Rechtbank Gelderland
ECLI:NL:RBGEL:2026:5769
2026-07-10
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/05/443076/FZ RK 24-2618 en C/05/451780/FZ RK 25-1188
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Echtscheiding. Geen contra-indicatie voor gelijke zorgverdeling. Echter geen concrete onderbouwing dat uitbreiding zorgregeling praktisch gezien haalbaar is voor de man. Verdiencapaciteit voor de vrouw bij kinderalimentatie vanwege tekort in draagkracht en praktische mogelijkheden voor de vrouw. Verdeling ontbonden gemeenschap. Vergoedingsrecht man bij verdeling woning.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (45.758 tekens)
RECHTBANK GELDERLAND
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Zutphen
Zaaknummer: C/05/443076 / FZ RK 24-2618 (echtscheiding)
C/05/451780 / FZ RK 25-1188 (verdeling)
Datum uitspraak: 10 juli 2026
beschikking echtscheiding met nevenvoorzieningen
in de zaak van
[naam vrouw]
,
hierna te noemen de vrouw,
wonend in [woonplaats] ,
advocaat mr. E.N. Mulder uit Nijkerk,
en
[naam man]
,
hierna te noemen de man,
wonend in [woonplaats] ,
advocaat mr. G.B. van de Bunt uit Putten.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift van de vrouw, ontvangen op [scheidingsdatum] ;
het betekeningsexploot van 11 november 2024;
het verweerschrift van de man met bijlagen, met daarin zelfstandige verzoeken (tegenverzoeken), ontvangen op 22 april 2025;
het verweerschrift op zelfstandige verzoeken, ontvangen op 19 mei 2025;
het proces-verbaal van 28 mei 2025 waaruit blijkt dat de zaak is aangehouden, omdat partijen zijn doorverwezen naar een hulptraject;
het F9-formulier met bijlage van de vrouw van 7 oktober 2025;
het F9-formulier van de man van 30 oktober 2025;
het F9-formulier met bijlagen van de vrouw van 21 mei 2026;
het F9-formulier met bijlagen van de man van 26 mei 2026;
het F9-formulier met bijlagen van de vrouw van 27 mei 2026;
het F9-formulier met bijlagen van de man van 2 juni 2026;
het F9-formulier met bijlagen van de vrouw van 3 juni 2026.
1.2.
De zitting heeft plaatsgevonden op 5 juni 2026. Daarbij waren beide partijen, bijgestaan door hun advocaten aanwezig. Ook was er een zittingvertegenwoordigster van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) aanwezig.
2Wat vaststaat
2.1.
Partijen zijn met elkaar gehuwd op [huwelijksdatum] in [huwelijksplaats] . Partijen hebben de Nederlandse nationaliteit.
2.2.
De minderjarige kinderen van partijen zijn:
[naam kind 1]
, geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] ;
[naam kind 2]
, geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] .
2.3.
Bij beschikking voorlopige voorzieningen van 10 juni 2025 heeft deze rechtbank voor de duur van dit geding:
de kinderen van partijen aan de vrouw toevertrouwd;
de zorg- en opvoedingstaken verdeeld aldus dat [kind 1] en [kind 2] bij de man verblijven van dinsdag 17.30 uur tot donderdag 7.15 uur, en om het weekend van vrijdag 17.00 uur tot zondag 17.00 uur, alsmede de helft van de vakanties en feestdagen, waarbij de kinderen door de ouder bij wie ze verblijven naar de andere ouder worden gebracht;
bepaald dat de man € 303 per kind per maand voor [kind 1] en [kind 2] zal betalen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding, met ingang van 21 maart 2025, telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen.
3De verzoeken
3.1.
De vrouw verzoekt - na wijziging - de rechtbank om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad voor zover de wet dit toelaat:
de echtscheiding tussen partijen uit te spreken;
te bepalen dat [kind 1] en [kind 2] hun hoofdverblijf hebben bij de vrouw;
te bepalen dat de kinderen bij de man verblijven om het weekend van vrijdag
17.00
uur tot zondag 17.00 uur, alsmede de helft van de vakanties en feestdagen;
4. te bepalen dat de man aan de vrouw voldoet een bedrag van € 414,50 per kind per maand, met ingang van de datum dat de vrouw haar intrek neemt in een eigen woning, althans een bedrag die de rechtbank in goede justitie redelijk en passend acht;
5. voorwaardelijk: te bepalen dat de man aan de vrouw voldoet een bedrag van
€ 414,50 per kind per maand met ingang van de datum dat de man de woonlasten en gebruikslasten van de woning niet meer voldoet en de vrouw (de helft van) deze kosten zal moeten voldoen, althans een bedrag en tegen een datum die de rechtbank in goede justitie redelijk en passend acht.
Kosten rechtens.
3.2.
De man verzoekt de rechtbank om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. tussen partijen de echtscheiding uit te spreken;
II. te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van [kind 2] bij de man wordt bepaald en de hoofdverblijfplaats van [kind 1] bij de vrouw;
III. een zorgregeling te bepalen inhoudende dat de kinderen:
op maandag en dinsdag bij de man verblijven, op woensdag bij de kinderopvang
zijn en op donderdag en vrijdag bij de vrouw verblijven;
de ene week het gehele weekend bij de man en de andere week het gehele weekend bij de vrouw verblijven;
en waarbij de schoolvakanties als volgt worden verdeeld:
In de even jaren verblijven de kinderen de eerste helft van elke schoolvakantie bij de man en de tweede helft bij de vrouw. In de oneven jaren is de volgorde andersom. Onder schoolvakanties vallen: de voorjaarsvakantie, meivakantie, zomervakantie, herfstvakantie en kerstvakantie;
en waarbij de feestdagen als volgt worden verdeeld:
o eerste paasdag: even jaren bij de man, oneven jaren bij de vrouw;
o tweede paasdag: even jaren bij de vrouw, oneven jaren bij de man;
o Koningsdag: even jaren bij de vrouw, oneven jaren bij de man;
o Hemelvaartsdag: even jaren bij de man, oneven jaren bij de vrouw;
o eerste pinksterdag: even jaren bij de vrouw, oneven jaren bij de man;
o tweede pinksterdag: even jaren bij de man, oneven jaren bij de vrouw;
o eerste kerstdag: even jaren bij de man, oneven jaren bij de vrouw;
o tweede kerstdag: even jaren bij de vrouw, oneven jaren bij de man;
o oudjaarsdag: even jaren bij de vrouw, oneven jaren bij de man;
o nieuwjaarsdag: even jaren bij de man, oneven jaren bij de vrouw;
IV. te bepalen dat de man een bijdrage in de kosten van zorg en opvoeding aan de vrouw voldoet van € 252 voor beide kinderen samen, telkens voor de eerste van iedere maand te voldoen;
V. partijen te veroordelen over te gaan tot verdeling van de beperkte gemeenschap, in
die zin:
dat de woning wordt verdeeld conform het volgende spoorboekje:
o de man dient binnen vier maanden na de taxatie aan te tonen dat hij de woning tegen de getaxeerd waarde, minus zijn vergoedingsrecht, kan overnemen, onder ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldlening;
o de over- dan wel onderwaarde wordt tussen partijen gedeeld danwel gedragen op de volgende wijze: de over- dan wel onderwaarde bestaat uit de getaxeerde waarde minus de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldlening ten tijde van de overdracht, minus de kosten van de makelaar-taxateur en de kosten van de overdracht en eventuele andere kosten in verband met het ontslaan van de man uit de hoofdelijke aansprakelijkheid – minus het vergoedingsrecht van de man;
o van het restantbedrag heeft de vrouw recht op 50% van de resterende overwaarde;
o partijen verlenen over en weer op eerste verzoek van de ander hun medewerking aan de notariële overdracht van de woning;
o indien de man de woning niet kan overnemen binnen de bovengenoemde termijn van vier maanden, dan wordt de woning verkocht aan een derde onder de volgende voorwaarden:
a. partijen dienen binnen 1 week nadat hierboven genoemde termijn is verstreken, of nadat de man kenbaar heeft gemaakt de woning niet te kunnen overnemen, een gezamenlijke opdracht te verstrekken aan een nader genoemde makelaar-taxateurs tot verkoop van de woning;
b. deze makelaar-taxateur adviseert partijen bindend over de vast te stellen vraag- en laatprijs van de woning;
c. de over- dan wel onderwaarde wordt tussen partijen gedeeld conform de hiervoor genoemde wijze;
d. bij verkoop wordt een minimale overdrachtstermijn van 5 maanden gehanteerd, zodat de man de kinderen een woning kunnen vinden.
te bepalen dat de man een vergoedingsrecht heeft op de beperkte gemeenschap van 13,5% van de te taxeren waarde van de echtelijke woning terzake zijn inbreng in de echtelijke woning;
te bepalen dat partijen het tijdens het huwelijk opgebouwde spaargeld en ander vermogen bij helfte dienen te verdelen;
te bepalen dat de man de Peugeot toebedeeld krijgt en de vrouw de Suzuki Alto, onder verrekening van de helft van de waardes.
4De beoordeling
Bevoegdheid
4.1.
Deze rechtbank is bevoegd omdat partijen in het rechtsgebied van de rechtbank Gelderland wonen.
Het ontbreken van het ouderschapsplan (ontvankelijkheid)
4.2.
In de wet staat dat een verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan moet bevatten dat beide partijen hebben ondertekend. In het ouderschapsplan staan de afspraken die partijen over hun kinderen hebben gemaakt. Deze afspraken moeten in ieder geval gaan over de manier waarop zij de zorg over hun kinderen zullen verdelen, hoe zij elkaar over hun kinderen zullen informeren en raadplegen en hoe zij de kosten van hun kinderen zullen delen.
4.3.
Geen van beide partijen heeft een ouderschapsplan ingediend.
4.4.
De rechtbank is van oordeel dat partijen ontvankelijk zijn in hun verzoeken tot echtscheiding ook al ontbreekt een ouderschapsplan. Dat wil zeggen dat de rechtbank de verzoeken tot echtscheiding in behandeling neemt. Van partijen kan niet worden verwacht dat zij alsnog samen een ouderschapsplan maken, omdat zij het niet eens zijn over de afspraken over [kind 1] en [kind 2] .
De echtscheiding
4.5.
De rechtbank spreekt de echtscheiding tussen partijen uit zoals door beide partijen is verzocht, omdat zij vinden dat hun huwelijk duurzaam is ontwricht. Dat betekent dat zij niet samen verder kunnen als echtgenoten.
4.6.
Omdat de rechtbank de echtscheiding tussen partijen uitspreekt, komt zij toe aan de beoordeling van de nevenverzoeken. Door partijen zijn er verzoeken gedaan over:
de hoofdverblijfplaats van [kind 1] en [kind 2] ;
de zorgregeling;
de kinderalimentatie;
de vermogensrechtelijke afwikkeling van het huwelijk.
De rechtbank zal deze onderwerpen hierna bespreken.
De hoofdverblijfplaats van [kind 1] en [kind 2]
4.7.
De rechtbank zal de hoofdverblijfplaats van [kind 1] en [kind 2] bij de vrouw bepalen. Op basis van de hierna te bespreken zorgregeling verblijven [kind 1] en [kind 2] de meerderheid van de tijd bij de vrouw. Het is in het belang van de kinderen om de juridische realiteit in overeenstemming te brengen met de feitelijke realiteit. Ook heeft de vrouw tijdens de zitting onbetwist gesteld dat zij alle regeltaken rondom de kinderen op zich neemt, zodat het ook in die zin in het belang van de kinderen is als zij hun hoofdverblijf bij de vrouw hebben. Verder is de rechtbank het met de vrouw eens dat een financieel motief, zoals de man ter onderbouwing van zijn verzoek aanvoert, onvoldoende is om het verzoek van de man om de hoofdverblijfplaats van [kind 2] bij hem te bepalen toe te wijzen.
De zorgregeling
De reguliere zorgregeling
4.8.
De rechtbank zal de zorgregeling die als voorlopige voorziening is vastgesteld, vaststellen als definitieve zorgregeling. De rechtbank licht dit toe als volgt. De kinderen (en partijen zelf) zijn gebaat bij rust en duidelijkheid. Die rust en duidelijkheid is gecreëerd met de voorlopige zorgregeling. Hoewel de vrouw stelt dat de voorlopige zorgregeling niet goed verloopt, heeft zij deze stelling desgevraagd niet kunnen onderbouwen, zodat de rechtbank hieraan voorbij gaat. Volgens de man verloopt de voorlopige zorgregeling goed. Hij zou echter de zorgtaken nog meer gelijkwaardig willen verdelen. De man stelt dat hij de mogelijkheden heeft om zijn arbeidsduur en werktijden aan te passen, zodat hij een groter deel van de zorgtaken op zich kan nemen. De man heeft echter niets concreets ter onderbouwing van die stelling aangevoerd. Verder verwacht de man dat de dagen waarop de kinderen naar de kinderopvang gaan eenvoudig gewisseld kunnen worden, zodat de door hem verzochte zorgregeling mogelijk wordt. Hij heeft echter nog geen concreet onderzoek gedaan of dit inderdaad tot de mogelijkheden behoort. Gelet op deze onzekerheden acht de rechtbank het niet in de belang van de kinderen om de zorgregeling op dit moment te wijzigen, omdat dit de nu bestaande rust en duidelijkheid in gevaar brengt. Wat de rechtbank en de Raad betreft zijn er echter geen contra-indicaties om de zorgregeling tussen de kinderen en de man uit te breiden als hiervoor concrete mogelijkheden ontstaan. Hierbij heeft de Raad partijen tijdens de zitting nog willen meegeven dat het belangrijk is dat partijen zich niet blindstaren op een exacte 50/50 verdeling. Het is ook belangrijk om te koesteren wat er nu al wel is, namelijk dat de kinderen met beide ouders een goede band hebben en dat zij beide ouders meerdere dagen per week zien. Verder heeft de Raad gezegd dat het belangrijk is dat partijen elkaar waar mogelijk vrijheid geven om hun eigen draai aan de opvoeding te geven, vertrouwen houden in elkaars (opvoed)kwaliteiten en dit ook richting de kinderen uitstralen. Voor de kinderen is het belangrijk om van beide ouders emotionele toestemming te ervaren om het fijn te hebben bij de andere ouder. De rechtbank sluit zich bij dit advies aan.
4.9.
Partijen hebben tijdens de zitting afgesproken dat de wisselmomenten op dinsdag om 17.00 uur zijn en op donderdag om 07.30 uur. De rechtbank zal zo beslissen.
De vakanties en feestdagen
4.10.
Partijen hebben tijdens de zitting afgesproken dat zij de zomervakanties in onderling overleg verdelen conform het schema 1-2-2-1. Voor de overige vakanties en de verdeling van de feestdagen stemt de vrouw in met de verzoeken van de man op dit punt, waarbij de vrouw het wel belangrijk vindt dat er een tijdstip wordt vastgelegd voor de wisselmomenten. Partijen hebben tijdens de zitting afgesproken dat het wisselmoment om 17.00 uur is. De rechtbank zal zo beslissen. Hierbij merkt de rechtbank op dat de man zijn verzoek met betrekking tot oudjaarsdag en nieuwjaarsdag niet in overeenstemming met zijn bedoeling heeft geformuleerd. Omdat oudjaarsdag in een ander jaar valt dan nieuwjaarsdag zou het verzoek van de man neerkomen op de ene keer beide dagen bij de man en de andere keer beide dagen bij de vrouw. De rechtbank zal dit aanpassen naar de bedoeling dat deze dagen telkens tussen de ouders verdeeld worden.
De kinderalimentatie
Conclusie
4.11.
De rechtbank zal beslissen dat de man vanaf de datum van inschrijving van deze echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand een kinderalimentatie van € 166 per kind per maand aan de vrouw moet betalen. De rechtbank legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt. Daarbij gaat zij in op de standpunten van partijen, voor zover die voor de beoordeling van belang zijn. De berekeningen die de rechtbank heeft gemaakt, zijn als bijlagen aan deze beschikking toegevoegd. Bij de berekeningen rondt de rechtbank af op hele euro’s.
Ingangsdatum
4.12.
Voordat de rechtbank kan gaan rekenen, moet zij weten welke gegevens en belastingtarieven zij moet gebruiken bij die berekening. Daarom moet de rechtbank eerst beslissen vanaf welk moment de kinderalimentatie gaat gelden.
4.13.
Tijdens de zitting zijn partijen het eens geworden dat de kinderalimentatie ingaat per de datum dat deze echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
Behoefte
4.14.
Bij de berekening van kinderalimentatie wordt eerst gekeken naar wat de kosten van een kind zijn. Dat wordt de ‘behoefte’ van het kind genoemd. De hoogte van de behoefte hangt af van de hoogte van het gezinsinkomen. Hoe meer ouders te besteden hebben, hoe meer zij uitgeven aan hun kinderen. Verder wordt rekening gehouden met het aantal kinderen dat tot het gezin behoort. Uit onderzoek blijkt namelijk dat naarmate er meer kinderen tot het huishouden behoren, de totale kosten van de kinderen weliswaar stijgen, maar dat de gemiddelde kosten per kind daartegenover dalen.
4.15.
In de procedure voorlopige voorzieningen is de behoefte van [kind 1] en [kind 2] in 2025 berekend op € 1.084 per maand. Partijen zijn het eens om in onderhavige procedure ook uit te gaan van die behoefte. Gecorrigeerd voor de inflatie (geïndexeerd) is dat nu in 2026 € 1.134 per maand, dus € 567 per kind per maand.
Draagkracht ouders
4.16.
Bij de berekening van de kinderalimentatie moet vervolgens worden vastgesteld wat ieder van de ouders kan betalen. Dat wordt de ‘draagkracht’ van de ouders genoemd. Volgens de wet moeten de ouders namelijk naar draagkracht in de behoefte van de kinderen voorzien.
4.17.
Daarvoor maakt de rechtbank gebruik van de methode die de Expertgroep Alimentatie van de Rechtspraak heeft ontwikkeld. Bij die methode kijkt de rechtbank naar wat er van het inkomen van een ouder overblijft nadat de noodzakelijke lasten zijn betaald. Aan de inkomstenkant rekent de rechtbank met het netto besteedbaar maandinkomen (NBI) van een ouder. Aan de uitgavenkant rekent zij met een woonbudget van 30% van het NBI en een forfaitair bedrag voor vaste lasten. Dat forfaitaire bedrag is gebaseerd op de bijstandsnorm. Daarnaast kan de rechtbank ook rekening houden met eventuele overige lasten. Die lasten moeten dan niet verwijtbaar en niet vermijdbaar zijn. Alle uitgaven vormen met elkaar het ‘draagkrachtloos inkomen’. Het NBI verminderd met het draagkrachtloos inkomen leidt tot de ‘draagkrachtruimte’. Van de draagkrachtruimte is 70% beschikbaar voor de kinderen. In dit geval ziet die berekening er als volgt uit: 70% [NBI – (NBI X 0,3 + 1365)].
Draagkracht man
4.18.
Partijen zijn het eens om voor de draagkracht van de man uit te gaan van zijn salarisspecificaties over 2026. Uit de door de man overgelegde salarisstroken van begin 2026 blijkt dat de man een bruto maandsalaris heeft van € 4.320 met een vakantietoeslag van 8%. Daarnaast ontvangt de man een eindejaarsuitkering van € 360 bruto per maand en een Oktobertoelage van € 137 bruto per maand. Ook ontvangt de man maandelijks een BHV toelage van € 25 netto. Verder houdt de rechtbank rekening met een ingehouden premie ABP KeuzePensioen van € 290 per maand en een premie ABP van € 10 per maand. Het NBI van de man komt dan uit op € 3.632 per maand.
4.19.
Volgens de hiervoor vermelde methode heeft de man een draagkracht van € 824 per maand.
Draagkracht vrouw
4.20.
De vrouw werkt (ongeveer) 17 uur per week als tandartsassistente. De man stelt dat voor de vrouw uitgegaan moet worden van een hogere verdiencapaciteit op basis van 36 uur per week. De vrouw stelt dat zij bij haar huidige werkgever niet de mogelijkheid heeft om meer uren te werken en dat zij bovendien niet meer uren wil werken nu de kinderen nog zo jong zijn. Daarom moet volgens de vrouw worden uitgegaan van haar huidige inkomen.
4.21.
De rechtbank overweegt als volgt. Beide ouders zijn onderhoudsplichtig voor hun kinderen. Dit betekent dat zij zich beiden moeten inspannen om in het onderhoud van hun kinderen te voorzien. Als de vrouw haar huidige werkuren behoudt, is sprake van een tekort in draagkracht om in de behoefte van de kinderen te voorzien. Omdat de man al fulltime werkt, acht de rechtbank het niet redelijk dat de vrouw vindt dat zij haar huidige aantal werkuren kan behouden. Gelet op de huidige zorgregeling en door de man geuite wens om de zorgregeling nog verder uit te breiden zodra dit concreet mogelijk is, acht de rechtbank de vrouw in staat om 24 uur per week te werken. Gelet op de huidige arbeidsmarkt acht de rechtbank het ook haalbaar voor de vrouw om binnen haar eigen regio een dienstverband aan te gaan voor 24 uur per week. De rechtbank zal daarom uitgaan van een verdiencapaciteit van 24 uur per week. De man heeft op basis van een verdiencapaciteit van 24 uur per week voor de vrouw een berekening gemaakt van de draagkracht van de vrouw (productie 14 van de man). Tegen deze berekening als zodanig is door de vrouw geen verweer gevoerd. De rechtbank zal daarom van die berekening uitgaan. Uit die berekening blijkt een NBI van € 2.880 per maand.
4.22.
Volgens de hiervoor vermelde methode heeft de vrouw een draagkracht van € 455 per maand.
Verdeling kosten
4.23.
Als de ouders samen genoeg draagkracht hebben voor alle kosten van hun kind, dan moet de rechter berekenen wie welk deel van de kosten voor zijn rekening moet nemen. Dat wordt de ‘draagkrachtvergelijking’ genoemd.
4.24.
Partijen hebben samen een draagkracht van (€ 824 + € 455 =) € 1.279 per maand. Dit is genoeg om alle kosten van [kind 1] en [kind 2] van te betalen, want die zijn € 1.134 per maand. Dit betekent dat de man een deel van ((824/1.279 x 1.134)/2) =) € 365 per kind per maand moet dragen en de vrouw een deel van ((455/1.279 x 1.134)/2 =) € 202 per kind per maand.
Zorgkorting
4.25.
De man maakt op de dagen dat [kind 1] en [kind 2] bij hem verblijven kosten voor eten en drinken, energielasten en dergelijke: de verblijfskosten. Daarmee voldoet hij – deels – aan zijn onderhoudsverplichting. Voor zover daartegenover een besparing in die kosten van de vrouw staat, verlaagt de rechtbank in beginsel de bijdrage van de man met een percentage van de behoefte van de kinderen: de ‘zorgkorting’.
4.26.
[kind 1] en [kind 2] verblijven gemiddeld (ongeveer) 3 dagen per week bij de man. Daarbij past een zorgkorting van 35 % van de behoefte, dus € 199 per kind per maand. Dat betekent dat de man een bedrag van (365 - 199 =) € 166 per kind per maand moet betalen.
Alimentatie vooruitbetalen
4.27.
De man moet de kinderalimentatie steeds vóór de eerste dag van de maand vooraf betalen. Het gaat namelijk om een bijdrage in de kosten die in die maand gemaakt worden en dan zou het te laat zijn als de alimentatie pas later in die maand wordt betaald.
De verdeling van de beperkte gemeenschap van goederen
4.28.
Partijen hebben geen huwelijkse voorwaarden laten opstellen en zijn na 1 januari 2018 getrouwd. Dat betekent dat voor hen de wettelijke beperkte gemeenschap van goederen geldt.
4.29.
Door de indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding is die gemeenschap op [scheidingsdatum] ontbonden. Tot de wettelijke beperkte gemeenschap van goederen behoren alle goederen die al vóór het huwelijk van partijen samen waren en alle goederen die zij ieder tijdens het huwelijk en vóór de hiervoor genoemde datum van ontbinding hebben verkregen. Daarvan zijn (onder meer) uitgezonderd erfenissen en giften, maar ook pensioenrechten die al op basis van de wet moeten worden verevend. Wat de schulden betreft, behoren tot de gemeenschap die schulden waarvan partijen al samen schuldenaar waren vóór het huwelijk en alle schulden die zij ieder tijdens het huwelijk en vóór de hiervoor voornoemde datum van ontbinding zijn aangegaan. Daarvan zijn uitgezonderd (onder meer) de schulden die betrekking hebben op goederen die niet tot de gemeenschap behoren.
4.30.
De rechtbank zal hierna eerst in kaart brengen welke goederen en schulden deel uitmaken van de ontbonden gemeenschap. Daarna zal de rechtbank per goed de verdeling vaststellen of de wijze van verdeling gelasten en per schuld de interne draagplicht vaststellen. Daarbij geldt als uitgangspunt dat ieder van partijen recht heeft op de helft van de waarde van de goederen en ieder van hen de helft van de schulden zal moeten dragen. Voor de waarde van de goederen geldt dat de rechtbank in beginsel kijkt naar de waarde die de goederen hebben op het moment van de feitelijke verdeling.
4.31.
Partijen zijn het erover eens dat de volgende goederen en schulden tot de gemeenschap behoren:
de woning aan de [adres] [woonplaats] ;
de hypothecaire geldlening bij Argenta Spaarbank N.V. met leningnummer [nummer] ;
de saldi op de volgende bankrekeningen voor zover die saldi tijdens het huwelijk zijn opgebouwd:
de betaalrekening bij ING met [bankrekeningnummer 1]
op naam van de vrouw;
de Oranje spaarrekening bij [bankrekeningnummer 2]
op naam van de vrouw;
de betaalrekening bij ING met [bankrekeningnummer 3]
op naam van de man;
de Oranje Spaarrekening bij ING met nummer [bankrekeningnummer 4] op naam van de man;
de auto van het merk Peugeot 208;
de auto van het merk Suzuki Alto;
de caravan van het merk Wilko met kenteken [kentekennummer] .
De woning en de hypothecaire geldlening (posten a en b)
4.32.
Partijen zijn het eens dat de man in de gelegenheid wordt gesteld om de woning over te nemen.
4.33.
Partijen waren in eerste instantie verdeeld van welke waarde voor de woning moest worden uitgegaan. In juni 2024 bedroeg de marktwaarde blijkens het overgelegde taxatierapport € 409.500. Op 5 mei 2026 is de woning opnieuw getaxeerd en bedroeg de marktwaarde € 470.000. Partijen zijn het tijdens de zitting eens geworden dat de woning kan worden toegedeeld aan de man tegen een waarde van € 440.000. Partijen zijn daarbij een anti-speculatiebeding overeengekomen inhoudende dat, indien de man de woning binnen twee jaar na levering aan hem aan een derde verkoopt en dit meer opbrengt dan € 440.000, hij de helft van het positieve verschil tussen de verkoopprijs en het bedrag van € 440.000 aan de vrouw dient te vergoeden.
4.34.
De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen waarbij zij nog het volgende overweegt. Bij een dergelijke vaststelling op grond van artikel 3:185 lid 3 BW dient de rechtbank op grond van vaste rechtspraak naar redelijkheid en billijkheid rekening te houden met de belangen van partijen en het algemeen belang. De rechtbank is niet gebonden aan hetgeen partijen over en weer hebben verzocht. De rechtbank ziet dan ook aanleiding om af te wijken van de door de partijen verzochte wijze van verdeling van de woning wat betreft het door hen overeengekomen antispeculatiebeding. Hoewel partijen het niet expliciet zijn overeengekomen, acht de rechtbank het wenselijk om te bepalen dat het door partijen overeengekomen antispeculatiebeding wordt opgenomen in de notariële leverings-/verdelingsakte waarbij de woning aan de man wordt toegedeeld, zodat dit antispeculatiebeding ook voor derden kenbaar wordt.
4.35.
Het geschil van partijen spitst zich nog toe op het door de man gestelde vergoedingsrecht en de termijn die de man krijgt om te onderzoeken of hij de woning kan overnemen. Die twee onderwerpen zal de rechtbank hierna bespreken.
Het (door de man gestelde) vergoedingsrecht van de man
4.36.
De woning is gemeenschappelijk eigendom van partijen. Met verwijzing naar artikel 1:87 BW stelt dat de man dat hij een vergoedingsrecht heeft op de gemeenschap omdat hij met privévermogen heeft geïnvesteerd in de gemeenschappelijke woning. Ter onderbouwing voert de man het volgende aan. De echtelijke woning is op 26 februari 2021 aan partijen verkocht en geleverd voor een koopprijs van € 299.000. Op 8 maart 2021 heeft de man zijn voormalige woning, die tot zijn privévermogen behoorde, verkocht en geleverd aan een derde. De netto verkoopopbrengst bedroeg € 40.378,63. De man stelt dat hij met dit vermogen op 11 maart 2021 een bedrag van € 30.000 heeft afgelost op de hypothecaire geldlening verbonden aan de gezamenlijke woning van partijen. Ook de overige gelden van € 10.378,63 zijn door de man in de echtelijke woning geïnvesteerd, zo stelt hij. Op deze investeringen is volgens de man de beleggingsleer van toepassing, zodat uitgaande van de koopprijs van de echtelijke woning van € 299.000 en de door hem gedane investering van
€ 40.378,63 het vergoedingsrecht 13,5 % van de huidige waarde van de woning bedraagt, aldus de man.
4.37.
De vrouw erkent dat de op 11 maart 2021 gedane extra aflossing van € 30.000 op de hypothecaire geldlening is gedaan met privégelden van de man. Ook is de vrouw het met de man eens dat op dit bedrag de beleggingsleer van toepassing is, zodat het vergoedingsrecht van de man neerkomt op 10% van de waarde van de woning, aldus de vrouw. De vrouw betwist bij gebrek aan onderbouwing dat het resterende bedrag van € 10.378,63 eveneens in de echtelijke woning is geïnvesteerd.
4.38.
De rechtbank overweegt als volgt. Tijdens de zitting heeft de man verklaard dat het bedrag van € 10.378,63 zou zijn besteed aan de aanschaf van zonnepanelen, rolluiken en meubels. Volgens vaste rechtspraak kan de aanschaf van meubels niet worden aangemerkt als investering, zodat de man hiervoor geen aanspraak kan maken op een vergoedingsrecht. Omdat de gestelde investering in zonnepanelen en rolluiken door de man niet is onderbouwd en de vrouw de stellingen van de man heeft betwist gaat de rechtbank aan de stellingen van de man op dit punt voorbij.
4.39.
De rechtbank concludeert dat de man een vergoedingsrecht heeft op de gemeenschap voor de door hem op 11 maart 2021 gedane investering van € 30.000. Uitgaande van de aanschafprijs van de woning van € 299.000 komt deze vergoeding neer op 10% van de waarde van de woning. Partijen gaan uit van een woningwaarde van € 440.00, zodat het vergoedingsrecht € 44.000 bedraagt.
4.40.
Conform het verzoek van de man zal de rechtbank bepalen dat van de woningwaarde van € 440.000 eerst de hypothecaire geldlening ten tijde van de overdracht moet worden voldaan en de kosten van de makelaar-taxateur en de kosten van de overdracht en eventuele andere kosten in verband het ontslaan van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid. Vervolgens dient het vergoedingsrecht van € 44.000 aan de man te worden voldaan. De resterende overwaarde dient bij helft tussen partijen te worden gedeeld.
Termijn
4.41.
Partijen zijn het tijdens de zitting eens geworden dat de man een termijn van drie maanden gegund wordt om aan te de vrouw aan te tonen dat hij in staat is om de woning over te nemen. Partijen zijn verdeeld wanneer deze termijn aanvangt; de vrouw stelt dat deze termijn ingaat vanaf de datum van de zitting, de man stelt dat deze termijn pas in moet gaan vanaf de datum van deze beschikking.
4.42.
De rechtbank zal beslissen dat de door partijen overeengekomen termijn ingaat vanaf de datum van deze beschikking, omdat zij dit het meest redelijk acht.
4.43.
Indien de man niet in staat is om de woning over te nemen, dan moet de woning worden verkocht. Partijen zijn het eens dat dan het door de man verzochte spoorboekje gevolgd kan worden. De rechtbank zal zo beslissen.
De banksaldi (post c)
4.44.
Partijen zijn het eens om de op de peildatum aanwezige saldi minus de aanwezige saldi bij aanvang van het huwelijk bij helfte te delen. Door de vrouw is inzichtelijk gemaakt wat de betreffende saldi waren. Hier is door de man geen verweer tegen gevoerd. Uit de door de vrouw overgelegde bankafschriften blijken de volgende saldi:
- Betaalrekening [bankrekeningnummer 1] op naam van de vrouw
Saldo [scheidingsdatum] € 721,60
Saldo [huwelijksdatum] € 846,73
-----------
-/- € 125,13
Omdat sprake is van een afname in het saldo, is de man gehouden een bedrag van
(€ 125,13/2=) € 62,57 aan de vrouw te vergoeden.
- Oranje Spaarrekening [bankrekeningnummer 2] op naam van de vrouw
Saldo [scheidingsdatum] € 0,14
Saldo [huwelijksdatum] € 12,01
-----------
-/- € 11,87
Omdat sprake is van een afname van het saldo, is de man gehouden een bedrag van (€ 11,87/2=) € 5,94 aan de vrouw te vergoeden.
- Betaalrekening [bankrekeningnummer 3] op naam van de man
Saldo [scheidingsdatum] € 1.315,54
Saldo [huwelijksdatum] € 4.757,15
-------------
-/- € 3.441,61
Omdat sprake is van een afname van het saldo, is de vrouw gehouden een bedrag van (€ 3.441,61/2=) € 1.720,80 aan de man te vergoeden.
- Spaarrekening [bankrekeningnummer 4] op naam van de man
Saldo [scheidingsdatum] € 26.739,66
Saldo [huwelijksdatum] € 15.437,99
--------------
€ 11.301,67
Omdat sprake is van een toename van het saldo is de man gehouden een bedrag van (€ 11.301,67/2=) € 5.650,84 aan de vrouw te voldoen.
4.45.
Per saldo dient de man de vrouw (€ 62,57 + € 5,94 + € 5.650,84 - € 1.720,80 =)
€ 3.998,55 te betalen uit hoofde van de verdeling van de banksaldi. De rechtbank zal de man hiertoe veroordelen.
De auto’s (posten d en e)
4.46.
Partijen zijn het eens dat de Peugeot 208 aan de man kan worden toegedeeld tegen een waarde van € 5.000. Ook zijn partijen het tijdens de zitting eens geworden dat de Suzuki Alto aan de vrouw kan worden toegedeeld tegen een waarde van € 1.000. Per saldo dient de man in het kader van de verdeling van de auto’s € 2.000 aan de vrouw te voldoen. De rechtbank zal zo beslissen.
De caravan (post f)
4.47.
Tussen partijen is niet in geschil dat zij de caravan hebben verkocht en dat zij de verkoopopbrengst bij helfte hebben gedeeld.
Uitvoerbaar bij voorraad
4.48.
De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren zoals is verzocht. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de rechtbank geldt totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt. De uitvoerbaarheid bij voorraad geldt niet voor de echtscheiding. Die beslissing geldt namelijk pas als de echtscheiding is ingeschreven en dat kan pas gebeuren als daar geen hoger beroep meer tegen mogelijk is.
Proceskosten
4.49.
De rechtbank zal beslissen dat ieder de eigen proceskosten betaalt, omdat partijen met elkaar gehuwd zijn.
5De beslissing
De rechtbank:
5.1.
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd op [huwelijksdatum] in de gemeente [woonplaats] ;
5.2.
bepaalt dat de minderjarige kinderen:
[naam kind 1]
, geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] ;
[naam kind 2]
, geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] ;
hun hoofdverblijfplaats bij de vrouw hebben;
5.3.
stelt vast als regeling ter verdeling van zorg- en opvoedingstaken dat [kind 1] en [kind 2] bij de man verblijven:
iedere week van dinsdag 17.00 uur tot donderdag 07.30 uur;
om het weekend van vrijdag 17.00 uur tot zondag 17.00 uur;
in de zomervakantie conform het schema 1-2-2-1, in onderling overleg met de vrouw te bepalen;
in de even jaren de eerste helft van de voorjaarsvakantie, meivakantie, herfstvakantie en kerstvakantie en in de oneven jaren de tweede helft van die vakanties;
in de even jaren op eerste paasdag, Hemelvaartsdag, tweede pinksterdag en eerste kerstdag;
in de oneven jaren op tweede paasdag, Koningsdag, eerste pinksterdag, tweede kerstdag, oudjaarsdag en nieuwjaarsdag;
waarbij het wisselmoment voor de vakanties en feestdagen om 17.00 uur is;
en de overige tijd bij de vrouw;
5.4.
bepaalt dat de man met ingang van de datum waarop deze beschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1] en [kind 2] aan de vrouw zal betalen € 166 per kind per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
5.5.
gelast de wijze van verdeling van de woning aan de [adres] [woonplaats] en de daaraan gekoppelde hypothecaire geldlening bij Argenta Spaarbank N.V. met leningnummer [nummer] als volgt:
de man krijgt gedurende drie maanden vanaf de datum van deze beschikking de gelegenheid om de vrouw schriftelijk en met bewijsstukken onderbouwd te berichten of hij de woning kan overnemen tegen een waarde van € 440.000, waarbij de man de huidige hypothecaire geldlening geheel voor zijn rekening zal nemen en als eigen schuld zal voldoen en de vrouw zal worden ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor deze hypothecaire geldlening;
de over- dan wel onderwaarde wordt tussen partijen gedeeld dan wel gedragen op de volgende wijze: de over- dan wel onderwaarde bestaat uit de woningwaarde van € 440.000 minus de hypothecaire geldlening ten tijde van de overdracht, minus de kosten van de makelaar-taxateur en de kosten van de overdracht en eventuele andere kosten in verband met het ontslaan van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid en minus het vergoedingsrecht van de man van € 44.000 als hierna genoemd in 5.7.;
na betaling van de kosten van de makelaar-taxateur en de kosten van de overdracht en eventuele andere kosten in verband met het ontslaan van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid dient het vergoedingsrecht van € 44.000 als hierna genoemd in 5.7. aan de man te worden voldaan;
partijen hebben ieder recht op 50% van de resterende overwaarde;
partijen verlenen over en weer op eerste verzoek van de ander hun medewerking aan de notariële overdracht van de woning, met dien verstande dat in de notariële leverings/toedelingsakte van de woning aan de man een antispeculatiebeding moet worden opgenomen inhoudende dat indien de man de woning binnen twee jaar na de levering aan hem aan een derde verkoopt en dit meer opbrengt dan
€ 440.000, hij de helft van het positieve verschil tussen de verkoopprijs en het bedrag van € 440.000 aan de vrouw dient te vergoeden;
- indien de man niet binnen de genoemde termijn van drie maanden onderbouwd heeft bericht dat hij de woning kan overnemen, dan wordt de woning verkocht aan een derde onder de volgende voorwaarden:
partijen dienen binnen 1 week nadat hierboven genoemde termijn is verstreken, of nadat de man kenbaar heeft gemaakt de woning niet te kunnen overnemen, een gezamenlijke opdracht te verstrekken aan een door partijen nader te bepalen makelaar-taxateur tot verkoop van de woning;
deze makelaar-taxateur adviseert partijen bindend over de vast te stellen
vraag- en laatprijs van de woning;
de over- dan wel onderwaarde wordt tussen partijen gedeeld conform de
hiervoor genoemde wijze;
bij verkoop wordt een minimale overdrachtstermijn van 5 maanden
gehanteerd, zodat de man en de kinderen een woning kunnen vinden;
5.6.
stelt voor het overige de verdeling vast als volgt:
a. ten aanzien van de bankrekeningen
veroordeelt de man om het kader van de verdeling van verdeling van de banksaldi
€ 3.998,55 aan de vrouw te voldoen;
ten aanzien van de auto’s
deelt de auto van het merk Peugeot 208 toe aan de man tegen een waarde van € 5.000;
deelt de auto van het merk Suzuki Alto toe aan de vrouw tegen een waarde van € 1.000;
veroordeelt de man om in het kader van de verdeling van de auto’s per saldo € 2.000 aan de vrouw te betalen;
5.7.
bepaalt dat de man uit hoofde van de door hem vanuit privévermogen gedane investeringen in de gemeenschappelijke woning een vergoedingsrecht op de huwelijksgemeenschap toekomt van 10 % van de woningwaarde, wat neerkomt op een bedrag van € 44.000;
5.8.
bepaalt dat de onder 5.2. tot en met 5.7. genoemde beslissingen uitvoerbaar zijn bij voorraad;
5.9.
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten van deze procedure draagt;
5.10.
wijst af wat meer of anders is verzocht.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.E. Grosscurt, (kinder)rechter en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. K.K.H. Wagemaker, griffier op 10 juli 2026.
Tegen de eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- de verschenen partij(en), binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- de niet verschenen partij(en), binnen drie maanden na de betekening van de beschikking aan hem/haar in persoon of binnen drie maanden nadat deze op een andere manier is betekend en openbaar is gemaakt door het plaatsen van een uittreksel van de beschikking in de Staatscourant.
Bijlage 1
Met zaaknummer C/05/449168 FZ RK 25-663.
Artikel 1:397 lid 2 BW.
Bijlage 1: berekening NBI man.
Artikel 1:99 lid 1 sub b van het Burgerlijk Wetboek.
Artikel 1:94 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek.
Artikel 1:94 lid 7 van het Burgerlijk Wetboek.
ECLI:HR:2001:ZC3697.
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Zutphen
Zaaknummer: C/05/443076 / FZ RK 24-2618 (echtscheiding)
C/05/451780 / FZ RK 25-1188 (verdeling)
Datum uitspraak: 10 juli 2026
beschikking echtscheiding met nevenvoorzieningen
in de zaak van
[naam vrouw]
,
hierna te noemen de vrouw,
wonend in [woonplaats] ,
advocaat mr. E.N. Mulder uit Nijkerk,
en
[naam man]
,
hierna te noemen de man,
wonend in [woonplaats] ,
advocaat mr. G.B. van de Bunt uit Putten.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift van de vrouw, ontvangen op [scheidingsdatum] ;
het betekeningsexploot van 11 november 2024;
het verweerschrift van de man met bijlagen, met daarin zelfstandige verzoeken (tegenverzoeken), ontvangen op 22 april 2025;
het verweerschrift op zelfstandige verzoeken, ontvangen op 19 mei 2025;
het proces-verbaal van 28 mei 2025 waaruit blijkt dat de zaak is aangehouden, omdat partijen zijn doorverwezen naar een hulptraject;
het F9-formulier met bijlage van de vrouw van 7 oktober 2025;
het F9-formulier van de man van 30 oktober 2025;
het F9-formulier met bijlagen van de vrouw van 21 mei 2026;
het F9-formulier met bijlagen van de man van 26 mei 2026;
het F9-formulier met bijlagen van de vrouw van 27 mei 2026;
het F9-formulier met bijlagen van de man van 2 juni 2026;
het F9-formulier met bijlagen van de vrouw van 3 juni 2026.
1.2.
De zitting heeft plaatsgevonden op 5 juni 2026. Daarbij waren beide partijen, bijgestaan door hun advocaten aanwezig. Ook was er een zittingvertegenwoordigster van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) aanwezig.
2Wat vaststaat
2.1.
Partijen zijn met elkaar gehuwd op [huwelijksdatum] in [huwelijksplaats] . Partijen hebben de Nederlandse nationaliteit.
2.2.
De minderjarige kinderen van partijen zijn:
[naam kind 1]
, geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] ;
[naam kind 2]
, geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] .
2.3.
Bij beschikking voorlopige voorzieningen van 10 juni 2025 heeft deze rechtbank voor de duur van dit geding:
de kinderen van partijen aan de vrouw toevertrouwd;
de zorg- en opvoedingstaken verdeeld aldus dat [kind 1] en [kind 2] bij de man verblijven van dinsdag 17.30 uur tot donderdag 7.15 uur, en om het weekend van vrijdag 17.00 uur tot zondag 17.00 uur, alsmede de helft van de vakanties en feestdagen, waarbij de kinderen door de ouder bij wie ze verblijven naar de andere ouder worden gebracht;
bepaald dat de man € 303 per kind per maand voor [kind 1] en [kind 2] zal betalen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding, met ingang van 21 maart 2025, telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen.
3De verzoeken
3.1.
De vrouw verzoekt - na wijziging - de rechtbank om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad voor zover de wet dit toelaat:
de echtscheiding tussen partijen uit te spreken;
te bepalen dat [kind 1] en [kind 2] hun hoofdverblijf hebben bij de vrouw;
te bepalen dat de kinderen bij de man verblijven om het weekend van vrijdag
17.00
uur tot zondag 17.00 uur, alsmede de helft van de vakanties en feestdagen;
4. te bepalen dat de man aan de vrouw voldoet een bedrag van € 414,50 per kind per maand, met ingang van de datum dat de vrouw haar intrek neemt in een eigen woning, althans een bedrag die de rechtbank in goede justitie redelijk en passend acht;
5. voorwaardelijk: te bepalen dat de man aan de vrouw voldoet een bedrag van
€ 414,50 per kind per maand met ingang van de datum dat de man de woonlasten en gebruikslasten van de woning niet meer voldoet en de vrouw (de helft van) deze kosten zal moeten voldoen, althans een bedrag en tegen een datum die de rechtbank in goede justitie redelijk en passend acht.
Kosten rechtens.
3.2.
De man verzoekt de rechtbank om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. tussen partijen de echtscheiding uit te spreken;
II. te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van [kind 2] bij de man wordt bepaald en de hoofdverblijfplaats van [kind 1] bij de vrouw;
III. een zorgregeling te bepalen inhoudende dat de kinderen:
op maandag en dinsdag bij de man verblijven, op woensdag bij de kinderopvang
zijn en op donderdag en vrijdag bij de vrouw verblijven;
de ene week het gehele weekend bij de man en de andere week het gehele weekend bij de vrouw verblijven;
en waarbij de schoolvakanties als volgt worden verdeeld:
In de even jaren verblijven de kinderen de eerste helft van elke schoolvakantie bij de man en de tweede helft bij de vrouw. In de oneven jaren is de volgorde andersom. Onder schoolvakanties vallen: de voorjaarsvakantie, meivakantie, zomervakantie, herfstvakantie en kerstvakantie;
en waarbij de feestdagen als volgt worden verdeeld:
o eerste paasdag: even jaren bij de man, oneven jaren bij de vrouw;
o tweede paasdag: even jaren bij de vrouw, oneven jaren bij de man;
o Koningsdag: even jaren bij de vrouw, oneven jaren bij de man;
o Hemelvaartsdag: even jaren bij de man, oneven jaren bij de vrouw;
o eerste pinksterdag: even jaren bij de vrouw, oneven jaren bij de man;
o tweede pinksterdag: even jaren bij de man, oneven jaren bij de vrouw;
o eerste kerstdag: even jaren bij de man, oneven jaren bij de vrouw;
o tweede kerstdag: even jaren bij de vrouw, oneven jaren bij de man;
o oudjaarsdag: even jaren bij de vrouw, oneven jaren bij de man;
o nieuwjaarsdag: even jaren bij de man, oneven jaren bij de vrouw;
IV. te bepalen dat de man een bijdrage in de kosten van zorg en opvoeding aan de vrouw voldoet van € 252 voor beide kinderen samen, telkens voor de eerste van iedere maand te voldoen;
V. partijen te veroordelen over te gaan tot verdeling van de beperkte gemeenschap, in
die zin:
dat de woning wordt verdeeld conform het volgende spoorboekje:
o de man dient binnen vier maanden na de taxatie aan te tonen dat hij de woning tegen de getaxeerd waarde, minus zijn vergoedingsrecht, kan overnemen, onder ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldlening;
o de over- dan wel onderwaarde wordt tussen partijen gedeeld danwel gedragen op de volgende wijze: de over- dan wel onderwaarde bestaat uit de getaxeerde waarde minus de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldlening ten tijde van de overdracht, minus de kosten van de makelaar-taxateur en de kosten van de overdracht en eventuele andere kosten in verband met het ontslaan van de man uit de hoofdelijke aansprakelijkheid – minus het vergoedingsrecht van de man;
o van het restantbedrag heeft de vrouw recht op 50% van de resterende overwaarde;
o partijen verlenen over en weer op eerste verzoek van de ander hun medewerking aan de notariële overdracht van de woning;
o indien de man de woning niet kan overnemen binnen de bovengenoemde termijn van vier maanden, dan wordt de woning verkocht aan een derde onder de volgende voorwaarden:
a. partijen dienen binnen 1 week nadat hierboven genoemde termijn is verstreken, of nadat de man kenbaar heeft gemaakt de woning niet te kunnen overnemen, een gezamenlijke opdracht te verstrekken aan een nader genoemde makelaar-taxateurs tot verkoop van de woning;
b. deze makelaar-taxateur adviseert partijen bindend over de vast te stellen vraag- en laatprijs van de woning;
c. de over- dan wel onderwaarde wordt tussen partijen gedeeld conform de hiervoor genoemde wijze;
d. bij verkoop wordt een minimale overdrachtstermijn van 5 maanden gehanteerd, zodat de man de kinderen een woning kunnen vinden.
te bepalen dat de man een vergoedingsrecht heeft op de beperkte gemeenschap van 13,5% van de te taxeren waarde van de echtelijke woning terzake zijn inbreng in de echtelijke woning;
te bepalen dat partijen het tijdens het huwelijk opgebouwde spaargeld en ander vermogen bij helfte dienen te verdelen;
te bepalen dat de man de Peugeot toebedeeld krijgt en de vrouw de Suzuki Alto, onder verrekening van de helft van de waardes.
4De beoordeling
Bevoegdheid
4.1.
Deze rechtbank is bevoegd omdat partijen in het rechtsgebied van de rechtbank Gelderland wonen.
Het ontbreken van het ouderschapsplan (ontvankelijkheid)
4.2.
In de wet staat dat een verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan moet bevatten dat beide partijen hebben ondertekend. In het ouderschapsplan staan de afspraken die partijen over hun kinderen hebben gemaakt. Deze afspraken moeten in ieder geval gaan over de manier waarop zij de zorg over hun kinderen zullen verdelen, hoe zij elkaar over hun kinderen zullen informeren en raadplegen en hoe zij de kosten van hun kinderen zullen delen.
4.3.
Geen van beide partijen heeft een ouderschapsplan ingediend.
4.4.
De rechtbank is van oordeel dat partijen ontvankelijk zijn in hun verzoeken tot echtscheiding ook al ontbreekt een ouderschapsplan. Dat wil zeggen dat de rechtbank de verzoeken tot echtscheiding in behandeling neemt. Van partijen kan niet worden verwacht dat zij alsnog samen een ouderschapsplan maken, omdat zij het niet eens zijn over de afspraken over [kind 1] en [kind 2] .
De echtscheiding
4.5.
De rechtbank spreekt de echtscheiding tussen partijen uit zoals door beide partijen is verzocht, omdat zij vinden dat hun huwelijk duurzaam is ontwricht. Dat betekent dat zij niet samen verder kunnen als echtgenoten.
4.6.
Omdat de rechtbank de echtscheiding tussen partijen uitspreekt, komt zij toe aan de beoordeling van de nevenverzoeken. Door partijen zijn er verzoeken gedaan over:
de hoofdverblijfplaats van [kind 1] en [kind 2] ;
de zorgregeling;
de kinderalimentatie;
de vermogensrechtelijke afwikkeling van het huwelijk.
De rechtbank zal deze onderwerpen hierna bespreken.
De hoofdverblijfplaats van [kind 1] en [kind 2]
4.7.
De rechtbank zal de hoofdverblijfplaats van [kind 1] en [kind 2] bij de vrouw bepalen. Op basis van de hierna te bespreken zorgregeling verblijven [kind 1] en [kind 2] de meerderheid van de tijd bij de vrouw. Het is in het belang van de kinderen om de juridische realiteit in overeenstemming te brengen met de feitelijke realiteit. Ook heeft de vrouw tijdens de zitting onbetwist gesteld dat zij alle regeltaken rondom de kinderen op zich neemt, zodat het ook in die zin in het belang van de kinderen is als zij hun hoofdverblijf bij de vrouw hebben. Verder is de rechtbank het met de vrouw eens dat een financieel motief, zoals de man ter onderbouwing van zijn verzoek aanvoert, onvoldoende is om het verzoek van de man om de hoofdverblijfplaats van [kind 2] bij hem te bepalen toe te wijzen.
De zorgregeling
De reguliere zorgregeling
4.8.
De rechtbank zal de zorgregeling die als voorlopige voorziening is vastgesteld, vaststellen als definitieve zorgregeling. De rechtbank licht dit toe als volgt. De kinderen (en partijen zelf) zijn gebaat bij rust en duidelijkheid. Die rust en duidelijkheid is gecreëerd met de voorlopige zorgregeling. Hoewel de vrouw stelt dat de voorlopige zorgregeling niet goed verloopt, heeft zij deze stelling desgevraagd niet kunnen onderbouwen, zodat de rechtbank hieraan voorbij gaat. Volgens de man verloopt de voorlopige zorgregeling goed. Hij zou echter de zorgtaken nog meer gelijkwaardig willen verdelen. De man stelt dat hij de mogelijkheden heeft om zijn arbeidsduur en werktijden aan te passen, zodat hij een groter deel van de zorgtaken op zich kan nemen. De man heeft echter niets concreets ter onderbouwing van die stelling aangevoerd. Verder verwacht de man dat de dagen waarop de kinderen naar de kinderopvang gaan eenvoudig gewisseld kunnen worden, zodat de door hem verzochte zorgregeling mogelijk wordt. Hij heeft echter nog geen concreet onderzoek gedaan of dit inderdaad tot de mogelijkheden behoort. Gelet op deze onzekerheden acht de rechtbank het niet in de belang van de kinderen om de zorgregeling op dit moment te wijzigen, omdat dit de nu bestaande rust en duidelijkheid in gevaar brengt. Wat de rechtbank en de Raad betreft zijn er echter geen contra-indicaties om de zorgregeling tussen de kinderen en de man uit te breiden als hiervoor concrete mogelijkheden ontstaan. Hierbij heeft de Raad partijen tijdens de zitting nog willen meegeven dat het belangrijk is dat partijen zich niet blindstaren op een exacte 50/50 verdeling. Het is ook belangrijk om te koesteren wat er nu al wel is, namelijk dat de kinderen met beide ouders een goede band hebben en dat zij beide ouders meerdere dagen per week zien. Verder heeft de Raad gezegd dat het belangrijk is dat partijen elkaar waar mogelijk vrijheid geven om hun eigen draai aan de opvoeding te geven, vertrouwen houden in elkaars (opvoed)kwaliteiten en dit ook richting de kinderen uitstralen. Voor de kinderen is het belangrijk om van beide ouders emotionele toestemming te ervaren om het fijn te hebben bij de andere ouder. De rechtbank sluit zich bij dit advies aan.
4.9.
Partijen hebben tijdens de zitting afgesproken dat de wisselmomenten op dinsdag om 17.00 uur zijn en op donderdag om 07.30 uur. De rechtbank zal zo beslissen.
De vakanties en feestdagen
4.10.
Partijen hebben tijdens de zitting afgesproken dat zij de zomervakanties in onderling overleg verdelen conform het schema 1-2-2-1. Voor de overige vakanties en de verdeling van de feestdagen stemt de vrouw in met de verzoeken van de man op dit punt, waarbij de vrouw het wel belangrijk vindt dat er een tijdstip wordt vastgelegd voor de wisselmomenten. Partijen hebben tijdens de zitting afgesproken dat het wisselmoment om 17.00 uur is. De rechtbank zal zo beslissen. Hierbij merkt de rechtbank op dat de man zijn verzoek met betrekking tot oudjaarsdag en nieuwjaarsdag niet in overeenstemming met zijn bedoeling heeft geformuleerd. Omdat oudjaarsdag in een ander jaar valt dan nieuwjaarsdag zou het verzoek van de man neerkomen op de ene keer beide dagen bij de man en de andere keer beide dagen bij de vrouw. De rechtbank zal dit aanpassen naar de bedoeling dat deze dagen telkens tussen de ouders verdeeld worden.
De kinderalimentatie
Conclusie
4.11.
De rechtbank zal beslissen dat de man vanaf de datum van inschrijving van deze echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand een kinderalimentatie van € 166 per kind per maand aan de vrouw moet betalen. De rechtbank legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt. Daarbij gaat zij in op de standpunten van partijen, voor zover die voor de beoordeling van belang zijn. De berekeningen die de rechtbank heeft gemaakt, zijn als bijlagen aan deze beschikking toegevoegd. Bij de berekeningen rondt de rechtbank af op hele euro’s.
Ingangsdatum
4.12.
Voordat de rechtbank kan gaan rekenen, moet zij weten welke gegevens en belastingtarieven zij moet gebruiken bij die berekening. Daarom moet de rechtbank eerst beslissen vanaf welk moment de kinderalimentatie gaat gelden.
4.13.
Tijdens de zitting zijn partijen het eens geworden dat de kinderalimentatie ingaat per de datum dat deze echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
Behoefte
4.14.
Bij de berekening van kinderalimentatie wordt eerst gekeken naar wat de kosten van een kind zijn. Dat wordt de ‘behoefte’ van het kind genoemd. De hoogte van de behoefte hangt af van de hoogte van het gezinsinkomen. Hoe meer ouders te besteden hebben, hoe meer zij uitgeven aan hun kinderen. Verder wordt rekening gehouden met het aantal kinderen dat tot het gezin behoort. Uit onderzoek blijkt namelijk dat naarmate er meer kinderen tot het huishouden behoren, de totale kosten van de kinderen weliswaar stijgen, maar dat de gemiddelde kosten per kind daartegenover dalen.
4.15.
In de procedure voorlopige voorzieningen is de behoefte van [kind 1] en [kind 2] in 2025 berekend op € 1.084 per maand. Partijen zijn het eens om in onderhavige procedure ook uit te gaan van die behoefte. Gecorrigeerd voor de inflatie (geïndexeerd) is dat nu in 2026 € 1.134 per maand, dus € 567 per kind per maand.
Draagkracht ouders
4.16.
Bij de berekening van de kinderalimentatie moet vervolgens worden vastgesteld wat ieder van de ouders kan betalen. Dat wordt de ‘draagkracht’ van de ouders genoemd. Volgens de wet moeten de ouders namelijk naar draagkracht in de behoefte van de kinderen voorzien.
4.17.
Daarvoor maakt de rechtbank gebruik van de methode die de Expertgroep Alimentatie van de Rechtspraak heeft ontwikkeld. Bij die methode kijkt de rechtbank naar wat er van het inkomen van een ouder overblijft nadat de noodzakelijke lasten zijn betaald. Aan de inkomstenkant rekent de rechtbank met het netto besteedbaar maandinkomen (NBI) van een ouder. Aan de uitgavenkant rekent zij met een woonbudget van 30% van het NBI en een forfaitair bedrag voor vaste lasten. Dat forfaitaire bedrag is gebaseerd op de bijstandsnorm. Daarnaast kan de rechtbank ook rekening houden met eventuele overige lasten. Die lasten moeten dan niet verwijtbaar en niet vermijdbaar zijn. Alle uitgaven vormen met elkaar het ‘draagkrachtloos inkomen’. Het NBI verminderd met het draagkrachtloos inkomen leidt tot de ‘draagkrachtruimte’. Van de draagkrachtruimte is 70% beschikbaar voor de kinderen. In dit geval ziet die berekening er als volgt uit: 70% [NBI – (NBI X 0,3 + 1365)].
Draagkracht man
4.18.
Partijen zijn het eens om voor de draagkracht van de man uit te gaan van zijn salarisspecificaties over 2026. Uit de door de man overgelegde salarisstroken van begin 2026 blijkt dat de man een bruto maandsalaris heeft van € 4.320 met een vakantietoeslag van 8%. Daarnaast ontvangt de man een eindejaarsuitkering van € 360 bruto per maand en een Oktobertoelage van € 137 bruto per maand. Ook ontvangt de man maandelijks een BHV toelage van € 25 netto. Verder houdt de rechtbank rekening met een ingehouden premie ABP KeuzePensioen van € 290 per maand en een premie ABP van € 10 per maand. Het NBI van de man komt dan uit op € 3.632 per maand.
4.19.
Volgens de hiervoor vermelde methode heeft de man een draagkracht van € 824 per maand.
Draagkracht vrouw
4.20.
De vrouw werkt (ongeveer) 17 uur per week als tandartsassistente. De man stelt dat voor de vrouw uitgegaan moet worden van een hogere verdiencapaciteit op basis van 36 uur per week. De vrouw stelt dat zij bij haar huidige werkgever niet de mogelijkheid heeft om meer uren te werken en dat zij bovendien niet meer uren wil werken nu de kinderen nog zo jong zijn. Daarom moet volgens de vrouw worden uitgegaan van haar huidige inkomen.
4.21.
De rechtbank overweegt als volgt. Beide ouders zijn onderhoudsplichtig voor hun kinderen. Dit betekent dat zij zich beiden moeten inspannen om in het onderhoud van hun kinderen te voorzien. Als de vrouw haar huidige werkuren behoudt, is sprake van een tekort in draagkracht om in de behoefte van de kinderen te voorzien. Omdat de man al fulltime werkt, acht de rechtbank het niet redelijk dat de vrouw vindt dat zij haar huidige aantal werkuren kan behouden. Gelet op de huidige zorgregeling en door de man geuite wens om de zorgregeling nog verder uit te breiden zodra dit concreet mogelijk is, acht de rechtbank de vrouw in staat om 24 uur per week te werken. Gelet op de huidige arbeidsmarkt acht de rechtbank het ook haalbaar voor de vrouw om binnen haar eigen regio een dienstverband aan te gaan voor 24 uur per week. De rechtbank zal daarom uitgaan van een verdiencapaciteit van 24 uur per week. De man heeft op basis van een verdiencapaciteit van 24 uur per week voor de vrouw een berekening gemaakt van de draagkracht van de vrouw (productie 14 van de man). Tegen deze berekening als zodanig is door de vrouw geen verweer gevoerd. De rechtbank zal daarom van die berekening uitgaan. Uit die berekening blijkt een NBI van € 2.880 per maand.
4.22.
Volgens de hiervoor vermelde methode heeft de vrouw een draagkracht van € 455 per maand.
Verdeling kosten
4.23.
Als de ouders samen genoeg draagkracht hebben voor alle kosten van hun kind, dan moet de rechter berekenen wie welk deel van de kosten voor zijn rekening moet nemen. Dat wordt de ‘draagkrachtvergelijking’ genoemd.
4.24.
Partijen hebben samen een draagkracht van (€ 824 + € 455 =) € 1.279 per maand. Dit is genoeg om alle kosten van [kind 1] en [kind 2] van te betalen, want die zijn € 1.134 per maand. Dit betekent dat de man een deel van ((824/1.279 x 1.134)/2) =) € 365 per kind per maand moet dragen en de vrouw een deel van ((455/1.279 x 1.134)/2 =) € 202 per kind per maand.
Zorgkorting
4.25.
De man maakt op de dagen dat [kind 1] en [kind 2] bij hem verblijven kosten voor eten en drinken, energielasten en dergelijke: de verblijfskosten. Daarmee voldoet hij – deels – aan zijn onderhoudsverplichting. Voor zover daartegenover een besparing in die kosten van de vrouw staat, verlaagt de rechtbank in beginsel de bijdrage van de man met een percentage van de behoefte van de kinderen: de ‘zorgkorting’.
4.26.
[kind 1] en [kind 2] verblijven gemiddeld (ongeveer) 3 dagen per week bij de man. Daarbij past een zorgkorting van 35 % van de behoefte, dus € 199 per kind per maand. Dat betekent dat de man een bedrag van (365 - 199 =) € 166 per kind per maand moet betalen.
Alimentatie vooruitbetalen
4.27.
De man moet de kinderalimentatie steeds vóór de eerste dag van de maand vooraf betalen. Het gaat namelijk om een bijdrage in de kosten die in die maand gemaakt worden en dan zou het te laat zijn als de alimentatie pas later in die maand wordt betaald.
De verdeling van de beperkte gemeenschap van goederen
4.28.
Partijen hebben geen huwelijkse voorwaarden laten opstellen en zijn na 1 januari 2018 getrouwd. Dat betekent dat voor hen de wettelijke beperkte gemeenschap van goederen geldt.
4.29.
Door de indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding is die gemeenschap op [scheidingsdatum] ontbonden. Tot de wettelijke beperkte gemeenschap van goederen behoren alle goederen die al vóór het huwelijk van partijen samen waren en alle goederen die zij ieder tijdens het huwelijk en vóór de hiervoor genoemde datum van ontbinding hebben verkregen. Daarvan zijn (onder meer) uitgezonderd erfenissen en giften, maar ook pensioenrechten die al op basis van de wet moeten worden verevend. Wat de schulden betreft, behoren tot de gemeenschap die schulden waarvan partijen al samen schuldenaar waren vóór het huwelijk en alle schulden die zij ieder tijdens het huwelijk en vóór de hiervoor voornoemde datum van ontbinding zijn aangegaan. Daarvan zijn uitgezonderd (onder meer) de schulden die betrekking hebben op goederen die niet tot de gemeenschap behoren.
4.30.
De rechtbank zal hierna eerst in kaart brengen welke goederen en schulden deel uitmaken van de ontbonden gemeenschap. Daarna zal de rechtbank per goed de verdeling vaststellen of de wijze van verdeling gelasten en per schuld de interne draagplicht vaststellen. Daarbij geldt als uitgangspunt dat ieder van partijen recht heeft op de helft van de waarde van de goederen en ieder van hen de helft van de schulden zal moeten dragen. Voor de waarde van de goederen geldt dat de rechtbank in beginsel kijkt naar de waarde die de goederen hebben op het moment van de feitelijke verdeling.
4.31.
Partijen zijn het erover eens dat de volgende goederen en schulden tot de gemeenschap behoren:
de woning aan de [adres] [woonplaats] ;
de hypothecaire geldlening bij Argenta Spaarbank N.V. met leningnummer [nummer] ;
de saldi op de volgende bankrekeningen voor zover die saldi tijdens het huwelijk zijn opgebouwd:
de betaalrekening bij ING met [bankrekeningnummer 1]
op naam van de vrouw;
de Oranje spaarrekening bij [bankrekeningnummer 2]
op naam van de vrouw;
de betaalrekening bij ING met [bankrekeningnummer 3]
op naam van de man;
de Oranje Spaarrekening bij ING met nummer [bankrekeningnummer 4] op naam van de man;
de auto van het merk Peugeot 208;
de auto van het merk Suzuki Alto;
de caravan van het merk Wilko met kenteken [kentekennummer] .
De woning en de hypothecaire geldlening (posten a en b)
4.32.
Partijen zijn het eens dat de man in de gelegenheid wordt gesteld om de woning over te nemen.
4.33.
Partijen waren in eerste instantie verdeeld van welke waarde voor de woning moest worden uitgegaan. In juni 2024 bedroeg de marktwaarde blijkens het overgelegde taxatierapport € 409.500. Op 5 mei 2026 is de woning opnieuw getaxeerd en bedroeg de marktwaarde € 470.000. Partijen zijn het tijdens de zitting eens geworden dat de woning kan worden toegedeeld aan de man tegen een waarde van € 440.000. Partijen zijn daarbij een anti-speculatiebeding overeengekomen inhoudende dat, indien de man de woning binnen twee jaar na levering aan hem aan een derde verkoopt en dit meer opbrengt dan € 440.000, hij de helft van het positieve verschil tussen de verkoopprijs en het bedrag van € 440.000 aan de vrouw dient te vergoeden.
4.34.
De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen waarbij zij nog het volgende overweegt. Bij een dergelijke vaststelling op grond van artikel 3:185 lid 3 BW dient de rechtbank op grond van vaste rechtspraak naar redelijkheid en billijkheid rekening te houden met de belangen van partijen en het algemeen belang. De rechtbank is niet gebonden aan hetgeen partijen over en weer hebben verzocht. De rechtbank ziet dan ook aanleiding om af te wijken van de door de partijen verzochte wijze van verdeling van de woning wat betreft het door hen overeengekomen antispeculatiebeding. Hoewel partijen het niet expliciet zijn overeengekomen, acht de rechtbank het wenselijk om te bepalen dat het door partijen overeengekomen antispeculatiebeding wordt opgenomen in de notariële leverings-/verdelingsakte waarbij de woning aan de man wordt toegedeeld, zodat dit antispeculatiebeding ook voor derden kenbaar wordt.
4.35.
Het geschil van partijen spitst zich nog toe op het door de man gestelde vergoedingsrecht en de termijn die de man krijgt om te onderzoeken of hij de woning kan overnemen. Die twee onderwerpen zal de rechtbank hierna bespreken.
Het (door de man gestelde) vergoedingsrecht van de man
4.36.
De woning is gemeenschappelijk eigendom van partijen. Met verwijzing naar artikel 1:87 BW stelt dat de man dat hij een vergoedingsrecht heeft op de gemeenschap omdat hij met privévermogen heeft geïnvesteerd in de gemeenschappelijke woning. Ter onderbouwing voert de man het volgende aan. De echtelijke woning is op 26 februari 2021 aan partijen verkocht en geleverd voor een koopprijs van € 299.000. Op 8 maart 2021 heeft de man zijn voormalige woning, die tot zijn privévermogen behoorde, verkocht en geleverd aan een derde. De netto verkoopopbrengst bedroeg € 40.378,63. De man stelt dat hij met dit vermogen op 11 maart 2021 een bedrag van € 30.000 heeft afgelost op de hypothecaire geldlening verbonden aan de gezamenlijke woning van partijen. Ook de overige gelden van € 10.378,63 zijn door de man in de echtelijke woning geïnvesteerd, zo stelt hij. Op deze investeringen is volgens de man de beleggingsleer van toepassing, zodat uitgaande van de koopprijs van de echtelijke woning van € 299.000 en de door hem gedane investering van
€ 40.378,63 het vergoedingsrecht 13,5 % van de huidige waarde van de woning bedraagt, aldus de man.
4.37.
De vrouw erkent dat de op 11 maart 2021 gedane extra aflossing van € 30.000 op de hypothecaire geldlening is gedaan met privégelden van de man. Ook is de vrouw het met de man eens dat op dit bedrag de beleggingsleer van toepassing is, zodat het vergoedingsrecht van de man neerkomt op 10% van de waarde van de woning, aldus de vrouw. De vrouw betwist bij gebrek aan onderbouwing dat het resterende bedrag van € 10.378,63 eveneens in de echtelijke woning is geïnvesteerd.
4.38.
De rechtbank overweegt als volgt. Tijdens de zitting heeft de man verklaard dat het bedrag van € 10.378,63 zou zijn besteed aan de aanschaf van zonnepanelen, rolluiken en meubels. Volgens vaste rechtspraak kan de aanschaf van meubels niet worden aangemerkt als investering, zodat de man hiervoor geen aanspraak kan maken op een vergoedingsrecht. Omdat de gestelde investering in zonnepanelen en rolluiken door de man niet is onderbouwd en de vrouw de stellingen van de man heeft betwist gaat de rechtbank aan de stellingen van de man op dit punt voorbij.
4.39.
De rechtbank concludeert dat de man een vergoedingsrecht heeft op de gemeenschap voor de door hem op 11 maart 2021 gedane investering van € 30.000. Uitgaande van de aanschafprijs van de woning van € 299.000 komt deze vergoeding neer op 10% van de waarde van de woning. Partijen gaan uit van een woningwaarde van € 440.00, zodat het vergoedingsrecht € 44.000 bedraagt.
4.40.
Conform het verzoek van de man zal de rechtbank bepalen dat van de woningwaarde van € 440.000 eerst de hypothecaire geldlening ten tijde van de overdracht moet worden voldaan en de kosten van de makelaar-taxateur en de kosten van de overdracht en eventuele andere kosten in verband het ontslaan van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid. Vervolgens dient het vergoedingsrecht van € 44.000 aan de man te worden voldaan. De resterende overwaarde dient bij helft tussen partijen te worden gedeeld.
Termijn
4.41.
Partijen zijn het tijdens de zitting eens geworden dat de man een termijn van drie maanden gegund wordt om aan te de vrouw aan te tonen dat hij in staat is om de woning over te nemen. Partijen zijn verdeeld wanneer deze termijn aanvangt; de vrouw stelt dat deze termijn ingaat vanaf de datum van de zitting, de man stelt dat deze termijn pas in moet gaan vanaf de datum van deze beschikking.
4.42.
De rechtbank zal beslissen dat de door partijen overeengekomen termijn ingaat vanaf de datum van deze beschikking, omdat zij dit het meest redelijk acht.
4.43.
Indien de man niet in staat is om de woning over te nemen, dan moet de woning worden verkocht. Partijen zijn het eens dat dan het door de man verzochte spoorboekje gevolgd kan worden. De rechtbank zal zo beslissen.
De banksaldi (post c)
4.44.
Partijen zijn het eens om de op de peildatum aanwezige saldi minus de aanwezige saldi bij aanvang van het huwelijk bij helfte te delen. Door de vrouw is inzichtelijk gemaakt wat de betreffende saldi waren. Hier is door de man geen verweer tegen gevoerd. Uit de door de vrouw overgelegde bankafschriften blijken de volgende saldi:
- Betaalrekening [bankrekeningnummer 1] op naam van de vrouw
Saldo [scheidingsdatum] € 721,60
Saldo [huwelijksdatum] € 846,73
-----------
-/- € 125,13
Omdat sprake is van een afname in het saldo, is de man gehouden een bedrag van
(€ 125,13/2=) € 62,57 aan de vrouw te vergoeden.
- Oranje Spaarrekening [bankrekeningnummer 2] op naam van de vrouw
Saldo [scheidingsdatum] € 0,14
Saldo [huwelijksdatum] € 12,01
-----------
-/- € 11,87
Omdat sprake is van een afname van het saldo, is de man gehouden een bedrag van (€ 11,87/2=) € 5,94 aan de vrouw te vergoeden.
- Betaalrekening [bankrekeningnummer 3] op naam van de man
Saldo [scheidingsdatum] € 1.315,54
Saldo [huwelijksdatum] € 4.757,15
-------------
-/- € 3.441,61
Omdat sprake is van een afname van het saldo, is de vrouw gehouden een bedrag van (€ 3.441,61/2=) € 1.720,80 aan de man te vergoeden.
- Spaarrekening [bankrekeningnummer 4] op naam van de man
Saldo [scheidingsdatum] € 26.739,66
Saldo [huwelijksdatum] € 15.437,99
--------------
€ 11.301,67
Omdat sprake is van een toename van het saldo is de man gehouden een bedrag van (€ 11.301,67/2=) € 5.650,84 aan de vrouw te voldoen.
4.45.
Per saldo dient de man de vrouw (€ 62,57 + € 5,94 + € 5.650,84 - € 1.720,80 =)
€ 3.998,55 te betalen uit hoofde van de verdeling van de banksaldi. De rechtbank zal de man hiertoe veroordelen.
De auto’s (posten d en e)
4.46.
Partijen zijn het eens dat de Peugeot 208 aan de man kan worden toegedeeld tegen een waarde van € 5.000. Ook zijn partijen het tijdens de zitting eens geworden dat de Suzuki Alto aan de vrouw kan worden toegedeeld tegen een waarde van € 1.000. Per saldo dient de man in het kader van de verdeling van de auto’s € 2.000 aan de vrouw te voldoen. De rechtbank zal zo beslissen.
De caravan (post f)
4.47.
Tussen partijen is niet in geschil dat zij de caravan hebben verkocht en dat zij de verkoopopbrengst bij helfte hebben gedeeld.
Uitvoerbaar bij voorraad
4.48.
De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren zoals is verzocht. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de rechtbank geldt totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt. De uitvoerbaarheid bij voorraad geldt niet voor de echtscheiding. Die beslissing geldt namelijk pas als de echtscheiding is ingeschreven en dat kan pas gebeuren als daar geen hoger beroep meer tegen mogelijk is.
Proceskosten
4.49.
De rechtbank zal beslissen dat ieder de eigen proceskosten betaalt, omdat partijen met elkaar gehuwd zijn.
5De beslissing
De rechtbank:
5.1.
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd op [huwelijksdatum] in de gemeente [woonplaats] ;
5.2.
bepaalt dat de minderjarige kinderen:
[naam kind 1]
, geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] ;
[naam kind 2]
, geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] ;
hun hoofdverblijfplaats bij de vrouw hebben;
5.3.
stelt vast als regeling ter verdeling van zorg- en opvoedingstaken dat [kind 1] en [kind 2] bij de man verblijven:
iedere week van dinsdag 17.00 uur tot donderdag 07.30 uur;
om het weekend van vrijdag 17.00 uur tot zondag 17.00 uur;
in de zomervakantie conform het schema 1-2-2-1, in onderling overleg met de vrouw te bepalen;
in de even jaren de eerste helft van de voorjaarsvakantie, meivakantie, herfstvakantie en kerstvakantie en in de oneven jaren de tweede helft van die vakanties;
in de even jaren op eerste paasdag, Hemelvaartsdag, tweede pinksterdag en eerste kerstdag;
in de oneven jaren op tweede paasdag, Koningsdag, eerste pinksterdag, tweede kerstdag, oudjaarsdag en nieuwjaarsdag;
waarbij het wisselmoment voor de vakanties en feestdagen om 17.00 uur is;
en de overige tijd bij de vrouw;
5.4.
bepaalt dat de man met ingang van de datum waarop deze beschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1] en [kind 2] aan de vrouw zal betalen € 166 per kind per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
5.5.
gelast de wijze van verdeling van de woning aan de [adres] [woonplaats] en de daaraan gekoppelde hypothecaire geldlening bij Argenta Spaarbank N.V. met leningnummer [nummer] als volgt:
de man krijgt gedurende drie maanden vanaf de datum van deze beschikking de gelegenheid om de vrouw schriftelijk en met bewijsstukken onderbouwd te berichten of hij de woning kan overnemen tegen een waarde van € 440.000, waarbij de man de huidige hypothecaire geldlening geheel voor zijn rekening zal nemen en als eigen schuld zal voldoen en de vrouw zal worden ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor deze hypothecaire geldlening;
de over- dan wel onderwaarde wordt tussen partijen gedeeld dan wel gedragen op de volgende wijze: de over- dan wel onderwaarde bestaat uit de woningwaarde van € 440.000 minus de hypothecaire geldlening ten tijde van de overdracht, minus de kosten van de makelaar-taxateur en de kosten van de overdracht en eventuele andere kosten in verband met het ontslaan van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid en minus het vergoedingsrecht van de man van € 44.000 als hierna genoemd in 5.7.;
na betaling van de kosten van de makelaar-taxateur en de kosten van de overdracht en eventuele andere kosten in verband met het ontslaan van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid dient het vergoedingsrecht van € 44.000 als hierna genoemd in 5.7. aan de man te worden voldaan;
partijen hebben ieder recht op 50% van de resterende overwaarde;
partijen verlenen over en weer op eerste verzoek van de ander hun medewerking aan de notariële overdracht van de woning, met dien verstande dat in de notariële leverings/toedelingsakte van de woning aan de man een antispeculatiebeding moet worden opgenomen inhoudende dat indien de man de woning binnen twee jaar na de levering aan hem aan een derde verkoopt en dit meer opbrengt dan
€ 440.000, hij de helft van het positieve verschil tussen de verkoopprijs en het bedrag van € 440.000 aan de vrouw dient te vergoeden;
- indien de man niet binnen de genoemde termijn van drie maanden onderbouwd heeft bericht dat hij de woning kan overnemen, dan wordt de woning verkocht aan een derde onder de volgende voorwaarden:
partijen dienen binnen 1 week nadat hierboven genoemde termijn is verstreken, of nadat de man kenbaar heeft gemaakt de woning niet te kunnen overnemen, een gezamenlijke opdracht te verstrekken aan een door partijen nader te bepalen makelaar-taxateur tot verkoop van de woning;
deze makelaar-taxateur adviseert partijen bindend over de vast te stellen
vraag- en laatprijs van de woning;
de over- dan wel onderwaarde wordt tussen partijen gedeeld conform de
hiervoor genoemde wijze;
bij verkoop wordt een minimale overdrachtstermijn van 5 maanden
gehanteerd, zodat de man en de kinderen een woning kunnen vinden;
5.6.
stelt voor het overige de verdeling vast als volgt:
a. ten aanzien van de bankrekeningen
veroordeelt de man om het kader van de verdeling van verdeling van de banksaldi
€ 3.998,55 aan de vrouw te voldoen;
ten aanzien van de auto’s
deelt de auto van het merk Peugeot 208 toe aan de man tegen een waarde van € 5.000;
deelt de auto van het merk Suzuki Alto toe aan de vrouw tegen een waarde van € 1.000;
veroordeelt de man om in het kader van de verdeling van de auto’s per saldo € 2.000 aan de vrouw te betalen;
5.7.
bepaalt dat de man uit hoofde van de door hem vanuit privévermogen gedane investeringen in de gemeenschappelijke woning een vergoedingsrecht op de huwelijksgemeenschap toekomt van 10 % van de woningwaarde, wat neerkomt op een bedrag van € 44.000;
5.8.
bepaalt dat de onder 5.2. tot en met 5.7. genoemde beslissingen uitvoerbaar zijn bij voorraad;
5.9.
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten van deze procedure draagt;
5.10.
wijst af wat meer of anders is verzocht.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.E. Grosscurt, (kinder)rechter en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. K.K.H. Wagemaker, griffier op 10 juli 2026.
Tegen de eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- de verschenen partij(en), binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- de niet verschenen partij(en), binnen drie maanden na de betekening van de beschikking aan hem/haar in persoon of binnen drie maanden nadat deze op een andere manier is betekend en openbaar is gemaakt door het plaatsen van een uittreksel van de beschikking in de Staatscourant.
Bijlage 1
Met zaaknummer C/05/449168 FZ RK 25-663.
Artikel 1:397 lid 2 BW.
Bijlage 1: berekening NBI man.
Artikel 1:99 lid 1 sub b van het Burgerlijk Wetboek.
Artikel 1:94 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek.
Artikel 1:94 lid 7 van het Burgerlijk Wetboek.
ECLI:HR:2001:ZC3697.