Rechtbank Gelderland
ECLI:NL:RBGEL:2026:2599
2026-01-21
Civiel recht; Verbintenissenrecht
11793155 \ CV EXPL 25-5671
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Zorgverzekeringsovereenkomst, onbetaalde premies, verjaring
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2013:BZ4104 Hoge Raad 14-06-2013
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (15.219 tekens)
RECHTBANK
GELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: 11793155 \ CV EXPL 25-5671
Vonnis van 21 januari 2026
in de zaak van
de naamloze vennootschap
MENZIS ZORGVERZEKERAAR N.V.,
gevestigd te Wageningen,
eisende partij,
hierna te noemen: Menzis,
gemachtigde: GGN Mastering Credit B.V.,
tegen
[naam gedaagde]
,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [de gedaagde] ,
gemachtigde: mr. I.P. Rietveld.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding van 30 juni 2025 met producties 1 en 2,
de conclusie van antwoord,
de conclusie van repliek met producties 3 tot en met 19,
de conclusie van dupliek met producties 1 en 2,
de akte uitlating producties van de zijde van Menzis.
1.2.
Ten slotte is bepaald dat een vonnis zal worden gewezen.
2De feiten
2.1.
In de periode van 27 maart 2017 tot en met 23 november 2017 is [de gedaagde] voor zijn ziektekosten verzekerd geweest bij Menzis voor een premiebedrag van € 119,00 per maand.
2.2.
Op 30 augustus 2017, 6 september 2018 en 17 september 2018 verstuurt Menzis een schriftelijke aanmaning naar het adres waar [de gedaagde] destijds volgens het Basisregistratie Personen (hierna: BRP) ingeschreven stond.
2.3.
Een bewindvoerder van de Gelderse Stichting voor Beheer en Bewindvoering (hierna: de bewindvoerder) informeert Menzis op 26 april 2019 dat de (toekomstige) goederen van [de gedaagde] vanaf 18 maart 2019 onder bewind zijn gesteld. Ook verzoekt de bewindvoerder om alle correspondentie aan hem te richten.
2.4.
Menzis verstuurt op 27 mei 2019 een overzicht van haar openstaande vorderingen aan de bewindvoerder.
2.5.
Op 22 oktober 2020 informeert de bewindvoerder Menzis over de opheffing van het bewind. De bewindvoerder geeft Menzis een e-mailadres van [de gedaagde] , met het verzoek om alle correspondentie daarheen te versturen. Dit gelet op het gegeven dat [de gedaagde] op dat moment geen adres in Nederland heeft. Menzis verstuurt op 23 oktober 2020 een e-mail aan het betreffende e-mailadres met een aanmaning.
2.6.
Op 2 november 2020 verstuurt Menzis een vierde schriftelijke aanmaning. De schriftelijke aanmaning wordt gericht aan het adres van [de gedaagde] dat in de beschikking van 16 oktober 2020 van de rechtbank staat. In deze beschikking wordt het bewind opgeheven.
2.7.
Menzis verstuurt op 29 april 2022 een e-mail aan het e-mailadres van [de gedaagde] dat voorheen door de bewindvoerder is verstrekt.
2.8.
Op 11 april 2025 verstuurt Menzis een vijfde schriftelijke aanmaning naar het adres waar [de gedaagde] destijds volgens het BRP ingeschreven stond.
3Het geschil
3.1.
Menzis vordert dat de kantonrechter bij uitvoerbaarheid bij voorraad te verklaren vonnis:
[de gedaagde] veroordeelt tot betaling van € 971,18, (bestaande uit de hoofdsom van € 733,83, de buitengerechtelijke incassokosten van € 48,40 en de wettelijke rente van € 189,75 berekend tot 30 juni 2025), te vermeerderen met de wettelijke rente over de hoofdsom te rekenen vanaf 30 juni 2025 tot de dag van volledige betaling,
[de gedaagde] veroordeelt in de proceskosten.
3.2.
Aan haar vorderingen legt Menzis ten grondslag dat partijen voor de periode van maart 2017 tot en met oktober 2017 een zorgverzekeringsovereenkomst zijn aangegaan, waarvoor [de gedaagde] per maand een bedrag van € 119,00 per maand verschuldigd was. [de gedaagde] heeft ten aanzien van zes maanden nagelaten om het verschuldigde premiebedrag aan Menzis te voldoen. Menzis stelt verder dat haar vorderingen niet zijn verjaard, doordat zij de verjaringstermijn meermaals met schriftelijke aanmaningen heeft gestuit.
3.3.
[de gedaagde] voert aan dat de vorderingen van Menzis inmiddels zijn verjaard, doordat de schriftelijke aanmaningen na 27 mei 2019 [de gedaagde] niet hebben bereikt. Pas op 11 april 2025 heeft hij weer een schriftelijke aanmaning van Menzis ontvangen. Omdat er meer dan vijf jaar zijn verstreken en de stuitingshandelingen van Menzis [de gedaagde] niet hebben bereikt, is de vordering niet langer opeisbaar. Overigens voert [de gedaagde] daarnaast aan dat hij in 2017 zijn premiebedragen wel maandelijks heeft betaald.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4. De beoordeling
Verjaring
4.1.
Menzis vordert betaling van premies over de periode van maart 2017 tot en met oktober 2017. [de gedaagde] voert aan dat de vorderingen van Menzis inmiddels zijn verjaard. Een rechtsvordering tot nakoming van periodieke betalingen verjaart door verloop van vijf jaren na aanvang van de dag waarop de vordering opeisbaar is geworden (artikel 3:308 BW). De verjaring kan worden gestuit door een daad van rechtsvervolging (artikel 3:316 BW) of door een schriftelijke aanmaning, dan wel een schriftelijke mededeling, waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt (artikel 3:317 BW). Als dat is gebeurd, gaat de verjaringstermijn van vijf jaar opnieuw lopen. Menzis erkent dat er meer dan vijf jaar is verstreken, maar stelt dat zij de verjaring meermaals heeft gestuit door het versturen van schriftelijke aanmaningen.
4.2.
Hoewel Menzis stelt dat zij meermaals schriftelijke aanmaningen en e-mails heeft verstuurd, betwist [de gedaagde] de ontvangst daarvan. [de gedaagde] erkent dat de brief van 17 september 2018 naar een adres is verstuurd waar hij destijds woonachtig was en deze brief hem dus bereikt kan hebben. Hij is niet op de hoogte geweest van de brief van 27 mei 2019 aan de bewindvoerder, maar gelet op de overgelegde stukken van Menzis wordt de ontvangst hiervan door de bewindvoerder niet door [de gedaagde] betwist. Wel voert [de gedaagde] aan dat de brief van 2 november 2020 is verstuurd aan een adres waar hij op dat moment niet langer woonde. Ter onderbouwing hiervan overlegt hij een uittreksel uit de BRP waaruit dit ook blijkt. Daarnaast voert [de gedaagde] aan dat de e-mails van 23 oktober 2020 en 29 april 2022 zijn verstuurd aan een e-mailadres dat niet van hem is, waardoor deze mails hem niet hebben bereikt. Kortom, de laatste erkende ontvangen brief van Menzis is de brief van 27 mei 2019. Daarna is pas op 11 april 2025 een schriftelijke aanmaning aan hem verzonden waardoor alsnog de vorderingen van Menzis zijn verjaard, aldus [de gedaagde] .
4.3.
Omdat partijen het erover eens zijn dat de brieven van 27 mei 2019 en 11 april 2025 in ieder geval zijn ontvangen, is op 27 mei 2019 de verjaring door Menzis gestuit en is een nieuwe termijn van vijf jaar gaan lopen. Nu de brief van 11 april 2025 van bijna zes jaar later is, zal Menzis moeten stellen en zo nodig bewijzen dat de verjaring van de vorderingen in de periode van 27 mei 2019 en 11 april 2025 nogmaals is gestuit.
4.4.
Op grond van artikel 3:37 lid 3 BW moet een tot een bepaalde persoon gerichte verklaring, om haar werking te hebben, die persoon hebben bereikt. Met betrekking tot een schriftelijke verklaring geldt als uitgangspunt dat deze de geadresseerde heeft bereikt als deze door hem is ontvangen. Volgens jurisprudentie van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2013:BZ4104) moet de afzender stellen en zo nodig bewijzen dat de verklaring is verzonden, dat het adres een adres is ‘waarvan de afzender redelijkerwijs mocht aannemen dat de geadresseerde aldaar door hem kon worden bereikt’ en dat de verklaring is aangekomen. Gelet op gemotiveerde betwisting van [de gedaagde] , ligt de stelplicht en bewijslast van de ontvangst van de brieven bij Menzis.
4.5.
Door Menzis is niet gesteld of gebleken dat zij de schriftelijke aanmaning van 2 november 2020 per aangetekende post heeft verzonden. Daarom kan niet worden vastgesteld dat deze daadwerkelijk door [de gedaagde] is ontvangen. Daarnaast is de brief van 2 november 2020 gericht aan een adres in Nederland, hoewel de bewindvoerder specifiek aan Menzis heeft bericht dat [de gedaagde] niet langer in Nederland woonachtig was. Menzis stelt dat zij mocht uitgaan van de juistheid van het adres, omdat het adres genoemd wordt in de beschikking van de rechtbank omtrent het bewind en dit een betrouwbare bron is. Wel erkent Menzis dat er destijds geen inschrijving in het BRP was. De kantonrechter is van oordeel dat Menzis redelijkerwijs had kunnen weten dat [de gedaagde] in Nederland geen adres had, omdat het BRP geen inschrijving toonde en de bewindvoerder dit ook expliciet had gemeld. De gevolgen van de keuze om de brief niet aangetekend te versturen en een adres van [de gedaagde] te gebruiken, terwijl hij niet langer in Nederland verbleef, zijn voor rekening en risico van Menzis. Dit geldt zeker, nu de ontvangst van de schriftelijke aanmaning door [de gedaagde] van belang was voor het stuiten van de verjaring. Nu de ontvangst van de schriftelijke aanmaning van 2 november 2020 niet vaststaat, heeft deze brief de verjaring niet gestuit.
4.6.
Op 23 oktober 2020 en 29 april 2022 heeft Menzis een e-mail verstuurd aan [de gedaagde] met daarbij een aanmaning. Menzis had een e-mail ontvangen van de bewindvoerder van [de gedaagde] waarbij wordt gemeld om de correspondentie vanaf dat moment weer te richten aan [de gedaagde] zelf. Hierbij had de bewindvoerder een e-mailadres opgegeven, omdat [de gedaagde] niet langer een adres in Nederland had. [de gedaagde] voert aan dat dit niet zijn e-mailadres is en dat de bewindvoerder ook een ander e-mailadres gebruikte om met hem te communiceren. Menzis voert aan dat zij erop mocht vertrouwen dat het e-mailadres van [de gedaagde] was en dat de e-mails hem daardoor hebben bereikt. Hoewel het begrijpelijk is dat Menzis uitgaat van de juistheid van het e-mailadres, is dit een vertrouwen dat zij enkel mocht hebben in haar relatie tot de bewindvoerder. Dat de bewindvoerder kennelijk een foutief e-mailadres aan Menzis heeft verstrekt, is niet een omstandigheid die aan [de gedaagde] kan worden toegerekend. Hij was hiervan immers niet op de hoogte en kon dit redelijkerwijs ook niet zijn. Ook wat betreft het versturen van e-mails is het aan Menzis om te stellen en zo nodig te bewijzen dat deze door [de gedaagde] zijn ontvangen. Menzis legt slechts een brief over van een systeem waarin staat dat de e-mail van 29 april 2022 is afgeleverd. Het afleveren van een e-mail staat niet gelijk aan het ontvangen en bereiken daarvan door [de gedaagde] . Menzis onderbouwt onvoldoende dat de e-mails [de gedaagde] daadwerkelijk bereikt hebben. Nu de ontvangst van de e-mails van 23 oktober 2020 en 29 april 2022 niet vaststaat, hebben deze e-mails de verjaring evenmin gestuit.
4.7.
Gelet op het voorgaande heeft Menzis na 27 mei 2019 de verjaring van de vorderingen niet gestuit. Dit betekent dat de vorderingen vijf jaar na deze datum verjaren. De brief van 11 april 2025 heeft [de gedaagde] wel bereikt, maar dit is dus meer dan vijf jaar na 27 mei 2019. Het beroep op verjaring door [de gedaagde] slaagt reden waarom de kantonrechter de vordering tot terugbetaling van de premiebedragen zal afwijzen.
De proceskosten
4.8.
Menzis wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [de gedaagde] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
€
270,00
(2 punten × € 135,00)
- nakosten
€
67,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
337,50
Uitvoerbaarheid bij voorraad
4.9.
De veroordeling in dit vonnis wordt, zoals gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad verklaard (artikel 233 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). Dit betekent dat deze uitspraak geldt, totdat in een eventueel hoger beroep anders is beslist.
5De beslissing
De kantonrechter
5.1.
wijst de vorderingen van Menzis af,
5.2.
veroordeelt Menzis in de proceskosten van € 337,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als Menzis niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet Menzis ook de kosten van betekening betalen,
5.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. Weerkamp – Beens, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 21 januari 2026, in tegenwoordigheid van de griffier.
68348 693
GELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: 11793155 \ CV EXPL 25-5671
Vonnis van 21 januari 2026
in de zaak van
de naamloze vennootschap
MENZIS ZORGVERZEKERAAR N.V.,
gevestigd te Wageningen,
eisende partij,
hierna te noemen: Menzis,
gemachtigde: GGN Mastering Credit B.V.,
tegen
[naam gedaagde]
,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [de gedaagde] ,
gemachtigde: mr. I.P. Rietveld.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding van 30 juni 2025 met producties 1 en 2,
de conclusie van antwoord,
de conclusie van repliek met producties 3 tot en met 19,
de conclusie van dupliek met producties 1 en 2,
de akte uitlating producties van de zijde van Menzis.
1.2.
Ten slotte is bepaald dat een vonnis zal worden gewezen.
2De feiten
2.1.
In de periode van 27 maart 2017 tot en met 23 november 2017 is [de gedaagde] voor zijn ziektekosten verzekerd geweest bij Menzis voor een premiebedrag van € 119,00 per maand.
2.2.
Op 30 augustus 2017, 6 september 2018 en 17 september 2018 verstuurt Menzis een schriftelijke aanmaning naar het adres waar [de gedaagde] destijds volgens het Basisregistratie Personen (hierna: BRP) ingeschreven stond.
2.3.
Een bewindvoerder van de Gelderse Stichting voor Beheer en Bewindvoering (hierna: de bewindvoerder) informeert Menzis op 26 april 2019 dat de (toekomstige) goederen van [de gedaagde] vanaf 18 maart 2019 onder bewind zijn gesteld. Ook verzoekt de bewindvoerder om alle correspondentie aan hem te richten.
2.4.
Menzis verstuurt op 27 mei 2019 een overzicht van haar openstaande vorderingen aan de bewindvoerder.
2.5.
Op 22 oktober 2020 informeert de bewindvoerder Menzis over de opheffing van het bewind. De bewindvoerder geeft Menzis een e-mailadres van [de gedaagde] , met het verzoek om alle correspondentie daarheen te versturen. Dit gelet op het gegeven dat [de gedaagde] op dat moment geen adres in Nederland heeft. Menzis verstuurt op 23 oktober 2020 een e-mail aan het betreffende e-mailadres met een aanmaning.
2.6.
Op 2 november 2020 verstuurt Menzis een vierde schriftelijke aanmaning. De schriftelijke aanmaning wordt gericht aan het adres van [de gedaagde] dat in de beschikking van 16 oktober 2020 van de rechtbank staat. In deze beschikking wordt het bewind opgeheven.
2.7.
Menzis verstuurt op 29 april 2022 een e-mail aan het e-mailadres van [de gedaagde] dat voorheen door de bewindvoerder is verstrekt.
2.8.
Op 11 april 2025 verstuurt Menzis een vijfde schriftelijke aanmaning naar het adres waar [de gedaagde] destijds volgens het BRP ingeschreven stond.
3Het geschil
3.1.
Menzis vordert dat de kantonrechter bij uitvoerbaarheid bij voorraad te verklaren vonnis:
[de gedaagde] veroordeelt tot betaling van € 971,18, (bestaande uit de hoofdsom van € 733,83, de buitengerechtelijke incassokosten van € 48,40 en de wettelijke rente van € 189,75 berekend tot 30 juni 2025), te vermeerderen met de wettelijke rente over de hoofdsom te rekenen vanaf 30 juni 2025 tot de dag van volledige betaling,
[de gedaagde] veroordeelt in de proceskosten.
3.2.
Aan haar vorderingen legt Menzis ten grondslag dat partijen voor de periode van maart 2017 tot en met oktober 2017 een zorgverzekeringsovereenkomst zijn aangegaan, waarvoor [de gedaagde] per maand een bedrag van € 119,00 per maand verschuldigd was. [de gedaagde] heeft ten aanzien van zes maanden nagelaten om het verschuldigde premiebedrag aan Menzis te voldoen. Menzis stelt verder dat haar vorderingen niet zijn verjaard, doordat zij de verjaringstermijn meermaals met schriftelijke aanmaningen heeft gestuit.
3.3.
[de gedaagde] voert aan dat de vorderingen van Menzis inmiddels zijn verjaard, doordat de schriftelijke aanmaningen na 27 mei 2019 [de gedaagde] niet hebben bereikt. Pas op 11 april 2025 heeft hij weer een schriftelijke aanmaning van Menzis ontvangen. Omdat er meer dan vijf jaar zijn verstreken en de stuitingshandelingen van Menzis [de gedaagde] niet hebben bereikt, is de vordering niet langer opeisbaar. Overigens voert [de gedaagde] daarnaast aan dat hij in 2017 zijn premiebedragen wel maandelijks heeft betaald.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4. De beoordeling
Verjaring
4.1.
Menzis vordert betaling van premies over de periode van maart 2017 tot en met oktober 2017. [de gedaagde] voert aan dat de vorderingen van Menzis inmiddels zijn verjaard. Een rechtsvordering tot nakoming van periodieke betalingen verjaart door verloop van vijf jaren na aanvang van de dag waarop de vordering opeisbaar is geworden (artikel 3:308 BW). De verjaring kan worden gestuit door een daad van rechtsvervolging (artikel 3:316 BW) of door een schriftelijke aanmaning, dan wel een schriftelijke mededeling, waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt (artikel 3:317 BW). Als dat is gebeurd, gaat de verjaringstermijn van vijf jaar opnieuw lopen. Menzis erkent dat er meer dan vijf jaar is verstreken, maar stelt dat zij de verjaring meermaals heeft gestuit door het versturen van schriftelijke aanmaningen.
4.2.
Hoewel Menzis stelt dat zij meermaals schriftelijke aanmaningen en e-mails heeft verstuurd, betwist [de gedaagde] de ontvangst daarvan. [de gedaagde] erkent dat de brief van 17 september 2018 naar een adres is verstuurd waar hij destijds woonachtig was en deze brief hem dus bereikt kan hebben. Hij is niet op de hoogte geweest van de brief van 27 mei 2019 aan de bewindvoerder, maar gelet op de overgelegde stukken van Menzis wordt de ontvangst hiervan door de bewindvoerder niet door [de gedaagde] betwist. Wel voert [de gedaagde] aan dat de brief van 2 november 2020 is verstuurd aan een adres waar hij op dat moment niet langer woonde. Ter onderbouwing hiervan overlegt hij een uittreksel uit de BRP waaruit dit ook blijkt. Daarnaast voert [de gedaagde] aan dat de e-mails van 23 oktober 2020 en 29 april 2022 zijn verstuurd aan een e-mailadres dat niet van hem is, waardoor deze mails hem niet hebben bereikt. Kortom, de laatste erkende ontvangen brief van Menzis is de brief van 27 mei 2019. Daarna is pas op 11 april 2025 een schriftelijke aanmaning aan hem verzonden waardoor alsnog de vorderingen van Menzis zijn verjaard, aldus [de gedaagde] .
4.3.
Omdat partijen het erover eens zijn dat de brieven van 27 mei 2019 en 11 april 2025 in ieder geval zijn ontvangen, is op 27 mei 2019 de verjaring door Menzis gestuit en is een nieuwe termijn van vijf jaar gaan lopen. Nu de brief van 11 april 2025 van bijna zes jaar later is, zal Menzis moeten stellen en zo nodig bewijzen dat de verjaring van de vorderingen in de periode van 27 mei 2019 en 11 april 2025 nogmaals is gestuit.
4.4.
Op grond van artikel 3:37 lid 3 BW moet een tot een bepaalde persoon gerichte verklaring, om haar werking te hebben, die persoon hebben bereikt. Met betrekking tot een schriftelijke verklaring geldt als uitgangspunt dat deze de geadresseerde heeft bereikt als deze door hem is ontvangen. Volgens jurisprudentie van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2013:BZ4104) moet de afzender stellen en zo nodig bewijzen dat de verklaring is verzonden, dat het adres een adres is ‘waarvan de afzender redelijkerwijs mocht aannemen dat de geadresseerde aldaar door hem kon worden bereikt’ en dat de verklaring is aangekomen. Gelet op gemotiveerde betwisting van [de gedaagde] , ligt de stelplicht en bewijslast van de ontvangst van de brieven bij Menzis.
4.5.
Door Menzis is niet gesteld of gebleken dat zij de schriftelijke aanmaning van 2 november 2020 per aangetekende post heeft verzonden. Daarom kan niet worden vastgesteld dat deze daadwerkelijk door [de gedaagde] is ontvangen. Daarnaast is de brief van 2 november 2020 gericht aan een adres in Nederland, hoewel de bewindvoerder specifiek aan Menzis heeft bericht dat [de gedaagde] niet langer in Nederland woonachtig was. Menzis stelt dat zij mocht uitgaan van de juistheid van het adres, omdat het adres genoemd wordt in de beschikking van de rechtbank omtrent het bewind en dit een betrouwbare bron is. Wel erkent Menzis dat er destijds geen inschrijving in het BRP was. De kantonrechter is van oordeel dat Menzis redelijkerwijs had kunnen weten dat [de gedaagde] in Nederland geen adres had, omdat het BRP geen inschrijving toonde en de bewindvoerder dit ook expliciet had gemeld. De gevolgen van de keuze om de brief niet aangetekend te versturen en een adres van [de gedaagde] te gebruiken, terwijl hij niet langer in Nederland verbleef, zijn voor rekening en risico van Menzis. Dit geldt zeker, nu de ontvangst van de schriftelijke aanmaning door [de gedaagde] van belang was voor het stuiten van de verjaring. Nu de ontvangst van de schriftelijke aanmaning van 2 november 2020 niet vaststaat, heeft deze brief de verjaring niet gestuit.
4.6.
Op 23 oktober 2020 en 29 april 2022 heeft Menzis een e-mail verstuurd aan [de gedaagde] met daarbij een aanmaning. Menzis had een e-mail ontvangen van de bewindvoerder van [de gedaagde] waarbij wordt gemeld om de correspondentie vanaf dat moment weer te richten aan [de gedaagde] zelf. Hierbij had de bewindvoerder een e-mailadres opgegeven, omdat [de gedaagde] niet langer een adres in Nederland had. [de gedaagde] voert aan dat dit niet zijn e-mailadres is en dat de bewindvoerder ook een ander e-mailadres gebruikte om met hem te communiceren. Menzis voert aan dat zij erop mocht vertrouwen dat het e-mailadres van [de gedaagde] was en dat de e-mails hem daardoor hebben bereikt. Hoewel het begrijpelijk is dat Menzis uitgaat van de juistheid van het e-mailadres, is dit een vertrouwen dat zij enkel mocht hebben in haar relatie tot de bewindvoerder. Dat de bewindvoerder kennelijk een foutief e-mailadres aan Menzis heeft verstrekt, is niet een omstandigheid die aan [de gedaagde] kan worden toegerekend. Hij was hiervan immers niet op de hoogte en kon dit redelijkerwijs ook niet zijn. Ook wat betreft het versturen van e-mails is het aan Menzis om te stellen en zo nodig te bewijzen dat deze door [de gedaagde] zijn ontvangen. Menzis legt slechts een brief over van een systeem waarin staat dat de e-mail van 29 april 2022 is afgeleverd. Het afleveren van een e-mail staat niet gelijk aan het ontvangen en bereiken daarvan door [de gedaagde] . Menzis onderbouwt onvoldoende dat de e-mails [de gedaagde] daadwerkelijk bereikt hebben. Nu de ontvangst van de e-mails van 23 oktober 2020 en 29 april 2022 niet vaststaat, hebben deze e-mails de verjaring evenmin gestuit.
4.7.
Gelet op het voorgaande heeft Menzis na 27 mei 2019 de verjaring van de vorderingen niet gestuit. Dit betekent dat de vorderingen vijf jaar na deze datum verjaren. De brief van 11 april 2025 heeft [de gedaagde] wel bereikt, maar dit is dus meer dan vijf jaar na 27 mei 2019. Het beroep op verjaring door [de gedaagde] slaagt reden waarom de kantonrechter de vordering tot terugbetaling van de premiebedragen zal afwijzen.
De proceskosten
4.8.
Menzis wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [de gedaagde] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
€
270,00
(2 punten × € 135,00)
- nakosten
€
67,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
337,50
Uitvoerbaarheid bij voorraad
4.9.
De veroordeling in dit vonnis wordt, zoals gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad verklaard (artikel 233 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). Dit betekent dat deze uitspraak geldt, totdat in een eventueel hoger beroep anders is beslist.
5De beslissing
De kantonrechter
5.1.
wijst de vorderingen van Menzis af,
5.2.
veroordeelt Menzis in de proceskosten van € 337,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als Menzis niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet Menzis ook de kosten van betekening betalen,
5.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. Weerkamp – Beens, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 21 januari 2026, in tegenwoordigheid van de griffier.
68348 693