Rechtbank Gelderland
ECLI:NL:RBGEL:2026:5350
2026-03-31
Civiel recht; Arbeidsrecht
K/5004/12077145
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Arbeidsrecht. Werknemer is op staande voet ontslagen wegens bedrog / fraude (het vervalsen van autorisaties). De gestelde fraude is naar het oordeel van de kantonrechter voldoende aangetoond en er is voldoende zorgvuldig onderzoek verricht. Het ontslag is naar het oordeel van de kantonrechter rechtsgeldig. Werknemer krijgt geen billijke vergoeding, gefixeerde schadevergoeding en transitievergoeding. De door werkgever verzochte gefixeerde schadevergoeding wordt wel toegewezen en de door werkgever verzochte schadevergoeding als gevolg van de fraude wordt als onvoldoende onderbouwd afgewezen.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (64.778 tekens)
RECHTBANK
GELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummers / rekestnummers: 12073558 \ HA VERZ 26-17
12077145 \ HA VERZ 26-19
Beschikking van 31 maart 2026
in de zaak met nummer 12073558 \ HA VERZ 26-17
[naam voormalig werknemer]
,
wonend te [woonplaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [de voormalige werknemer] ,
gemachtigde: mr. M.J. Draaisma en mr. A.B. Abeln,
tegen
DHOMUS B.V.,
gevestigd te Waardenburg,
verwerende partij,
hierna te noemen: Dhomus,
gemachtigde: mr. T. van Liempd.
en in de zaak met nummer 12077145 \ HA VERZ 26-19
DHOMUS B.V.,
gevestigd te Waardenburg,
verzoekende partij,
hierna te noemen: Dhomus,
gemachtigde: mr. T. van Liempd
tegen
[naam voormalig werknemer]
,
wonend te [woonplaats] ,
verwerende partij,
hierna te noemen: [de voormalige werknemer] ,
gemachtigde: mr. M.J. Draaisma en mr. A.B. Abeln
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
in de zaak 12073558 \ HA VERZ 26-17:
- het verzoekschrift van [de voormalige werknemer] met 8 producties, ontvangen op 22 januari 2026
- het verweerschrift van Dhomus, ontvangen op 20 februari 2026
in de zaak 12077145 \ HA VERZ 26-19:
- het verzoekschrift van Dhomus met 27 producties, ontvangen op 27 januari 2026
- het verweerschrift van [de voormalige werknemer] , ontvangen op 20 februari 2026
- de brief met aanvullende producties 28 en 29 van de zijde van Dhomus,
- de brief met aanvullende productie 30 van de zijde van Dhomus,
- de brief met aanvullende productie 9 van [de voormalige werknemer] ,
1.2.
De zaken zijn mondeling behandeld op 3 maart 2026 waarbij de gemachtigden pleitaantekeningen hebben overgelegd en voorgedragen en waarbij de griffier van het overige aantekeningen heeft gemaakt. De gemachtigde van [de voormalige werknemer] heeft tijdens de mondelinge behandeling twee producties overgelegd.
1.3.
De beschikking in beide zaken is bepaald op vandaag.
2De feiten
2.1.
Dhomus is een onderneming die zich als landelijke projectpartner bezighoudt met dienstverlening die zich uitstrekt van ontwerp en advisering tot en met realisatie van keukens, sanitair en tegels richting oplevering, veelal in het kader van nieuwbouwprojecten. Zij fungeert als schakel tussen bouwondernemingen en kopers van nieuwbouwprojecten en bedient opdrachtgevers en kopers mede vanuit showrooms, onder meer in Waardenburg, Rotterdam en Amsterdam.
2.2.
[de voormalige werknemer] is sinds 1 november 2021 in dienst bij Dhomus. Vanaf
1 januari 2025 is hij voor onbepaalde tijd in dienst in de functie van Servicemedewerker B voor 40 uur per week. Het laatstgenoten salaris bedraagt € 3.367,57 bruto per maand, exclusief emolumenten. Als Servicemedewerker B is hij verantwoordelijk voor het afhandelen van inkomende klantcontacten en van eventuele klachten, de nauwkeurige registratie van klantgegevens en het signaleren van verbetermogelijkheden ter verhoging van de klanttevredenheid en efficiëntie.
2.3.
Op vrijdag 28 november 2025 ontslaat Dhomus [de voormalige werknemer] , na een hoor- en wederhoorgesprek, op staande voet.
2.4.
Bij aangetekende brief van maandag 1 december 2025 bevestigt Dhomus het ontslag op staande voet aan [de voormalige werknemer] met de volgende toelichting:
“Hierbij bevestigen wij dat je op vrijdag 28 november j.l. per direct op staande voet bent ontslagen.
Op 27 november 2025 hebben wij geconstateerd dat jij gedurende jouw werkzaamheden binnen de organisatie gebruik hebt gemaakt van valse autorisaties, althans zonder daadwerkelijke autorisatie van de betreffende persoon/personen, bij het accorderen van creditnota’s. Het ging daarbij om autorisaties van de CEO en/of de Manager Service en minimaal in één geval van een externe partij.
Na intern onderzoek op 28 november 2025 is vastgesteld dat de door jou gehanteerde werkwijze bestond uit de volgende stappen:
1. Opstellen van een autorisatieverzoek
Jij hebt e-mailberichten opgesteld gericht aan [CEO] (CEO) en/of [manager 1] (Manager Service), waarin jij vroeg om goedkeuring van creditnota’s. Deze e-mails zijn echter nooit verzonden naar de genoemde leidinggevenden.
2. Vervalsen van autorisaties
Vervolgens heb jij zelf e-mails opgesteld uit naam van [CEO] en/of [manager 1] (en in minimaal één geval van een leverancier: [leverancier] ), waarin een bevestiging werd gegeven op jouw eigen (nooit verzonden) autorisatieverzoek. Deze e-mailberichten wekten doelbewust de indruk dat de betreffende leidinggevenden (of partij) daadwerkelijk akkoord waren met de gevraagde creditnota.
3. Doorsturen van de vervalste e-mailketen aan Finance
Deze door jou zelf gecreëerde e-mailketen is daarna door jou doorgestuurd aan de Finance-afdeling, ter attentie van [finance-medewerker] , met het verzoek tot verwerking en betaling van de creditnota’s aan klanten.
Deze werkwijze is in ieder geval vastgesteld bij de volgende referentienummers en bedragen:
• Ref 196397 - [klant 1] : € 5.000,-
• Ref 196397 - [klant 1] : € 3.496,92
• Ref 195268 - [klant 2] : € 1.500,-
• Ref 177563 - [klant 3] : € 3.000,-
• Ref 149426 - [leverancier] : € 1.770,94
Daarnaast zijn meerdere referenties aangetroffen waarbij de naam en autorisatiebevoegdheid van [manager 1] op eenzelfde manier oneigenlijk zijn gebruikt, voor autorisaties onder de € 1.000,-.
De voorgaande autorisaties zijn ontdekt in ons klantvolgsysteem (DIMS), nadat daarin onregelmatigheden in de autorisatieketen werden aangetroffen. De betrokken autorisaties zijn vervolgens gecontroleerd in de computers van zowel [CEO] als [manager 1] (door meerder personen), waarbij het volgende is opgemerkt:
• De betreffende autorisatieverzoeken zijn door [CEO] en [manager 1] niet herkend en zijn ook niet in hun mailboxen teruggevonden;
• De autorisaties zijn niet door [CEO] en [manager 1] verstrekt en zijn ook niet in hun verstuurde emails terug te vinden.
Een gerichte check in jouw mailbestanden (na afstemming daarover met onze jurist) heeft vervolgens het volgende opgeleverd:
• De door jou zelf gecreëerde e-mailketen is teruggevonden in doorgestuurde berichten aan de Finance-afdeling (ter attentie van [finance-medewerker] ), met het verzoek tot verwerking en betaling van de creditnota’s aan klanten.
• In verschillende gevallen is gebleken dat jij richting klanten al toezegging hebt gedaan over een te ontvangen credit, ruim voordat daarvoor autorisatie was verleend. (Of in dit geval: een fictief autorisatie-verzoek was ingediend).
• Een beeld is ontstaan van communicatie met (geïrriteerde) klanten, waarin fictieve verhalen werden gedeeld over interne issues bij o.a. Finance, waardoor toegezegde credit-betalingen nog niet zouden zijn voldaan.
Confrontatie en bevindingen
Op vrijdag 28 november 2025 ben jij in een persoonlijk gesprek met [CEO] , [manager 1] en [HR medewerker] (HR Officer) geconfronteerd met deze bevindingen. Tijdens dit gesprek heb jij de aantijgingen noch bekend noch ontkend. Je hebt in jouw eigen mailbox gezocht naar:
• de verzonden autorisatieverzoeken aan [CEO] en [manager 1] , en
• de bevestigingen die van hen afkomstig zouden zijn.
Geen van deze e-mails bleken aanwezig te zijn in jouw mailbox. Dat bevestigt de vastgestelde werkwijze, waarbij er überhaupt nooit e-mails hebben bestaan en zijn verzonden.
Wel heb je de aan Finance verstuurde berichten teruggevonden, waarin de autorisatieverzoeken en accordering daarvan werden doorgestuurd. In het gesprek heb je bevestigd deze berichten zelf verstuurd te hebben en aangegeven van besproken zaken op de hoogte te zijn.
Los van bovengenoemde bewijs van fraude met autorisatieverzoeken, bevestigt ook een tweetal aanvullende zaken de gedane manipulaties:
• Zogenaamd doorgestuurde email berichten zijn niet voorzien van de markering RE: of FW: in de onderwerpbalk. Dit bevestigt dat deze berichten niet daadwerkelijk zijn doorgestuurd.
• In één geval (casus [leverancier] ) is er in een doorgestuurd bericht een datum in de toekomst gebruikt. Later dan de datum van het bericht en zelfs later dan de huidige datum. Ook dit bevestigt manipulatie van de berichten.
Vervolgens heb je de gelegenheid gehad om ook onder vier ogen aan jouw leidinggevende [manager 1] te verklaren wat er is voorgevallen en waarom. Hierbij heb je geen nieuwe informatie gedeeld. Daarop is het gesprek voor korte tijd geschorst.
Ontslag op staande voet
De hierboven genoemde gedragingen vormen zowel ieder voor zich, als alle tezamen in onderling verband beschouwd, een dringende reden om jouw arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang op 28 november 2025 te beëindigen. De arbeidsovereenkomst is dus op 28 november 2025 met onmiddellijke ingang opgezegd.
Bij het nemen van de beslissing om jouw arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang te beëindigen hebben wij rekening gehouden met alle omstandigheden, en de voor jou verstrekkende gevolgen daarvan, waaronder de financiële gevolgen. Wij menen echter niet anders te kunnen.
Doordat jij DHOMUS in een positie hebt gebracht waarin wij niet anders kunnen dan de arbeidsovereenkomst met jou met onmiddellijke ingang te beëindigen ben je aan DHOMUS een gefixeerde schadevergoeding verschuldigd. Met de eindafrekening zal de gefixeerde schadevergoeding worden verrekend. Mocht de
schadevergoeding groter zijn dan het bedrag wat jij tegoed hebt, zullen we vanuit goed werkgeverschap deze kosten kwijtschelden en geen factuur nasturen.
Daarnaast beschouwt DHOMUS de dringende redenen, als ernstig verwijtbaar, zodat geen aanspraak bestaat op de transitievergoeding. DHOMUS behoudt zich daarnaast nadrukkelijk het recht voor om alle directe en indirecte schade, opgelegde boetes en eventuele aansprakelijkstellingen door derden, voortvloeiend uit jouw handelen of nalaten, integraal op jou te verhalen.
Daarnaast dien jij je te houden aan de beperkende bedingen zoals opgenomen in jouw arbeidsovereenkomst.
Indien je aan het voorgaande geen gehoor geeft, dan handel je (wederom) in strijd met duidelijke instructies, en geef je DHOMUS een dringende reden voor een tweede ontslag op staande voet.
(…)”
2.5.
Bij brief van 5 december 2025 schrijft de gemachtigde van [de voormalige werknemer] aan Dhomus dat [de voormalige werknemer] ontkent dat hij fraude heeft gepleegd, dat hij van mening is dat een dringende reden voor het ontslag ontbreekt waardoor het ontslag op staande voet niet rechtmatig is en dat hij niet berust in het ontslag en zich beschikbaar houdt voor zijn werkzaamheden. Ook wordt verzocht om toezending van de documentatie, informatie en stukken waarop het ontslag is gebaseerd en om [de voormalige werknemer] toegang te verlenen tot zijn e-mailbox om de juistheid van de bestanden en de op basis daarvan getrokken conclusies en stellingen aan de hand daarvan te kunnen controleren. Daarnaast wordt verzocht om een nadere toelichting op de wijze en momenten waarop het onderzoek naar de vermeende fraude is uitgevoerd.
2.6.
Bij brief van 8 december 2025, met 20 bijlagen, antwoordt Dhomus hierop het volgende:
“In reactie op uw brief van 5 december jl. stuur ik u hierbij een nadere toelichting van de feiten die geleid hebben tot het ontslag op staande voet van uw cliënt, de heer [de voormalige werknemer] , op 28 november jl.
Alvorens op uw specifieke vragen in te gaan is het relevant op te merken dat de heer [de voormalige werknemer] afgelopen jaar door onze interne coach (mevr. [coach] ) werd ondersteund met de hulpvraag: ‘Ik wil binnen 1 jaar mezelf beter uitspreken en mijn grenzen beter aangeven, zodat ik meer rust in werk creëer en gestructureerder kan werken.” (Zie bijlage 1).
Onderstaand vindt u een puntsgewijze beantwoording van uw vragen (1-14).
Ondersteunende bijlagen zijn opgenomen in het overzicht onderaan deze brief en worden separaat meegestuurd. Een aantal relevante citaten uit de bijlagen is opgenomen in deze brief.
1. De volgens DHOMUS vervalste autorisaties
2. De documentatie waaruit blijkt dat de autorisatiebevoegdheid van mevrouw [manager 1] volgens DHOMUS oneigenlijk is gebruikt
De gemanipuleerde autorisaties zijn opgenomen in de bijlagen 2, 3, 4, 5, 7, 12, 15, 19 en 20. Ons onderzoek is niet uitputtend geweest, maar de aangetoonde manipulaties betreft ten minste de onderstaande referenties en klanten.
Bijlage Referentienr. Klant Datum Credit (€)
2 196397 [klant 1] 16-10-2025 5.000,00
3 196397 [klant 1] 24-7-2025 3.496,92
4 177169 [klant 4] 1-10-2025 849,06
5 187511 [klant 5] 11-6-2025 443,30
7 177563 [klant 3] 26-6-2025 3.000,00
12 195268 [klant 2] 24-7-2025 1.500,00
15 180481 [klant 6] 1-10-2025 400,00
19 183258 [klant 7] 12-3-2025 500,00
20 185248 [klant 8] 26-6-2025 500,00
15.689,28
Ter verduidelijking hierbij een toelichting van referentie 177563, [klant 3] . In het geval van de andere referenties was de werkwijze hetzelfde. (Onderaan deze brief is ook referentie 180481, klant [klant 6] , op een vergelijkbare manier uitgewerkt).
• Op 26/6/25 stuurt de heer [de voormalige werknemer] aan Financieel administratief medewerker de heer [finance-medewerker] het verzoek om uitbetaling van een credit aan [klant 3] t.w.v. € 3.000,- (Zie bijlage 7).
• Onder dit mail bericht is doorgestuurd:
( i) het (zogenaamde) akkoord van ondergetekende ( [CEO] ), van 20/6/2025
(ii) het verzoek om akkoord (van [CEO] ) door [de voormalige werknemer] , van 20/6/2026
• Ad (i), uit het nader toe te lichten onderzoek is gebleken dat het (zogenaamde) akkoord van [CEO] nooit is verstuurd (door [CEO] ) en ook niet in de ontvangen berichten van [de voormalige werknemer] is teruggevonden. Er heeft ook geen gesprek over deze kwestie plaatsgevonden.
• Ad (ii), tevens is gebleken dat het verzoek aan [CEO] om akkoord nooit door hem is ontvangen en ook niet in de verstuurde berichten van [de voormalige werknemer] is teruggevonden.
• Het op 26/6/25 verstuurde bericht van [de voormalige werknemer] is wel in zijn verstuurde berichten gevonden. In het gesprek met [de voormalige werknemer] op 28 november jl. is ook door hem bevestigd dat dit bericht -en vergelijkbare betalingsverzoeken aan [finance-medewerker] (zie genoemde bijlagen)- door hem is verstuurd.
• Belangrijk op te merken is dat in het onderwerp van de mail van 26/5 geen RE of FW zichtbaar is. Dat is wel gebruikelijk in ons mailsysteem. Dit is ook niet het geval in andere creditverzoeken die zijn doorgestuurd naar [finance-medewerker] (met meegestuurde autorisaties van [CEO] / [manager 1] ) en dient als een extra bevestiging dat er met betreffende mails is gemanipuleerd.
3. De documentatie waaruit zou blijken dat cliënt toezeggingen aan klanten heeft gedaan voordat autorisatie verleend zou zijn.
4. De informatie waaruit zou blijken dat cliënt fictieve verhalen heeft gedeeld over interne issues.
• Op 19/5/25 -ruim een maand voor de in bovenstaande genoemde ‘mailketen’- stuurt de heer [de voormalige werknemer] aan [klant 3] de schriftelijke vastlegging van een creditbedrag van €3.000,- (Mondeling al toegezegd op vrijdag 16/5 blijkt uit de correspondentie). Zie bijlage 11. Tevens schrijft [de voormalige werknemer] : “De credit wordt
op vrijdag 23/5 verstuurd en mag u dan op uw rekening verwachten.”
• In de mailbox van [de voormalige werknemer] zijn verschillende verzoeken van [klant 3] te vinden met verzoeken om betaling, met tevens diverse excuses. Een greep daaruit:
Op 30/5/25 schrijft [de voormalige werknemer] in een mail aan [klant 3] (bijlage 10): “Ik heb een mail gestuurd naar de financiële directeur in ons bedrijf gezien het openstaande bedrag. Aangegeven dat dit met voorrang opgepakt dient te worden. Begrijp dat dit door mijn collega’s niet is verzorgd.”
Op 12/6/25 -bijna 4 weken na zijn gedane toezegging en twee weken voor creatie van de toegelichte mailketen- schrijft [de voormalige werknemer] (bijlage 9): “Vanmorgen heb ik ook met de leidinggevende van de financiële afdeling gezeten om het ontbrekende bedrag te bespreken. Ik heb hierbij aangegeven dat ik best schrik dat dit tot op
heden niet voor u is verzorgd, hij zelf schrok hier ook van en ging hier direct achteraan bij de betreffende collega. Hij komt hier morgen bij mij op terug met een update.”
Op 27/6/25 stuurt [de voormalige werknemer] nog n.a.v. verder oplopende irritatie bij [klant 3] (bijlage 6): “Ik heb net intern contact gehad met de financiele collega die uw dossier in behandeling heeft. Tevens de directie gesproken dat dit per direct opgelost moet gaan worden. De bevestiging is ontvangen dat maandag dit afgewikkeld wordt. Ik maak graag een afspraak met u om maandag ochtend rond 11:00 met elkaar te bellen of dat het bedrag op de rekening staat. Anders zal ik intern aangeven dat we het bedrag moete gaan ophogen gezien de doorlooptijd,”
5. Wanneer en door wie zijn welke onregelmatigheden aangetroffen in het klantvolgsysteem (DIMS)?
De onregelmatigheden zijn aangetroffen door ondergetekende op donderdagavond 27 november jl. rond 18u. In gesprek met de heer [manager 2] (Manager Projectbureau) werd ik terloops geattendeerd op het dossier [klant 1] waarin het nodige verkeerd zou lopen. Op het toevallig openstaande scherm van het klantvolgsysteem (DIMS) zag ik vervolgens autorisaties (Euro 3.496,62 en Euro 5.000,00) uit mijn naam die zeer uitzonderlijk zouden zijn en nooit door mij zijn verstuurd. Bovendien in een schrijfstijl die ik niet gebruik.
Vervolgens heb ik de heer [manager 2] die de (op dat moment nog vermoede) manipulaties niet kon geloven, in detail mijn verstuurde en ontvangen berichten getoond. Ook de heer [accountmanager] (Acountmanager) was in de kamer aanwezig en heeft kunnen bevestigen dat betreffende berichten van en aan [de voormalige werknemer] niet in mijn mailbox aanwezig zijn.
Nog diezelfde avond heeft DHOMUS HR Manager [HR manager] afstemming gezocht met mr. T. van Liempd, advocaat arbeidsrecht bij Snijders advocaten. Gezien de aard van het onderzoek is op dat moment een voldoende zwaarwegend belang aanwezig om mailbox te onderzoeken, met focus op enkel de betreffende mails die fraude impliceren.
6. Wanneer en door wie zijn de computers van de heer [CEO] en mevrouw [manager 1] gecontroleerd?
7. Op welke wijze is dit gebeurd en welke verslaglegging is hiervan gemaakt?
8. Wanneer deze check heeft plaatsgevonden ( “gerichte check” mailbestanden van cliënt)
9. Op welke wijze deze check is uitgevoerd
10. Hoe de resultaten/bevindingen van deze check zijn vastgelegd
Genoemde aanvullende onderzoek van de mailbox van [de voormalige werknemer] heb ik de volgende dag uitgevoerd in het bijzijn van [manager 2] en [finance-medewerker] . Daarbij werd de manipulatie in het dossier [klant 1] (her) bevestigd en werden -n.a.v. extra inputs van [finance-medewerker] - vergelijkbare manipulaties in andere dossiers aangetroffen. In een aantal daarvan waren ook autorisaties van de leidinggevende van [de voormalige werknemer] (mevr. [manager 1] ) gemanipuleerd (zie bijlagen 15-20). Daarop is [manager 1] op haar verlofdag naar kantoor gekomen en betrokken bij het verdere onderzoek.
De verstuurde en ontvangen berichten in de mailbox van [manager 1] zijn op 28/11 gecontroleerd door [CEO] , [finance-medewerker] en [manager 1] op dezelfde manier waarop de mailbox van [CEO] is gecontroleerd door [manager 2] en [finance-medewerker] .
Vastlegging van bevindingen door [CEO] heeft plaatsgevonden door het printen van de relevante emails vanuit de mailbox van [de voormalige werknemer] . Voor deze toelichting ben ik opnieuw door de mailbox van [de voormalige werknemer] gegaan en heb ik de bewijsmaterialen nu ook digitaal opgeslagen (zie o.a. de bijlagen).
11. Welke afstemming met uw jurist heeft plaatsgevonden
12. Op welke wijze de belangen van cliënt (waaronder zijn privacy) hierbij zijn meegenomen
De eerste afstemming met mr. Van Liempd over dit dossier, op donderdagavond 27/7, is reeds genoemd. Na bevestiging van manipulatie met verschillende credit autorisaties op 28/7 is door ondergetekende telefonisch overleg gevoerd met Van Liempd over de volledigheid van het bewijsmateriaal en het inplannen van het hoor en wederhoor gesprek met [de voormalige werknemer] .
Tot slot, t.a.v. het meenemen van het belang van [de voormalige werknemer] in dit proces. Zoals ook genoemd in de ontslagbrief van 28/7 heeft [de voormalige werknemer] uitgebreid de gelegenheid gehad te verklaren wat er is voorgevallen en wat zijn beweegredenen zijn geweest. In het bijzijn van [manager 1] en [HR medewerker] (HR Officer) hebben we onze bevindingen in detail aan hem voorgelegd en hem gelegenheid gegeven tot reactie. Tijdens dat gesprek heeft hij ook zijn laptop gehaald en doorzocht. Wat hij daarbij wel en niet heeft kunnen tonen in zijn mailbox is benoemd in de beantwoording van de vragen 1-2.
In het uitvoerige gesprek heeft [de voormalige werknemer] ook enige tijd alleen met zijn leidinggevende [manager 1] gesproken, met wie hij een vertrouwensrelatie heeft en ook buiten werktijd af en toe contact onderhoudt. Tijdens het gesprek is aan medewerker expliciet de gelegenheid geboden om aan te geven of er medische- of gezondheid gerelateerde omstandigheden zijn waarvan wij niet op de hoogte zijn, maar die mogelijk relevant kunnen
zijn voor de beoordeling van de aan hem voorgelegde feiten (zoals bijvoorbeeld medicatiegebruik of gezondheidsproblemen die het geheugen, beoordelingsvermogen of functioneren kunnen beïnvloeden). [de voormalige werknemer] heeft aangegeven dat dit volgens hem niet aan de orde is.
Omdat het gesprek helaas geen nieuwe informatie heeft opgeleverd is overgegaan tot ontslag op staande voet. [de voormalige werknemer] heeft zijn laptop en toegangstag achtergelaten en is daarop vertrokken.
In de interne communicatie zijn we zoveel mogelijk terughoudend geweest. Pogingen van verschillende collega’s (o. [manager 1] en [coach] , recruiter/coach) om met [de voormalige werknemer] in contact te blijven -mede uit zorg om zijn reactie en mentale gesteldheid- zijn door [de voormalige werknemer] onbeantwoord gelaten.
Eerder hebben we uit coulance afgezien van het verhalen van schade op [de voormalige werknemer] . Echter, gezien de grotere omvang van de manipulaties die in dit aanvullende onderzoek naar voren zijn gekomen, de ongegronde negatieve uitingen over collega’s en de organisatie en de slechte klantervaringen die hij heeft veroorzaakt, zien wij ons genoodzaakt dit standpunt te herzien. Om die reden houden we de heer [de voormalige werknemer] ook aansprakelijk voor de bedragen die onterecht en zonder autorisatie zijn gecrediteerd. Dit naast de gefixeerde schadevergoeding. (…)”
2.7.
Bij brief van 18 december 2025 reageert de gemachtigde van [de voormalige werknemer] hierop inhoudelijk, met de conclusie dat het ontslag aan [de voormalige werknemer] onrechtmatig is gegeven.
2.8.
Dhomus laat later door haar ICT-dienstverlener SPS Continuïteit (hierna: SPS) aanvullend onderzoek doen. Zij legt het onderzoeksrapport van SPS over waarin het volgende staat:
“Op 12 januari heeft SPS vanuit Dhomus de vraag gekregen om onderzoek te doen naar een aantal e-mails van de heer [de voormalige werknemer] in het kader van een lopend onderzoek. Naar aanleiding van dit onderzoek is onderstaand rapport opgesteld:
Bevindingen:
Wat opvalt in de desbetreffende e-mails is dat er nergens “RE”of “FW” in het onderwerp staat. Al zou [naam voormalig werknemer] doelbewust het onderwerp hebben aangepast om de klantreferentie vooraan te zetten, dan zouden we in de mails van [CEO] en [manager 1] aan [naam voormalig werknemer] een “RE” in het onderwerp verwachten.
In de mail 03/04/09/12 staat een e-mailhandtekening die oud lijkt te zijn namelijk dhomus-new-website, in andere ontvangen mails van [CEO] in dezelfde periode staat een handtekening met ontdek-onze-filosofie.
De e-mails betreffende de autorisatie van en naar [CEO] en [manager 1] zijn niet te vinden, ook niet in de verwijderde items. Indien mails permanent worden verwijderd komen deze in de map “Herstelbare items” terecht, dit is een onzichtbare map en e-mails blijven hier 14 dagen in staan, daarna worden deze verwijderd. We hebben backup software draaien van Veeam, deze maakt iedere dag backups van de gehele mailbox inclusief de “Herstelbare items” map. In de backup was niets terug te vinden van ontvangen/verzonden mails van/naar [CEO] of [manager 1] betreffende autorisaties voor betaling van genoemde bedragen.
In de backup zien we dat [naam voormalig werknemer] de desbetreffende mails naar zichzelf heeft gestuurd, de mails zijn vervolgens aangepast en daarna doorgestuurd naar [finance-medewerker] . Dit is heel duidelijk te zien bij 195268 – [klant 2] . Zie mailbijlage.
Beantwoording van gestelde vragen:
De berichten kunnen eenvoudig over het hoofd gezien zijn.
Zelfs na uitvoerig zoeken in alle betrokken mailboxen van [CEO] , [manager 1] en die van [naam voormalig werknemer] is er geen bewijs gevonden van ontvangen of verzonden e-mails waarin autorisatie is gegeven door [CEO] of [manager 1] .
Er kan sprake zijn van een technische- of systeemfout. Wij begrijpen dat de heer [de voormalige werknemer] in augustus en september meerdere keren van laptop is gewisseld.
De laptop is inderdaad verwisseld, de mailbox bevindt zich in Exchange online en kan op meerdere apparaten worden geraadpleegd, mist de gekoppelde gebruiker daarop ingelogd is. Er is niets zichtbaar van een technische of systeemfout.
Mocht er door een onverklaarbare reden toch mails zijn verwijderd van het systeem van [de voormalige werknemer] , dan zouden de e-mails met de verzoeken voor autorisatie en de e-mails met de gegeven autorisaties alsnog zichtbaar moeten zijn in de mailboxen van [CEO] en [manager 1] .
Voor dergelijke gevallen van eventuele systeem- of systeemfouten, hoe klein het risico ook is, hebben we de back-up software draaien die het risico op dataverlies wegneemt.
De mails kunnen (inmiddels) verwijderd zijn
Dit kan inderdaad gebeuren en in de praktijk gebeurt dit ook, zij het bewust of onbewust. Ook in dit geval kan de back-up de verloren data terughalen. De e-mails van en naar [CEO] en [manager 1] zijn hier niet aangetroffen.”
3De verzoeken en het verweer
in de zaak met nummer 12073558 \ HA VERZ 26-17
3.1.
Na intrekking ter zitting van het primaire verzoek tot vernietiging van het ontslag en tot veroordeling van Dhomus tot wedertewerkstelling met doorbetaling van loon, verzoekt [de voormalige werknemer] de kantonrechter, om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
Primair:
I. Dhomus te veroordelen tot betaling aan hem van een billijke vergoeding van
€ 50.000,-- bruto, dan wel een door de kantonrechter te bepalen billijke vergoeding;
II. Dhomus te veroordelen tot betaling aan hem van een transitievergoeding van
€ 4.950,34;
III. Dhomus te veroordelen tot betaling aan hem van een vergoeding wegens onregelmatige opzegging, te berekenen vanaf 28 november 2025 tot en met
1 februari 2026, heden begroot op € 7.273,96 bruto;
IV. Dhomus te veroordelen tot een deugdelijke eindafrekening onder overlegging van een deugdelijke specificatie, op straffe van een dwangsom van € 1.500,-- voor elke dag of gedeelte daarvan dat Dhomus in gebreke blijft, althans een door de kantonrechter te bepalen dwangsom;
Subsidiair:
I. voor het geval de arbeidsovereenkomst wel rechtsgeldig zou zijn geëindigd door het ontslag op staande voet, Dhomus te veroordelen tot betaling aan [de voormalige werknemer] van een transitievergoeding van € 4.950,34 bruto;
II. Dhomus te veroordelen tot een deugdelijke eindafrekening onder overlegging van een deugdelijke specificatie, op straffe van een dwangsom van € 1.500,-- voor elke dag of gedeelte daarvan dat Dhomus in gebreke blijft, althans een door de kantonrechter te bepalen dwangsom;
In alle gevallen:
I. Dhomus te veroordelen tot betaling aan [de voormalige werknemer] van de wettelijke rente vanaf het tijdstip van opeisbaarheid van de hiervoor genoemde bedragen tot aan de dag van algehele voldoening;
II. Dhomus te veroordelen in de volledige kosten van deze procedure, daaronder begrepen de daadwerkelijke advocaatkosten die [de voormalige werknemer] in dezen tot op heden heeft moeten maken in en buiten rechte ten bedrage van (thans begroot op) € 12.000,- (exclusief btw), te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf veertien dagen na de datum van het vonnis tot aan de dag van algehele voldoening, dan wel een door de kantonrechter in goede justitie nader te bepalen bedrag;
III. Dhomus te veroordelen in de kosten en nakosten van deze procedure een bedrag aan salaris van de gemachtigde daaronder begrepen, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf veertien dagen na de datum van het vonnis tot aan de dag van algehele voldoening.
3.2.
Volgens [de voormalige werknemer] is het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig. Hij betwist dat sprake was van een dringende reden voor dit ontslag en stelt dat er geen deugdelijk onderzoek heeft plaatsgevonden naar de gestelde dringende reden. Hij stelt daarnaast dat het ontslag op staande voet niet onverwijld is gegeven en dat de gestelde dringende reden niet onverwijld aan hem is medegedeeld. Ook heeft Dhomus zijn persoonlijke omstandigheden onvoldoende meegewogen, aldus [de voormalige werknemer] . Omdat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is, en Dhomus niet voorafgaand daaraan zorgvuldig en onafhankelijk onderzoek heeft gedaan heeft Dhomus volgens [de voormalige werknemer] ernstig verwijtbaar gehandeld. Hij maakt daarom aanspraak op een billijke vergoeding. Ook maakt hij aanspraak op een transitievergoeding, mede omdat hij zelf niet ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. [de voormalige werknemer] stelt daarnaast recht te hebben op een schadevergoeding omdat in strijd met de opzegtermijn is opgezegd. Hij vordert ten slotte vergoeding van de volledige proceskosten, waaronder de advocaatkosten, als schade op grond van artikel 7:611 BW omdat hij deze kosten heeft moeten maken door het ontslag zonder het bestaan van een dringende reden, terwijl Dhomus weigerde om serieus in overleg te treden over een voor hem redelijke regeling. Dit valt Dhomus ernstig te verwijten, aldus [de voormalige werknemer] .
3.3.
Dhomus voert verweer en concludeert tot afwijzing van de verzoeken. Volgens haar is sprake van een rechtsgeldig gegeven ontslag op staande voet. Zij voert – kort samengevat ‑ aan er na deugdelijk en voldoende zorgvuldig onderzoek bleek dat sprake was van een dringende reden, namelijk fraude of bedrog door gefingeerde autorisaties richting de afdeling Finance, voorbarige toezeggingen van crediteringen aan klanten en fictieve verklaringen richting klanten over interne issues bij de afdeling Finance, waardoor zij het vertrouwen in [de voormalige werknemer] volledig kwijt was en van haar redelijkerwijs niet kon worden gevergd de arbeidsovereenkomst nog langer te laten voortduren. Dhomus is van mening dat zij de ontslagredenen onverwijld en duidelijk aan [de voormalige werknemer] heeft meegedeeld en dat zij zijn persoonlijke omstandigheden voldoende heeft meegewogen. Zij concludeert tot afwijzing van de verzoeken met veroordeling van [de voormalige werknemer] in de proceskosten.
in de zaak met nummer 12077145 \ HA VERZ 26-19
3.4.
Dhomus verzoekt de kantonrechter:
I. voor recht te verklaren dat [de voormalige werknemer] op 28 november 2025 rechtsgeldig op staande voet is ontslagen;
II. [de voormalige werknemer] te veroordelen tot betaling van de gefixeerde schadevergoeding van € 3.367,57;
III. [de voormalige werknemer] te veroordelen tot betaling van de door Dhomus geleden schade van € 38.734,91, althans een door de kantonrechter te bepalen bedrag;
IV. [de voormalige werknemer] te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente vanaf het tijdstip van opeisbaarheid van voornoemde bedragen tot aan de dag van algehele voldoening;
V. [de voormalige werknemer] te veroordelen in de kosten van deze procedure, waaronder het salaris van de gemachtigde.
3.5.
Dhomus legt aan haar verzoek onder I hetzelfde ten grondslag als zij heeft aangevoerd als verweer in de door [de voormalige werknemer] aangespannen procedure. Zij stelt dat zij op grond van artikel 7:677 lid 2 BW recht heeft op een gefixeerde schadevergoeding ter hoogte van het loon over de opzegtermijn van een maand, zoals verzocht onder II, omdat het ontstaan van de dringende reden is veroorzaakt door opzet of schuld van [de voormalige werknemer] . Aan het verzoek tot betaling van schadevergoeding van € 38.734,91 legt zij ten grondslag dat uit (nader) onderzoek is gebleken dat zij voor ten minste dit bedrag schade heeft geleden door voorbarige toezeggingen tot creditering door [de voormalige werknemer] en de hiervoor genoemde manipulaties met autorisaties. Het onderzoeksrapport van SPS bevestigt dat Dhomus bij haar onderzoek geen berichten over het hoofd heeft gezien en dat geen sprake was van een technische fout of systeemfout of (inmiddels) verwijderde e-mails. Op grond van primair artikel 7:661 BW en subsidiair artikel 6:162 BW is [de voormalige werknemer] aansprakelijk voor deze schade, aldus Dhomus, omdat de schade het gevolg is van zijn opzet of bewuste roekeloosheid. Ook de onderzoekskosten van SPS (waarvan zij nog geen factuur heeft ontvangen) wil zij als schade vergoed krijgen als redelijke kosten ter vaststelling van de aansprakelijkheid.
3.6.
[de voormalige werknemer] voert verweer en verzoekt om afwijzing van de verzoeken van Dhomus. Hij blijft bij zijn standpunt dat de vermeende e-mailvervalsingen niet zijn komen vast te staan en dat het onderzoek niet onafhankelijk en zorgvuldig is uitgevoerd. |Als er al sprake zou zijn van manipulatie of vervalsing van e-mails, zijn er geen concrete aanwijzingen dat [de voormalige werknemer] dit zou hebben gedaan. Er is geen bewijs overgelegd van door [de voormalige werknemer] eerst naar zichzelf doorgestuurde en vervolgens bewerkte autorisatieverzoeken. De hoofdletters in de maandnamen kunnen eenvoudig worden veroorzaakt door het gebruik van bepaalde applicaties of besturingssystemen (Windows, iOS of Android) die invloed hebben op de datumweergave, zoals blijkt uit de ter zitting overgelegde voorbeelden van een interne e-mailwisseling. SPS kan niet worden beschouwd als een onafhankelijke partij omdat zij samenwerkt met Dhomus. Ook voert hij aan dat eventueel onbevoegde opdrachten voor creditnota’s geen schade kunnen veroorzaken omdat in KOMAS, het boekhoudsysteem van Dhomus, een aanvullend controlemechanisme is ingebouwd, waarbij voordat tot betaling wordt overgegaan (van een inkoopfactuur of creditfactuur), altijd nog om goedkeuring van de bij het dossier betrokken medewerker wordt verzocht via de knop ‘memo’ in KOMAS. Het causaal verband tussen het beweerdelijk frauduleuze handelen en de schade ontbreekt daarom en Dhomus heeft daarnaast de hoogte van de eventuele schade onvoldoende onderbouwd.
3.7.
Op de stellingen van partijen en het verweer in beide zaken zal hierna, voor zover nodig, nader worden ingegaan.
4De beoordeling
in de zaak met nummer 12073558 \ HA VERZ 26-17
4.1.
Het gaat in deze zaak ten eerste om de vraag of het ontslag op staande voet rechtsgeldig is.
4.2.
Een ontslag op staande voet is een ingrijpend middel om tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst te komen, waarvan een werkgever niet zomaar gebruik mag maken. In artikel 7:677 lid 1 BW zijn drie voorwaarden genoemd waaraan een ontslag op staande voet moet voldoen:
- de werkgever moet een dringende reden hebben om de werknemer te ontslaan;
- het ontslag moet onverwijld worden gegeven;
- de werkgever moet de werknemer de reden voor het ontslag onverwijld meedelen.
Als aan één van die drie voorwaarden niet is voldaan is het ontslag niet rechtsgeldig.
dringende reden
4.3.
Artikel 7:678 lid 1 BW bepaalt dat als dringende redenen worden beschouwd zodanige omstandigheden die als gevolg hebben dat van de werkgever redelijkerwijze niet gevraagd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. De wet geeft daar ook voorbeelden van. Uit die opsomming blijkt dat het moet gaan om zeer ernstige omstandigheden die objectief bekeken maken dat van de werkgever redelijkerwijs niet gevraagd kan worden om de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. De werkgever is de partij die moet onderbouwen en zo nodig bewijzen dat er een dringende reden bestond voor het ontslag op staande voet.
De kantonrechter moet bij de beoordeling van de dringende reden alle omstandigheden van het geval in aanmerking nemen, zoals de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, hoe lang hij al voor de werkgever werkte, hoe hij heeft gefunctioneerd en wat het ontslag op staande voet voor gevolgen voor hem heeft.
4.4.
Als voornaamste ontslaggrond heeft Dhomus in haar brief van 1 december 2025 aangevoerd dat zij had ontdekt dat [de voormalige werknemer] autorisaties had gefingeerd of vervalst om daarmee door de afdeling Finance crediteringen aan klanten te laten verwerken. Indien de vervalste crediteringen komen vast te staan, levert deze ontslaggrond naar het oordeel van de kantonrechter een dringende reden op voor een ontslag op staande voet, omdat dit handelen kan worden beschouwd als bedrog ofwel fraude, dat in ernstige mate het vertrouwen van de werkgever schaadt en als ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer is te beschouwen. Bedrog is ook genoemd als één van de in artikel 7:678 lid 2 BW genoemde dringende redenen voor een ontslag op staande voet. Dat [de voormalige werknemer] hiervan zelf niet financieel beter zou worden maakt daarbij niet uit.
4.5.
[de voormalige werknemer] betwist dat hij autorisaties zou hebben vervalst. Hij stelt dat dit op basis van het met hem gedeelde materiaal niet overtuigend is aangetoond. Elk motief daarvoor ontbreekt volgens hem. Hij kent de betreffende klanten niet en ontvangt geen bonus of ander voordeel op basis van de afhandeling van klachten. Hij kan het ontbreken van berichten in mailboxen niet verifiëren omdat Dhomus heeft geweigerd om hem na het ontslag nog toegang te geven tot zijn mailbox. De berichten kunnen over het hoofd zijn gezien, er kan sprake zijn van een technische fout of systeemfout of de e-mails kunnen (inmiddels) zijn verwijderd. Wel heeft hij een foto kunnen terugvinden van een e-mail in de casus [klant 4] met referentienummer 117169 waaruit blijkt dat hij al eerder van [manager 2] toestemming had voor de creditering ten hoeve van die klant. Het door Dhomus als ondersteunend bewijs genoemde ontbreken van ‘RE’of ‘FW’ in de als voorbeeld overgelegde e-mail-keten wijst volgens [de voormalige werknemer] niet op vervalsing, net zo min als een doorgestuurd bericht waarin een datum in de toekomst is gebruikt. Onafhankelijk ICT-onderzoek naar de beweerde vervalsing van autorisaties voor creditnota’s ontbreekt, terwijl dit wel nodig is bij een dergelijk ernstige beschuldiging, aldus [de voormalige werknemer] . De overgelegde verklaringen van de betrokken werknemers van Dhomus zijn gelijksoortig geformuleerd en hanteren dezelfde termen, hetgeen volgens [de voormalige werknemer] afbreuk doet aan de geloofwaardigheid en authenticiteit van deze verklaringen. Ten slotte voert [de voormalige werknemer] nog aan dat Dhomus vermoedelijk een motief heeft om van hem af te komen omdat zijn vader een ernstig bekoelde verstandhouding heeft met de bij Dhomus werkzame servicemonteur [monteur] (zij waren jarenlang bevriend). [de voormalige werknemer] heeft zelf een moeizame samenwerking met [monteur] . [monteur] vindt hem te kritisch en bijdehand. Het feit dat uitgerekend diens zoon [manager 2] , ook werkzaam bij Dhomus, betrokken is bij het onderzoek in de mailboxen naar de beweerde dringende reden, roept nog meer twijfel op naar de betrouwbaarheid van het onderzoek, aldus [de voormalige werknemer] .
4.6.
De vraag die moet worden beantwoord is of Dhomus, op wie de bewijslast van de dringende reden rust, de gestelde fraude voldoende heeft aangetoond. Niet in geschil is dat [de voormalige werknemer] voor crediteringen aan klanten voor een bedrag van boven de € 200,-- toestemming van zijn leidinggevende [manager 1] nodig had en bij een bedrag hoger dan
€ 1.000,-- toestemming van de directeur [CEO] .
4.7.
Dhomus stelt dat zij voldoende bewijs heeft geleverd voor de gestelde fraude met autorisaties. Zij onderbouwt dit als volgt. Zij stelt dat zij voldoende collega’s heeft laten controleren of de bevindingen over gefingeerde autorisaties klopten. Deze collega’s konden in eerste instantie ook niet geloven dat [de voormalige werknemer] autorisaties zou hebben vervalst, maar konden de autorisaties en autorisatieverzoeken, zoals doorgestuurd naar Finance, ook niet terugvinden in de mailboxen van [manager 1] , [CEO] en [de voormalige werknemer] . [CEO] ontdekte op 27 november 2025 dat in het klantvolgsysteem DIMS autorisaties van hem stonden voor creditnota’s in het dossier van [klant 1] ten bedrage van € 3.496,92 en € 5.000,--, waarvan hij zich niet kon herinneren dat hij die had gegeven. Toen hij deze niet kon terugvinden in zijn mailbox bij de aan [de voormalige werknemer] verzonden berichten, heeft hij diezelfde avond [manager 2] (Manager Projectbureau) en [accountmanager] (Accountmanager) inzage gegeven in zijn mailbox. Zij hebben daarin geen e-mails met autorisaties aan [de voormalige werknemer] aangetroffen en ook niet e-mails met autorisatieverzoeken van [de voormalige werknemer] . Zij hebben hun zoekactie herhaald in het archief van de mailbox van [CEO] en daarin hebben zij wel een aantal e-mails van of aan [de voormalige werknemer] aangetroffen, maar geen daarvan inzake het dossier [klant 1] . Op 28 november 2025 is het onderzoek voortgezet in aanwezigheid van [finance-medewerker] (Medewerker Finance) en ook toen zijn de betreffende autorisatieverzoeken / autorisaties van of aan [de voormalige werknemer] niet in de mailbox van [CEO] aangetroffen. [manager 2] heeft toen vastgesteld dat in de mailbox van [finance-medewerker] wel het door [de voormalige werknemer] aan Finance doorgestuurde bericht met autorisatieverzoeken en autorisaties (de e-mailketen) aanwezig was. Naar aanleiding hiervan is [manager 1] (Manager Service en leidinggevende van [de voormalige werknemer] ) op haar vrije dag naar kantoor gekomen en is in haar aanwezigheid de situatie besproken. Zij heeft de mailboxcontroles en de gebruikte e-mailketens van [de voormalige werknemer] aan Finance geverifieerd. Zij heeft ook geconstateerd dat sprake was van autorisaties die van haar afkomstig waren (voor bedragen boven de € 200,-- maar onder de € 1.000,--) in e-mailketens van [de voormalige werknemer] aan Finance die zij niet in haar eigen mailbox aantrof en niet zelf heeft verzonden. Alle genoemde medewerkers hebben hierover verklaringen afgelegd die Dhomus heeft overgelegd. Daarna heeft Dhomus een gerichte controle uitgevoerd in de mailbox van [de voormalige werknemer] . Daarbij is vastgesteld dat [de voormalige werknemer] een werkwijze hanteerde waarbij hij autorisatieverzoeken opstelde, gericht aan [CEO] en/of [manager 1] , maar deze niet verzond, vervolgens e-mailberichten opstelde uit naam van [CEO] en/of [manager 1] en de aldus door hem geconstrueerde e-mailketens doorstuurde naar Finance met het verzoek de creditnota’s te verwerken en uit te betalen. Voorbeelden van deze e-mailketens zijn geprint. Een en ander is vervolgens op 28 november 2025 voorgelegd aan [de voormalige werknemer] , die op dat moment zijn eigen mailbox mocht controleren. Ook [de voormalige werknemer] kon de betreffende verzonden autorisatieverzoeken en ontvangen autorisaties niet in zijn mailbox terugvinden en had daar geen verklaring voor, ook niet toen hij in de gelegenheid werd gesteld om één op één met [manager 1] te spreken, een collega met wie hij een goede band had en die hij ook buiten werktijd zag.
Deze ontdekkingen heeft Dhomus ten grondslag gelegd aan het ontslag in de ontslagbrief van 1 december 2025. Daarna heeft zij verder onderzoek gedaan, waarbij meer in werkwijze vergelijkbare onregelmatigheden aan het licht zijn gekomen en waarvan een aantal voorbeelden zijn genoemd in de brief van 8 december 2025 en waarbij de betreffende e-mailketens als bijlagen zijn bijgevoegd. Opvallend is volgens Dhomus bijvoorbeeld de e-mail van [de voormalige werknemer] aan [finance-medewerker] zoals opgenomen in bijlage 4 bij de brief van 8 december 2025 (klant [klant 4] ). De volgens Dhomus vervalste mail (autorisatieverzoek) door [de voormalige werknemer] aan [CEO] wordt in de kop weergegeven als “ Verzonden: maandag 29 September 11:38”. De volgens Dhomus vervalste e-mail (autorisatie) van [CEO] aan [de voormalige werknemer] wordt weergegeven als “Verzonden: maandag 29 September 14:28”. Het feit dat de maand september met een hoofdletter staat geschreven en het jaartal ontbreekt vormt een extra bewijs van manipulatie, aldus Dhomus. Dit is niet de gebruikelijke weergave in interne Dhomus e-mails, waarbij de maand in kleine letters is geschreven en er een jaartal bij staat. Ook de in de ontslagbrief van 1 december 2025 al genoemde antedatering in een mailwisseling van [de voormalige werknemer] met [leverancier] is een bewijs van manipulatie door [de voormalige werknemer] met e-mails, aldus Dhomus.
4.8.
Naar het oordeel van de kantonrechter heeft Dhomus de aanwezigheid van vervalste autorisaties voldoende aangetoond en heeft zij voldoende zorgvuldig onderzoek verricht. Zij heeft de door haar beschreven bevindingen op 27 november 2025 door verschillende betrokken collega’s laten verifiëren en voorbeelden van aan Finance doorgestuurde e-mailketens met niet in mailboxen van [CEO] en [manager 1] teruggevonden autorisaties uitgeprint en overgelegd. Zij heeft deze voorbeelden tijdens het hoor- en wederhoorgesprek op
28 november 2025 concreet voorgelegd aan [de voormalige werknemer] die vervolgens zelf zijn eigen mailbox mocht raadplegen om aan te tonen dat hij wel autorisatie voor de betreffende creditnota’s had gevraagd en ontvangen. [de voormalige werknemer] had geen plausibele verklaring voor het ontbreken van autorisatieverzoeken en autorisaties in zijn mailbox, die hij wel aan Finance heeft doorgestuurd. Vervolgens heeft Dhomus deze bevindingen gedetailleerd en concreet in haar brief van 1 december 2025 omschreven. De door Dhomus overgelegde e-mailwisseling van [de voormalige werknemer] met [leverancier] , waarin sprake is van antedatering, vormt naar het oordeel van de kantonrechter aanvullend bewijs van manipulatie met e-mails door [de voormalige werknemer] . In die e-mailwisseling is te zien dat [de voormalige werknemer] op 14 februari 2025 een mail over dit dossier aan [finance-medewerker] doorstuurt, met daarachter een mail van hem aan [leverancier] met als datum 17 december 2025, een datum die na de ontslagdatum ligt. Dat [de voormalige werknemer] er zou zijn ‘ingeluisd’ om van hem af te komen, komt de kantonrechter zeer onwaarschijnlijk voor. [CEO] heeft ter zitting onweersproken verklaard dat hij daarvoor geen enkele reden had omdat men bij Dhomus tot aan het moment van de ontdekkingen over het algemeen zeer tevreden was over [de voormalige werknemer] en zijn functioneren. Dat sprake zou zijn van een ‘opzetje’ van [manager 2] en/of zijn vader vanwege onenigheid tussen de vaders van [manager 2] en [de voormalige werknemer] komt de kantonrechter ook onwaarschijnlijk voor. Dat de overgelegde e-mailketens van [de voormalige werknemer] door iemand anders zijn opgesteld of vervalst acht de kantonrechter eveneens zo goed als onvoorstelbaar. Dat de betreffende autorisaties wel door [CEO] en [manager 1] zijn gegeven maar met opzet uit alle mailboxen (zowel die van [de voormalige werknemer] als die van [CEO] en [manager 1] ) zijn verwijderd dan wel door een technische storing zijn verdwenen komt de kantonrechter ook uiterst onwaarschijnlijk voor. Er is geen enkel aanknopingspunt dat tot één van deze conclusies kan leiden.
4.9.
Daarbij komt dat in de brief van 8 december 2025 met bijlagen door Dhomus aanvullende concrete voorbeelden van vervalste autorisaties zijn genoemd en overgelegd. Deze aanvullende voorbeelden zijn weliswaar niet aan het ontslag op 28 november 2025 ten grondslag gelegd, maar zijn voorbeelden van dezelfde dringende reden (vervalste autorisaties). Het betreft dus geen nieuwe of andere dringende reden. Deze voorbeelden kunnen in deze procedure wel dienen als nadere onderbouwing of verduidelijking van de al aan het ontslag ten grondslag gelegde dringende reden. De door Dhomus ten behoeve van deze procedure nog overgelegde bevindingen van haar ICT-dienstverlener SPS zijn weliswaar geen bevindingen van een deskundige die geen enkele band heeft met Dhomus maar leggen naar het oordeel van de kantonrechter desondanks enig gewicht in de schaal omdat het onwaarschijnlijk is dat SPS zou zijn betrokken in een opzetje om [de voormalige werknemer] in de val te lokken. De inhoud van het rapport van SPS geeft geen aanleiding om te denken dat haar bevindingen partijdig zijn. [de voormalige werknemer] doet weliswaar allerlei suggesties en schetst andere mogelijke scenario’s voor de verdwenen of vervalste autorisaties of onregelmatigheden in e-mails, maar dit maakt het oordeel van de kantonrechter niet anders omdat de bevindingen van Dhomus heel concreet en duidelijk onderbouwd zijn. Dhomus heeft bovendien met behulp van een verklaring van een medewerker van haar financiële afdeling gemotiveerd weersproken dat door het aanvullend controlemechanisme in KOMAS geen sprake zou kunnen zijn van eventueel onbevoegde opdrachten voor creditnota’s. Zij stelt dat deze controle in KOMAS alleen wordt toegepast bij inkoopnota’s en niet bij creditnota’s. Dat is niet afdoende weersproken door [de voormalige werknemer] .
4.10.
Omdat de kantonrechter hiervoor onder 4.4., 4.8. en 4.9. al heeft geoordeeld dat Dhomus de aanwezigheid van vervalste autorisaties voldoende heeft aangetoond en enkel deze aanwezigheid een voldoende dringende reden voor een ontslag op staande voet oplevert, zullen de andere door haar aangevoerde dringende redenen, zoals de voorbarige toezeggingen van crediteringen aan klanten, en de verweren daartegen hier niet verder worden besproken.
onverwijldheid
4.11.
Naar het oordeel van de kantonrechter is Dhomus na de ontdekkingen op 27 en 28 november 2025 onverwijld tot het ontslag op staande voet overgegaan en heeft zij de dringende redenen voor het ontslag in de ontslagbrief van 1 december 2025 onverwijld toegelicht en onderbouwd. [de voormalige werknemer] stelt enkel dat de door Dhomus geschetste tijdlijn niet met enig bewijsstuk is onderbouwd, maar daarmee heeft hij niet kunnen onderbouwen wat er aan de onverwijldheid schortte.
persoonlijke omstandigheden
4.12.
[de voormalige werknemer] stelt ten slotte dat het ontslag op staande voet ook niet rechtsgeldig is omdat Dhomus zijn persoonlijke omstandigheden onvoldoende heeft meegewogen. Hij was tijdens het ontslag al 4,5 jaar in dienst en heeft altijd positieve feedback ontvangen van collega’s en leidinggevenden. Daarbij komt dat hij bij herhaling, zelfs nog in de week voorafgaand aan het ontslag, heeft gemeld dat hij een hoge werkdruk ervoer. De onterechte beschuldigingen en het plotselinge ontslag hebben bovendien een grote impact op zijn mentale gesteldheid, zelfvertrouwen en toekomstige loopbaan.
4.13.
Met Dhomus is de kantonrechter van oordeel dat dat de ernst van het handelen en het structurele karakter daarvan in dit geval zwaarder wegen dan de genoemde persoonlijke omstandigheden van [de voormalige werknemer] . Ook al zijn de gevolgen ingrijpend, dan nog kan een afweging van deze persoonlijke omstandigheden tegen de aard en de ernst van de dringende reden tot de conclusie leiden dat een onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst gerechtvaardigd is.
conclusie
4.14.
De kantonrechter is van oordeel dat sprake is van voldoende feiten en omstandigheden die een dringende reden opleveren voor het ontslag op staande voet. Het verzoek van [de voormalige werknemer] tot vernietiging van het ontslag zal daarom worden afgewezen.
billijke vergoeding
4.15.
Hiervoor is al overwogen dat Dhomus zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [de voormalige werknemer] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, en dat dit handelen een dringende reden voor ontslag oplevert. Het ontslag is dan ook niet gegeven in strijd met artikel 7:671 lid 1 onder c en artikel 7:677 lid 1 BW. Het verzoek tot toewijzing van een billijke vergoeding aan [de voormalige werknemer] wordt daarom afgewezen.
transitievergoeding
4.16.
Het verzoek om Dhomus te veroordelen tot betaling van een transitievergoeding wordt ook afgewezen. De kantonrechter hiervoor heeft geoordeeld dat sprake is van feiten en omstandigheden, te weten fraude, die een dringende reden opleveren voor het ontslag op staande voet. Die feiten en omstandigheden brengen in dit geval ook mee dat het eindigen van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van handelen of nalaten van [de voormalige werknemer] dat als ernstig verwijtbaar moet worden aangemerkt. Daarom is geen transitievergoeding verschuldigd.
gefixeerde schadevergoeding
4.17.
Omdat de kantonrechter heeft geoordeeld dat het ontslag op staande voet stand houdt is er geen grondslag voor toewijzing van het verzoek van [de voormalige werknemer] om aan hem een gefixeerde schadevergoeding toe te kennen. Dit verzoek zal daarom worden afgewezen.
deugdelijke eindafrekening
4.18.
Ook het verzoek om Dhomus op straffe van een dwangsom te veroordelen om een deugdelijke eindafrekening te verstrekken zal worden afgewezen omdat niet is gesteld of gebleken dat [de voormalige werknemer] deze nog niet heeft ontvangen en evenmin welke posten nog onbetaald zouden zijn gebleven of op de eindafrekening zouden ontbreken. Dhomus heeft verklaard deze alsnog te verstrekken als er nog onduidelijkheden bestaan.
proceskosten
4.19.
Omdat [de voormalige werknemer] ongelijk krijgt, komen de proceskosten voor zijn rekening. De proceskosten aan de zijde van Dhomus worden begroot op € 1.009,-- (€ 865,-- aan salaris gemachtigde en € 144,-- aan nakosten). De proceskostenveroordeling zal uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.
in de zaak met nummer 12077145 \ HA VERZ 26-19
4.20.
In de zaak met nummer 12073558 \ HA VERZ 26-17 heeft de kantonrechter al geoordeeld dat het ontslag op staande voet stand houdt wegens een terechte en onverwijld medegedeelde dringende reden. Dit brengt mee dat de door Dhomus verzochte verklaring voor recht dat [de voormalige werknemer] rechtsgeldig op 28 november 2025 op staande voet is ontslagen zal worden toegewezen.
gefixeerde schadevergoeding
4.21.
Ook de door Dhomus op grond van artikel 7:677 lid 2 BW verzochte gefixeerde schadevergoeding ter hoogte van één maandloon (de opzegtermijn van [de voormalige werknemer] ) zal worden toegewezen omdat de kantonrechter heeft geoordeeld dat Dhomus de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd wegens een terechte en onverwijld medegedeelde dringende reden. Ondanks het verweer van [de voormalige werknemer] dat geen sprake was van opzet of bewuste roekeloosheid, is [de voormalige werknemer] naar het oordeel van de kantonrechter de partij die door schuld aan Dhomus een dringende reden heeft gegeven om de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen. De over de gefixeerde schadevergoeding gevorderde wettelijke rente zal worden toegewezen vanaf 27 januari 2026, de datum van indiening van het verzoekschrift van Dhomus.
schadevergoeding
4.22.
Dhomus heeft ter onderbouwing van de door haar gestelde schade van € 38.734,91 in haar verzoekschrift een overzichtje opgenomen met klanten waaraan op verschillende data volgens haar ongeautoriseerde creditbedragen zijn betaald, ter hoogte van in totaal
€ 28.734,91.
4.23.
Met [de voormalige werknemer] is de kantonrechter van oordeel dat Dhomus hiermee de hoogte van de door haar gestelde schade en het causaal verband tussen de vervalste autorisaties en de schade onvoldoende heeft onderbouwd. Uit de onderbouwing volgt naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende waarom deze bedragen door haar geleden schade betreffen. Niet bekend is of en waarom deze creditbetalingen, wanneer daarvoor wel om toestemming zou zijn verzocht door [manager 1] of [CEO] , niet aan de betreffende klanten zouden zijn verstrekt of dat misschien een lagere creditering zou zijn verstrekt. Daarnaast valt niet uit te sluiten dat deze betalingen misschien wel positieve reclame voor Dhomus hebben opgeleverd. De kantonrechter zal de gevorderde schadevergoeding dan ook afwijzen.
proceskosten
4.24.
Omdat Dhomus in deze zaak met nummer 12077145 \ HA VERZ 26-19 voor het grootste deel van haar verzoek ongelijk krijgt, komen de proceskosten voor haar rekening. De proceskosten aan de zijde van [de voormalige werknemer] worden ook begroot op
€ 1.009,-- (€ 865,-- aan salaris gemachtigde en € 144,-- aan nakosten). De proceskostenveroordeling zal uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.
5De beslissing
De kantonrechter
in de zaak met nummer 12073558 \ HA VERZ 26-17
5.1.
wijst de verzoeken af,
5.2.
veroordeelt [de voormalige werknemer] in de proceskosten van Dhomus van € 1.009,--, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [de voormalige werknemer] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart deze beschikking wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
in de zaak met nummer 12077145 \ HA VERZ 26-19
5.4.
verklaart voor recht dat [de voormalige werknemer] op 28 november 2025 rechtsgeldig op staande voet is ontslagen,
5.5.
veroordeelt [de voormalige werknemer] om aan Dhomus een gefixeerde schadevergoeding te betalen van € 3.367,57, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 17 januari 2026,
5.6.
wijst het meer of anders verzochte af,
5.7.
veroordeelt Dhomus in de proceskosten van [de voormalige werknemer] van € 1.009,--, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Dhomus niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,
5.8.
verklaart deze beschikking voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.J. Weerkamp - Beens en in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2026.
636 / 693
Artikel 7:673 lid 7, onder c, BW
GELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummers / rekestnummers: 12073558 \ HA VERZ 26-17
12077145 \ HA VERZ 26-19
Beschikking van 31 maart 2026
in de zaak met nummer 12073558 \ HA VERZ 26-17
[naam voormalig werknemer]
,
wonend te [woonplaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [de voormalige werknemer] ,
gemachtigde: mr. M.J. Draaisma en mr. A.B. Abeln,
tegen
DHOMUS B.V.,
gevestigd te Waardenburg,
verwerende partij,
hierna te noemen: Dhomus,
gemachtigde: mr. T. van Liempd.
en in de zaak met nummer 12077145 \ HA VERZ 26-19
DHOMUS B.V.,
gevestigd te Waardenburg,
verzoekende partij,
hierna te noemen: Dhomus,
gemachtigde: mr. T. van Liempd
tegen
[naam voormalig werknemer]
,
wonend te [woonplaats] ,
verwerende partij,
hierna te noemen: [de voormalige werknemer] ,
gemachtigde: mr. M.J. Draaisma en mr. A.B. Abeln
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
in de zaak 12073558 \ HA VERZ 26-17:
- het verzoekschrift van [de voormalige werknemer] met 8 producties, ontvangen op 22 januari 2026
- het verweerschrift van Dhomus, ontvangen op 20 februari 2026
in de zaak 12077145 \ HA VERZ 26-19:
- het verzoekschrift van Dhomus met 27 producties, ontvangen op 27 januari 2026
- het verweerschrift van [de voormalige werknemer] , ontvangen op 20 februari 2026
- de brief met aanvullende producties 28 en 29 van de zijde van Dhomus,
- de brief met aanvullende productie 30 van de zijde van Dhomus,
- de brief met aanvullende productie 9 van [de voormalige werknemer] ,
1.2.
De zaken zijn mondeling behandeld op 3 maart 2026 waarbij de gemachtigden pleitaantekeningen hebben overgelegd en voorgedragen en waarbij de griffier van het overige aantekeningen heeft gemaakt. De gemachtigde van [de voormalige werknemer] heeft tijdens de mondelinge behandeling twee producties overgelegd.
1.3.
De beschikking in beide zaken is bepaald op vandaag.
2De feiten
2.1.
Dhomus is een onderneming die zich als landelijke projectpartner bezighoudt met dienstverlening die zich uitstrekt van ontwerp en advisering tot en met realisatie van keukens, sanitair en tegels richting oplevering, veelal in het kader van nieuwbouwprojecten. Zij fungeert als schakel tussen bouwondernemingen en kopers van nieuwbouwprojecten en bedient opdrachtgevers en kopers mede vanuit showrooms, onder meer in Waardenburg, Rotterdam en Amsterdam.
2.2.
[de voormalige werknemer] is sinds 1 november 2021 in dienst bij Dhomus. Vanaf
1 januari 2025 is hij voor onbepaalde tijd in dienst in de functie van Servicemedewerker B voor 40 uur per week. Het laatstgenoten salaris bedraagt € 3.367,57 bruto per maand, exclusief emolumenten. Als Servicemedewerker B is hij verantwoordelijk voor het afhandelen van inkomende klantcontacten en van eventuele klachten, de nauwkeurige registratie van klantgegevens en het signaleren van verbetermogelijkheden ter verhoging van de klanttevredenheid en efficiëntie.
2.3.
Op vrijdag 28 november 2025 ontslaat Dhomus [de voormalige werknemer] , na een hoor- en wederhoorgesprek, op staande voet.
2.4.
Bij aangetekende brief van maandag 1 december 2025 bevestigt Dhomus het ontslag op staande voet aan [de voormalige werknemer] met de volgende toelichting:
“Hierbij bevestigen wij dat je op vrijdag 28 november j.l. per direct op staande voet bent ontslagen.
Op 27 november 2025 hebben wij geconstateerd dat jij gedurende jouw werkzaamheden binnen de organisatie gebruik hebt gemaakt van valse autorisaties, althans zonder daadwerkelijke autorisatie van de betreffende persoon/personen, bij het accorderen van creditnota’s. Het ging daarbij om autorisaties van de CEO en/of de Manager Service en minimaal in één geval van een externe partij.
Na intern onderzoek op 28 november 2025 is vastgesteld dat de door jou gehanteerde werkwijze bestond uit de volgende stappen:
1. Opstellen van een autorisatieverzoek
Jij hebt e-mailberichten opgesteld gericht aan [CEO] (CEO) en/of [manager 1] (Manager Service), waarin jij vroeg om goedkeuring van creditnota’s. Deze e-mails zijn echter nooit verzonden naar de genoemde leidinggevenden.
2. Vervalsen van autorisaties
Vervolgens heb jij zelf e-mails opgesteld uit naam van [CEO] en/of [manager 1] (en in minimaal één geval van een leverancier: [leverancier] ), waarin een bevestiging werd gegeven op jouw eigen (nooit verzonden) autorisatieverzoek. Deze e-mailberichten wekten doelbewust de indruk dat de betreffende leidinggevenden (of partij) daadwerkelijk akkoord waren met de gevraagde creditnota.
3. Doorsturen van de vervalste e-mailketen aan Finance
Deze door jou zelf gecreëerde e-mailketen is daarna door jou doorgestuurd aan de Finance-afdeling, ter attentie van [finance-medewerker] , met het verzoek tot verwerking en betaling van de creditnota’s aan klanten.
Deze werkwijze is in ieder geval vastgesteld bij de volgende referentienummers en bedragen:
• Ref 196397 - [klant 1] : € 5.000,-
• Ref 196397 - [klant 1] : € 3.496,92
• Ref 195268 - [klant 2] : € 1.500,-
• Ref 177563 - [klant 3] : € 3.000,-
• Ref 149426 - [leverancier] : € 1.770,94
Daarnaast zijn meerdere referenties aangetroffen waarbij de naam en autorisatiebevoegdheid van [manager 1] op eenzelfde manier oneigenlijk zijn gebruikt, voor autorisaties onder de € 1.000,-.
De voorgaande autorisaties zijn ontdekt in ons klantvolgsysteem (DIMS), nadat daarin onregelmatigheden in de autorisatieketen werden aangetroffen. De betrokken autorisaties zijn vervolgens gecontroleerd in de computers van zowel [CEO] als [manager 1] (door meerder personen), waarbij het volgende is opgemerkt:
• De betreffende autorisatieverzoeken zijn door [CEO] en [manager 1] niet herkend en zijn ook niet in hun mailboxen teruggevonden;
• De autorisaties zijn niet door [CEO] en [manager 1] verstrekt en zijn ook niet in hun verstuurde emails terug te vinden.
Een gerichte check in jouw mailbestanden (na afstemming daarover met onze jurist) heeft vervolgens het volgende opgeleverd:
• De door jou zelf gecreëerde e-mailketen is teruggevonden in doorgestuurde berichten aan de Finance-afdeling (ter attentie van [finance-medewerker] ), met het verzoek tot verwerking en betaling van de creditnota’s aan klanten.
• In verschillende gevallen is gebleken dat jij richting klanten al toezegging hebt gedaan over een te ontvangen credit, ruim voordat daarvoor autorisatie was verleend. (Of in dit geval: een fictief autorisatie-verzoek was ingediend).
• Een beeld is ontstaan van communicatie met (geïrriteerde) klanten, waarin fictieve verhalen werden gedeeld over interne issues bij o.a. Finance, waardoor toegezegde credit-betalingen nog niet zouden zijn voldaan.
Confrontatie en bevindingen
Op vrijdag 28 november 2025 ben jij in een persoonlijk gesprek met [CEO] , [manager 1] en [HR medewerker] (HR Officer) geconfronteerd met deze bevindingen. Tijdens dit gesprek heb jij de aantijgingen noch bekend noch ontkend. Je hebt in jouw eigen mailbox gezocht naar:
• de verzonden autorisatieverzoeken aan [CEO] en [manager 1] , en
• de bevestigingen die van hen afkomstig zouden zijn.
Geen van deze e-mails bleken aanwezig te zijn in jouw mailbox. Dat bevestigt de vastgestelde werkwijze, waarbij er überhaupt nooit e-mails hebben bestaan en zijn verzonden.
Wel heb je de aan Finance verstuurde berichten teruggevonden, waarin de autorisatieverzoeken en accordering daarvan werden doorgestuurd. In het gesprek heb je bevestigd deze berichten zelf verstuurd te hebben en aangegeven van besproken zaken op de hoogte te zijn.
Los van bovengenoemde bewijs van fraude met autorisatieverzoeken, bevestigt ook een tweetal aanvullende zaken de gedane manipulaties:
• Zogenaamd doorgestuurde email berichten zijn niet voorzien van de markering RE: of FW: in de onderwerpbalk. Dit bevestigt dat deze berichten niet daadwerkelijk zijn doorgestuurd.
• In één geval (casus [leverancier] ) is er in een doorgestuurd bericht een datum in de toekomst gebruikt. Later dan de datum van het bericht en zelfs later dan de huidige datum. Ook dit bevestigt manipulatie van de berichten.
Vervolgens heb je de gelegenheid gehad om ook onder vier ogen aan jouw leidinggevende [manager 1] te verklaren wat er is voorgevallen en waarom. Hierbij heb je geen nieuwe informatie gedeeld. Daarop is het gesprek voor korte tijd geschorst.
Ontslag op staande voet
De hierboven genoemde gedragingen vormen zowel ieder voor zich, als alle tezamen in onderling verband beschouwd, een dringende reden om jouw arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang op 28 november 2025 te beëindigen. De arbeidsovereenkomst is dus op 28 november 2025 met onmiddellijke ingang opgezegd.
Bij het nemen van de beslissing om jouw arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang te beëindigen hebben wij rekening gehouden met alle omstandigheden, en de voor jou verstrekkende gevolgen daarvan, waaronder de financiële gevolgen. Wij menen echter niet anders te kunnen.
Doordat jij DHOMUS in een positie hebt gebracht waarin wij niet anders kunnen dan de arbeidsovereenkomst met jou met onmiddellijke ingang te beëindigen ben je aan DHOMUS een gefixeerde schadevergoeding verschuldigd. Met de eindafrekening zal de gefixeerde schadevergoeding worden verrekend. Mocht de
schadevergoeding groter zijn dan het bedrag wat jij tegoed hebt, zullen we vanuit goed werkgeverschap deze kosten kwijtschelden en geen factuur nasturen.
Daarnaast beschouwt DHOMUS de dringende redenen, als ernstig verwijtbaar, zodat geen aanspraak bestaat op de transitievergoeding. DHOMUS behoudt zich daarnaast nadrukkelijk het recht voor om alle directe en indirecte schade, opgelegde boetes en eventuele aansprakelijkstellingen door derden, voortvloeiend uit jouw handelen of nalaten, integraal op jou te verhalen.
Daarnaast dien jij je te houden aan de beperkende bedingen zoals opgenomen in jouw arbeidsovereenkomst.
Indien je aan het voorgaande geen gehoor geeft, dan handel je (wederom) in strijd met duidelijke instructies, en geef je DHOMUS een dringende reden voor een tweede ontslag op staande voet.
(…)”
2.5.
Bij brief van 5 december 2025 schrijft de gemachtigde van [de voormalige werknemer] aan Dhomus dat [de voormalige werknemer] ontkent dat hij fraude heeft gepleegd, dat hij van mening is dat een dringende reden voor het ontslag ontbreekt waardoor het ontslag op staande voet niet rechtmatig is en dat hij niet berust in het ontslag en zich beschikbaar houdt voor zijn werkzaamheden. Ook wordt verzocht om toezending van de documentatie, informatie en stukken waarop het ontslag is gebaseerd en om [de voormalige werknemer] toegang te verlenen tot zijn e-mailbox om de juistheid van de bestanden en de op basis daarvan getrokken conclusies en stellingen aan de hand daarvan te kunnen controleren. Daarnaast wordt verzocht om een nadere toelichting op de wijze en momenten waarop het onderzoek naar de vermeende fraude is uitgevoerd.
2.6.
Bij brief van 8 december 2025, met 20 bijlagen, antwoordt Dhomus hierop het volgende:
“In reactie op uw brief van 5 december jl. stuur ik u hierbij een nadere toelichting van de feiten die geleid hebben tot het ontslag op staande voet van uw cliënt, de heer [de voormalige werknemer] , op 28 november jl.
Alvorens op uw specifieke vragen in te gaan is het relevant op te merken dat de heer [de voormalige werknemer] afgelopen jaar door onze interne coach (mevr. [coach] ) werd ondersteund met de hulpvraag: ‘Ik wil binnen 1 jaar mezelf beter uitspreken en mijn grenzen beter aangeven, zodat ik meer rust in werk creëer en gestructureerder kan werken.” (Zie bijlage 1).
Onderstaand vindt u een puntsgewijze beantwoording van uw vragen (1-14).
Ondersteunende bijlagen zijn opgenomen in het overzicht onderaan deze brief en worden separaat meegestuurd. Een aantal relevante citaten uit de bijlagen is opgenomen in deze brief.
1. De volgens DHOMUS vervalste autorisaties
2. De documentatie waaruit blijkt dat de autorisatiebevoegdheid van mevrouw [manager 1] volgens DHOMUS oneigenlijk is gebruikt
De gemanipuleerde autorisaties zijn opgenomen in de bijlagen 2, 3, 4, 5, 7, 12, 15, 19 en 20. Ons onderzoek is niet uitputtend geweest, maar de aangetoonde manipulaties betreft ten minste de onderstaande referenties en klanten.
Bijlage Referentienr. Klant Datum Credit (€)
2 196397 [klant 1] 16-10-2025 5.000,00
3 196397 [klant 1] 24-7-2025 3.496,92
4 177169 [klant 4] 1-10-2025 849,06
5 187511 [klant 5] 11-6-2025 443,30
7 177563 [klant 3] 26-6-2025 3.000,00
12 195268 [klant 2] 24-7-2025 1.500,00
15 180481 [klant 6] 1-10-2025 400,00
19 183258 [klant 7] 12-3-2025 500,00
20 185248 [klant 8] 26-6-2025 500,00
15.689,28
Ter verduidelijking hierbij een toelichting van referentie 177563, [klant 3] . In het geval van de andere referenties was de werkwijze hetzelfde. (Onderaan deze brief is ook referentie 180481, klant [klant 6] , op een vergelijkbare manier uitgewerkt).
• Op 26/6/25 stuurt de heer [de voormalige werknemer] aan Financieel administratief medewerker de heer [finance-medewerker] het verzoek om uitbetaling van een credit aan [klant 3] t.w.v. € 3.000,- (Zie bijlage 7).
• Onder dit mail bericht is doorgestuurd:
( i) het (zogenaamde) akkoord van ondergetekende ( [CEO] ), van 20/6/2025
(ii) het verzoek om akkoord (van [CEO] ) door [de voormalige werknemer] , van 20/6/2026
• Ad (i), uit het nader toe te lichten onderzoek is gebleken dat het (zogenaamde) akkoord van [CEO] nooit is verstuurd (door [CEO] ) en ook niet in de ontvangen berichten van [de voormalige werknemer] is teruggevonden. Er heeft ook geen gesprek over deze kwestie plaatsgevonden.
• Ad (ii), tevens is gebleken dat het verzoek aan [CEO] om akkoord nooit door hem is ontvangen en ook niet in de verstuurde berichten van [de voormalige werknemer] is teruggevonden.
• Het op 26/6/25 verstuurde bericht van [de voormalige werknemer] is wel in zijn verstuurde berichten gevonden. In het gesprek met [de voormalige werknemer] op 28 november jl. is ook door hem bevestigd dat dit bericht -en vergelijkbare betalingsverzoeken aan [finance-medewerker] (zie genoemde bijlagen)- door hem is verstuurd.
• Belangrijk op te merken is dat in het onderwerp van de mail van 26/5 geen RE of FW zichtbaar is. Dat is wel gebruikelijk in ons mailsysteem. Dit is ook niet het geval in andere creditverzoeken die zijn doorgestuurd naar [finance-medewerker] (met meegestuurde autorisaties van [CEO] / [manager 1] ) en dient als een extra bevestiging dat er met betreffende mails is gemanipuleerd.
3. De documentatie waaruit zou blijken dat cliënt toezeggingen aan klanten heeft gedaan voordat autorisatie verleend zou zijn.
4. De informatie waaruit zou blijken dat cliënt fictieve verhalen heeft gedeeld over interne issues.
• Op 19/5/25 -ruim een maand voor de in bovenstaande genoemde ‘mailketen’- stuurt de heer [de voormalige werknemer] aan [klant 3] de schriftelijke vastlegging van een creditbedrag van €3.000,- (Mondeling al toegezegd op vrijdag 16/5 blijkt uit de correspondentie). Zie bijlage 11. Tevens schrijft [de voormalige werknemer] : “De credit wordt
op vrijdag 23/5 verstuurd en mag u dan op uw rekening verwachten.”
• In de mailbox van [de voormalige werknemer] zijn verschillende verzoeken van [klant 3] te vinden met verzoeken om betaling, met tevens diverse excuses. Een greep daaruit:
Op 30/5/25 schrijft [de voormalige werknemer] in een mail aan [klant 3] (bijlage 10): “Ik heb een mail gestuurd naar de financiële directeur in ons bedrijf gezien het openstaande bedrag. Aangegeven dat dit met voorrang opgepakt dient te worden. Begrijp dat dit door mijn collega’s niet is verzorgd.”
Op 12/6/25 -bijna 4 weken na zijn gedane toezegging en twee weken voor creatie van de toegelichte mailketen- schrijft [de voormalige werknemer] (bijlage 9): “Vanmorgen heb ik ook met de leidinggevende van de financiële afdeling gezeten om het ontbrekende bedrag te bespreken. Ik heb hierbij aangegeven dat ik best schrik dat dit tot op
heden niet voor u is verzorgd, hij zelf schrok hier ook van en ging hier direct achteraan bij de betreffende collega. Hij komt hier morgen bij mij op terug met een update.”
Op 27/6/25 stuurt [de voormalige werknemer] nog n.a.v. verder oplopende irritatie bij [klant 3] (bijlage 6): “Ik heb net intern contact gehad met de financiele collega die uw dossier in behandeling heeft. Tevens de directie gesproken dat dit per direct opgelost moet gaan worden. De bevestiging is ontvangen dat maandag dit afgewikkeld wordt. Ik maak graag een afspraak met u om maandag ochtend rond 11:00 met elkaar te bellen of dat het bedrag op de rekening staat. Anders zal ik intern aangeven dat we het bedrag moete gaan ophogen gezien de doorlooptijd,”
5. Wanneer en door wie zijn welke onregelmatigheden aangetroffen in het klantvolgsysteem (DIMS)?
De onregelmatigheden zijn aangetroffen door ondergetekende op donderdagavond 27 november jl. rond 18u. In gesprek met de heer [manager 2] (Manager Projectbureau) werd ik terloops geattendeerd op het dossier [klant 1] waarin het nodige verkeerd zou lopen. Op het toevallig openstaande scherm van het klantvolgsysteem (DIMS) zag ik vervolgens autorisaties (Euro 3.496,62 en Euro 5.000,00) uit mijn naam die zeer uitzonderlijk zouden zijn en nooit door mij zijn verstuurd. Bovendien in een schrijfstijl die ik niet gebruik.
Vervolgens heb ik de heer [manager 2] die de (op dat moment nog vermoede) manipulaties niet kon geloven, in detail mijn verstuurde en ontvangen berichten getoond. Ook de heer [accountmanager] (Acountmanager) was in de kamer aanwezig en heeft kunnen bevestigen dat betreffende berichten van en aan [de voormalige werknemer] niet in mijn mailbox aanwezig zijn.
Nog diezelfde avond heeft DHOMUS HR Manager [HR manager] afstemming gezocht met mr. T. van Liempd, advocaat arbeidsrecht bij Snijders advocaten. Gezien de aard van het onderzoek is op dat moment een voldoende zwaarwegend belang aanwezig om mailbox te onderzoeken, met focus op enkel de betreffende mails die fraude impliceren.
6. Wanneer en door wie zijn de computers van de heer [CEO] en mevrouw [manager 1] gecontroleerd?
7. Op welke wijze is dit gebeurd en welke verslaglegging is hiervan gemaakt?
8. Wanneer deze check heeft plaatsgevonden ( “gerichte check” mailbestanden van cliënt)
9. Op welke wijze deze check is uitgevoerd
10. Hoe de resultaten/bevindingen van deze check zijn vastgelegd
Genoemde aanvullende onderzoek van de mailbox van [de voormalige werknemer] heb ik de volgende dag uitgevoerd in het bijzijn van [manager 2] en [finance-medewerker] . Daarbij werd de manipulatie in het dossier [klant 1] (her) bevestigd en werden -n.a.v. extra inputs van [finance-medewerker] - vergelijkbare manipulaties in andere dossiers aangetroffen. In een aantal daarvan waren ook autorisaties van de leidinggevende van [de voormalige werknemer] (mevr. [manager 1] ) gemanipuleerd (zie bijlagen 15-20). Daarop is [manager 1] op haar verlofdag naar kantoor gekomen en betrokken bij het verdere onderzoek.
De verstuurde en ontvangen berichten in de mailbox van [manager 1] zijn op 28/11 gecontroleerd door [CEO] , [finance-medewerker] en [manager 1] op dezelfde manier waarop de mailbox van [CEO] is gecontroleerd door [manager 2] en [finance-medewerker] .
Vastlegging van bevindingen door [CEO] heeft plaatsgevonden door het printen van de relevante emails vanuit de mailbox van [de voormalige werknemer] . Voor deze toelichting ben ik opnieuw door de mailbox van [de voormalige werknemer] gegaan en heb ik de bewijsmaterialen nu ook digitaal opgeslagen (zie o.a. de bijlagen).
11. Welke afstemming met uw jurist heeft plaatsgevonden
12. Op welke wijze de belangen van cliënt (waaronder zijn privacy) hierbij zijn meegenomen
De eerste afstemming met mr. Van Liempd over dit dossier, op donderdagavond 27/7, is reeds genoemd. Na bevestiging van manipulatie met verschillende credit autorisaties op 28/7 is door ondergetekende telefonisch overleg gevoerd met Van Liempd over de volledigheid van het bewijsmateriaal en het inplannen van het hoor en wederhoor gesprek met [de voormalige werknemer] .
Tot slot, t.a.v. het meenemen van het belang van [de voormalige werknemer] in dit proces. Zoals ook genoemd in de ontslagbrief van 28/7 heeft [de voormalige werknemer] uitgebreid de gelegenheid gehad te verklaren wat er is voorgevallen en wat zijn beweegredenen zijn geweest. In het bijzijn van [manager 1] en [HR medewerker] (HR Officer) hebben we onze bevindingen in detail aan hem voorgelegd en hem gelegenheid gegeven tot reactie. Tijdens dat gesprek heeft hij ook zijn laptop gehaald en doorzocht. Wat hij daarbij wel en niet heeft kunnen tonen in zijn mailbox is benoemd in de beantwoording van de vragen 1-2.
In het uitvoerige gesprek heeft [de voormalige werknemer] ook enige tijd alleen met zijn leidinggevende [manager 1] gesproken, met wie hij een vertrouwensrelatie heeft en ook buiten werktijd af en toe contact onderhoudt. Tijdens het gesprek is aan medewerker expliciet de gelegenheid geboden om aan te geven of er medische- of gezondheid gerelateerde omstandigheden zijn waarvan wij niet op de hoogte zijn, maar die mogelijk relevant kunnen
zijn voor de beoordeling van de aan hem voorgelegde feiten (zoals bijvoorbeeld medicatiegebruik of gezondheidsproblemen die het geheugen, beoordelingsvermogen of functioneren kunnen beïnvloeden). [de voormalige werknemer] heeft aangegeven dat dit volgens hem niet aan de orde is.
Omdat het gesprek helaas geen nieuwe informatie heeft opgeleverd is overgegaan tot ontslag op staande voet. [de voormalige werknemer] heeft zijn laptop en toegangstag achtergelaten en is daarop vertrokken.
In de interne communicatie zijn we zoveel mogelijk terughoudend geweest. Pogingen van verschillende collega’s (o. [manager 1] en [coach] , recruiter/coach) om met [de voormalige werknemer] in contact te blijven -mede uit zorg om zijn reactie en mentale gesteldheid- zijn door [de voormalige werknemer] onbeantwoord gelaten.
Eerder hebben we uit coulance afgezien van het verhalen van schade op [de voormalige werknemer] . Echter, gezien de grotere omvang van de manipulaties die in dit aanvullende onderzoek naar voren zijn gekomen, de ongegronde negatieve uitingen over collega’s en de organisatie en de slechte klantervaringen die hij heeft veroorzaakt, zien wij ons genoodzaakt dit standpunt te herzien. Om die reden houden we de heer [de voormalige werknemer] ook aansprakelijk voor de bedragen die onterecht en zonder autorisatie zijn gecrediteerd. Dit naast de gefixeerde schadevergoeding. (…)”
2.7.
Bij brief van 18 december 2025 reageert de gemachtigde van [de voormalige werknemer] hierop inhoudelijk, met de conclusie dat het ontslag aan [de voormalige werknemer] onrechtmatig is gegeven.
2.8.
Dhomus laat later door haar ICT-dienstverlener SPS Continuïteit (hierna: SPS) aanvullend onderzoek doen. Zij legt het onderzoeksrapport van SPS over waarin het volgende staat:
“Op 12 januari heeft SPS vanuit Dhomus de vraag gekregen om onderzoek te doen naar een aantal e-mails van de heer [de voormalige werknemer] in het kader van een lopend onderzoek. Naar aanleiding van dit onderzoek is onderstaand rapport opgesteld:
Bevindingen:
Wat opvalt in de desbetreffende e-mails is dat er nergens “RE”of “FW” in het onderwerp staat. Al zou [naam voormalig werknemer] doelbewust het onderwerp hebben aangepast om de klantreferentie vooraan te zetten, dan zouden we in de mails van [CEO] en [manager 1] aan [naam voormalig werknemer] een “RE” in het onderwerp verwachten.
In de mail 03/04/09/12 staat een e-mailhandtekening die oud lijkt te zijn namelijk dhomus-new-website, in andere ontvangen mails van [CEO] in dezelfde periode staat een handtekening met ontdek-onze-filosofie.
De e-mails betreffende de autorisatie van en naar [CEO] en [manager 1] zijn niet te vinden, ook niet in de verwijderde items. Indien mails permanent worden verwijderd komen deze in de map “Herstelbare items” terecht, dit is een onzichtbare map en e-mails blijven hier 14 dagen in staan, daarna worden deze verwijderd. We hebben backup software draaien van Veeam, deze maakt iedere dag backups van de gehele mailbox inclusief de “Herstelbare items” map. In de backup was niets terug te vinden van ontvangen/verzonden mails van/naar [CEO] of [manager 1] betreffende autorisaties voor betaling van genoemde bedragen.
In de backup zien we dat [naam voormalig werknemer] de desbetreffende mails naar zichzelf heeft gestuurd, de mails zijn vervolgens aangepast en daarna doorgestuurd naar [finance-medewerker] . Dit is heel duidelijk te zien bij 195268 – [klant 2] . Zie mailbijlage.
Beantwoording van gestelde vragen:
De berichten kunnen eenvoudig over het hoofd gezien zijn.
Zelfs na uitvoerig zoeken in alle betrokken mailboxen van [CEO] , [manager 1] en die van [naam voormalig werknemer] is er geen bewijs gevonden van ontvangen of verzonden e-mails waarin autorisatie is gegeven door [CEO] of [manager 1] .
Er kan sprake zijn van een technische- of systeemfout. Wij begrijpen dat de heer [de voormalige werknemer] in augustus en september meerdere keren van laptop is gewisseld.
De laptop is inderdaad verwisseld, de mailbox bevindt zich in Exchange online en kan op meerdere apparaten worden geraadpleegd, mist de gekoppelde gebruiker daarop ingelogd is. Er is niets zichtbaar van een technische of systeemfout.
Mocht er door een onverklaarbare reden toch mails zijn verwijderd van het systeem van [de voormalige werknemer] , dan zouden de e-mails met de verzoeken voor autorisatie en de e-mails met de gegeven autorisaties alsnog zichtbaar moeten zijn in de mailboxen van [CEO] en [manager 1] .
Voor dergelijke gevallen van eventuele systeem- of systeemfouten, hoe klein het risico ook is, hebben we de back-up software draaien die het risico op dataverlies wegneemt.
De mails kunnen (inmiddels) verwijderd zijn
Dit kan inderdaad gebeuren en in de praktijk gebeurt dit ook, zij het bewust of onbewust. Ook in dit geval kan de back-up de verloren data terughalen. De e-mails van en naar [CEO] en [manager 1] zijn hier niet aangetroffen.”
3De verzoeken en het verweer
in de zaak met nummer 12073558 \ HA VERZ 26-17
3.1.
Na intrekking ter zitting van het primaire verzoek tot vernietiging van het ontslag en tot veroordeling van Dhomus tot wedertewerkstelling met doorbetaling van loon, verzoekt [de voormalige werknemer] de kantonrechter, om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
Primair:
I. Dhomus te veroordelen tot betaling aan hem van een billijke vergoeding van
€ 50.000,-- bruto, dan wel een door de kantonrechter te bepalen billijke vergoeding;
II. Dhomus te veroordelen tot betaling aan hem van een transitievergoeding van
€ 4.950,34;
III. Dhomus te veroordelen tot betaling aan hem van een vergoeding wegens onregelmatige opzegging, te berekenen vanaf 28 november 2025 tot en met
1 februari 2026, heden begroot op € 7.273,96 bruto;
IV. Dhomus te veroordelen tot een deugdelijke eindafrekening onder overlegging van een deugdelijke specificatie, op straffe van een dwangsom van € 1.500,-- voor elke dag of gedeelte daarvan dat Dhomus in gebreke blijft, althans een door de kantonrechter te bepalen dwangsom;
Subsidiair:
I. voor het geval de arbeidsovereenkomst wel rechtsgeldig zou zijn geëindigd door het ontslag op staande voet, Dhomus te veroordelen tot betaling aan [de voormalige werknemer] van een transitievergoeding van € 4.950,34 bruto;
II. Dhomus te veroordelen tot een deugdelijke eindafrekening onder overlegging van een deugdelijke specificatie, op straffe van een dwangsom van € 1.500,-- voor elke dag of gedeelte daarvan dat Dhomus in gebreke blijft, althans een door de kantonrechter te bepalen dwangsom;
In alle gevallen:
I. Dhomus te veroordelen tot betaling aan [de voormalige werknemer] van de wettelijke rente vanaf het tijdstip van opeisbaarheid van de hiervoor genoemde bedragen tot aan de dag van algehele voldoening;
II. Dhomus te veroordelen in de volledige kosten van deze procedure, daaronder begrepen de daadwerkelijke advocaatkosten die [de voormalige werknemer] in dezen tot op heden heeft moeten maken in en buiten rechte ten bedrage van (thans begroot op) € 12.000,- (exclusief btw), te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf veertien dagen na de datum van het vonnis tot aan de dag van algehele voldoening, dan wel een door de kantonrechter in goede justitie nader te bepalen bedrag;
III. Dhomus te veroordelen in de kosten en nakosten van deze procedure een bedrag aan salaris van de gemachtigde daaronder begrepen, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf veertien dagen na de datum van het vonnis tot aan de dag van algehele voldoening.
3.2.
Volgens [de voormalige werknemer] is het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig. Hij betwist dat sprake was van een dringende reden voor dit ontslag en stelt dat er geen deugdelijk onderzoek heeft plaatsgevonden naar de gestelde dringende reden. Hij stelt daarnaast dat het ontslag op staande voet niet onverwijld is gegeven en dat de gestelde dringende reden niet onverwijld aan hem is medegedeeld. Ook heeft Dhomus zijn persoonlijke omstandigheden onvoldoende meegewogen, aldus [de voormalige werknemer] . Omdat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is, en Dhomus niet voorafgaand daaraan zorgvuldig en onafhankelijk onderzoek heeft gedaan heeft Dhomus volgens [de voormalige werknemer] ernstig verwijtbaar gehandeld. Hij maakt daarom aanspraak op een billijke vergoeding. Ook maakt hij aanspraak op een transitievergoeding, mede omdat hij zelf niet ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. [de voormalige werknemer] stelt daarnaast recht te hebben op een schadevergoeding omdat in strijd met de opzegtermijn is opgezegd. Hij vordert ten slotte vergoeding van de volledige proceskosten, waaronder de advocaatkosten, als schade op grond van artikel 7:611 BW omdat hij deze kosten heeft moeten maken door het ontslag zonder het bestaan van een dringende reden, terwijl Dhomus weigerde om serieus in overleg te treden over een voor hem redelijke regeling. Dit valt Dhomus ernstig te verwijten, aldus [de voormalige werknemer] .
3.3.
Dhomus voert verweer en concludeert tot afwijzing van de verzoeken. Volgens haar is sprake van een rechtsgeldig gegeven ontslag op staande voet. Zij voert – kort samengevat ‑ aan er na deugdelijk en voldoende zorgvuldig onderzoek bleek dat sprake was van een dringende reden, namelijk fraude of bedrog door gefingeerde autorisaties richting de afdeling Finance, voorbarige toezeggingen van crediteringen aan klanten en fictieve verklaringen richting klanten over interne issues bij de afdeling Finance, waardoor zij het vertrouwen in [de voormalige werknemer] volledig kwijt was en van haar redelijkerwijs niet kon worden gevergd de arbeidsovereenkomst nog langer te laten voortduren. Dhomus is van mening dat zij de ontslagredenen onverwijld en duidelijk aan [de voormalige werknemer] heeft meegedeeld en dat zij zijn persoonlijke omstandigheden voldoende heeft meegewogen. Zij concludeert tot afwijzing van de verzoeken met veroordeling van [de voormalige werknemer] in de proceskosten.
in de zaak met nummer 12077145 \ HA VERZ 26-19
3.4.
Dhomus verzoekt de kantonrechter:
I. voor recht te verklaren dat [de voormalige werknemer] op 28 november 2025 rechtsgeldig op staande voet is ontslagen;
II. [de voormalige werknemer] te veroordelen tot betaling van de gefixeerde schadevergoeding van € 3.367,57;
III. [de voormalige werknemer] te veroordelen tot betaling van de door Dhomus geleden schade van € 38.734,91, althans een door de kantonrechter te bepalen bedrag;
IV. [de voormalige werknemer] te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente vanaf het tijdstip van opeisbaarheid van voornoemde bedragen tot aan de dag van algehele voldoening;
V. [de voormalige werknemer] te veroordelen in de kosten van deze procedure, waaronder het salaris van de gemachtigde.
3.5.
Dhomus legt aan haar verzoek onder I hetzelfde ten grondslag als zij heeft aangevoerd als verweer in de door [de voormalige werknemer] aangespannen procedure. Zij stelt dat zij op grond van artikel 7:677 lid 2 BW recht heeft op een gefixeerde schadevergoeding ter hoogte van het loon over de opzegtermijn van een maand, zoals verzocht onder II, omdat het ontstaan van de dringende reden is veroorzaakt door opzet of schuld van [de voormalige werknemer] . Aan het verzoek tot betaling van schadevergoeding van € 38.734,91 legt zij ten grondslag dat uit (nader) onderzoek is gebleken dat zij voor ten minste dit bedrag schade heeft geleden door voorbarige toezeggingen tot creditering door [de voormalige werknemer] en de hiervoor genoemde manipulaties met autorisaties. Het onderzoeksrapport van SPS bevestigt dat Dhomus bij haar onderzoek geen berichten over het hoofd heeft gezien en dat geen sprake was van een technische fout of systeemfout of (inmiddels) verwijderde e-mails. Op grond van primair artikel 7:661 BW en subsidiair artikel 6:162 BW is [de voormalige werknemer] aansprakelijk voor deze schade, aldus Dhomus, omdat de schade het gevolg is van zijn opzet of bewuste roekeloosheid. Ook de onderzoekskosten van SPS (waarvan zij nog geen factuur heeft ontvangen) wil zij als schade vergoed krijgen als redelijke kosten ter vaststelling van de aansprakelijkheid.
3.6.
[de voormalige werknemer] voert verweer en verzoekt om afwijzing van de verzoeken van Dhomus. Hij blijft bij zijn standpunt dat de vermeende e-mailvervalsingen niet zijn komen vast te staan en dat het onderzoek niet onafhankelijk en zorgvuldig is uitgevoerd. |Als er al sprake zou zijn van manipulatie of vervalsing van e-mails, zijn er geen concrete aanwijzingen dat [de voormalige werknemer] dit zou hebben gedaan. Er is geen bewijs overgelegd van door [de voormalige werknemer] eerst naar zichzelf doorgestuurde en vervolgens bewerkte autorisatieverzoeken. De hoofdletters in de maandnamen kunnen eenvoudig worden veroorzaakt door het gebruik van bepaalde applicaties of besturingssystemen (Windows, iOS of Android) die invloed hebben op de datumweergave, zoals blijkt uit de ter zitting overgelegde voorbeelden van een interne e-mailwisseling. SPS kan niet worden beschouwd als een onafhankelijke partij omdat zij samenwerkt met Dhomus. Ook voert hij aan dat eventueel onbevoegde opdrachten voor creditnota’s geen schade kunnen veroorzaken omdat in KOMAS, het boekhoudsysteem van Dhomus, een aanvullend controlemechanisme is ingebouwd, waarbij voordat tot betaling wordt overgegaan (van een inkoopfactuur of creditfactuur), altijd nog om goedkeuring van de bij het dossier betrokken medewerker wordt verzocht via de knop ‘memo’ in KOMAS. Het causaal verband tussen het beweerdelijk frauduleuze handelen en de schade ontbreekt daarom en Dhomus heeft daarnaast de hoogte van de eventuele schade onvoldoende onderbouwd.
3.7.
Op de stellingen van partijen en het verweer in beide zaken zal hierna, voor zover nodig, nader worden ingegaan.
4De beoordeling
in de zaak met nummer 12073558 \ HA VERZ 26-17
4.1.
Het gaat in deze zaak ten eerste om de vraag of het ontslag op staande voet rechtsgeldig is.
4.2.
Een ontslag op staande voet is een ingrijpend middel om tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst te komen, waarvan een werkgever niet zomaar gebruik mag maken. In artikel 7:677 lid 1 BW zijn drie voorwaarden genoemd waaraan een ontslag op staande voet moet voldoen:
- de werkgever moet een dringende reden hebben om de werknemer te ontslaan;
- het ontslag moet onverwijld worden gegeven;
- de werkgever moet de werknemer de reden voor het ontslag onverwijld meedelen.
Als aan één van die drie voorwaarden niet is voldaan is het ontslag niet rechtsgeldig.
dringende reden
4.3.
Artikel 7:678 lid 1 BW bepaalt dat als dringende redenen worden beschouwd zodanige omstandigheden die als gevolg hebben dat van de werkgever redelijkerwijze niet gevraagd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. De wet geeft daar ook voorbeelden van. Uit die opsomming blijkt dat het moet gaan om zeer ernstige omstandigheden die objectief bekeken maken dat van de werkgever redelijkerwijs niet gevraagd kan worden om de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. De werkgever is de partij die moet onderbouwen en zo nodig bewijzen dat er een dringende reden bestond voor het ontslag op staande voet.
De kantonrechter moet bij de beoordeling van de dringende reden alle omstandigheden van het geval in aanmerking nemen, zoals de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, hoe lang hij al voor de werkgever werkte, hoe hij heeft gefunctioneerd en wat het ontslag op staande voet voor gevolgen voor hem heeft.
4.4.
Als voornaamste ontslaggrond heeft Dhomus in haar brief van 1 december 2025 aangevoerd dat zij had ontdekt dat [de voormalige werknemer] autorisaties had gefingeerd of vervalst om daarmee door de afdeling Finance crediteringen aan klanten te laten verwerken. Indien de vervalste crediteringen komen vast te staan, levert deze ontslaggrond naar het oordeel van de kantonrechter een dringende reden op voor een ontslag op staande voet, omdat dit handelen kan worden beschouwd als bedrog ofwel fraude, dat in ernstige mate het vertrouwen van de werkgever schaadt en als ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer is te beschouwen. Bedrog is ook genoemd als één van de in artikel 7:678 lid 2 BW genoemde dringende redenen voor een ontslag op staande voet. Dat [de voormalige werknemer] hiervan zelf niet financieel beter zou worden maakt daarbij niet uit.
4.5.
[de voormalige werknemer] betwist dat hij autorisaties zou hebben vervalst. Hij stelt dat dit op basis van het met hem gedeelde materiaal niet overtuigend is aangetoond. Elk motief daarvoor ontbreekt volgens hem. Hij kent de betreffende klanten niet en ontvangt geen bonus of ander voordeel op basis van de afhandeling van klachten. Hij kan het ontbreken van berichten in mailboxen niet verifiëren omdat Dhomus heeft geweigerd om hem na het ontslag nog toegang te geven tot zijn mailbox. De berichten kunnen over het hoofd zijn gezien, er kan sprake zijn van een technische fout of systeemfout of de e-mails kunnen (inmiddels) zijn verwijderd. Wel heeft hij een foto kunnen terugvinden van een e-mail in de casus [klant 4] met referentienummer 117169 waaruit blijkt dat hij al eerder van [manager 2] toestemming had voor de creditering ten hoeve van die klant. Het door Dhomus als ondersteunend bewijs genoemde ontbreken van ‘RE’of ‘FW’ in de als voorbeeld overgelegde e-mail-keten wijst volgens [de voormalige werknemer] niet op vervalsing, net zo min als een doorgestuurd bericht waarin een datum in de toekomst is gebruikt. Onafhankelijk ICT-onderzoek naar de beweerde vervalsing van autorisaties voor creditnota’s ontbreekt, terwijl dit wel nodig is bij een dergelijk ernstige beschuldiging, aldus [de voormalige werknemer] . De overgelegde verklaringen van de betrokken werknemers van Dhomus zijn gelijksoortig geformuleerd en hanteren dezelfde termen, hetgeen volgens [de voormalige werknemer] afbreuk doet aan de geloofwaardigheid en authenticiteit van deze verklaringen. Ten slotte voert [de voormalige werknemer] nog aan dat Dhomus vermoedelijk een motief heeft om van hem af te komen omdat zijn vader een ernstig bekoelde verstandhouding heeft met de bij Dhomus werkzame servicemonteur [monteur] (zij waren jarenlang bevriend). [de voormalige werknemer] heeft zelf een moeizame samenwerking met [monteur] . [monteur] vindt hem te kritisch en bijdehand. Het feit dat uitgerekend diens zoon [manager 2] , ook werkzaam bij Dhomus, betrokken is bij het onderzoek in de mailboxen naar de beweerde dringende reden, roept nog meer twijfel op naar de betrouwbaarheid van het onderzoek, aldus [de voormalige werknemer] .
4.6.
De vraag die moet worden beantwoord is of Dhomus, op wie de bewijslast van de dringende reden rust, de gestelde fraude voldoende heeft aangetoond. Niet in geschil is dat [de voormalige werknemer] voor crediteringen aan klanten voor een bedrag van boven de € 200,-- toestemming van zijn leidinggevende [manager 1] nodig had en bij een bedrag hoger dan
€ 1.000,-- toestemming van de directeur [CEO] .
4.7.
Dhomus stelt dat zij voldoende bewijs heeft geleverd voor de gestelde fraude met autorisaties. Zij onderbouwt dit als volgt. Zij stelt dat zij voldoende collega’s heeft laten controleren of de bevindingen over gefingeerde autorisaties klopten. Deze collega’s konden in eerste instantie ook niet geloven dat [de voormalige werknemer] autorisaties zou hebben vervalst, maar konden de autorisaties en autorisatieverzoeken, zoals doorgestuurd naar Finance, ook niet terugvinden in de mailboxen van [manager 1] , [CEO] en [de voormalige werknemer] . [CEO] ontdekte op 27 november 2025 dat in het klantvolgsysteem DIMS autorisaties van hem stonden voor creditnota’s in het dossier van [klant 1] ten bedrage van € 3.496,92 en € 5.000,--, waarvan hij zich niet kon herinneren dat hij die had gegeven. Toen hij deze niet kon terugvinden in zijn mailbox bij de aan [de voormalige werknemer] verzonden berichten, heeft hij diezelfde avond [manager 2] (Manager Projectbureau) en [accountmanager] (Accountmanager) inzage gegeven in zijn mailbox. Zij hebben daarin geen e-mails met autorisaties aan [de voormalige werknemer] aangetroffen en ook niet e-mails met autorisatieverzoeken van [de voormalige werknemer] . Zij hebben hun zoekactie herhaald in het archief van de mailbox van [CEO] en daarin hebben zij wel een aantal e-mails van of aan [de voormalige werknemer] aangetroffen, maar geen daarvan inzake het dossier [klant 1] . Op 28 november 2025 is het onderzoek voortgezet in aanwezigheid van [finance-medewerker] (Medewerker Finance) en ook toen zijn de betreffende autorisatieverzoeken / autorisaties van of aan [de voormalige werknemer] niet in de mailbox van [CEO] aangetroffen. [manager 2] heeft toen vastgesteld dat in de mailbox van [finance-medewerker] wel het door [de voormalige werknemer] aan Finance doorgestuurde bericht met autorisatieverzoeken en autorisaties (de e-mailketen) aanwezig was. Naar aanleiding hiervan is [manager 1] (Manager Service en leidinggevende van [de voormalige werknemer] ) op haar vrije dag naar kantoor gekomen en is in haar aanwezigheid de situatie besproken. Zij heeft de mailboxcontroles en de gebruikte e-mailketens van [de voormalige werknemer] aan Finance geverifieerd. Zij heeft ook geconstateerd dat sprake was van autorisaties die van haar afkomstig waren (voor bedragen boven de € 200,-- maar onder de € 1.000,--) in e-mailketens van [de voormalige werknemer] aan Finance die zij niet in haar eigen mailbox aantrof en niet zelf heeft verzonden. Alle genoemde medewerkers hebben hierover verklaringen afgelegd die Dhomus heeft overgelegd. Daarna heeft Dhomus een gerichte controle uitgevoerd in de mailbox van [de voormalige werknemer] . Daarbij is vastgesteld dat [de voormalige werknemer] een werkwijze hanteerde waarbij hij autorisatieverzoeken opstelde, gericht aan [CEO] en/of [manager 1] , maar deze niet verzond, vervolgens e-mailberichten opstelde uit naam van [CEO] en/of [manager 1] en de aldus door hem geconstrueerde e-mailketens doorstuurde naar Finance met het verzoek de creditnota’s te verwerken en uit te betalen. Voorbeelden van deze e-mailketens zijn geprint. Een en ander is vervolgens op 28 november 2025 voorgelegd aan [de voormalige werknemer] , die op dat moment zijn eigen mailbox mocht controleren. Ook [de voormalige werknemer] kon de betreffende verzonden autorisatieverzoeken en ontvangen autorisaties niet in zijn mailbox terugvinden en had daar geen verklaring voor, ook niet toen hij in de gelegenheid werd gesteld om één op één met [manager 1] te spreken, een collega met wie hij een goede band had en die hij ook buiten werktijd zag.
Deze ontdekkingen heeft Dhomus ten grondslag gelegd aan het ontslag in de ontslagbrief van 1 december 2025. Daarna heeft zij verder onderzoek gedaan, waarbij meer in werkwijze vergelijkbare onregelmatigheden aan het licht zijn gekomen en waarvan een aantal voorbeelden zijn genoemd in de brief van 8 december 2025 en waarbij de betreffende e-mailketens als bijlagen zijn bijgevoegd. Opvallend is volgens Dhomus bijvoorbeeld de e-mail van [de voormalige werknemer] aan [finance-medewerker] zoals opgenomen in bijlage 4 bij de brief van 8 december 2025 (klant [klant 4] ). De volgens Dhomus vervalste mail (autorisatieverzoek) door [de voormalige werknemer] aan [CEO] wordt in de kop weergegeven als “ Verzonden: maandag 29 September 11:38”. De volgens Dhomus vervalste e-mail (autorisatie) van [CEO] aan [de voormalige werknemer] wordt weergegeven als “Verzonden: maandag 29 September 14:28”. Het feit dat de maand september met een hoofdletter staat geschreven en het jaartal ontbreekt vormt een extra bewijs van manipulatie, aldus Dhomus. Dit is niet de gebruikelijke weergave in interne Dhomus e-mails, waarbij de maand in kleine letters is geschreven en er een jaartal bij staat. Ook de in de ontslagbrief van 1 december 2025 al genoemde antedatering in een mailwisseling van [de voormalige werknemer] met [leverancier] is een bewijs van manipulatie door [de voormalige werknemer] met e-mails, aldus Dhomus.
4.8.
Naar het oordeel van de kantonrechter heeft Dhomus de aanwezigheid van vervalste autorisaties voldoende aangetoond en heeft zij voldoende zorgvuldig onderzoek verricht. Zij heeft de door haar beschreven bevindingen op 27 november 2025 door verschillende betrokken collega’s laten verifiëren en voorbeelden van aan Finance doorgestuurde e-mailketens met niet in mailboxen van [CEO] en [manager 1] teruggevonden autorisaties uitgeprint en overgelegd. Zij heeft deze voorbeelden tijdens het hoor- en wederhoorgesprek op
28 november 2025 concreet voorgelegd aan [de voormalige werknemer] die vervolgens zelf zijn eigen mailbox mocht raadplegen om aan te tonen dat hij wel autorisatie voor de betreffende creditnota’s had gevraagd en ontvangen. [de voormalige werknemer] had geen plausibele verklaring voor het ontbreken van autorisatieverzoeken en autorisaties in zijn mailbox, die hij wel aan Finance heeft doorgestuurd. Vervolgens heeft Dhomus deze bevindingen gedetailleerd en concreet in haar brief van 1 december 2025 omschreven. De door Dhomus overgelegde e-mailwisseling van [de voormalige werknemer] met [leverancier] , waarin sprake is van antedatering, vormt naar het oordeel van de kantonrechter aanvullend bewijs van manipulatie met e-mails door [de voormalige werknemer] . In die e-mailwisseling is te zien dat [de voormalige werknemer] op 14 februari 2025 een mail over dit dossier aan [finance-medewerker] doorstuurt, met daarachter een mail van hem aan [leverancier] met als datum 17 december 2025, een datum die na de ontslagdatum ligt. Dat [de voormalige werknemer] er zou zijn ‘ingeluisd’ om van hem af te komen, komt de kantonrechter zeer onwaarschijnlijk voor. [CEO] heeft ter zitting onweersproken verklaard dat hij daarvoor geen enkele reden had omdat men bij Dhomus tot aan het moment van de ontdekkingen over het algemeen zeer tevreden was over [de voormalige werknemer] en zijn functioneren. Dat sprake zou zijn van een ‘opzetje’ van [manager 2] en/of zijn vader vanwege onenigheid tussen de vaders van [manager 2] en [de voormalige werknemer] komt de kantonrechter ook onwaarschijnlijk voor. Dat de overgelegde e-mailketens van [de voormalige werknemer] door iemand anders zijn opgesteld of vervalst acht de kantonrechter eveneens zo goed als onvoorstelbaar. Dat de betreffende autorisaties wel door [CEO] en [manager 1] zijn gegeven maar met opzet uit alle mailboxen (zowel die van [de voormalige werknemer] als die van [CEO] en [manager 1] ) zijn verwijderd dan wel door een technische storing zijn verdwenen komt de kantonrechter ook uiterst onwaarschijnlijk voor. Er is geen enkel aanknopingspunt dat tot één van deze conclusies kan leiden.
4.9.
Daarbij komt dat in de brief van 8 december 2025 met bijlagen door Dhomus aanvullende concrete voorbeelden van vervalste autorisaties zijn genoemd en overgelegd. Deze aanvullende voorbeelden zijn weliswaar niet aan het ontslag op 28 november 2025 ten grondslag gelegd, maar zijn voorbeelden van dezelfde dringende reden (vervalste autorisaties). Het betreft dus geen nieuwe of andere dringende reden. Deze voorbeelden kunnen in deze procedure wel dienen als nadere onderbouwing of verduidelijking van de al aan het ontslag ten grondslag gelegde dringende reden. De door Dhomus ten behoeve van deze procedure nog overgelegde bevindingen van haar ICT-dienstverlener SPS zijn weliswaar geen bevindingen van een deskundige die geen enkele band heeft met Dhomus maar leggen naar het oordeel van de kantonrechter desondanks enig gewicht in de schaal omdat het onwaarschijnlijk is dat SPS zou zijn betrokken in een opzetje om [de voormalige werknemer] in de val te lokken. De inhoud van het rapport van SPS geeft geen aanleiding om te denken dat haar bevindingen partijdig zijn. [de voormalige werknemer] doet weliswaar allerlei suggesties en schetst andere mogelijke scenario’s voor de verdwenen of vervalste autorisaties of onregelmatigheden in e-mails, maar dit maakt het oordeel van de kantonrechter niet anders omdat de bevindingen van Dhomus heel concreet en duidelijk onderbouwd zijn. Dhomus heeft bovendien met behulp van een verklaring van een medewerker van haar financiële afdeling gemotiveerd weersproken dat door het aanvullend controlemechanisme in KOMAS geen sprake zou kunnen zijn van eventueel onbevoegde opdrachten voor creditnota’s. Zij stelt dat deze controle in KOMAS alleen wordt toegepast bij inkoopnota’s en niet bij creditnota’s. Dat is niet afdoende weersproken door [de voormalige werknemer] .
4.10.
Omdat de kantonrechter hiervoor onder 4.4., 4.8. en 4.9. al heeft geoordeeld dat Dhomus de aanwezigheid van vervalste autorisaties voldoende heeft aangetoond en enkel deze aanwezigheid een voldoende dringende reden voor een ontslag op staande voet oplevert, zullen de andere door haar aangevoerde dringende redenen, zoals de voorbarige toezeggingen van crediteringen aan klanten, en de verweren daartegen hier niet verder worden besproken.
onverwijldheid
4.11.
Naar het oordeel van de kantonrechter is Dhomus na de ontdekkingen op 27 en 28 november 2025 onverwijld tot het ontslag op staande voet overgegaan en heeft zij de dringende redenen voor het ontslag in de ontslagbrief van 1 december 2025 onverwijld toegelicht en onderbouwd. [de voormalige werknemer] stelt enkel dat de door Dhomus geschetste tijdlijn niet met enig bewijsstuk is onderbouwd, maar daarmee heeft hij niet kunnen onderbouwen wat er aan de onverwijldheid schortte.
persoonlijke omstandigheden
4.12.
[de voormalige werknemer] stelt ten slotte dat het ontslag op staande voet ook niet rechtsgeldig is omdat Dhomus zijn persoonlijke omstandigheden onvoldoende heeft meegewogen. Hij was tijdens het ontslag al 4,5 jaar in dienst en heeft altijd positieve feedback ontvangen van collega’s en leidinggevenden. Daarbij komt dat hij bij herhaling, zelfs nog in de week voorafgaand aan het ontslag, heeft gemeld dat hij een hoge werkdruk ervoer. De onterechte beschuldigingen en het plotselinge ontslag hebben bovendien een grote impact op zijn mentale gesteldheid, zelfvertrouwen en toekomstige loopbaan.
4.13.
Met Dhomus is de kantonrechter van oordeel dat dat de ernst van het handelen en het structurele karakter daarvan in dit geval zwaarder wegen dan de genoemde persoonlijke omstandigheden van [de voormalige werknemer] . Ook al zijn de gevolgen ingrijpend, dan nog kan een afweging van deze persoonlijke omstandigheden tegen de aard en de ernst van de dringende reden tot de conclusie leiden dat een onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst gerechtvaardigd is.
conclusie
4.14.
De kantonrechter is van oordeel dat sprake is van voldoende feiten en omstandigheden die een dringende reden opleveren voor het ontslag op staande voet. Het verzoek van [de voormalige werknemer] tot vernietiging van het ontslag zal daarom worden afgewezen.
billijke vergoeding
4.15.
Hiervoor is al overwogen dat Dhomus zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [de voormalige werknemer] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, en dat dit handelen een dringende reden voor ontslag oplevert. Het ontslag is dan ook niet gegeven in strijd met artikel 7:671 lid 1 onder c en artikel 7:677 lid 1 BW. Het verzoek tot toewijzing van een billijke vergoeding aan [de voormalige werknemer] wordt daarom afgewezen.
transitievergoeding
4.16.
Het verzoek om Dhomus te veroordelen tot betaling van een transitievergoeding wordt ook afgewezen. De kantonrechter hiervoor heeft geoordeeld dat sprake is van feiten en omstandigheden, te weten fraude, die een dringende reden opleveren voor het ontslag op staande voet. Die feiten en omstandigheden brengen in dit geval ook mee dat het eindigen van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van handelen of nalaten van [de voormalige werknemer] dat als ernstig verwijtbaar moet worden aangemerkt. Daarom is geen transitievergoeding verschuldigd.
gefixeerde schadevergoeding
4.17.
Omdat de kantonrechter heeft geoordeeld dat het ontslag op staande voet stand houdt is er geen grondslag voor toewijzing van het verzoek van [de voormalige werknemer] om aan hem een gefixeerde schadevergoeding toe te kennen. Dit verzoek zal daarom worden afgewezen.
deugdelijke eindafrekening
4.18.
Ook het verzoek om Dhomus op straffe van een dwangsom te veroordelen om een deugdelijke eindafrekening te verstrekken zal worden afgewezen omdat niet is gesteld of gebleken dat [de voormalige werknemer] deze nog niet heeft ontvangen en evenmin welke posten nog onbetaald zouden zijn gebleven of op de eindafrekening zouden ontbreken. Dhomus heeft verklaard deze alsnog te verstrekken als er nog onduidelijkheden bestaan.
proceskosten
4.19.
Omdat [de voormalige werknemer] ongelijk krijgt, komen de proceskosten voor zijn rekening. De proceskosten aan de zijde van Dhomus worden begroot op € 1.009,-- (€ 865,-- aan salaris gemachtigde en € 144,-- aan nakosten). De proceskostenveroordeling zal uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.
in de zaak met nummer 12077145 \ HA VERZ 26-19
4.20.
In de zaak met nummer 12073558 \ HA VERZ 26-17 heeft de kantonrechter al geoordeeld dat het ontslag op staande voet stand houdt wegens een terechte en onverwijld medegedeelde dringende reden. Dit brengt mee dat de door Dhomus verzochte verklaring voor recht dat [de voormalige werknemer] rechtsgeldig op 28 november 2025 op staande voet is ontslagen zal worden toegewezen.
gefixeerde schadevergoeding
4.21.
Ook de door Dhomus op grond van artikel 7:677 lid 2 BW verzochte gefixeerde schadevergoeding ter hoogte van één maandloon (de opzegtermijn van [de voormalige werknemer] ) zal worden toegewezen omdat de kantonrechter heeft geoordeeld dat Dhomus de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd wegens een terechte en onverwijld medegedeelde dringende reden. Ondanks het verweer van [de voormalige werknemer] dat geen sprake was van opzet of bewuste roekeloosheid, is [de voormalige werknemer] naar het oordeel van de kantonrechter de partij die door schuld aan Dhomus een dringende reden heeft gegeven om de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen. De over de gefixeerde schadevergoeding gevorderde wettelijke rente zal worden toegewezen vanaf 27 januari 2026, de datum van indiening van het verzoekschrift van Dhomus.
schadevergoeding
4.22.
Dhomus heeft ter onderbouwing van de door haar gestelde schade van € 38.734,91 in haar verzoekschrift een overzichtje opgenomen met klanten waaraan op verschillende data volgens haar ongeautoriseerde creditbedragen zijn betaald, ter hoogte van in totaal
€ 28.734,91.
4.23.
Met [de voormalige werknemer] is de kantonrechter van oordeel dat Dhomus hiermee de hoogte van de door haar gestelde schade en het causaal verband tussen de vervalste autorisaties en de schade onvoldoende heeft onderbouwd. Uit de onderbouwing volgt naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende waarom deze bedragen door haar geleden schade betreffen. Niet bekend is of en waarom deze creditbetalingen, wanneer daarvoor wel om toestemming zou zijn verzocht door [manager 1] of [CEO] , niet aan de betreffende klanten zouden zijn verstrekt of dat misschien een lagere creditering zou zijn verstrekt. Daarnaast valt niet uit te sluiten dat deze betalingen misschien wel positieve reclame voor Dhomus hebben opgeleverd. De kantonrechter zal de gevorderde schadevergoeding dan ook afwijzen.
proceskosten
4.24.
Omdat Dhomus in deze zaak met nummer 12077145 \ HA VERZ 26-19 voor het grootste deel van haar verzoek ongelijk krijgt, komen de proceskosten voor haar rekening. De proceskosten aan de zijde van [de voormalige werknemer] worden ook begroot op
€ 1.009,-- (€ 865,-- aan salaris gemachtigde en € 144,-- aan nakosten). De proceskostenveroordeling zal uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.
5De beslissing
De kantonrechter
in de zaak met nummer 12073558 \ HA VERZ 26-17
5.1.
wijst de verzoeken af,
5.2.
veroordeelt [de voormalige werknemer] in de proceskosten van Dhomus van € 1.009,--, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [de voormalige werknemer] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart deze beschikking wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
in de zaak met nummer 12077145 \ HA VERZ 26-19
5.4.
verklaart voor recht dat [de voormalige werknemer] op 28 november 2025 rechtsgeldig op staande voet is ontslagen,
5.5.
veroordeelt [de voormalige werknemer] om aan Dhomus een gefixeerde schadevergoeding te betalen van € 3.367,57, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 17 januari 2026,
5.6.
wijst het meer of anders verzochte af,
5.7.
veroordeelt Dhomus in de proceskosten van [de voormalige werknemer] van € 1.009,--, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Dhomus niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,
5.8.
verklaart deze beschikking voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.J. Weerkamp - Beens en in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2026.
636 / 693
Artikel 7:673 lid 7, onder c, BW