Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Gelderland

ECLI:NL:RBGEL:2026:5799

2026-06-05 Strafrecht 05-297666-24
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Gelderland
Uitspraakdatum
2026-06-05
Publicatiedatum
2026-07-16
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Zaaknummer
05-297666-24
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt verdachte wegens overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen, tot een geldboete van € 1.000,- en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van 3 maanden met een proeftijd van 2 jaar.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (20.794 tekens)
RECHTBANK GELDERLAND




Team strafrecht



Zittingsplaats Arnhem



Parketnummer: 05.297666.24
Datum uitspraak : 5 juni 2026



Verstek




vonnis van de meervoudige kamer




in de zaak van




de officier van justitie




tegen





[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1969 in [geboorteplaats] (Duitsland),
wonende aan [adres] in [woonplaats] (Duitsland)



Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen.





1De inhoud van de tenlastelegging


Aan verdachte is ten laste gelegd dat:



hij op of omstreeks 30 maart 2024 te Nijmegen als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, het Keizer Karelplein, op de kruising met de Oranjesingel,aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte, terwijl ter hoogte van voormelde kruising, de aldaar geplaatste, voor hem, verdachte, van toepassing zijnde en in zijn richting gekeerd verkeerslicht reeds ongeveer 7 seconden rood licht uitstraalde, inhoudende: "Stop",

- niet of in onvoldoende mate heeft gekeken kijken en/of is blijven kijken naar het direct voor hem gelegen weggedeelte van die weg (het Keizer Karelplein) en/of het voor hem bestemde en geldende verkeerslicht en/of het zich op de kruisende weg, de Oranjesingel, bevindende verkeer en/of
- in strijd met artikel 62 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 geen gevolg heeft gegeven aan het in 68 lid 1 onder c van het voormeld reglement gestelde gebod of verbod, door met dat door hem bestuurde voertuig (personenauto) niet ingevolge het gestelde in artikel 79 van voormeld reglement voor de aldaar zich op het wegdek van die weg (het Keizer Karelplein) voor die kruising aangebrachte stopstreep te stoppen en/of
- in strijd met artikel 68 lid 1 onder c en/of lid 6 van voormeld reglement, zonder te stoppen, door rood is gereden en/of een op de kruisende weg (de Oranjesingel) of op die kruising, gezien zijn, verdachtes, rijrichting dicht van rechts genaderd zijnde bromfiets niet voor heeft laten gaan en/of
- in strijd met artikel 19 van voormeld reglement de snelheid van dat door hem bestuurde voertuig (personenauto) niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was dat voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die weg en/of die kruising kon overzien en waarover deze vrij was/waren en/of
- is gebotst tegen, althans in aanrijding gekomen met, voornoemde bromfiets, ten gevolge waarvan de bestuurder van die bromfiets ten val is gekomen, en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;


subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:



hij op of omstreeks 30 maart 2024 te Nijmegen als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, het Keizer Karleplein, op de kruising met de Oranjesingel, terwijl ter hoogte van voormelde kruising, de aldaar geplaatste, voor hem, verdachte, van toepassing zijnde en in zijn richting gekeerd verkeerslicht reeds ongeveer 7 seconden rood licht uitstraalde, inhoudende: "Stop",

- niet of in onvoldoende mate heeft gekeken kijken en/of is blijven kijken naar het direct voor hem gelegen weggedeelte van die weg (het Keizer Karelplein) en/of het voor hem bestemde en geldende verkeerslicht en/of het zich op de kruisende weg, de Oranjesingel, bevindende verkeer en/of
- in strijd met artikel 62 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 geen gevolg heeft gegeven aan het in 68 lid 1 onder c van het voormeld reglement gestelde gebod of verbod, door met dat door hem bestuurde voertuig (personenauto) niet ingevolge het gestelde in artikel 79 van voormeld reglement voor de aldaar zich op het wegdek van die weg (het Keizer Karelplein) voor die kruising aangebrachte stopstreep te stoppen en/of
- in strijd met artikel 68 lid 1 onder c en/of lid 6 van voormeld reglement, zonder te stoppen, door rood is gereden en/of een op de kruisende weg (de Oranjesingel) of op die kruising, gezien zijn, verdachtes, rijrichting dicht van rechts genaderd zijnde​​​​​​ bromfiets niet voor heeft laten gaan en/of
- in strijd met artikel 19 van voormeld reglement de snelheid van dat door hem bestuurde voertuig (personenauto) niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was dat voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die weg en/of die kruising kon overzien en waarover deze vrij was/waren en/of- is gebotst tegen, althans in aanrijding gekomen met, voornoemde bromfiets, ten gevolge waarvan de bestuurder van die bromfiets ten val is gekomen, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;


meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:hij op of omstreeks 30 maart 2024 te Nijmegen als bestuurder van een voertuig (personenauto) op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, het Keizer Karleplein, op de kruising met de Oranjesingel, geen gevolg heeft gegeven aan een verkeersteken dat een gebod of verbod inhoudt, immers niet is gestopt voor een voor zijn rijrichting bestemd driekleurig verkeerslicht dat roodlicht uitstraalde, waarbij letsel aan personen is ontstaan of schade aan goederen istoegebracht.



2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs





Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair tenlastegelegde.




Beoordeling door de rechtbank

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.



Bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal FO verkeer, p. 26 en 28;
- het proces-verbaal van verhoor van slachtoffer [slachtoffer] , p. 63-64;
- het proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 96-99;
- de Forensisch medische letselrapportage met benoeming, p. 2 en 14-15 (aanvullend).



De mate van schuld

Hoewel verdachte heeft bekend het feit te hebben gepleegd, dient de rechtbank alsnog de vraag te beantwoorden of verdachte schuld heeft gehad aan het verkeersongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994).



Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van schuld in de zin van dit artikel komt het volgens vaste jurisprudentie aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval (zie het arrest van de Hoge Raad van 4 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:470). Het gedrag van de verdachte wordt in die beoordeling afgemeten aan dat wat van een verkeersdeelnemer in het algemeen en gemiddeld genomen mag worden verwacht. Dit toetsingskader brengt mee dat niet in zijn algemeenheid valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende is voor de bewezenverklaring van schuld. Voorts kan niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag worden afgeleid dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW 1994.



Bovendien kan uit de rechtspraak van de Hoge Raad niet als algemene regel worden afgeleid dat schuld in de zin van artikel 6 WVW 1994 in geen geval kan worden bewezenverklaard als de gedraging van de verdachte die heeft geleid tot het ongeval, haar aanleiding vindt in uitsluitend een enkel moment van onoplettendheid. De omstandigheden van het geval – waartoe ook de aard van de verkeerssituatie kan worden gerekend – kunnen immers zodanige aandacht vergen dat ook een kort moment van onoplettendheid als zeer onvoorzichtig kan worden aangemerkt (zie het arrest van de Hoge Raad van 15 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1398, r.o. 2.6.3).
Verdachte is op het drukke Keizer Karelplein op de kruising met de Oranjesingel in Nijmegen het verkeerslicht gepasseerd, terwijl dit al zeven seconden rood licht uitstraalde. Ervan uitgaande dat hij dit niet opzettelijk heeft gedaan, is verdachte erg onoplettend geweest door onvoldoende te kijken naar de weg en de verkeerslichten voor hem, evenals naar het verkeer op de Oranjesingel. Als hij dat wel had gedaan, had hij immers opgemerkt dat het verkeerslicht rood licht uitstraalden en dat fietsers en voetgangers doende waren de Oranjesingel over te steken. Verdachte heeft vervolgens, terwijl hij zonder te stoppen de stopstreep passeerde en door het rode licht reed, geen oog gehad voor de dicht van rechts genaderde bromfiets, die hij niet voor heeft laten gaan. Hij was niet meer in staat om tijdig zijn auto tot stilstand te brengen, waardoor hij in aanrijding is gekomen met [slachtoffer] , de bestuurder van die bromfiets. Door deze aanrijding is [slachtoffer] ten val gekomen.



Alles overziend is de rechtbank van oordeel dat verdachte voorafgaand aan het ongeval niet de bij de omstandigheden en (bijzondere) situatie ter plaatse passende voorzichtigheid en oplettendheid heeft betracht en derhalve verwijtbaar aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gehandeld.




Zwaar lichamelijk letsel

Om te komen tot een bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit moet naast de schuldvraag worden vastgesteld of het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel of zodanig letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.




[slachtoffer] heeft door het ongeval meerdere botbreuken opgelopen. Er zijn botbreuken ontstaan aan zijn linkerscheenbeen, linkerkuitbeen en aan de binnenkant van zijn linkerenkel. Omdat het om complexe botbreuken ging, moest hij meermaals worden geopereerd aan zijn linkerbeen. Er ontstonden ook meerdere complicaties (beknelling spieren onderbeen, wondinfectie, longembolieën, inadequate botgenezing). Vervolgens moest hij ruim drieënhalve maand in een herstelcentrum verblijven.



Gelet op de aard van het letsel, de noodzaak en aard van het operatief ingrijpen en de ruime revalideringstijd acht de rechtbank bewezen dat aan [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel is toegebracht.



Concluderend oordeelt de rechtbank dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair tenlastegelegde.





3De bewezenverklaring


Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, te weten dat:



hij op of omstreeks 30 maart 2024 te Nijmegen als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, het Keizer Karelplein, op de kruising met de Oranjesingel,aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte, terwijl ter hoogte van voormelde kruising, het aldaar geplaatste, voor hem, verdachte, van toepassing zijnde en in zijn richting gekeerd verkeerslicht reeds ongeveer 7 seconden rood licht uitstraalde, inhoudende: "Stop",



- niet of in onvoldoende mate heeft gekeken kijken en/of is blijven kijken naar het direct voor hem gelegen weggedeelte van die weg (het Keizer Karelplein) en/of het voor hem bestemde en geldende verkeerslicht en/of het zich op de kruisende weg, de Oranjesingel, bevindende verkeer en/of
- in strijd met artikel 62 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 geen gevolg heeft gegeven aan het in 68 lid 1 onder c van het voormeld reglement gestelde gebod of verbod, door met dat door hem bestuurde voertuig (personenauto) niet ingevolge het gestelde in artikel 79 van voormeld reglement voor de aldaar zich op het wegdek van die weg (het Keizer Karelplein) voor die kruising aangebrachte stopstreep te stoppen en/of
- in strijd met artikel 68 lid 1 onder c en/of lid 6 van voormeld reglement, zonder te stoppen, door rood is gereden en/of een op de kruisende weg (de Oranjesingel) of op die kruising, gezien zijn, verdachtes, rijrichting dicht van rechts genaderd zijnde bromfiets niet voor heeft laten gaan en/of
- in strijd met artikel 19 van voormeld reglement de snelheid van dat door hem bestuurde voertuig (personenauto) niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was dat voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die weg en/of die kruising kon overzien en waarover deze vrij was/waren en/of

- is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met, voornoemde bromfiets, ten gevolge waarvan de bestuurder van die bromfiets ten val is gekomen, en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;


Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.



Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.





4De kwalificatie van het bewezenverklaarde


Het bewezenverklaarde levert op:




overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen.






5De strafbaarheid van het feit


Het feit is strafbaar.





6De strafbaarheid van de verdachte


Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.






7De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel



Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 1.000,00 en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van drie maanden met een proeftijd van twee jaren.




De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.




Ernst van het feit

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het veroorzaken van een verkeersongeval door op het Keizer Karelplein, op de kruising met de Oranjesingel, niet te stoppen voor het verkeerslicht dat al ongeveer zeven seconden op rood stond, waardoor hij in aanrijding is gekomen met de bromfiets van [slachtoffer] , die hierdoor ten val kwam. [slachtoffer] heeft verschillende breuken opgelopen, waarvoor hij meermalen moest worden geopereerd. Daarnaast heeft [slachtoffer] ruim drie maanden in een herstelcentrum moeten doorbrengen.



Met zijn handelen heeft verdachte niet alleen de verkeersveiligheid in gevaar gebracht, maar ook zwaar lichamelijk letsel toegebracht aan [slachtoffer] . Dit rekent de rechtbank hem aan.




Persoonlijke omstandigheden van verdachte

Uit zijn justitiële documentatie van 21 januari 2025 blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor verkeersfeiten, dan wel voor enig ander feit, terwijl hij al geruime tijd over een rijbewijs beschikt.




De strafoplegging

Volgens de LOVS-oriëntatiepunten wordt doorgaans een taakstraf en een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid opgelegd in geval van aanmerkelijke schuld aan het veroorzaken van een verkeersongeval dat zwaar lichamelijk letsel tot gevolg heeft. Hoewel de rechtbank het bewezenverklaarde juridisch kwalificeert als overtreding van artikel 6 WVW, ziet de rechtbank ook dat deze zaak aan de ondergrens van artikel 6 WVW raakt.



De rechtbank weegt ook mee dat feit is gepleegd op 30 maart 2024, terwijl de rechtbank meer dan twee jaar later uitspraak doet. De redelijke termijn is dus overschreden. De rechtbank ziet hierin mede reden om geen taakstraf op te leggen, maar een geldboete ter hoogte van € 1.000,00 en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van drie maanden met een proeftijd van één jaar. Uit het procesdossier maakt de rechtbank op dat verdachten schulden heeft. Daarom beslist de rechtbank dat de geldboete van € 1.000,00 betaald mag worden in tien termijnen van telkens € 100,00 euro per maand.





8De toegepaste wettelijke bepalingen


De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen:

- 14 a, 14b, 23, 24a en 24c van het Wetboek van Strafrecht;
- 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.





9De beslissing


De rechtbank:



 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;



 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;



 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;



 vernietigt de uitgevaardigde strafbeschikking;



 legt op een geldboete van € 1.000,00, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 dagen hechtenis;



 bepaalt dat verdachte het bedrag mag betalen in tien maandelijkse termijnen van elk € 100,00;



 ontzegt verdachte ten aanzien van het bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 3 maanden;



 bepaalt dat deze ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van een jaar schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit.











Dit vonnis is gewezen door mr. A. de Gooijer (voorzitter), mr. R.D. Leen en mr. F.J.H. Hovens, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.C. van Geemen en mr. M.M. Aalbers, griffiers, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 5 juni 2026.
















mr. De Gooijer en mr. Van Geemen zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.































Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] van de politie Oost-Nederland, brigadier van het Politiedienstencentrum, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600 2024145075, gesloten op 13 september 2024 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.