Rechtbank Gelderland
ECLI:NL:RBGEL:2026:5076
2026-01-14
Civiel recht; Burgerlijk procesrecht
11876045 \ CV EXPL 25-7340
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Vonnis in incident. De kantonrechter is bevoegd. Uitdrukkelijk afstand gedaan van het meerdere boven € 25.000,00.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (11.101 tekens)
RECHTBANK
GELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: 11876045 \ CV EXPL 25-7340
Vonnis in het bevoegdheidsincident van 14 januari 2026
in de zaak van
[naam eiser in hoofdzaak / verweerder in incident]
,
wonende in [woonplaats] ,
eisende partij in de hoofdzaak,
verwerende partij in het incident,
hierna te noemen: [de eiser in de hoofdzaak] ,
gemachtigde: mr. E.M. Horssius,
tegen
NATIONALE-NEDERLANDEN SCHADEVERZEKERING MAATSCHAPPIJ N.V.,
statutair gevestigd in Den Haag, mede kantoorhoudende in Arnhem,
gedaagde partij in de hoofdzaak,
eisende partij in het incident,
hierna te noemen: Nationale-Nederlanden,
gemachtigde: mr. T. Hussein.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding - de conclusie van antwoord tevens verzoek om verwijzing ex artikel 71 Rv aan de zijde van Nationale-Nederlanden- Antwoord in het incident aan de zijde van [de eiser in de hoofdzaak]
1.2.
Ten slotte is bepaald dat een vonnis in het bevoegdheidsincident zal worden uitgesproken.
2Het geschil
In de hoofdzaak
2.1.
[de eiser in de hoofdzaak] vordert primair dat Nationale-Nederlanden bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, wordt veroordeeld tot het verlenen van dekking onder de verzekeringsovereenkomst, door uitkering aan [de eiser in de hoofdzaak] van de schade die derden lijden ten bedrage van € 25.000,00. Subsidiair vordert [de eiser in de hoofdzaak] om Nationale-Nederlanden te veroordelen om over te gaan tot het verlenen van dekking onder de verzekeringsovereenkomst, door uitkering, rechtstreeks aan de gedupeerden, pro rate parte, van de door Krantz & Polak RESOLVE vastgestelde schade die de gedupeerde derden lijden, ten bedragen van € 25.000,00 en veroordeling van Nationale-Nederlanden in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover.
2.2.
[de eiser in de hoofdzaak] legt – kort samengevat – het volgende aan zijn vordering ten grondslag. [de eiser in de hoofdzaak] heeft een aansprakelijkheidsverzekering afgesloten bij Nationale-Nederlanden. Nu door derden een schadevergoeding wordt gevorderd van [de eiser in de hoofdzaak] , heeft hij een beroep gedaan op zijn aansprakelijkheidsverzekering. Door geen dekking te verlenen voor de schade van derden is Nationale-Nederlanden toerekenbaar tekort geschoten in de nakoming van haar verplichtingen die voortvloeien uit de verzekeringsovereenkomst die zij is aangegaan met [de eiser in de hoofdzaak] . Nationale-Nederlanden moet haar verplichting nakomen en alsnog dekking verlenen.
2.3.
Nationale-Nederlanden voert verweer. Nationale-Nederlanden concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [de eiser in de hoofdzaak] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [de eiser in de hoofdzaak] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [de eiser in de hoofdzaak] in de kosten van deze procedure.
in het incident
2.4.
Nationale-Nederlanden vordert in het incident dat de kantonrechter zich onbevoegd verklaart, omdat de vordering van [de eiser in de hoofdzaak] de bevoegdheidsgrens van de kantonrechter overstijgt. Nationale-Nederlanden wijst erop dat de kantonrechter op grond van artikel 93 sub a Rv slechts bevoegd is kennis te nemen van geldvorderingen die een beloop hebben van ten hoogste € 25.000,00. Nationale-Nederlanden stelt zich op het standpunt dat [de eiser in de hoofdzaak] geen afstand heeft gedaan van het meerdere. Naar de stelling van [de eiser in de hoofdzaak] zouden de gestelde claims € 38.478,00 bedragen, dus meer dan € 25.000,00. [de eiser in de hoofdzaak] probeert zijn vordering onder de competentiegrens te brengen met de stelling dat zijn vordering op Nationale-Nederlanden aan derden zou zijn overgedragen voor zover dit het bedrag van 25.000,00 te boven zou gaan, aldus Nationale-Nederlanden. Onderbouwing van deze (rechtsgeldige) cessie ontbreekt. Nu de vordering aldus de absolute competentiegrens van de kantonrechter te boven gaat, is de kantonrechter onbevoegd en dient de zaak ter verdere behandeling en beslissing te worden verwezen naar de sector civiel recht van de rechtbank, aldus Nationale-Nederlanden. Verder vordert Nationale-Nederlanden de veroordeling van [de eiser in de hoofdzaak] in de kosten van het incident.
2.5.
[de eiser in de hoofdzaak] reageert bij antwoord en concludeert tot afwijzing van de incidentele vordering, met veroordeling van Nationale-Nederlanden in de proceskosten van het incident. Nationale-Nederlanden gaat ten onrechte voorbij aan de omstandigheid dat [de eiser in de hoofdzaak] zijn vordering heeft beperkt tot € 25.000,00 en, zonder enig voorbehoud, afstand gedaan van hetgeen boven de competentiegrens uit zou komen. Hiermee staat vast dat het geschil nooit een beloop van meer dan € 25.000,00 kan krijgen, aldus [de eiser in de hoofdzaak] .
3De beoordeling
in het incident
3.1.
Op grond van artikel 93 sub a Rv worden geldvorderingen met een beloop van ten hoogste € 25.000,00 behandeld en beslist door de kantonrechter.
3.2.
[de eiser in de hoofdzaak] heeft in de dagvaarding uitdrukkelijk afstand gedaan van het meerdere boven € 25.000,00. Als gevolg van een dergelijk afstand van recht kan het geschil nimmer een beloop van meer dan € 25.000 krijgen, zelfs niet als Nationale-Nederlanden de onderliggende rechtstitel zou betwisten. Om die reden kan de kwestie van de cessie in het midden blijven. Gelet op het voorgaande is de kantonrechter dus bevoegd om van het geschil kennis te nemen en op de vorderingen te beslissen. Dit betekent dat de vordering in het incident van Nationale-Nederlanden zal worden afgewezen.
3.3.
Nationale-Nederlanden zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. De proceskosten aan de zijde van [de eiser in de hoofdzaak] worden begroot op € 271,00.
in de hoofdzaak
3.4.
De kantonrechter zal een mondelinge behandeling bevelen om inlichtingen over de zaak te vragen, partijen gelegenheid te geven hun stellingen nader te onderbouwen en om te onderzoeken of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden.
3.5.
De kantonrechter wijst erop dat zij uit een niet verschijnen van een partij op de mondelinge behandeling de gevolgtrekkingen - ook in het nadeel van die partij - kan maken die zij geraden zal achten.
3.6.
Indien een partij wenst dat de kantonrechter bij de beoordeling van het geschil rekening houdt met bijvoorbeeld brieven of andere schriftelijke stukken, dient zij deze uiterlijk tien dagen voordat de zitting plaatsvindt aan de kantonrechter en haar wederpartij toe te zenden.
3.7.
Op de mondelinge behandeling wordt aan (de gemachtigden van) partijen de gelegenheid geboden de juridische standpunten nader toe te lichten. Daarbij mag gebruik worden gemaakt van beknopte spreekaantekeningen. Uitgebreide mondelinge en schriftelijke uiteenzettingen zijn niet toegestaan.
3.8.
Op de mondelinge behandeling zal, eventueel aan de hand van een voorlopig oordeel over de zaak, worden beslist hoe de procedure verder zal gaan. Daarbij kan ook de mogelijkheid van een schikking aan de orde komen. Partijen moeten er op voorbereid zijn dat de kantonrechter tijdens of na de mondelinge behandeling direct mondeling uitspraak kan doen.
3.9.
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.
4De beslissing
De kantonrechter
in het incident
4.1.
verklaart zich bevoegd kennis te nemen van het geschil,
4.2.
veroordeelt Nationale-Nederlanden in de kosten van dit geding, aan de zijde van [de eiser in de hoofdzaak] begroot op € 271,00,
4.3.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
in de hoofdzaak
4.4.
beveelt een mondelinge behandeling en verschijning van partijen, bijgestaan door hun gemachtigden, voor het geven van inlichtingen, het nader onderbouwen van hun stellingen en het beproeven van een minnelijke regeling, door mr. M.D.R. Joppe, in het paleis van justitie te Arnhem, Walburgstraat 2-4, op een door de kantonrechter vast te stellen datum en tijd,
4.5.
bepaalt dat [de eiser in de hoofdzaak] dan in persoon aanwezig moet zijn en dat Nationale-Nederlanden dan vertegenwoordigd moet zijn door iemand met kennis van de zaak en rechtens of op grond van een schriftelijke volmacht bevoegd is haar te vertegenwoordigen,
4.6.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 28 januari 2026 voor een schriftelijke opgave van de verhinderdagen van de partijen en hun gemachtigden in de maanden april 2026 tot en met juli 2026, waarna dag en uur van de mondelinge behandeling zullen worden bepaald,
4.7.
bepaalt dat bij gebreke van de gevraagde opgave(n) de kantonrechter het tijdstip van de mondelinge behandeling zelfstandig zal bepalen,
4.8.
bepaalt dat na de vaststelling van het tijdstip van de mondelinge behandeling dit in beginsel niet zal worden gewijzigd,
4.9.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.D.R. Joppe en in het openbaar uitgesproken op 14 januari 2026.
61010/51588
GELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: 11876045 \ CV EXPL 25-7340
Vonnis in het bevoegdheidsincident van 14 januari 2026
in de zaak van
[naam eiser in hoofdzaak / verweerder in incident]
,
wonende in [woonplaats] ,
eisende partij in de hoofdzaak,
verwerende partij in het incident,
hierna te noemen: [de eiser in de hoofdzaak] ,
gemachtigde: mr. E.M. Horssius,
tegen
NATIONALE-NEDERLANDEN SCHADEVERZEKERING MAATSCHAPPIJ N.V.,
statutair gevestigd in Den Haag, mede kantoorhoudende in Arnhem,
gedaagde partij in de hoofdzaak,
eisende partij in het incident,
hierna te noemen: Nationale-Nederlanden,
gemachtigde: mr. T. Hussein.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding - de conclusie van antwoord tevens verzoek om verwijzing ex artikel 71 Rv aan de zijde van Nationale-Nederlanden- Antwoord in het incident aan de zijde van [de eiser in de hoofdzaak]
1.2.
Ten slotte is bepaald dat een vonnis in het bevoegdheidsincident zal worden uitgesproken.
2Het geschil
In de hoofdzaak
2.1.
[de eiser in de hoofdzaak] vordert primair dat Nationale-Nederlanden bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, wordt veroordeeld tot het verlenen van dekking onder de verzekeringsovereenkomst, door uitkering aan [de eiser in de hoofdzaak] van de schade die derden lijden ten bedrage van € 25.000,00. Subsidiair vordert [de eiser in de hoofdzaak] om Nationale-Nederlanden te veroordelen om over te gaan tot het verlenen van dekking onder de verzekeringsovereenkomst, door uitkering, rechtstreeks aan de gedupeerden, pro rate parte, van de door Krantz & Polak RESOLVE vastgestelde schade die de gedupeerde derden lijden, ten bedragen van € 25.000,00 en veroordeling van Nationale-Nederlanden in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover.
2.2.
[de eiser in de hoofdzaak] legt – kort samengevat – het volgende aan zijn vordering ten grondslag. [de eiser in de hoofdzaak] heeft een aansprakelijkheidsverzekering afgesloten bij Nationale-Nederlanden. Nu door derden een schadevergoeding wordt gevorderd van [de eiser in de hoofdzaak] , heeft hij een beroep gedaan op zijn aansprakelijkheidsverzekering. Door geen dekking te verlenen voor de schade van derden is Nationale-Nederlanden toerekenbaar tekort geschoten in de nakoming van haar verplichtingen die voortvloeien uit de verzekeringsovereenkomst die zij is aangegaan met [de eiser in de hoofdzaak] . Nationale-Nederlanden moet haar verplichting nakomen en alsnog dekking verlenen.
2.3.
Nationale-Nederlanden voert verweer. Nationale-Nederlanden concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [de eiser in de hoofdzaak] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [de eiser in de hoofdzaak] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [de eiser in de hoofdzaak] in de kosten van deze procedure.
in het incident
2.4.
Nationale-Nederlanden vordert in het incident dat de kantonrechter zich onbevoegd verklaart, omdat de vordering van [de eiser in de hoofdzaak] de bevoegdheidsgrens van de kantonrechter overstijgt. Nationale-Nederlanden wijst erop dat de kantonrechter op grond van artikel 93 sub a Rv slechts bevoegd is kennis te nemen van geldvorderingen die een beloop hebben van ten hoogste € 25.000,00. Nationale-Nederlanden stelt zich op het standpunt dat [de eiser in de hoofdzaak] geen afstand heeft gedaan van het meerdere. Naar de stelling van [de eiser in de hoofdzaak] zouden de gestelde claims € 38.478,00 bedragen, dus meer dan € 25.000,00. [de eiser in de hoofdzaak] probeert zijn vordering onder de competentiegrens te brengen met de stelling dat zijn vordering op Nationale-Nederlanden aan derden zou zijn overgedragen voor zover dit het bedrag van 25.000,00 te boven zou gaan, aldus Nationale-Nederlanden. Onderbouwing van deze (rechtsgeldige) cessie ontbreekt. Nu de vordering aldus de absolute competentiegrens van de kantonrechter te boven gaat, is de kantonrechter onbevoegd en dient de zaak ter verdere behandeling en beslissing te worden verwezen naar de sector civiel recht van de rechtbank, aldus Nationale-Nederlanden. Verder vordert Nationale-Nederlanden de veroordeling van [de eiser in de hoofdzaak] in de kosten van het incident.
2.5.
[de eiser in de hoofdzaak] reageert bij antwoord en concludeert tot afwijzing van de incidentele vordering, met veroordeling van Nationale-Nederlanden in de proceskosten van het incident. Nationale-Nederlanden gaat ten onrechte voorbij aan de omstandigheid dat [de eiser in de hoofdzaak] zijn vordering heeft beperkt tot € 25.000,00 en, zonder enig voorbehoud, afstand gedaan van hetgeen boven de competentiegrens uit zou komen. Hiermee staat vast dat het geschil nooit een beloop van meer dan € 25.000,00 kan krijgen, aldus [de eiser in de hoofdzaak] .
3De beoordeling
in het incident
3.1.
Op grond van artikel 93 sub a Rv worden geldvorderingen met een beloop van ten hoogste € 25.000,00 behandeld en beslist door de kantonrechter.
3.2.
[de eiser in de hoofdzaak] heeft in de dagvaarding uitdrukkelijk afstand gedaan van het meerdere boven € 25.000,00. Als gevolg van een dergelijk afstand van recht kan het geschil nimmer een beloop van meer dan € 25.000 krijgen, zelfs niet als Nationale-Nederlanden de onderliggende rechtstitel zou betwisten. Om die reden kan de kwestie van de cessie in het midden blijven. Gelet op het voorgaande is de kantonrechter dus bevoegd om van het geschil kennis te nemen en op de vorderingen te beslissen. Dit betekent dat de vordering in het incident van Nationale-Nederlanden zal worden afgewezen.
3.3.
Nationale-Nederlanden zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. De proceskosten aan de zijde van [de eiser in de hoofdzaak] worden begroot op € 271,00.
in de hoofdzaak
3.4.
De kantonrechter zal een mondelinge behandeling bevelen om inlichtingen over de zaak te vragen, partijen gelegenheid te geven hun stellingen nader te onderbouwen en om te onderzoeken of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden.
3.5.
De kantonrechter wijst erop dat zij uit een niet verschijnen van een partij op de mondelinge behandeling de gevolgtrekkingen - ook in het nadeel van die partij - kan maken die zij geraden zal achten.
3.6.
Indien een partij wenst dat de kantonrechter bij de beoordeling van het geschil rekening houdt met bijvoorbeeld brieven of andere schriftelijke stukken, dient zij deze uiterlijk tien dagen voordat de zitting plaatsvindt aan de kantonrechter en haar wederpartij toe te zenden.
3.7.
Op de mondelinge behandeling wordt aan (de gemachtigden van) partijen de gelegenheid geboden de juridische standpunten nader toe te lichten. Daarbij mag gebruik worden gemaakt van beknopte spreekaantekeningen. Uitgebreide mondelinge en schriftelijke uiteenzettingen zijn niet toegestaan.
3.8.
Op de mondelinge behandeling zal, eventueel aan de hand van een voorlopig oordeel over de zaak, worden beslist hoe de procedure verder zal gaan. Daarbij kan ook de mogelijkheid van een schikking aan de orde komen. Partijen moeten er op voorbereid zijn dat de kantonrechter tijdens of na de mondelinge behandeling direct mondeling uitspraak kan doen.
3.9.
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.
4De beslissing
De kantonrechter
in het incident
4.1.
verklaart zich bevoegd kennis te nemen van het geschil,
4.2.
veroordeelt Nationale-Nederlanden in de kosten van dit geding, aan de zijde van [de eiser in de hoofdzaak] begroot op € 271,00,
4.3.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
in de hoofdzaak
4.4.
beveelt een mondelinge behandeling en verschijning van partijen, bijgestaan door hun gemachtigden, voor het geven van inlichtingen, het nader onderbouwen van hun stellingen en het beproeven van een minnelijke regeling, door mr. M.D.R. Joppe, in het paleis van justitie te Arnhem, Walburgstraat 2-4, op een door de kantonrechter vast te stellen datum en tijd,
4.5.
bepaalt dat [de eiser in de hoofdzaak] dan in persoon aanwezig moet zijn en dat Nationale-Nederlanden dan vertegenwoordigd moet zijn door iemand met kennis van de zaak en rechtens of op grond van een schriftelijke volmacht bevoegd is haar te vertegenwoordigen,
4.6.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 28 januari 2026 voor een schriftelijke opgave van de verhinderdagen van de partijen en hun gemachtigden in de maanden april 2026 tot en met juli 2026, waarna dag en uur van de mondelinge behandeling zullen worden bepaald,
4.7.
bepaalt dat bij gebreke van de gevraagde opgave(n) de kantonrechter het tijdstip van de mondelinge behandeling zelfstandig zal bepalen,
4.8.
bepaalt dat na de vaststelling van het tijdstip van de mondelinge behandeling dit in beginsel niet zal worden gewijzigd,
4.9.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.D.R. Joppe en in het openbaar uitgesproken op 14 januari 2026.
61010/51588