit 2022 blijkt ook dat geen sprake is van vermogen en/of inkomsten. Eiser heeft daarnaast grote schulden. Hiervan heeft hij ook een overzicht verstrekt.
7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser onvoldoende inzicht heeft gegeven in zijn woonsituatie. Eiser heeft het overzicht met overnachtingsadressen niet volledig ingevuld. Hij heeft aangegeven dat hij vaak sliep in een auto van een kennis bij een tankstation van Shell of BP aan de snelweg in Apeldoorn, maar hierover heeft hij geen objectieve en verifieerbare gegevens verschaft. Eiser heeft zich beperkt tot deze stellingname in zijn algemeenheid, ondanks dat het college (meermaals) heeft gevraagd om concrete data en locatie(s). Tijdens de zitting heeft het college aangegeven dat het wellicht mogelijk was geweest om te controleren of eiser daadwerkelijk bij deze tankstations verbleef, maar dat neemt niet weg dat eiser ook op andere plekken verbleef. Eiser heeft – na herhaaldelijk verzoek – nagelaten om te concretiseren waar hij verbleef, waardoor het college niet kon controleren waar eiser verbleef. Dat hij de namen van kennissen en hun verblijfadressen niet wilde verstrekken vanwege een inbreuk op de privacy van de betreffende personen, komt voor zijn rekening en risico.
7.1.
Nu eiser deze gegevens niet (volledig) heeft verstrekt, heeft hij niet voldaan aan de op hem rustende medewerkingsverplichting. Omdat ook anderszins onduidelijk was waar eiser tijdens de beoordelingsperiode verbleef, heeft het college eisers recht op bijstand niet kunnen vaststellen. De aanvraag is daarom terecht afgewezen. Eisers financiële situatie behoeft om die reden geen bespreking meer.
7.2.
De rechtbank ziet geen reden om aan te nemen dat aan eiser een extra termijn geboden had moeten worden om de gevraagde gegevens (alsnog) aan te leveren. Daarbij acht zij van belang dat eiser meermaals een hersteltermijn is geboden (met de brieven van 28 juni, 17 juli en 31 juli 2023). Ook is eiser tweemaal uitgenodigd voor een gesprek. Eiser heeft het eerste gesprek (op 31 juli 2023) vroegtijdig verlaten en is op het tweede gesprek (van 7 augustus 2023) niet verschenen.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Klein Egelink, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.M. van Kouwen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 30 januari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:246.
Zie artikel 17, tweede lid, van de Pw.
Zie artikel 53a, eerste lid, van de Pw.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 12 juli 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1395.