Rechtbank Gelderland
ECLI:NL:RBGEL:2026:6141
2026-07-28
Strafrecht
05.051198.26
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Man veroordeeld voor opzetaanranding. Schuldigverklaring zonder oplegging van straf of maatregel vanwege gezondheidstoestand verdachte
Citeert (4)
- ECLI:NL:HR:2014:957 Hoge Raad 22-04-2014
- ECLI:NL:HR:2018:2194 Hoge Raad 27-11-2018
- ECLI:NL:RBROT:2025:1179 Rechtbank Rotterdam 28-01-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2026:6317 Rechtbank Den Haag 23-03-2026
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (26.112 tekens)
RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05.051198.26
Datum uitspraak : 28 juli 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1980 in [geboorteplaats] ,
wonende aan [adres] [woonplaats] .
Raadsman: mr. R. Zwiers, advocaat in Malden.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.
1De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij in of omstreeks de periode tussen 18 oktober 2025 en 20 oktober 2025 te Groesbeek, gemeente Berg en Dal, in elk geval in Nederland met een persoon, te weten [aangever]een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten het op/over de kleding vastpakken, althans betasten van de bil(len) en/of het onder de rok, maar op/over de onderkleding aanraken/betasten van haar geslachtsdeel en/of schaamstreek, terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [aangever] daartoe de wil ontbrak, en welke opzetaanranding werd voorafgegaan door, vergezeld van en/of gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging, door die [aangever] (telkens) van achteren te benaderen en/of (vervolgens) de voornoemde seksuele handelingen oponverhoedse wijze te verrichten;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij in of omstreeks de periode tussen 18 oktober 2025 en 20 oktober 2025 te Groesbeek, gemeente Berg en Dal, in elk geval in Nederland, met een persoon, te weten [aangever] ,een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten het op/over de kleding vastpakken, althans betasten van de bil(len) en/of het onder de rok, maar op/over de onderkleding aanraken/betasten van haar geslachtsdeel en/of schaamstreek, terwijl hij, verdachte, ernstige reden had om te vermoeden dat bij die [aangever] daartoe de wil ontbrak.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair tenlastegelegde, te weten gekwalificeerde opzetaanranding waarbij sprake was van dwang.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat verdachte integraal van het tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken. Verdachte ontkent met klem seksuele handelingen te hebben verricht bij aangeefster. Van steunbewijs is onvoldoende sprake. Daarbij geeft de raadsman aan dat de getuigenverklaringen tegenstrijdigheden bevatten.
Beoordeling door de rechtbank
Aangeefster [aangever] heeft verklaard dat zij op 18 oktober 2025 met een vriendengroep
naar het Oktoberfest in Groesbeek ging. Bij de groep was ook [verdachte] uit [woonplaats] (hierna: verdachte) aanwezig. Verdachte had veel alcohol op. Heel onverwachts stond hij opeens achter haar. Verdachte kneep met de stof van haar rok in zijn hand in haar bil. Aangeefster schrok, draaide zich om en zei: “Rot op, hier ben ik niet van gediend.” Aangeefster gaf verdachte een duw en verdachte viel bijna om omdat hij zo dronken was. Aangeefster gaf verdachte een boze blik, waarna verdachte wegging. Om 00:10 uur, het was inmiddels 19 oktober, kwam er reuring in de groep door het gedrag van verdachte. Terwijl aangeefster bij de groep stond, stond verdachte achter haar en ging hij met zijn volle hand onder haar rok. Aangeefster droeg onder haar rok een onderbroek en een wielrenbroekje. Hij raakte met zijn vinger haar geslachtsdelen aan. Dit ging best wel hard. Aangeefster keek achterom en zag verdachte. Zij riep iets en liep overstuur weg.
Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat zij zag dat verdachte bij haar nichtje (de rechtbank begrijpt: aangeefster) flink onder haar rokje zat. Verdachte pakte aangeefster van achteren. Het ging snel, verdachte ging eronder en meteen weer terug. Verdachte raakte het geslachtsdeel van aangeefster aan. [getuige 1] wist dit, omdat verdachte zo diep onder het rokje van aangeefster ging. Aangeefster liep gelijk overstuur weg. [getuige 1] liep achter aangeefster aan. Aangeefster vertelde haar dat verdachte eerder die avond al aan haar billen had gezeten.
Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat verdachte die avond ver aangeschoten was. Hij zag dat verdachte een beetje vervelend werd naar andere vrouwen. [getuige 2] hoorde van zijn stiefzoon [naam] dat verdachte iets had gedaan bij een andere vrouw, waarna door de groep besloten werd om naar huis te gaan. [getuige 2] liep met [naam] achter verdachte aan. Aangeefster stond met haar rug naar hen toe en met haar gezicht naar het groepje. Verdachte liep naar aangeefster toe en greep haar van achteren. Hij maakte een onderhandse beweging naar haar kruis en zei: “Hoppa!” [getuige 2] zag dat verdachte met zijn hand aangeefster van achteren in haar kruis greep. Aangeefster draaide zich gelijk om en duwde hem hard weg.
Betrouwbaarheid aangeefster
Ten laste gelegd is dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan aanranding van aangeefster, door haar eerst in haar bil te knijpen en later op de avond zijn hand onder haar rokje te doen en haar geslachtsdelen aan te raken. Verdachte heeft het tenlastegelegde ontkend.
De rechtbank stelt vast dat de verklaring van aangeefster authentiek, gedetailleerd en specifiek is. Aangeefster heeft in haar aangifte specifiek verklaard hoe en op welke plekken verdachte haar aanraakte. Zo verklaarde zij dat verdachte met de stof van haar rok in zijn hand in haar bil kneep. Daarnaast verklaarde zij dat verdachte met zijn volle hand onder haar rokje ging, dat dit best hard ging, en dat hij met zijn vinger haar geslachtsdelen aanraakte. De rechtbank ziet geen reden om aan de betrouwbaarheid van haar verklaring te twijfelen.
In artikel 342 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering is bepaald dat de rechter het bewijs dat iemand een strafbaar feit heeft gepleegd niet uitsluitend kan baseren op de verklaring van één getuige of aangever. Alleen de verklaring van aangeefster is dus onvoldoende. Er moet meer bewijs zijn, iets dat de aangifte ondersteunt, om tot een bewezenverklaring te kunnen komen. Die ondersteuning hoeft niet te gelden voor alle onderdelen van de tenlastelegging. Het gaat erom dat in elk geval een deel van de feiten en omstandigheden die in de aangifte worden genoemd ondersteuning vinden in een of meer andere bewijsmiddelen (Zie bijvoorbeeld: HR 22 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:957).
De rechtbank is van oordeel dat het dossier voldoende steunbewijs biedt voor het betasten van de geslachtsdelen van aangeefster door verdachte. De verklaring van aangeefster wordt op dit punt namelijk ondersteund door de verklaringen van getuige [getuige 1] en getuige [getuige 2] . De getuigen [getuige 1] en [getuige 2] hebben allebei verklaard dat zij zagen dat verdachte aangeefster van achteren in haar kruis greep en dat aangeefster hier gelijk op reageerde. [getuige 1] verklaarde, net als aangeefster, dat verdachte vol onder het rokje van aangeefster ging en haar kruis aanraakte, en dat aangeefster daarna overstuur wegliep. De raadsman heeft betoogd dat de verklaringen van deze getuigen (onderlinge) tegenstrijdigheden zouden bevatten, zodat deze niet als steunbewijs zouden kunnen worden gebruikt. De rechtbank volgt de raadsman hierin niet. De rechtbank is van oordeel dat, voor zover al sprake is van (onderlinge) tegenstrijdigheden of ongerijmdheden in de verklaringen, deze niet van dien aard zijn dat deze verklaringen niet als steunbewijs kunnen worden gebruikt.
De rechtbank is van oordeel dat ook het door verdachte knijpen in de bil van aangeefster, eerder op de avond, bewezen kan worden. Immers heeft getuige [getuige 1] verklaard dat aangeefster, direct nadat zij overstuur wegliep, aan haar heeft verteld dat verdachte eerder op de avond al aan haar billen had gezeten. Daarmee wordt de verklaring van aangeefster ook op dit punt in voldoende mate ondersteund door de verklaring van [getuige 1] .
De rechtbank merkt op dat de verklaring van verdachte - dat dergelijk gedrag niet bij hem past, en dat de aanranding daarom niet gebeurd is - wordt weerlegd door de verklaring van getuige [getuige 2] . [getuige 2] verklaarde dat verdachte die avond vervelend naar vrouwen werd en dat de groep naar huis besloot te gaan nadat verdachte iets bij een andere vrouw had gedaan. De rechtbank acht het ten slotte niet aannemelijk geworden dat aangeefster, samen met de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] , belastend zouden hebben verklaard om geld of een schadevergoeding van verdachte te kunnen verkrijgen, zoals verdachte suggereert. Het dossier bevat in het geheel geen aanwijzingen dat sprake zou zijn van een financieel motief voor het doen van een valse beschuldiging.
De rechtbank komt op grond van het bovenstaande tot een bewezenverklaring van de ten laste gelegde handelingen.
Opzetaanranding
De rechtbank zal vervolgens de vraag beantwoorden of er sprake is van opzetaanranding.
Opzetaanranding heeft betrekking op situaties waarin de dader opzettelijk de ontbrekende wil bij de ander negeert of voor lief neemt. Daarbij kan sprake zijn van ‘vol’ opzet of – de ondergrens van de opzetvariant – voorwaardelijk opzet. In dat laatste geval heeft de dader bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de desbetreffende seksuele handelingen plaatsvinden terwijl bij de ander de wil daartoe ontbreekt.
Volgens de Memorie van Toelichting is sprake van opzettelijk handelen als iemand een ander onverhoeds ontuchtig aanraakt. Hij weet dan dat hij voor dit handelen geen toestemming heeft. Daarmee kan opzet worden bewezen: “De opzetvariant van aanranding en verkrachting omvat ook de gevallen waarin sprake is van onverhoeds handelen. Het totaal onverwachts iemand op seksuele wijze betasten getuigt van opzettelijk handelen” (Tweede Kamer, vergaderjaar 2022–2023, 36 222, nr. 3, p. 18).
Uit de bewijsmiddelen is gebleken dat verdachte aangeefster tweemaal van achteren greep, waarbij hij eenmaal in haar bil kneep en later op de avond haar onder haar rokje in haar kruis tastte. Door aangeefster van achteren te benaderen, hierbij geen verder contact te maken en haar opeens vast te pakken, heeft verdachte haar onverhoeds ontuchtig aangeraakt. Verdachte wist dat hij geen toestemming had voor deze aanrakingen. Daarbij komt dat aangeefster, nadat verdachte in haar bil kneep, al tegen verdachte had aangegeven dat hij moest oprotten en dat zij niet gediend was van zijn aanrakingen. Desondanks besloot verdachte om later die avond met zijn hand onverhoeds onder het rokje van aangeefster te gaan en haar geslachtsdelen te betasten. Daarmee acht de rechtbank – voor beide momenten - bewezen dat verdachte opzettelijk aangeefster heeft aangerand, terwijl hij wist dat bij aangeefster de wil ontbrak voor het ondergaan van deze handelingen.
Levert onverhoeds handelen dwang op?
De rechtbank dient vervolgens te beoordelen of verdachte aangeefster heeft gedwongen tot het dulden van deze seksuele handelingen, en dus of sprake is van gekwalificeerde opzetaanranding.
Door de officier van justitie is aangevoerd dat het onverhoedse handelen van verdachte dwang oplevert. Daarmee zou gekwalificeerde opzetaanranding bewezen kunnen worden verklaard.
De rechtbank kijkt hier anders tegenaan en overweegt het volgende.
Onder de oude artikelen 242 en 246 Sr konden verkrachting en (feitelijke) aanranding alleen bewezen worden als sprake was van geweld of een andere feitelijkheid dan wel bedreiging daarmee, kort gezegd: ‘dwang’. Dat leidde ertoe dat met name het bestanddeel ‘andere feitelijkheid’ (en daarmee het aspect van dwang) gaandeweg steeds ruimer werd uitgelegd om tegemoet te komen aan de maatschappelijke behoefte seksuele handelingen, waarbij een van de betrokkenen zich onder druk gezet voelde, onder deze strafbepalingen te kunnen brengen en niet straffeloos te laten zijn. Uitgangspunt hierbij was: “De term "dwingt" in art. 242 Sr dient aldus te worden verstaan dat daaraan slechts is voldaan indien het (voorwaardelijk) opzet van de verdachte mede omvat dat hij iemand handelingen die bestaan of mede bestaan uit seksueel binnendringen, doet ondergaan tegen zijn of haar wil.” (HR 27 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2194; NJ 2019/241).
De nieuwe Wet seksuele misdrijven gaat uit van een ander concept van strafbaar handelen. Seksueel handelen dat al dan niet evident plaats vindt tegen de wil van de ander, is reeds om die reden strafbaar. Opzetaanranding is strafbaar gesteld in het eerste lid van artikel 241 Sr. Als een verdachte daarbij dwang heeft toegepast, is sprake van de gekwalificeerde delictsvorm die strafbaar is gesteld onder lid 2. Dwang, in welke vorm dan ook, is niet meer nodig om grensoverschrijdend seksueel handelen strafbaar te doen zijn. Daarom dient naar het oordeel van de rechtbank de onderhavige zaak onder de huidige wetgeving anders te worden beoordeeld.
De betekenis die onder het oude wetsartikel aan het bestanddeel dwang werd gegeven, kan daarom niet zonder meer worden gelijkgesteld aan de betekenis ervan in de nieuwe wet. De enkele omstandigheid dat artikel 241 lid 2 Sr de ‘rechtsopvolger’ is van artikel 246 (oud) Sr, rechtvaardigt die conclusie niet, juist vanwege het principiële verschil tussen beide wettelijke regelingen.
Het voorgaande brengt de rechtbank tot de conclusie dat voor het geven van nadere invulling aan de strafbepalingen onder de nieuwe wetgeving, de nodige terughoudendheid moet worden betracht bij het gebruik van rechterlijke uitspraken onder het regiem van de oude wetgeving. Er is geen reden om enkele gedragingen die voorheen leidden tot de conclusie ‘dwang’ onder de nieuwe wetgeving nog deze betekenis te laten toekomen. Dat geldt met name voor het aspect ‘onverhoeds optreden’. Hierdoor heeft de dader weliswaar het slachtoffer de mogelijkheid ontnomen zich bijtijds teweer te stellen en haar wil kenbaar te maken, maar het rechtvaardigt niet langer de conclusie dat daarmee ook sprake is van dwang als bedoeld in artikel 241 lid 2 Sr. In gelijke zin oordelen de rechtbank Rotterdam en de rechtbank Den Haag, Rb Rotterdam 28 januari 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:1179, en Rb Den Haag 23 maart 2023, ECLI:NL:RBDHA:2026:6317. In beide vonnissen wordt verwezen naar de niet eenduidige wetsgeschiedenis over de vraag of onverhoeds handelen ook ‘dwang oplevert’. De daar aangehaalde passages uit de wetsgeschiedenis duiden er eerder op dat onverhoeds handelen en dwang een nevengeschikte en aanvullende functie hebben en dus niet identiek zijn. De rechtbank sluit zich daarbij aan.
Gelet op het bovenstaande zal de rechtbank verdachte vrijspreken van het strafverzwarende onderdeel “dwang”. Van geweld of bedreiging is ook niet gebleken, waardoor verdachte van deze onderdelen van de tenlastelegging zal worden vrijgesproken.
Conclusie
De rechtbank acht de primair ten laste gelegde opzetaanranding wettig en overtuigend bewezen.
3De bewezenverklaring
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
hij in of omstreeks de periode tussen 18 oktober 2025 en 20 oktober 2025 te Groesbeek, gemeente Berg en Dal, in elk geval in Nederland met een persoon, te weten [aangever]een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten het op/over de kleding vastpakken, althans betasten van de bil(len) en/of het onder de rok, maar op/over de onderkleding aanraken/betasten van haar geslachtsdeel en/of schaamstreek, terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [aangever] daartoe de wil ontbrak, en welke opzetaanranding werd voorafgegaan door, vergezeld van en/of gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging, door die [aangever] (telkens) van achteren te benaderen en/of (vervolgens) de voornoemde seksuele handelingen oponverhoedse wijze te verrichten.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4De kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
opzetaanranding, meermalen gepleegd
5De strafbaarheid van het feit
Het feit is strafbaar.
6De strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.
7De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 3 maanden, waarvan 89 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat de rechtbank bij de strafoplegging rekening houdt met de omstandigheid dat verdachte terminaal ziek is. De raadsman heeft gewezen op het reclasseringsadvies, waarin naar voren komt dat de reclassering een gevangenisstraf of het uitvoeren van een werkstraf vanwege de gezondheidstoestand van verdachte niet (langer) geïndiceerd vindt. De raadsman heeft ten slotte opgemerkt dat verdachte geen documentatie heeft voor soortgelijke feiten en dat hij in dit stadium van zijn leven veel rust nodig heeft.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het meermalen plegen van opzetaanranding, door [aangever] in haar bil te knijpen en later met zijn hand onder haar rok te gaan en haar geslachtsdeel aan te raken. Verdachte heeft hiermee inbreuk gemaakt op haar lichamelijke en seksuele integriteit. De rechtbank neemt het verdachte kwalijk dat hij geen enkele verantwoordelijkheid voor zijn handelen heeft genomen en de verklaring van aangeefster steeds heeft afgedaan als onzin en een complot om geld van hem te krijgen.
Uit de justitiële documentatie van verdachte van 16 juni 2026 blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten.
De rechtbank heeft acht geslagen op de rapportage van de Reclassering Nederland van 29 juni 2026. De reclassering beschrijft in de rapportage dat er geen sprake is van een delictpatroon. Verdachte is kortgeleden gediagnosticeerd met terminale, uitgezaaide kanker. Dit maakt dat verdachte niet meer aan het werk is in zijn eigen bedrijf, weinig energie meer heeft en zware pijnstilling slikt. De reclassering ziet in deze fase van het leven van verdachte geen risicofactoren meer. Verdachte beschikt over een steunend sociaal netwerk en woont naar tevredenheid bij zijn vader. De reclassering kan gelet op de ontkenning door verdachte vooralsnog geen problemen op het gebied van seksuele beleving identificeren en de mogelijkheid van delictgerelateerdheid niet onderzoeken. Uit het gesprek met verdachte komen evenwel op dit moment geen deviante seksuele voorkeuren naar voren. Op basis van de beschikbare informatie en gezien de ontkennende houding van verdachte, maar ook gezien de fase van zijn leven waarin hij zich bevindt, ziet de reclassering geen aanknopingspunten voor interventies. De reclassering ziet de gezondheidstoestand van verdachte als belangrijke contra-indicatie voor een gevangenisstraf en acht een werkstraf ook niet meer uitvoerbaar. De rechtbank neemt dit advies over.
Gelet op de ernst van het feit is het uitgangspunt dat voor een dergelijk feit een gevangenisstraf of een werkstraf wordt opgelegd. De rechtbank vindt het van belang dat een duidelijk signaal naar verdachte wordt afgegeven dat dergelijk gedrag ontoelaatbaar is. Echter ziet de rechtbank ook dat de gezondheidstoestand van verdachte oplegging van een gevangenisstraf of werkstraf niet langer mogelijk maakt. Verdachte is terminaal ziek en heeft naar alle waarschijnlijkheid niet lang meer te leven. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het niet langer opportuun of geïndiceerd om een straf of maatregel op te leggen.
8De beoordeling van de civiele vordering
De benadeelde partij [aangever] heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 2.000,- aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden afgewezen, dan wel dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard gelet op de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de raadsman betoogd dat de vordering onvoldoende onderbouwd is, hetgeen moet leiden tot een afwijzing of een niet-ontvankelijkheidsverklaring. Meer subsidiair heeft de raadsman betoogd dat de vordering dient te worden gematigd.
Overweging van de rechtbank
De benadeelde partij heeft in haar vordering beschreven dat zij het bewezenverklaarde handelen van verdachte als zeer ingrijpend en grensoverschrijdend heeft ervaren. Als gevolg hiervan stelt de benadeelde partij last te hebben van angstklachten, gevoelens van schaamte en zich vies voelen. Daarnaast beschrijft de benadeelde emotionele klachten, zoals het snel geëmotioneerd raken en stress wanneer zij aan de gebeurtenissen denkt.
De rechtbank neemt zonder meer aan dat bij de benadeelde partij sprake was (en is) van psychisch onbehagen en gevoelens van schaamte en kwetsbaarheid. Daarmee is echter nog geen sprake van aantasting in de persoon op andere wijze. De rechtbank overweegt daartoe dat zij bij gebrek aan (medische) stukken niet kan vaststellen dat sprake is van geestelijk letsel en dat de aard en de ernst van de normschending in dit geval niet zodanig zijn, dat de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat aantasting in de persoon kan worden aangenomen.
Dit betekent dat er geen wettelijke grondslag is voor toewijzing van de vordering tot smartengeld. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk in de vordering verklaren. De benadeelde partij kan haar vordering nog bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
9De toegepaste wettelijke bepalingen
De oplegging van de straf is gegrond op de artikelen 9a en 241 van het Wetboek van Strafrecht.
10De beslissing
De rechtbank:
verklaart bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
bepaalt dat geen straf of maatregel wordt opgelegd;
verklaart de benadeelde partij [aangever] niet-ontvankelijk in de vordering tot smartengeld.
Dit vonnis is gewezen door mr. I.D. Jacobs (voorzitter), mr. A.J.H. Steenweg en mr. S.H.W. Martens, rechters, in tegenwoordigheid van mr. V. Buscop, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 28 juli 2026.
Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL2025522226, gesloten op 13 februari 2026 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
Proces-verbaal van aangifte [aangever] , p. 9-10.
Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , p. 13-15.
Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] , p. 17-18.
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05.051198.26
Datum uitspraak : 28 juli 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1980 in [geboorteplaats] ,
wonende aan [adres] [woonplaats] .
Raadsman: mr. R. Zwiers, advocaat in Malden.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.
1De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij in of omstreeks de periode tussen 18 oktober 2025 en 20 oktober 2025 te Groesbeek, gemeente Berg en Dal, in elk geval in Nederland met een persoon, te weten [aangever]een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten het op/over de kleding vastpakken, althans betasten van de bil(len) en/of het onder de rok, maar op/over de onderkleding aanraken/betasten van haar geslachtsdeel en/of schaamstreek, terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [aangever] daartoe de wil ontbrak, en welke opzetaanranding werd voorafgegaan door, vergezeld van en/of gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging, door die [aangever] (telkens) van achteren te benaderen en/of (vervolgens) de voornoemde seksuele handelingen oponverhoedse wijze te verrichten;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij in of omstreeks de periode tussen 18 oktober 2025 en 20 oktober 2025 te Groesbeek, gemeente Berg en Dal, in elk geval in Nederland, met een persoon, te weten [aangever] ,een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten het op/over de kleding vastpakken, althans betasten van de bil(len) en/of het onder de rok, maar op/over de onderkleding aanraken/betasten van haar geslachtsdeel en/of schaamstreek, terwijl hij, verdachte, ernstige reden had om te vermoeden dat bij die [aangever] daartoe de wil ontbrak.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair tenlastegelegde, te weten gekwalificeerde opzetaanranding waarbij sprake was van dwang.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat verdachte integraal van het tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken. Verdachte ontkent met klem seksuele handelingen te hebben verricht bij aangeefster. Van steunbewijs is onvoldoende sprake. Daarbij geeft de raadsman aan dat de getuigenverklaringen tegenstrijdigheden bevatten.
Beoordeling door de rechtbank
Aangeefster [aangever] heeft verklaard dat zij op 18 oktober 2025 met een vriendengroep
naar het Oktoberfest in Groesbeek ging. Bij de groep was ook [verdachte] uit [woonplaats] (hierna: verdachte) aanwezig. Verdachte had veel alcohol op. Heel onverwachts stond hij opeens achter haar. Verdachte kneep met de stof van haar rok in zijn hand in haar bil. Aangeefster schrok, draaide zich om en zei: “Rot op, hier ben ik niet van gediend.” Aangeefster gaf verdachte een duw en verdachte viel bijna om omdat hij zo dronken was. Aangeefster gaf verdachte een boze blik, waarna verdachte wegging. Om 00:10 uur, het was inmiddels 19 oktober, kwam er reuring in de groep door het gedrag van verdachte. Terwijl aangeefster bij de groep stond, stond verdachte achter haar en ging hij met zijn volle hand onder haar rok. Aangeefster droeg onder haar rok een onderbroek en een wielrenbroekje. Hij raakte met zijn vinger haar geslachtsdelen aan. Dit ging best wel hard. Aangeefster keek achterom en zag verdachte. Zij riep iets en liep overstuur weg.
Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat zij zag dat verdachte bij haar nichtje (de rechtbank begrijpt: aangeefster) flink onder haar rokje zat. Verdachte pakte aangeefster van achteren. Het ging snel, verdachte ging eronder en meteen weer terug. Verdachte raakte het geslachtsdeel van aangeefster aan. [getuige 1] wist dit, omdat verdachte zo diep onder het rokje van aangeefster ging. Aangeefster liep gelijk overstuur weg. [getuige 1] liep achter aangeefster aan. Aangeefster vertelde haar dat verdachte eerder die avond al aan haar billen had gezeten.
Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat verdachte die avond ver aangeschoten was. Hij zag dat verdachte een beetje vervelend werd naar andere vrouwen. [getuige 2] hoorde van zijn stiefzoon [naam] dat verdachte iets had gedaan bij een andere vrouw, waarna door de groep besloten werd om naar huis te gaan. [getuige 2] liep met [naam] achter verdachte aan. Aangeefster stond met haar rug naar hen toe en met haar gezicht naar het groepje. Verdachte liep naar aangeefster toe en greep haar van achteren. Hij maakte een onderhandse beweging naar haar kruis en zei: “Hoppa!” [getuige 2] zag dat verdachte met zijn hand aangeefster van achteren in haar kruis greep. Aangeefster draaide zich gelijk om en duwde hem hard weg.
Betrouwbaarheid aangeefster
Ten laste gelegd is dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan aanranding van aangeefster, door haar eerst in haar bil te knijpen en later op de avond zijn hand onder haar rokje te doen en haar geslachtsdelen aan te raken. Verdachte heeft het tenlastegelegde ontkend.
De rechtbank stelt vast dat de verklaring van aangeefster authentiek, gedetailleerd en specifiek is. Aangeefster heeft in haar aangifte specifiek verklaard hoe en op welke plekken verdachte haar aanraakte. Zo verklaarde zij dat verdachte met de stof van haar rok in zijn hand in haar bil kneep. Daarnaast verklaarde zij dat verdachte met zijn volle hand onder haar rokje ging, dat dit best hard ging, en dat hij met zijn vinger haar geslachtsdelen aanraakte. De rechtbank ziet geen reden om aan de betrouwbaarheid van haar verklaring te twijfelen.
In artikel 342 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering is bepaald dat de rechter het bewijs dat iemand een strafbaar feit heeft gepleegd niet uitsluitend kan baseren op de verklaring van één getuige of aangever. Alleen de verklaring van aangeefster is dus onvoldoende. Er moet meer bewijs zijn, iets dat de aangifte ondersteunt, om tot een bewezenverklaring te kunnen komen. Die ondersteuning hoeft niet te gelden voor alle onderdelen van de tenlastelegging. Het gaat erom dat in elk geval een deel van de feiten en omstandigheden die in de aangifte worden genoemd ondersteuning vinden in een of meer andere bewijsmiddelen (Zie bijvoorbeeld: HR 22 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:957).
De rechtbank is van oordeel dat het dossier voldoende steunbewijs biedt voor het betasten van de geslachtsdelen van aangeefster door verdachte. De verklaring van aangeefster wordt op dit punt namelijk ondersteund door de verklaringen van getuige [getuige 1] en getuige [getuige 2] . De getuigen [getuige 1] en [getuige 2] hebben allebei verklaard dat zij zagen dat verdachte aangeefster van achteren in haar kruis greep en dat aangeefster hier gelijk op reageerde. [getuige 1] verklaarde, net als aangeefster, dat verdachte vol onder het rokje van aangeefster ging en haar kruis aanraakte, en dat aangeefster daarna overstuur wegliep. De raadsman heeft betoogd dat de verklaringen van deze getuigen (onderlinge) tegenstrijdigheden zouden bevatten, zodat deze niet als steunbewijs zouden kunnen worden gebruikt. De rechtbank volgt de raadsman hierin niet. De rechtbank is van oordeel dat, voor zover al sprake is van (onderlinge) tegenstrijdigheden of ongerijmdheden in de verklaringen, deze niet van dien aard zijn dat deze verklaringen niet als steunbewijs kunnen worden gebruikt.
De rechtbank is van oordeel dat ook het door verdachte knijpen in de bil van aangeefster, eerder op de avond, bewezen kan worden. Immers heeft getuige [getuige 1] verklaard dat aangeefster, direct nadat zij overstuur wegliep, aan haar heeft verteld dat verdachte eerder op de avond al aan haar billen had gezeten. Daarmee wordt de verklaring van aangeefster ook op dit punt in voldoende mate ondersteund door de verklaring van [getuige 1] .
De rechtbank merkt op dat de verklaring van verdachte - dat dergelijk gedrag niet bij hem past, en dat de aanranding daarom niet gebeurd is - wordt weerlegd door de verklaring van getuige [getuige 2] . [getuige 2] verklaarde dat verdachte die avond vervelend naar vrouwen werd en dat de groep naar huis besloot te gaan nadat verdachte iets bij een andere vrouw had gedaan. De rechtbank acht het ten slotte niet aannemelijk geworden dat aangeefster, samen met de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] , belastend zouden hebben verklaard om geld of een schadevergoeding van verdachte te kunnen verkrijgen, zoals verdachte suggereert. Het dossier bevat in het geheel geen aanwijzingen dat sprake zou zijn van een financieel motief voor het doen van een valse beschuldiging.
De rechtbank komt op grond van het bovenstaande tot een bewezenverklaring van de ten laste gelegde handelingen.
Opzetaanranding
De rechtbank zal vervolgens de vraag beantwoorden of er sprake is van opzetaanranding.
Opzetaanranding heeft betrekking op situaties waarin de dader opzettelijk de ontbrekende wil bij de ander negeert of voor lief neemt. Daarbij kan sprake zijn van ‘vol’ opzet of – de ondergrens van de opzetvariant – voorwaardelijk opzet. In dat laatste geval heeft de dader bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de desbetreffende seksuele handelingen plaatsvinden terwijl bij de ander de wil daartoe ontbreekt.
Volgens de Memorie van Toelichting is sprake van opzettelijk handelen als iemand een ander onverhoeds ontuchtig aanraakt. Hij weet dan dat hij voor dit handelen geen toestemming heeft. Daarmee kan opzet worden bewezen: “De opzetvariant van aanranding en verkrachting omvat ook de gevallen waarin sprake is van onverhoeds handelen. Het totaal onverwachts iemand op seksuele wijze betasten getuigt van opzettelijk handelen” (Tweede Kamer, vergaderjaar 2022–2023, 36 222, nr. 3, p. 18).
Uit de bewijsmiddelen is gebleken dat verdachte aangeefster tweemaal van achteren greep, waarbij hij eenmaal in haar bil kneep en later op de avond haar onder haar rokje in haar kruis tastte. Door aangeefster van achteren te benaderen, hierbij geen verder contact te maken en haar opeens vast te pakken, heeft verdachte haar onverhoeds ontuchtig aangeraakt. Verdachte wist dat hij geen toestemming had voor deze aanrakingen. Daarbij komt dat aangeefster, nadat verdachte in haar bil kneep, al tegen verdachte had aangegeven dat hij moest oprotten en dat zij niet gediend was van zijn aanrakingen. Desondanks besloot verdachte om later die avond met zijn hand onverhoeds onder het rokje van aangeefster te gaan en haar geslachtsdelen te betasten. Daarmee acht de rechtbank – voor beide momenten - bewezen dat verdachte opzettelijk aangeefster heeft aangerand, terwijl hij wist dat bij aangeefster de wil ontbrak voor het ondergaan van deze handelingen.
Levert onverhoeds handelen dwang op?
De rechtbank dient vervolgens te beoordelen of verdachte aangeefster heeft gedwongen tot het dulden van deze seksuele handelingen, en dus of sprake is van gekwalificeerde opzetaanranding.
Door de officier van justitie is aangevoerd dat het onverhoedse handelen van verdachte dwang oplevert. Daarmee zou gekwalificeerde opzetaanranding bewezen kunnen worden verklaard.
De rechtbank kijkt hier anders tegenaan en overweegt het volgende.
Onder de oude artikelen 242 en 246 Sr konden verkrachting en (feitelijke) aanranding alleen bewezen worden als sprake was van geweld of een andere feitelijkheid dan wel bedreiging daarmee, kort gezegd: ‘dwang’. Dat leidde ertoe dat met name het bestanddeel ‘andere feitelijkheid’ (en daarmee het aspect van dwang) gaandeweg steeds ruimer werd uitgelegd om tegemoet te komen aan de maatschappelijke behoefte seksuele handelingen, waarbij een van de betrokkenen zich onder druk gezet voelde, onder deze strafbepalingen te kunnen brengen en niet straffeloos te laten zijn. Uitgangspunt hierbij was: “De term "dwingt" in art. 242 Sr dient aldus te worden verstaan dat daaraan slechts is voldaan indien het (voorwaardelijk) opzet van de verdachte mede omvat dat hij iemand handelingen die bestaan of mede bestaan uit seksueel binnendringen, doet ondergaan tegen zijn of haar wil.” (HR 27 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2194; NJ 2019/241).
De nieuwe Wet seksuele misdrijven gaat uit van een ander concept van strafbaar handelen. Seksueel handelen dat al dan niet evident plaats vindt tegen de wil van de ander, is reeds om die reden strafbaar. Opzetaanranding is strafbaar gesteld in het eerste lid van artikel 241 Sr. Als een verdachte daarbij dwang heeft toegepast, is sprake van de gekwalificeerde delictsvorm die strafbaar is gesteld onder lid 2. Dwang, in welke vorm dan ook, is niet meer nodig om grensoverschrijdend seksueel handelen strafbaar te doen zijn. Daarom dient naar het oordeel van de rechtbank de onderhavige zaak onder de huidige wetgeving anders te worden beoordeeld.
De betekenis die onder het oude wetsartikel aan het bestanddeel dwang werd gegeven, kan daarom niet zonder meer worden gelijkgesteld aan de betekenis ervan in de nieuwe wet. De enkele omstandigheid dat artikel 241 lid 2 Sr de ‘rechtsopvolger’ is van artikel 246 (oud) Sr, rechtvaardigt die conclusie niet, juist vanwege het principiële verschil tussen beide wettelijke regelingen.
Het voorgaande brengt de rechtbank tot de conclusie dat voor het geven van nadere invulling aan de strafbepalingen onder de nieuwe wetgeving, de nodige terughoudendheid moet worden betracht bij het gebruik van rechterlijke uitspraken onder het regiem van de oude wetgeving. Er is geen reden om enkele gedragingen die voorheen leidden tot de conclusie ‘dwang’ onder de nieuwe wetgeving nog deze betekenis te laten toekomen. Dat geldt met name voor het aspect ‘onverhoeds optreden’. Hierdoor heeft de dader weliswaar het slachtoffer de mogelijkheid ontnomen zich bijtijds teweer te stellen en haar wil kenbaar te maken, maar het rechtvaardigt niet langer de conclusie dat daarmee ook sprake is van dwang als bedoeld in artikel 241 lid 2 Sr. In gelijke zin oordelen de rechtbank Rotterdam en de rechtbank Den Haag, Rb Rotterdam 28 januari 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:1179, en Rb Den Haag 23 maart 2023, ECLI:NL:RBDHA:2026:6317. In beide vonnissen wordt verwezen naar de niet eenduidige wetsgeschiedenis over de vraag of onverhoeds handelen ook ‘dwang oplevert’. De daar aangehaalde passages uit de wetsgeschiedenis duiden er eerder op dat onverhoeds handelen en dwang een nevengeschikte en aanvullende functie hebben en dus niet identiek zijn. De rechtbank sluit zich daarbij aan.
Gelet op het bovenstaande zal de rechtbank verdachte vrijspreken van het strafverzwarende onderdeel “dwang”. Van geweld of bedreiging is ook niet gebleken, waardoor verdachte van deze onderdelen van de tenlastelegging zal worden vrijgesproken.
Conclusie
De rechtbank acht de primair ten laste gelegde opzetaanranding wettig en overtuigend bewezen.
3De bewezenverklaring
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
hij in of omstreeks de periode tussen 18 oktober 2025 en 20 oktober 2025 te Groesbeek, gemeente Berg en Dal, in elk geval in Nederland met een persoon, te weten [aangever]een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten het op/over de kleding vastpakken, althans betasten van de bil(len) en/of het onder de rok, maar op/over de onderkleding aanraken/betasten van haar geslachtsdeel en/of schaamstreek, terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [aangever] daartoe de wil ontbrak, en welke opzetaanranding werd voorafgegaan door, vergezeld van en/of gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging, door die [aangever] (telkens) van achteren te benaderen en/of (vervolgens) de voornoemde seksuele handelingen oponverhoedse wijze te verrichten.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4De kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
opzetaanranding, meermalen gepleegd
5De strafbaarheid van het feit
Het feit is strafbaar.
6De strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.
7De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 3 maanden, waarvan 89 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat de rechtbank bij de strafoplegging rekening houdt met de omstandigheid dat verdachte terminaal ziek is. De raadsman heeft gewezen op het reclasseringsadvies, waarin naar voren komt dat de reclassering een gevangenisstraf of het uitvoeren van een werkstraf vanwege de gezondheidstoestand van verdachte niet (langer) geïndiceerd vindt. De raadsman heeft ten slotte opgemerkt dat verdachte geen documentatie heeft voor soortgelijke feiten en dat hij in dit stadium van zijn leven veel rust nodig heeft.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het meermalen plegen van opzetaanranding, door [aangever] in haar bil te knijpen en later met zijn hand onder haar rok te gaan en haar geslachtsdeel aan te raken. Verdachte heeft hiermee inbreuk gemaakt op haar lichamelijke en seksuele integriteit. De rechtbank neemt het verdachte kwalijk dat hij geen enkele verantwoordelijkheid voor zijn handelen heeft genomen en de verklaring van aangeefster steeds heeft afgedaan als onzin en een complot om geld van hem te krijgen.
Uit de justitiële documentatie van verdachte van 16 juni 2026 blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten.
De rechtbank heeft acht geslagen op de rapportage van de Reclassering Nederland van 29 juni 2026. De reclassering beschrijft in de rapportage dat er geen sprake is van een delictpatroon. Verdachte is kortgeleden gediagnosticeerd met terminale, uitgezaaide kanker. Dit maakt dat verdachte niet meer aan het werk is in zijn eigen bedrijf, weinig energie meer heeft en zware pijnstilling slikt. De reclassering ziet in deze fase van het leven van verdachte geen risicofactoren meer. Verdachte beschikt over een steunend sociaal netwerk en woont naar tevredenheid bij zijn vader. De reclassering kan gelet op de ontkenning door verdachte vooralsnog geen problemen op het gebied van seksuele beleving identificeren en de mogelijkheid van delictgerelateerdheid niet onderzoeken. Uit het gesprek met verdachte komen evenwel op dit moment geen deviante seksuele voorkeuren naar voren. Op basis van de beschikbare informatie en gezien de ontkennende houding van verdachte, maar ook gezien de fase van zijn leven waarin hij zich bevindt, ziet de reclassering geen aanknopingspunten voor interventies. De reclassering ziet de gezondheidstoestand van verdachte als belangrijke contra-indicatie voor een gevangenisstraf en acht een werkstraf ook niet meer uitvoerbaar. De rechtbank neemt dit advies over.
Gelet op de ernst van het feit is het uitgangspunt dat voor een dergelijk feit een gevangenisstraf of een werkstraf wordt opgelegd. De rechtbank vindt het van belang dat een duidelijk signaal naar verdachte wordt afgegeven dat dergelijk gedrag ontoelaatbaar is. Echter ziet de rechtbank ook dat de gezondheidstoestand van verdachte oplegging van een gevangenisstraf of werkstraf niet langer mogelijk maakt. Verdachte is terminaal ziek en heeft naar alle waarschijnlijkheid niet lang meer te leven. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het niet langer opportuun of geïndiceerd om een straf of maatregel op te leggen.
8De beoordeling van de civiele vordering
De benadeelde partij [aangever] heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 2.000,- aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden afgewezen, dan wel dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard gelet op de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de raadsman betoogd dat de vordering onvoldoende onderbouwd is, hetgeen moet leiden tot een afwijzing of een niet-ontvankelijkheidsverklaring. Meer subsidiair heeft de raadsman betoogd dat de vordering dient te worden gematigd.
Overweging van de rechtbank
De benadeelde partij heeft in haar vordering beschreven dat zij het bewezenverklaarde handelen van verdachte als zeer ingrijpend en grensoverschrijdend heeft ervaren. Als gevolg hiervan stelt de benadeelde partij last te hebben van angstklachten, gevoelens van schaamte en zich vies voelen. Daarnaast beschrijft de benadeelde emotionele klachten, zoals het snel geëmotioneerd raken en stress wanneer zij aan de gebeurtenissen denkt.
De rechtbank neemt zonder meer aan dat bij de benadeelde partij sprake was (en is) van psychisch onbehagen en gevoelens van schaamte en kwetsbaarheid. Daarmee is echter nog geen sprake van aantasting in de persoon op andere wijze. De rechtbank overweegt daartoe dat zij bij gebrek aan (medische) stukken niet kan vaststellen dat sprake is van geestelijk letsel en dat de aard en de ernst van de normschending in dit geval niet zodanig zijn, dat de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat aantasting in de persoon kan worden aangenomen.
Dit betekent dat er geen wettelijke grondslag is voor toewijzing van de vordering tot smartengeld. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk in de vordering verklaren. De benadeelde partij kan haar vordering nog bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
9De toegepaste wettelijke bepalingen
De oplegging van de straf is gegrond op de artikelen 9a en 241 van het Wetboek van Strafrecht.
10De beslissing
De rechtbank:
verklaart bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
bepaalt dat geen straf of maatregel wordt opgelegd;
verklaart de benadeelde partij [aangever] niet-ontvankelijk in de vordering tot smartengeld.
Dit vonnis is gewezen door mr. I.D. Jacobs (voorzitter), mr. A.J.H. Steenweg en mr. S.H.W. Martens, rechters, in tegenwoordigheid van mr. V. Buscop, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 28 juli 2026.
Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL2025522226, gesloten op 13 februari 2026 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
Proces-verbaal van aangifte [aangever] , p. 9-10.
Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , p. 13-15.
Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] , p. 17-18.