Rechtbank Gelderland
ECLI:NL:RBGEL:2025:5900
2025-06-30
Strafrecht
05-395660-24
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
De militaire kamer veroordeelt verdachte wegens poging tot zware mishandeling en overtreding van de artikelen 5a, 7, eerste lid, onderdeel b en 8, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 tot een gevangenisstraf van 480 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 280 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar en bijzondere voorwaarden, die dadelijk uitvoerbaar worden verklaard. Daarnaast een rij-ontzegging van 18 maanden. Vrijspraak feit 1 en 4 primair. Inrijden op agenten.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (57.354 tekens)
RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05/395660-24
Datum uitspraak : 30 juni 2025
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige militaire kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1995 in [geboorteplaats] ,
wonende aan [adres] in [woonplaats] ,
op dit moment gedetineerd in het Justitieel Complex [plaats] .
Raadsman: mr. J.B. van Faassen, advocaat in Amsterdam.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen.
1De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is, na toewijzing van een vordering tot wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 12 december 2024 op de Kortenbachstraat te Noordwijkerhout, althans in de gemeente Noordwijk, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [aangever 1] (hoofdagent bij Politie eenheid Den Haag) opzettelijk van het leven te beroven, met dat opzet met een door hem, verdachte, bestuurde personenauto met hoge snelheid, althans met aanzienlijke snelheid, op die [aangever 1] is ingereden, althans in de richting van die [aangever 1] is gereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 12 december 2024 op de Kortenbachstraat te Noordwijkerhout, althans in de gemeente Noordwijk, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [aangever 1] (hoofdagent bij de Politie eenheid Den Haag) opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een door hem, verdachte, bestuurde personenauto met hoge snelheid, althans met aanzienlijke snelheid, op die [aangever 1] is ingereden, althans in de richting van die [aangever 1] is gereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 12 december 2024 te Noordwijkerhout, gemeente Noordwijk [aangever 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door opzettelijk dreigend met een door hem, verdachte, bestuurde auto met hoge snelheid, althans met aanzienlijke snelheid, op die [aangever 1] ingereden, althans in de richting van die [aangever 1] gereden;
2.
hij op één of meer tijdstippen op of omstreeks 12 december 2024 (omstreeks 02:32 uur) te Noordwijkerhout, gemeente Noordwijk, althans in Nederland, als bestuurder van een personenauto daarmee rijdende over de weg zich opzettelijk zodanig heeft gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate werden geschonden door
- geen gevolg te geven aan door politieambtenaren gegeven verkeersaanwijzingen (middels stoptransparant) zijn voertuig te stoppen,
- meermalen, althans eenmaal, op meerdere wegen in Noordwijkerhout te rijden met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was,
- meermalen, althans eenmaal, meerdere kruisingen en/of rotondes te passeren/over te steken met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was,
- in strijd met artikel 10 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 niet de rijbaan te gebruiken en/of te berijden, maar met het door hem bestuurde voertuig over het trottoir te rijden en/of (vervolgens) over een grasveld om een boom heen te rijden,
- meermalen, althans eenmaal, in strijd met artikel 62 jo. bord D1 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 tegen de verkeersrichting in (linksom) de rotondes Maandagsewetering/Wildlaan, Wildlaan/Schelftweg en/of Schippersvaartweg/Schelftweg over te rijden,
- terwijl verbalisant [aangever 1] in de rijrichting en/of in de directe nabijheid van zijn voertuig stond, (vanuit stilstand) (hard) op te trekken en/of (veel) gas te geven,
- ( vervolgens) op die [aangever 1] af te rijden, in te rijden en/of in de richting van die [aangever 1] te rijden en/of
- met het door hem, verdachte, bestuurde voertuig, tegen één of meer (andere) voertuigen en/of een betonnen paaltje aan te rijden en/of te botsen,
door welke verkeersgedraging(en) van verdachte levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor (een) ander(en) te duchten was;
3.
hij, als degene door wiens gedraging(en) één of meer verkeersongeval(len) was/waren veroorzaakt, welke gedraging(en) hij al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig had verricht en welk verkeersongeval(len) had(den) plaatsgevonden in de gemeente Noordwijkerhout op/aan de Kortenbachstraat en/of in de gemeente Lisse op/aan een perceel (bollenveld) gelegen aan de Leidsevaart, op één of meer tijdstip(pen) op of omstreeks 12 december 2024 de (voornoemde) plaats(en) van vorenbedoeld(e) ongeval(len) heeft verlaten, terwijl bij dat/die ongeval(len), naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander en/of anderen (te weten de Politie-eenheid Den Haag en/of [aangever 2] en/of [aangever 3] en/of [aangever 4] ) letsel en/of schade was toegebracht;
4.
hij op of omstreeks 12 december 2024 te Noordwijkerhout en/of Lisse, althans in Nederland,
een voertuig, te weten een personenauto heeft bestuurd na gebruik van een in artikel 2, van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, aangewezen stof als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten cocaïne terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van genoemde Wet, het gehalte in zijn bloed van de bij die stof vermelde meetbare stof 350 microgram cocaïne per liter bloed bedroeg, in elk geval een gehalte hoger dan de in artikel 3 van het genoemd Besluit, bij die stof vermelde grenswaarde;
subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden
hij op of omstreeks 12 december 2024 te Noordwijkerhout en/of Lisse, althans in Nederland, als bestuurder van een voertuig, personenauto, dit voertuig heeft bestuurd, terwijl hij verkeerde onder zodanige invloed van een stof, te weten cocaïne, waarvan hij wist of redelijkerwijs moest weten, dat het gebruik daarvan - al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof - de rijvaardigheid kon verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 primair, 2, 3 en 4 subsidiair tenlastegelegde.
De officier van justitie heeft verder gerekwireerd tot vrijspraak van de onderdelen van de tenlastelegging die zien op het paaltje (onder feit 2) en het bollenveld (onder feit 3).
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft ten aanzien van feit 1 vrijspraak van het primair en subsidiair tenlastegelegde bepleit. Er is geen sprake van opzet, ook niet in voorwaardelijke zin, op de dood van [aangever 1] of op het hem toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Hiertoe heeft de verdediging aangevoerd dat verdachte niet op hem is ingereden en ook niet in zijn richting is gereden. Verder is de snelheid niet bepaald, nu is nagelaten daarnaar enig onderzoek te doen. De snelheid waarmee verdachte reed moet gering zijn geweest, want er was later geen of nauwelijks schade aan het dienstvoertuig. Gelet op het feit dat verdachte met niet meer dan geringe snelheid heeft gereden, was er geen sprake van een aanmerkelijke kans op het overlijden, dan wel het ontstaan van zwaar lichamelijk letsel. Ten aanzien van het onder 1 meer subsidiair tenlastegelegde refereert de raadsman zich aan het oordeel van de militaire kamer.
Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman vrijspraak bepleit van die onderdelen van de tenlastelegging die zien op [aangever 1] , gelet op hetgeen bij feit 1 is bepleit, en het paaltje, nu op de camerabeelden te zien is dat verdachte die niet uit de grond heeft gereden, maar dat dit op een eerder moment is gebeurd. Voor het overige refereert de raadsman zich aan het oordeel van de militaire kamer.
Ten aanzien van feit 3 heeft de raadsman vrijspraak bepleit van die onderdelen van de tenlastelegging die zien op het toebrengen van schade aan de Politie-eenheid Den Haag, gelet op hetgeen hij bij feit 1 heeft bepleit, en het bollenveld aan de Leidsevaart van [aangever 4] , omdat dit niet valt onder een verkeersongeval in de zin van artikel 7 van de Wegenverkeerswet 1994. Voor het overige refereert de raadsman zich aan het oordeel van de militaire kamer.
Tot slot heeft de raadsman zich ten aanzien van feit 4 gerefereerd aan het oordeel van de militaire kamer.
De beoordeling door de militaire kamer
De betrouwbaarheid van de afgelegde verklaringen
De verdediging heeft de betrouwbaarheid van de verklaringen en processen-verbaal van verbalisanten [aangever 1] en [verbalisant 1] in twijfel getrokken.
De militaire kamer deelt die twijfel niet. Hun processen-verbaal zijn relatief kort na het incident waarin verdachte volgens hen op [aangever 1] is ingereden op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt. In beginsel moet daar dus op worden vertrouwd. [aangever 1] heeft gedetailleerd en op hoofdlijnen consistent verklaard. Beiden hebben vanuit hun eigen beleving en positie verklaard en hun verklaringen komen op essentiële onderdelen overeen. Bovendien maken zij ook duidelijk wat ze niet weten. Zo verklaart verbalisant [verbalisant 1] dat hij een harde klap hoorde toen verdachte de parkeerplaats verliet en later zag dat er een betonnen paaltje uit de grond was gereden, zonder daaraan automatisch de conclusie te verbinden dat het dus verdachte moet zijn geweest die dit heeft gedaan. Tot slot worden hun verklaringen ondersteund door objectieve bewijsmiddelen, zoals bijvoorbeeld de geconstateerde schade aan de auto’s, ook wanneer die schade minder is dan zou worden verwacht.
Gelet hierop is de militaire kamer van oordeel dat de verklaringen en processen-verbaal betrouwbaar zijn en voor het bewijs kunnen worden gebruikt.
Feit 1
De bewijsmiddelen
Verbalisant [aangever 1] , hoofdagent bij de Politie Eenheid Den Haag, heeft verklaard dat hij op 12 december 2024 met zijn collega [verbalisant 1] betrokken raakte bij de achtervolging van een zwarte Peugeot 207 met kenteken [kenteken] . Bij het raadplegen van het kenteken, zagen zij dat de tenaamgestelde van het voertuig “ [verdachte] ” betrof. Betreffende verbalisanten herkenden deze naam direct, naar aanleiding van een melding die eerder op de avond was gedaan door een andere eenheid van de politie. Hierop volgde een wilde achtervolging, zoals hierna wordt beschreven. Op enig moment reed de Peugeot het (doodlopende) steegje van de Kortenbachstraat te Noordwijkerhout in. [verbalisant 1] zette hun voertuig stil, zodat de Peugeot er niet meer uit kon. Hun auto stond in het midden, om te voorkomen dat de Peugeot weg kon rijden. De bestuurder van de Peugeot zette de Peugeot in het meest linkervak van achteren. [verbalisant 1] en [aangever 1] zijn uitgestapt en lieten de portieren van hun voertuig open om te voorkomen dat de bestuurder van de Peugeot er makkelijk langs kon rennen. [aangever 1] positioneerde zich net voor zijn portier, rechts van hun voertuig. Aan zijn rechterkant stonden een aanhanger en een personenauto van het merk Kia. [aangever 1] stond recht voor de Peugeot. De Peugeot reed weer een stukje achteruit en stak een paar keer om de neus van zijn voertuig hun kant op te krijgen. Uiteindelijk stond de Peugeot met zijn neus naar [aangever 1] op een afstand van (zo gokt [aangever 1] ) maximaal ongeveer drie tot vier meter. [aangever 1] keek de bestuurder recht in zijn ogen aan en herkende hem als verdachte aan zijn rijbewijsfoto. [aangever 1] hoorde een hard geluid van de motor van het voertuig van verdachte. De motor maakte hoge toeren. Het motorgeluid werd harder. Amper een fractie later hoorde [aangever 1] het geluid van piepende banden erbij komen. Hij zag dat dat de Peugeot vooruit schoot en zijn richting op kwam. De auto begon hard te accelereren. De afstand tussen [aangever 1] en de auto verkleinde heel snel. [aangever 1] schrok hierdoor enorm en moest een hele snelle en grote sprong zijwaarts maken om niet te worden geraakt. Als hij dit niet had gedaan, was hij zeker geraakt. Hij belandde tussen de Kia en de aanhangwagen. Hij hoorde een harde knal en zag de Kia flink bewegen en schudden. Direct hierna hoorde [aangever 1] nog een knal en het geluid van twee voertuigen die langs elkaar schuurden. Toen hij opkeek, was het portier van zijn kant van het voertuig dichtgeslagen. Toen de Peugeot langs hem reed, was de afstand tussen hem en de Peugeot minder dan een meter. Als [aangever 1] zijn arm een beetje had uitgestoken, had hij het voertuig geraakt.
Verbalisant [verbalisant 1] , de collega van [aangever 1] , heeft verklaard dat na een achtervolging de Peugeot op de Kortenbachstraat reed en toen rechtsaf een doodlopende parkeerplaats op reed met aan beide kanten parkeervakken. Op bijna alle parkeervakken stonden auto’s. De ruimte tussen de parkeervakken aan beide zijden bedroeg hoogstens 7 meter. De Peugeot kwam tot stilstand bij het hek aan het einde van de parkeerplaats. Er was geen ruimte langs hun dienstvoertuig waardoor de Peugeot zonder schade zou kunnen ontkomen. [verbalisant 1] heeft het dienstvoertuig op ongeveer 3 meter achter het voertuig stil gezet. [aangever 1] en hij stapten uit en gingen naast hun openstaande portier staan. [verbalisant 1] riep luidkeels en op niet mis te verstande wijze dat de bestuurder zijn voertuig stil moest zetten en uit moest stappen. Hij besloot om zijn stroomstootwapen te laten knetteren. De Peugeot reed met de voorkant in een loos stukje ruimte en reed vrijwel direct terug, recht achteruit. De Peugeot reed met piepende banden enkele meters naar achter. Daarna reed de Peugeot met piepende banden vooruit, waarbij hij hard versnelde in de richting van [aangever 1] . [aangever 1] , die voor zijn portier stond, pakte zijn dienstwapen en richtte dit op de bestuurder. Daarna sprong [aangever 1] naar rechts, tussen een geparkeerd voertuig en een aanhanger. [verbalisant 1] zag dat de Peugeot [aangever 1] op een haar na miste, waarna hij hard tegen de rechtervoorzijde van hun dienstvoertuig reed. Hierna reed de Peugeot hard tegen het openstaande bijrijdersportier, dat met een harde klap dichtsloeg. De Peugeot raakte ook de geparkeerde voertuigen naast hun dienstvoertuig.
Verdachte heeft verklaard dat hij het gaspedaal vol intrapte op de parkeerplaats.
De beoordeling door de militaire kamer
De militaire kamer constateert dat er geen onderzoek is verricht naar eventuele sporen op de parkeerplaats. Daardoor kan niet objectief en met zekerheid worden vastgesteld met welke snelheid verdachte op [aangever 1] afreed. De militaire kamer beschikt daarmee over onvoldoende informatie om te kunnen bepalen of er een aanmerkelijke kans op diens dood bestond. Daarom zal de militaire kamer verdachte vrijspreken van het primair tenlastegelegde.
Verdachte heeft verklaard dat hij stapvoets reed en dat er meer dan genoeg ruimte was om langs de verbalisanten heen te rijden. Deze verklaring acht de militaire kamer evenwel niet aannemelijk, gelet op de verklaringen van de verbalisanten, onder meer inhoudende dat verdachte bij het wegrijden het rechterportier van het dienstvoertuig raakte, waardoor deze dichtsloeg, en dat verdachte bij het wegrijden geparkeerde voertuigen naast het dienstvoertuig raakte.
Gelet op de hiervoor genoemde bewijsmiddelen stelt de militaire kamer wel vast dat verdachte vanaf een korte afstand, waarbij verdachte onvoldoende ruimte had om langs het dienstvoertuig weg te rijden, met hoge toeren en piepende banden, in de richting van verbalisant [aangever 1] is gereden.
De militaire kamer is van oordeel dat er in deze omstandigheden een aanmerkelijke kans bestond dat verbalisant [aangever 1] zwaar lichamelijk letsel op had kunnen lopen als hij niet opzij was gesprongen tussen een geparkeerd voertuig en een aanhanger en verdachte hem daadwerkelijk had geraakt met zijn auto.
Voornoemde gedraging van verdachte is naar zijn uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, dat het niet anders kan dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op dit gevolg bewust heeft aanvaard.
Daarmee acht de militaire kamer het subsidiair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.
Feit 2
De bewijsmiddelen
Er is (met uitzondering van de tenlastegelegde gedragingen die zien op verbalisant [aangever 1] en de gedraging die ziet op het rijden tegen een paaltje) sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal van bevindingen, p. 20-22;
- het proces-verbaal van bevindingen, p. 25-27;
- het proces-verbaal van bevindingen, p. 95-96;
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 16 juni 2025.
De beoordeling door de militaire kamer
Op basis van de hiervoor opgegeven bewijsmiddelen stelt de militaire kamer vast dat verdachte geen gevolg heeft gegeven aan het stopteken dat de politie hem gaf. Hij heeft op meerdere wegen gereden met een aanzienlijk hogere snelheid dan veilig was. Hij heeft meerdere kruisingen en rotondes gepasseerd en/of overgestoken, eveneens met een aanzienlijk hogere snelheid dan veilig was. Hij heeft over het trottoir gereden om vervolgens over een grasveld om een boom heen te rijden. Hij heeft meerdere rotondes tegen de verkeersrichting in, dus linksom, genomen.
Ten aanzien van het uit stilstand hard optrekken en veel gas geven, terwijl [aangever 1] in de rijrichting en/of in de directe nabijheid van zijn voertuig stond, en het afrijden op, inrijden op en/of in de richting rijden van die [aangever 1] verwijst de militaire kamer naar haar oordeel en conclusies ter zake van feit 1.
Hiermee heeft verdachte de verkeersregels in ernstige mate geschonden. Uit zijn verklaring ter terechtzitting blijkt dat hij dit opzettelijk heeft gedaan, omdat hij de politie wilde ontvluchten. De militaire kamer is van oordeel dat door de gedragingen van verdachte levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, dan wel anderen, te duchten was.
De militaire kamer acht dit feit dan ook wettig en overtuigend bewezen.
Uit de camerabeelden blijkt dat het paaltje op de parkeerplaats al scheef stond voordat verdachte de parkeerplaats opreed. Van dit onderdeel van de tenlastelegging zal de militaire kamer hem dan ook vrijspreken.
Feit 3
De bewijsmiddelen
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal van bevindingen, p. 20;
- het proces-verbaal van bevindingen, p. 27;
- het proces-verbaal van bevindingen, p. 34;
- het proces-verbaal van aangifte door [aangever 3] , p. 125-127;
- het proces-verbaal van aangifte door [aangever 5] namens de politie, p. 72-73;
- het proces-verbaal van aangifte door [aangever 2] , p. 128-129;
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 16 juni 2025.
De beoordeling door de militaire kamer
Op basis van de opgegeven bewijsmiddelen stelt de militaire kamer vast dat verdachte met zijn auto langs/tegen de voertuigen van de Politie Eenheid Den Haag, [aangever 2] en [aangever 3] is gereden, waardoor schade is ontstaan aan die voertuigen. Verdachte heeft verklaard dat hij wist dat hij schade had gereden, maar is weggegaan zonder zichzelf kenbaar te maken. Daarmee acht de militaire kamer dit feit wettig en overtuigend bewezen.
Evenals de officier van justitie en de raadsman is de militaire kamer van oordeel dat de door verdachte veroorzaakte schade aan het bollenveld geen verkeersongeval in de zin van artikel 7 WVW 1994 is. Hiervan zal de militaire kamer hem vrijspreken.
Feit 4
De bewijsmiddelen
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal van bevindingen, p. 43-44;
- het proces-verbaal van aanhouding verdachte, p. 139-141;
- het proces-verbaal van bevindingen, p. 60;
- de verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 16 juni 2025.
De beoordeling door de militaire kamer
De militaire kamer constateert dat uit het procesdossier niet blijkt dat verdachte schriftelijk in kennis is gesteld van het resultaat van het bloedonderzoek en van het recht op tegenonderzoek. Er is dus niet voldaan aan de eis die is neergelegd in artikel 17 van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer. Dat betekent dat geen sprake is van een onderzoek als bedoeld in artikel 8, vijfde lid, van de WVW 1994. Daarom zal de militaire kamer hem vrijspreken van het primair tenlastegelegde.
Op basis van de hiervoor opgegeven bewijsmiddelen stelt de militaire kamer wel vast dat verdachte een personenauto heeft bestuurd, terwijl hij onder zodanige invloed was van cocaïne dat hij niet tot behoorlijk besturen van die auto in staat moest worden geacht, en hij wist of redelijkerwijs moest weten dat het gebruik van cocaïne zijn rijvaardigheid kon verminderen.
Conclusie
De militaire kamer spreekt verdachte vrij van het hem onder 1 en 4 primair tenlastegelegde en acht feiten 1 subsidiair, 2, 3 en 4 subsidiair wettig en overtuigend bewezen.
3De bewezenverklaring
Naar het oordeel van de militaire kamer is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 subsidiair, 2, 3 en 4 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
1. subsidiair
hij op of omstreeks 12 december 2024 op de Kortenbachstraat te Noordwijkerhout, althans in de gemeente Noordwijk, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [aangever 1] (hoofdagent bij de Politie Eenheid Den Haag) opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een door hem, verdachte, bestuurde personenauto met hoge snelheid, althans met aanzienlijke snelheid, op die [aangever 1] is ingereden, althans in de richting van die [aangever 1] is gereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2.
hij op één of meer tijdstippen op of omstreeks 12 december 2024 (omstreeks 02:32 uur) te Noordwijkerhout, gemeente Noordwijk, althans in Nederland, als bestuurder van een personenauto daarmee rijdende over de weg zich opzettelijk zodanig heeft gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate werden geschonden door
- geen gevolg te geven aan door politieambtenaren gegeven verkeersaanwijzingen (middels stoptransparant) zijn voertuig te stoppen,
- meermalen, althans eenmaal, op meerdere wegen in Noordwijkerhout te rijden met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was,
- meermalen, althans eenmaal, meerdere kruisingen en/of rotondes te passeren/over te steken met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was,
- in strijd met artikel 10 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 niet de rijbaan te gebruiken en/of te berijden, maar met het door hem bestuurde voertuig over het trottoir te rijden en/of (vervolgens) over een grasveld om een boom heen te rijden,
- meermalen, althans eenmaal, in strijd met artikel 62 jo. bord D1 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 tegen de verkeersrichting in (linksom) de rotondes Maandagsewetering/Wildlaan, Wildlaan/Schelftweg en/of Schippersvaartweg/Schelftweg over te rijden,
- terwijl verbalisant [aangever 1] in de rijrichting en/of in de directe nabijheid van zijn voertuig stond, (vanuit stilstand) (hard) op te trekken en/of (veel) gas te geven,
- (vervolgens) op die [aangever 1] af te rijden, in te rijden en/of in de richting van die [aangever 1] te rijden en/of
- met het door hem, verdachte, bestuurde voertuig, tegen één of meer (andere) voertuigen en/of een betonnen paaltje aan te rijden en/of te botsen,
door welke verkeersgedraging(en) van verdachte levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor (een) ander(en) te duchten was;
3.
hij, als degene door wiens gedraging(en) meer verkeersongeval(len) was/waren veroorzaakt, welke gedraging(en) hij al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig had verricht en welk verkeersongeval(len) had(den) plaatsgevonden in de gemeente Noordwijkerhout op/aan de Kortenbachstraat en/of in de gemeente Lisse op/aan een perceel (bollenveld) gelegen aan de Leidsevaart, op één of meer tijdstip(pen) op of omstreeks 12 december 2024 de (voornoemde) plaats(en) van vorenbedoeld(e) ongeval(len) heeft verlaten, terwijl bij dat/die ongeval(len), naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander en/of anderen (te weten de Politie-eenheid Den Haag en/of [aangever 2] en/of [aangever 3] en/of [aangever 4]) letsel en/of schade was toegebracht;
4. subsidiair
hij op of omstreeks 12 december 2024 te Noordwijkerhout en/of Lisse, althans in Nederland, als bestuurder van een voertuig, personenauto, dit voertuig heeft bestuurd, terwijl hij verkeerde onder zodanige invloed van een stof, te weten cocaïne, waarvan hij wist of redelijkerwijs moest weten dat het gebruik daarvan - al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof - de rijvaardigheid kon verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4De kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
de meerdaadse samenloop van
feit 1 subsidiair:
poging tot zware mishandeling;
feit 2:
overtreding van artikel 5a van de Wegenverkeerswet 1994;
feit 3:
overtreding van artikel 7, eerste lid, onderdeel b van de Wegenverkeerswet 1994;
feit 4 subsidiair:
overtreding van artikel 8, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.
5De strafbaarheid van de feiten
De feiten zijn strafbaar.
6De strafbaarheid van de verdachte
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de tenlastegelegde feiten enigszins verminderd aan verdachte kunnen worden toegerekend.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft aangevoerd dat in het NIFP-rapport wordt geadviseerd om de tenlastegelegde feiten enigszins verminderd aan verdachte toe te rekenen.
De beoordeling door de militaire kamer
GZ-psycholoog J. Jongerius heeft op 5 mei 2025 een Pro Justitia-rapport over verdachte opgemaakt. Volgens haar is bij verdachte sprake van zwakbegaafdheid en een ernstige stoornis in het gebruik van cocaïne, waaraan enkele kwetsbaarheden in zijn persoonlijkheid ten grondslag liggen, te weten gevoeligheid voor afwijzing van anderen, angst- en stemmingsklachten en impulsiviteit. De stoornissen waren aanwezig ten tijde van het tenlastegelegde en beïnvloedden zijn handelen ten dele.
Verdachte is de gehele duur van het tenlastegelegde onder invloed van geweest van cocaïne. Zijn keuzevrijheid lijkt echter wel in enige mate beperkt geraakt door heftige negatieve emoties als gevolg van tegenslagen voorafgaand aan het tenlastegelegde, die hij probeerde te dempen met cocaïne. Daarbij kwam na het cocaïnegebruik ook de angst voor het verlies van zijn baan bij Defensie, waardoor hij niet meer na kon denken over goede oplossingen en continu wegvluchtte. Met zijn hoofd vol van deze – voor hem moeilijk hanteerbare – emoties en daarbij het ontremmende en angstaanjagende effect van cocaïne is hij met de auto voor de politie op de vlucht geslagen om aan zijn aanhouding te ontkomen. De GZ-psycholoog adviseert daarom om deze feiten in enigszins verminderde mate aan verdachte toe te rekenen.
Conclusie
De militaire kamer neemt het advies van de deskundige over en maakt deze tot de hare. De verdachte is strafbaar, maar de militaire kamer rekent het bewezenverklaarde (enigszins) verminderd aan hem toe. Dit werkt in strafmatigende zin mee bij de strafoplegging.
7De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot:
een gevangenisstraf van 480 dagen, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), waarvan 280 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar en de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden, die dadelijk uitvoerbaar moeten worden verklaard;
een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 18 maanden.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft oplegging van een gevangenisstraf van maximaal 30 dagen bepleit, nu volgens hem slechts feiten 2 tot en met 4 bewezen kunnen worden verklaard.
Indien de militaire kamer alle tenlastegelegde feiten bewezen acht, is de eis van de officier van justitie redelijk, met uitzondering van de door de reclassering geadviseerde opname in een zorginstelling. De verdediging verzoekt de militaire kamer hiervan af te zien, omdat in de ogen van de verdediging een ambulante behandelverplichting voldoende effectief is.
De beoordeling door de militaire kamer
De militaire kamer heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De militaire kamer heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
De ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan meerdere strafbare feiten. Hij heeft meerdere keren cocaïne gebruikt terwijl hij in zijn auto zat en deze vervolgens bestuurd, op tenminste twee momenten op 12 december 2024. Vervolgens is hij tot twee keer weggevlucht voor de politie, omdat hij bang was dat hij zou worden aangehouden. De politie heeft vervolgens de achtervolging ingezet. Hij heeft in een dollemansrit meerdere ernstige verkeersovertredingen gemaakt, waaronder het negeren van de stoptekens van de politie, veel te hard rijden en daardoor met veel te hoge snelheden kruisingen en rotondes op rijden, over de stoep en een stuk gras rijden en rotondes tegen de richting in nemen. Er mag van geluk worden gesproken dat (onder andere) de kruisingen en rotondes toevallig leeg waren, anders had het veel erger af kunnen lopen. Het rijgedrag van verdachte was bijzonder gevaarlijk.
Toen verdachte zichzelf eenmaal klem had gereden, weigerde hij nog steeds om zichzelf over te geven. In plaats daarvan heeft hij zijn gaspedaal vol ingetrapt en is hij met piepende banden en hoge toeren recht in de richting van één van de agenten gereden. De agent kon gelukkig op het nippertje wegspringen. Het is enkel aan diens reactievermogen te danken dat hij een aanrijding heeft kunnen voorkomen. Daarna is verdachte uiteindelijk ontkomen. Uit de schriftelijke slachtofferverklaring en de toelichting op zijn vordering benadeelde partij blijkt hoeveel impact het handelen van verdachte op deze agent heeft gehad en nog steeds heeft. Verdachte heeft hier geen enkele verantwoordelijkheid voor genomen, maar is blijven vasthouden aan zijn verklaring dat het heel anders is gegaan.
Maar zelfs het in de richting rijden van een agent deed verdachte niet stoppen. Hij heeft zowel het dienstvoertuig van de agenten als meerdere andere auto’s geraakt, waaraan hij schade heeft veroorzaakt. Verdachte heeft zijn identiteit niet kenbaar gemaakt, maar is doorgereden. Vele politiemensen hebben in de uren daarna geprobeerd om verdachte op te sporen en aan te houden, maar verdachte hield zich verborgen of probeerde de politie af te schudden. Meer dan een halve dag later lukte het eindelijk om verdachte aan te houden, vooral omdat hij – eerst nadat hij nog dwars door een weiland met bloembollen is gereden en bijna in de Haarlemmer Trekvaart belandde met zijn auto – wederom in een poging de politie te ontvluchten. Dat hij niet te water is geraakt, is enkel te danken aan een meerpaal waartegen zijn auto schuin terecht is gekomen.
De persoon en persoonlijke omstandigheden van verdachte
Uit het strafblad van verdachte van 15 mei 2025 blijkt dat hij voorafgaand aan onderhavige feiten meermaals is veroordeeld wegens het overtreden van de Wegenverkeerswet 1994.
Verdachte is naar aanleiding van deze zaak per 1 april 2025 ontslagen bij Defensie wegens wangedrag.
Uit het Pro Justitia-rapport dat GZ-psycholoog J. Jongerius op 5 mei 2025 over verdachte heeft opgemaakt, blijkt dat het risico op recidive van geweld wordt ingeschat als matig. Verdachte heeft geen geschiedenis van antisociaal gedrag of antisociale gedachten, maar het risico wordt verhoogd door de ernst van zijn cocaïneverslaving, de tot op heden beperkte behandelresultaten, de onderliggende kwetsbaarheden in zijn persoonlijkheid en de kans op overvraging vanwege zijn disharmonische intelligentieprofiel. Doordat verdachte de ernst van zijn verslaving onderschat, negatieve emoties niet goed kan hanteren en onvoldoende copingsstrategieën heeft, vervalt hij terug in cocaïnegebruik bij een toename in stress, onduidelijkheid of verantwoordelijkheden. Er zijn verschillende beschermende factoren die een positief effect op hem hebben, zoals zijn motivatie voor behandeling, positieve levensdoelen en zijn pro-sociale en ondersteunende netwerk.
De GZ-psycholoog adviseert een verplichte klinische opname van vermoedelijk een half jaar in een reguliere verslavingskliniek, gevolgd door ambulante behandeling gericht op het aanpakken van zijn verslaving door middel van het aanleren van effectieve copingsstrategieën, het verwerken van traumatische ervaringen en behandeling van zijn angst- en somberheidsklachten. Het is van belang dat er tijdens de behandeling rekening wordt gehouden met zijn verminderde cognitieve vermogens en het risico op overvraging. Daarnaast is het van belang dat er een omgeving (o.a. werk en vrijetijdsbesteding) wordt gecreëerd die duidelijk, voorspelbaar en gestructureerd is en dat verdachte daarbij ondersteund wordt. Een passende werkplek, waar hij het gevoel heeft van betekenis te zijn, nu hij niet meer bij Defensie terecht kan, lijkt eveneens van belang om terugval te voorkomen. Verder is het van belang dat het netwerk van verdachte niet in een controlerende rol komt. In het verleden versterkte dit zijn gevoelens van eenzaamheid, waardoor verdachte steeds meer stiekem ging doen. Aangezien gevoelens van eenzaamheid luxerend zijn voor het cocaïnegebruik is het van belang dat zijn netwerk vooral een steunende rol heeft. Er wordt dan ook geadviseerd om reclasseringstoezicht op te leggen naast de behandeling.
Inforsa heeft op 12 juni 2025 een reclasseringsadvies over verdachte uitgebracht. Volgens de reclassering liggen het cocaïnegebruik en het sociaal functioneren van verdachte ten grondslag aan het vermeende delictgedrag. Verdachte is meermaals klinisch opgenomen voor zijn cocaïneverslaving, maar viel (telkens) terug in gebruik. De risico’s op recidive en letsel worden ingeschat als gemiddeld. Het risico op onttrekken aan voorwaarden wordt ingeschat als laag-gemiddeld. De reclassering sluit zich aan bij het advies van het NIFP, maar adviseert om een opname in een zorginstelling op te leggen voor de duur van maximaal 12 maanden of zoveel korter als de reclassering nodig acht. Dit is de periode die de reclassering standaard hanteert, zodat er ruimte is voor eventuele uitloop. Omdat de verslavingsproblematiek en zijn psychosociaal functioneren met elkaar samenhangen, adviseert de reclassering opname in een forensische kliniek.
De reclassering adviseert een (deels) voorwaardelijke straf met de volgende bijzondere voorwaarden:
meldplicht bij de reclassering;
opname in een zorginstelling;
ambulante behandeling met mogelijkheid tot kortdurende klinische opname;
meewerken aan middelencontrole en
inspanningsverplichting voor het verkrijgen en behouden van dagbesteding.
De reclassering adviseert de dadelijke uitvoerbaarheid van de voorwaarden en het toezicht, omdat zonder interventies de kans op een misdrijf met schade voor verdachte zelf of andere personen groot is.
Conclusie
De militaire kamer is gelet op de ernst van de feiten en de gevolgen daarvan voor het slachtoffer van oordeel dat enkel een gevangenisstraf van langere duur passend en geboden is. Tegelijkertijd acht de militaire kamer van belang dat verdachte zo snel mogelijk kan starten met het aanpakken van zijn verslavingsproblematiek en zijn psychosociale problematiek, zodat de rechtbank het gelet daarop niet wenselijk vindt dat verdachte nog langer vast blijft zitten.
Hoewel de militaire kamer feit 1 subsidiair bewezen heeft verklaard, terwijl de officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van feit 1 primair, vindt de militaire kamer de eis van de officier van justitie desalniettemin (kijkend naar vergelijkbare zaken) passend bij deze bewezenverklaring.
Daarom zal de militaire kamer hem, conform de eis van de officier van justitie, veroordelen tot
een gevangenisstraf van 480 dagen, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), waarvan 280 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar en de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden, die dadelijk uitvoerbaar worden verklaard;
een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 18 maanden.
De verdediging heeft de militaire kamer verzocht om enkel de ambulante behandelverplichting op te leggen en af te zien van opname in een zorginstelling. De militaire kamer constateert dat verdachte meerdere pogingen heeft gedaan om af te kicken in een kliniek, maar dat hij telkens terug is gevallen in zijn cocaïnegebruik. Daarom adviseren zowel het NIFP als de reclassering opname in een zorginstelling. De militaire kamer sluit zich hierbij aan en acht een ambulante behandelverplichting dan ook onvoldoende voor het aanpakken van de verslaving en psychosociale problematiek van verdachte.
De rechtbank zal het bevel tot voorlopige hechtenis opheffen.
8De beoordeling van de civiele vorderingen
De vordering van de benadeelde partij [aangever 4]
De benadeelde partij [aangever 4] heeft in verband met feit 3 een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 2.500,- aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering, gelet op de door hem bepleite vrijspraak voor dit onderdeel van de tenlastelegging.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering, omdat deze niet is onderbouwd.
De beoordeling door de militaire kamer
Verdachte wordt vrijgesproken van het hem onder feit 3 tenlastegelegde, voor zover dit ziet op het bollenveld van de benadeelde partij. Daarom zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering.
De vordering van de benadeelde partij [aangever 2]
De benadeelde partij [aangever 2] heeft in verband met feit 3 een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 1.000,- aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering, omdat deze niet is onderbouwd.
De beoordeling door de militaire kamer
De schade is niet onderbouwd. Daarom zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering.
De vordering van de benadeelde partij [aangever 1]
De benadeelde partij [aangever 1] heeft in verband met feit 1 een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 20,79 aan materiële schade en € 5.000,- aan smartengeld, telkens vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen tot een bedrag van € 3.020,70, bestaande uit € 20,79 aan materiële schade en € 3.000,- aan smartengeld, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Voor het overige deel aan smartengeld heeft de officier van justitie verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering, gelet op de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de verdediging aangevoerd dat de materiële schade kan worden toegewezen, maar dat het smartengeld moet worden gematigd.
De beoordeling door de militaire kamer
Materiële schade
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden.
De militaire kamer overweegt dat deze schadepost niet inhoudelijk is betwist. Deze schadepost is verder voldoende onderbouwd en komt redelijk voor.
Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Daarom is de militaire kamer van oordeel dat de vordering voor wat betreft de materiële schade kan worden toegewezen.
Smartengeld
Op basis van de genoemde bewijsmiddelen en wat ter zitting over de vordering is besproken, stelt de militaire kamer vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde schade heeft geleden die binnen één van de categorieën van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek valt.
Door feit 1 subsidiair heeft de benadeelde immers geestelijk letsel in de vorm van een posttraumatische stressstoornis opgelopen. Dit is aan verdachte toe te rekenen. De militaire kamer houdt rekening met de aard en de ernst van het feit en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. Naar maatstaven van billijkheid zal zij het smartengeld op een bedrag van € 2.000,- vaststellen, in overeenstemming met bedragen die in vergelijkbare zaken worden toegekend.
De militaire kamer zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
De wettelijke rente
Verdachte is vanaf 12 december 2024 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd.
De schadevergoedingsmaatregel
De militaire kamer ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.
9De beoordeling van het beslag
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de inbeslaggenomen auto verbeurd moet worden verklaard, omdat de feiten 1 tot en met 3 hiermee zijn begaan.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de inbeslaggenomen auto moet worden teruggegeven.
De beoordeling door de militaire kamer
De militaire kamer zal de Peugeot 207 met kenteken [kenteken] , met behulp waarvan feiten 1 subsidiair, 2 en 3 zijn begaan, verbeurd verklaren.
De militaire kamer heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.
10De toegepaste wettelijke bepalingen
De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen:
- 14 a, 14b, 14c, 33, 33a, 36f, 45, 57 en 302 van het Wetboek van Strafrecht;
- 5 a, 7, 8, 176 en 179a van de Wegenverkeerswet 1994;
11De beslissing
De militaire kamer:
spreekt verdachte vrij van de onder 1 primair en 4 primair ten laste gelegde feiten;
verklaart bewezen dat verdachte de overige ten laste gelegde feiten, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 480 dagen;
bepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf, te weten 280 dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van drie jaren niet heeft gehouden aan de volgende voorwaarden:
stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
stelt als bijzondere voorwaarden dat:
- verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt verdachte zich binnen 3 dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Reclassering Fivoor op het adres Witte Singel 8 in Leiden;
- verdachte zich tijdens de proeftijd voor een jaar of zoveel korter als de reclassering nodig vindt, laat opnemen in en behandelen door de Piet Roordakliniek in Zutphen of een soortgelijke zorginstelling, te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie. De opname start zo spoedig mogelijk nadat de proeftijd is gestart en zodra de plaatsing mogelijk is. De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op verslavings- en onderliggende problematiek van verdachte. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken. Verdachte houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen van de zorginstelling en de behandelaren. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg of verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang nodig vindt, werkt verdachte mee aan de indicatiestelling en plaatsing;
- verdachte zich, na beëindiging van de opname in een zorginstelling, gedurende de proeftijd laat behandelen door een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op de verslavings- en onderliggende problematiek van verdachte. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken.
- Indien er sprake is van een terugval in middelengebruik en/of een zodanige verslechtering van de psychische toestand van verdachte dat een kortdurende klinische opname voor detoxificatie/stabilisatie/observatie/diagnostiek/crisisbehandeling noodzakelijk is, kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een dergelijke kortdurende klinische opname voor de duur van maximaal 7 weken. Indien de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, nadat dit door de rechter is bevolen, laat verdachte zich opnemen in een zorginstelling te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing;
- verdachte gedurende de proeftijd meewerkt aan controles op het gebruik van drugs om het middelengebruik te beheersen. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek en ademonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;
- verdachte zich binnen de proeftijd inspant voor het vinden en behouden van (on)betaald werk met een vaste structuur;
geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.
Hierbij gelden als voorwaarden dat verdachte:
meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;
meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
beveelt dat de gestelde voorwaarden en het uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn;
beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
ontzegt verdachte ten aanzien van het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 18 maanden;
verklaart de benadeelde partij [aangever 4] niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schade;
verklaart de benadeelde partij [aangever 2] niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schade;
veroordeelt verdachte in verband met feit 1 subsidiair tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [aangever 1] van € 20,79 aan materiële schade en € 2.000,- aan smartengeld, telkens vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 december 2024 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;
veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;
verklaart de benadeelde partij [aangever 1] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot smartengeld;
legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [aangever 1] , een bedrag te betalen van € 20,79 aan materiële schade en € 2.000,-smartengeld. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 december 2024 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 30 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;
bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd;
verklaart verbeurd de Peugeot 207 met kenteken [kenteken] ;
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door mr. Y.H.M. Marijs (voorzitter) en mr. S. Jansen, rechters, en Kapitein-ter-Zee (LD) mr. J.L. Wesstra, in tegenwoordigheid van mr. M.M. Aalbers, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 30 juni 2025.
Mr. Jansen, mr. Wesstra en mr. Aalbers zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door wachtmeester der 1e klasse [verbalisant 2] van de Koninklijke Marechaussee, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer 27CAD240014 (onderzoek 27EDINBURGH), gesloten op 21 februari 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
Proces-verbaal van bevindingen, p. 20-22; proces-verbaal van aangifte door [aangever 1] , p. 31 en proces-verbaal van verhoor getuige [aangever 1] , p. 185-186 en 188.
Proces-verbaal van bevindingen, p. 26-27.
Verklaring van verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 16 juni 2025.
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05/395660-24
Datum uitspraak : 30 juni 2025
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige militaire kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1995 in [geboorteplaats] ,
wonende aan [adres] in [woonplaats] ,
op dit moment gedetineerd in het Justitieel Complex [plaats] .
Raadsman: mr. J.B. van Faassen, advocaat in Amsterdam.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen.
1De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is, na toewijzing van een vordering tot wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 12 december 2024 op de Kortenbachstraat te Noordwijkerhout, althans in de gemeente Noordwijk, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [aangever 1] (hoofdagent bij Politie eenheid Den Haag) opzettelijk van het leven te beroven, met dat opzet met een door hem, verdachte, bestuurde personenauto met hoge snelheid, althans met aanzienlijke snelheid, op die [aangever 1] is ingereden, althans in de richting van die [aangever 1] is gereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 12 december 2024 op de Kortenbachstraat te Noordwijkerhout, althans in de gemeente Noordwijk, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [aangever 1] (hoofdagent bij de Politie eenheid Den Haag) opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een door hem, verdachte, bestuurde personenauto met hoge snelheid, althans met aanzienlijke snelheid, op die [aangever 1] is ingereden, althans in de richting van die [aangever 1] is gereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 12 december 2024 te Noordwijkerhout, gemeente Noordwijk [aangever 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door opzettelijk dreigend met een door hem, verdachte, bestuurde auto met hoge snelheid, althans met aanzienlijke snelheid, op die [aangever 1] ingereden, althans in de richting van die [aangever 1] gereden;
2.
hij op één of meer tijdstippen op of omstreeks 12 december 2024 (omstreeks 02:32 uur) te Noordwijkerhout, gemeente Noordwijk, althans in Nederland, als bestuurder van een personenauto daarmee rijdende over de weg zich opzettelijk zodanig heeft gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate werden geschonden door
- geen gevolg te geven aan door politieambtenaren gegeven verkeersaanwijzingen (middels stoptransparant) zijn voertuig te stoppen,
- meermalen, althans eenmaal, op meerdere wegen in Noordwijkerhout te rijden met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was,
- meermalen, althans eenmaal, meerdere kruisingen en/of rotondes te passeren/over te steken met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was,
- in strijd met artikel 10 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 niet de rijbaan te gebruiken en/of te berijden, maar met het door hem bestuurde voertuig over het trottoir te rijden en/of (vervolgens) over een grasveld om een boom heen te rijden,
- meermalen, althans eenmaal, in strijd met artikel 62 jo. bord D1 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 tegen de verkeersrichting in (linksom) de rotondes Maandagsewetering/Wildlaan, Wildlaan/Schelftweg en/of Schippersvaartweg/Schelftweg over te rijden,
- terwijl verbalisant [aangever 1] in de rijrichting en/of in de directe nabijheid van zijn voertuig stond, (vanuit stilstand) (hard) op te trekken en/of (veel) gas te geven,
- ( vervolgens) op die [aangever 1] af te rijden, in te rijden en/of in de richting van die [aangever 1] te rijden en/of
- met het door hem, verdachte, bestuurde voertuig, tegen één of meer (andere) voertuigen en/of een betonnen paaltje aan te rijden en/of te botsen,
door welke verkeersgedraging(en) van verdachte levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor (een) ander(en) te duchten was;
3.
hij, als degene door wiens gedraging(en) één of meer verkeersongeval(len) was/waren veroorzaakt, welke gedraging(en) hij al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig had verricht en welk verkeersongeval(len) had(den) plaatsgevonden in de gemeente Noordwijkerhout op/aan de Kortenbachstraat en/of in de gemeente Lisse op/aan een perceel (bollenveld) gelegen aan de Leidsevaart, op één of meer tijdstip(pen) op of omstreeks 12 december 2024 de (voornoemde) plaats(en) van vorenbedoeld(e) ongeval(len) heeft verlaten, terwijl bij dat/die ongeval(len), naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander en/of anderen (te weten de Politie-eenheid Den Haag en/of [aangever 2] en/of [aangever 3] en/of [aangever 4] ) letsel en/of schade was toegebracht;
4.
hij op of omstreeks 12 december 2024 te Noordwijkerhout en/of Lisse, althans in Nederland,
een voertuig, te weten een personenauto heeft bestuurd na gebruik van een in artikel 2, van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, aangewezen stof als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten cocaïne terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van genoemde Wet, het gehalte in zijn bloed van de bij die stof vermelde meetbare stof 350 microgram cocaïne per liter bloed bedroeg, in elk geval een gehalte hoger dan de in artikel 3 van het genoemd Besluit, bij die stof vermelde grenswaarde;
subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden
hij op of omstreeks 12 december 2024 te Noordwijkerhout en/of Lisse, althans in Nederland, als bestuurder van een voertuig, personenauto, dit voertuig heeft bestuurd, terwijl hij verkeerde onder zodanige invloed van een stof, te weten cocaïne, waarvan hij wist of redelijkerwijs moest weten, dat het gebruik daarvan - al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof - de rijvaardigheid kon verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 primair, 2, 3 en 4 subsidiair tenlastegelegde.
De officier van justitie heeft verder gerekwireerd tot vrijspraak van de onderdelen van de tenlastelegging die zien op het paaltje (onder feit 2) en het bollenveld (onder feit 3).
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft ten aanzien van feit 1 vrijspraak van het primair en subsidiair tenlastegelegde bepleit. Er is geen sprake van opzet, ook niet in voorwaardelijke zin, op de dood van [aangever 1] of op het hem toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Hiertoe heeft de verdediging aangevoerd dat verdachte niet op hem is ingereden en ook niet in zijn richting is gereden. Verder is de snelheid niet bepaald, nu is nagelaten daarnaar enig onderzoek te doen. De snelheid waarmee verdachte reed moet gering zijn geweest, want er was later geen of nauwelijks schade aan het dienstvoertuig. Gelet op het feit dat verdachte met niet meer dan geringe snelheid heeft gereden, was er geen sprake van een aanmerkelijke kans op het overlijden, dan wel het ontstaan van zwaar lichamelijk letsel. Ten aanzien van het onder 1 meer subsidiair tenlastegelegde refereert de raadsman zich aan het oordeel van de militaire kamer.
Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman vrijspraak bepleit van die onderdelen van de tenlastelegging die zien op [aangever 1] , gelet op hetgeen bij feit 1 is bepleit, en het paaltje, nu op de camerabeelden te zien is dat verdachte die niet uit de grond heeft gereden, maar dat dit op een eerder moment is gebeurd. Voor het overige refereert de raadsman zich aan het oordeel van de militaire kamer.
Ten aanzien van feit 3 heeft de raadsman vrijspraak bepleit van die onderdelen van de tenlastelegging die zien op het toebrengen van schade aan de Politie-eenheid Den Haag, gelet op hetgeen hij bij feit 1 heeft bepleit, en het bollenveld aan de Leidsevaart van [aangever 4] , omdat dit niet valt onder een verkeersongeval in de zin van artikel 7 van de Wegenverkeerswet 1994. Voor het overige refereert de raadsman zich aan het oordeel van de militaire kamer.
Tot slot heeft de raadsman zich ten aanzien van feit 4 gerefereerd aan het oordeel van de militaire kamer.
De beoordeling door de militaire kamer
De betrouwbaarheid van de afgelegde verklaringen
De verdediging heeft de betrouwbaarheid van de verklaringen en processen-verbaal van verbalisanten [aangever 1] en [verbalisant 1] in twijfel getrokken.
De militaire kamer deelt die twijfel niet. Hun processen-verbaal zijn relatief kort na het incident waarin verdachte volgens hen op [aangever 1] is ingereden op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt. In beginsel moet daar dus op worden vertrouwd. [aangever 1] heeft gedetailleerd en op hoofdlijnen consistent verklaard. Beiden hebben vanuit hun eigen beleving en positie verklaard en hun verklaringen komen op essentiële onderdelen overeen. Bovendien maken zij ook duidelijk wat ze niet weten. Zo verklaart verbalisant [verbalisant 1] dat hij een harde klap hoorde toen verdachte de parkeerplaats verliet en later zag dat er een betonnen paaltje uit de grond was gereden, zonder daaraan automatisch de conclusie te verbinden dat het dus verdachte moet zijn geweest die dit heeft gedaan. Tot slot worden hun verklaringen ondersteund door objectieve bewijsmiddelen, zoals bijvoorbeeld de geconstateerde schade aan de auto’s, ook wanneer die schade minder is dan zou worden verwacht.
Gelet hierop is de militaire kamer van oordeel dat de verklaringen en processen-verbaal betrouwbaar zijn en voor het bewijs kunnen worden gebruikt.
Feit 1
De bewijsmiddelen
Verbalisant [aangever 1] , hoofdagent bij de Politie Eenheid Den Haag, heeft verklaard dat hij op 12 december 2024 met zijn collega [verbalisant 1] betrokken raakte bij de achtervolging van een zwarte Peugeot 207 met kenteken [kenteken] . Bij het raadplegen van het kenteken, zagen zij dat de tenaamgestelde van het voertuig “ [verdachte] ” betrof. Betreffende verbalisanten herkenden deze naam direct, naar aanleiding van een melding die eerder op de avond was gedaan door een andere eenheid van de politie. Hierop volgde een wilde achtervolging, zoals hierna wordt beschreven. Op enig moment reed de Peugeot het (doodlopende) steegje van de Kortenbachstraat te Noordwijkerhout in. [verbalisant 1] zette hun voertuig stil, zodat de Peugeot er niet meer uit kon. Hun auto stond in het midden, om te voorkomen dat de Peugeot weg kon rijden. De bestuurder van de Peugeot zette de Peugeot in het meest linkervak van achteren. [verbalisant 1] en [aangever 1] zijn uitgestapt en lieten de portieren van hun voertuig open om te voorkomen dat de bestuurder van de Peugeot er makkelijk langs kon rennen. [aangever 1] positioneerde zich net voor zijn portier, rechts van hun voertuig. Aan zijn rechterkant stonden een aanhanger en een personenauto van het merk Kia. [aangever 1] stond recht voor de Peugeot. De Peugeot reed weer een stukje achteruit en stak een paar keer om de neus van zijn voertuig hun kant op te krijgen. Uiteindelijk stond de Peugeot met zijn neus naar [aangever 1] op een afstand van (zo gokt [aangever 1] ) maximaal ongeveer drie tot vier meter. [aangever 1] keek de bestuurder recht in zijn ogen aan en herkende hem als verdachte aan zijn rijbewijsfoto. [aangever 1] hoorde een hard geluid van de motor van het voertuig van verdachte. De motor maakte hoge toeren. Het motorgeluid werd harder. Amper een fractie later hoorde [aangever 1] het geluid van piepende banden erbij komen. Hij zag dat dat de Peugeot vooruit schoot en zijn richting op kwam. De auto begon hard te accelereren. De afstand tussen [aangever 1] en de auto verkleinde heel snel. [aangever 1] schrok hierdoor enorm en moest een hele snelle en grote sprong zijwaarts maken om niet te worden geraakt. Als hij dit niet had gedaan, was hij zeker geraakt. Hij belandde tussen de Kia en de aanhangwagen. Hij hoorde een harde knal en zag de Kia flink bewegen en schudden. Direct hierna hoorde [aangever 1] nog een knal en het geluid van twee voertuigen die langs elkaar schuurden. Toen hij opkeek, was het portier van zijn kant van het voertuig dichtgeslagen. Toen de Peugeot langs hem reed, was de afstand tussen hem en de Peugeot minder dan een meter. Als [aangever 1] zijn arm een beetje had uitgestoken, had hij het voertuig geraakt.
Verbalisant [verbalisant 1] , de collega van [aangever 1] , heeft verklaard dat na een achtervolging de Peugeot op de Kortenbachstraat reed en toen rechtsaf een doodlopende parkeerplaats op reed met aan beide kanten parkeervakken. Op bijna alle parkeervakken stonden auto’s. De ruimte tussen de parkeervakken aan beide zijden bedroeg hoogstens 7 meter. De Peugeot kwam tot stilstand bij het hek aan het einde van de parkeerplaats. Er was geen ruimte langs hun dienstvoertuig waardoor de Peugeot zonder schade zou kunnen ontkomen. [verbalisant 1] heeft het dienstvoertuig op ongeveer 3 meter achter het voertuig stil gezet. [aangever 1] en hij stapten uit en gingen naast hun openstaande portier staan. [verbalisant 1] riep luidkeels en op niet mis te verstande wijze dat de bestuurder zijn voertuig stil moest zetten en uit moest stappen. Hij besloot om zijn stroomstootwapen te laten knetteren. De Peugeot reed met de voorkant in een loos stukje ruimte en reed vrijwel direct terug, recht achteruit. De Peugeot reed met piepende banden enkele meters naar achter. Daarna reed de Peugeot met piepende banden vooruit, waarbij hij hard versnelde in de richting van [aangever 1] . [aangever 1] , die voor zijn portier stond, pakte zijn dienstwapen en richtte dit op de bestuurder. Daarna sprong [aangever 1] naar rechts, tussen een geparkeerd voertuig en een aanhanger. [verbalisant 1] zag dat de Peugeot [aangever 1] op een haar na miste, waarna hij hard tegen de rechtervoorzijde van hun dienstvoertuig reed. Hierna reed de Peugeot hard tegen het openstaande bijrijdersportier, dat met een harde klap dichtsloeg. De Peugeot raakte ook de geparkeerde voertuigen naast hun dienstvoertuig.
Verdachte heeft verklaard dat hij het gaspedaal vol intrapte op de parkeerplaats.
De beoordeling door de militaire kamer
De militaire kamer constateert dat er geen onderzoek is verricht naar eventuele sporen op de parkeerplaats. Daardoor kan niet objectief en met zekerheid worden vastgesteld met welke snelheid verdachte op [aangever 1] afreed. De militaire kamer beschikt daarmee over onvoldoende informatie om te kunnen bepalen of er een aanmerkelijke kans op diens dood bestond. Daarom zal de militaire kamer verdachte vrijspreken van het primair tenlastegelegde.
Verdachte heeft verklaard dat hij stapvoets reed en dat er meer dan genoeg ruimte was om langs de verbalisanten heen te rijden. Deze verklaring acht de militaire kamer evenwel niet aannemelijk, gelet op de verklaringen van de verbalisanten, onder meer inhoudende dat verdachte bij het wegrijden het rechterportier van het dienstvoertuig raakte, waardoor deze dichtsloeg, en dat verdachte bij het wegrijden geparkeerde voertuigen naast het dienstvoertuig raakte.
Gelet op de hiervoor genoemde bewijsmiddelen stelt de militaire kamer wel vast dat verdachte vanaf een korte afstand, waarbij verdachte onvoldoende ruimte had om langs het dienstvoertuig weg te rijden, met hoge toeren en piepende banden, in de richting van verbalisant [aangever 1] is gereden.
De militaire kamer is van oordeel dat er in deze omstandigheden een aanmerkelijke kans bestond dat verbalisant [aangever 1] zwaar lichamelijk letsel op had kunnen lopen als hij niet opzij was gesprongen tussen een geparkeerd voertuig en een aanhanger en verdachte hem daadwerkelijk had geraakt met zijn auto.
Voornoemde gedraging van verdachte is naar zijn uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, dat het niet anders kan dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op dit gevolg bewust heeft aanvaard.
Daarmee acht de militaire kamer het subsidiair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.
Feit 2
De bewijsmiddelen
Er is (met uitzondering van de tenlastegelegde gedragingen die zien op verbalisant [aangever 1] en de gedraging die ziet op het rijden tegen een paaltje) sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal van bevindingen, p. 20-22;
- het proces-verbaal van bevindingen, p. 25-27;
- het proces-verbaal van bevindingen, p. 95-96;
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 16 juni 2025.
De beoordeling door de militaire kamer
Op basis van de hiervoor opgegeven bewijsmiddelen stelt de militaire kamer vast dat verdachte geen gevolg heeft gegeven aan het stopteken dat de politie hem gaf. Hij heeft op meerdere wegen gereden met een aanzienlijk hogere snelheid dan veilig was. Hij heeft meerdere kruisingen en rotondes gepasseerd en/of overgestoken, eveneens met een aanzienlijk hogere snelheid dan veilig was. Hij heeft over het trottoir gereden om vervolgens over een grasveld om een boom heen te rijden. Hij heeft meerdere rotondes tegen de verkeersrichting in, dus linksom, genomen.
Ten aanzien van het uit stilstand hard optrekken en veel gas geven, terwijl [aangever 1] in de rijrichting en/of in de directe nabijheid van zijn voertuig stond, en het afrijden op, inrijden op en/of in de richting rijden van die [aangever 1] verwijst de militaire kamer naar haar oordeel en conclusies ter zake van feit 1.
Hiermee heeft verdachte de verkeersregels in ernstige mate geschonden. Uit zijn verklaring ter terechtzitting blijkt dat hij dit opzettelijk heeft gedaan, omdat hij de politie wilde ontvluchten. De militaire kamer is van oordeel dat door de gedragingen van verdachte levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, dan wel anderen, te duchten was.
De militaire kamer acht dit feit dan ook wettig en overtuigend bewezen.
Uit de camerabeelden blijkt dat het paaltje op de parkeerplaats al scheef stond voordat verdachte de parkeerplaats opreed. Van dit onderdeel van de tenlastelegging zal de militaire kamer hem dan ook vrijspreken.
Feit 3
De bewijsmiddelen
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal van bevindingen, p. 20;
- het proces-verbaal van bevindingen, p. 27;
- het proces-verbaal van bevindingen, p. 34;
- het proces-verbaal van aangifte door [aangever 3] , p. 125-127;
- het proces-verbaal van aangifte door [aangever 5] namens de politie, p. 72-73;
- het proces-verbaal van aangifte door [aangever 2] , p. 128-129;
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 16 juni 2025.
De beoordeling door de militaire kamer
Op basis van de opgegeven bewijsmiddelen stelt de militaire kamer vast dat verdachte met zijn auto langs/tegen de voertuigen van de Politie Eenheid Den Haag, [aangever 2] en [aangever 3] is gereden, waardoor schade is ontstaan aan die voertuigen. Verdachte heeft verklaard dat hij wist dat hij schade had gereden, maar is weggegaan zonder zichzelf kenbaar te maken. Daarmee acht de militaire kamer dit feit wettig en overtuigend bewezen.
Evenals de officier van justitie en de raadsman is de militaire kamer van oordeel dat de door verdachte veroorzaakte schade aan het bollenveld geen verkeersongeval in de zin van artikel 7 WVW 1994 is. Hiervan zal de militaire kamer hem vrijspreken.
Feit 4
De bewijsmiddelen
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal van bevindingen, p. 43-44;
- het proces-verbaal van aanhouding verdachte, p. 139-141;
- het proces-verbaal van bevindingen, p. 60;
- de verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 16 juni 2025.
De beoordeling door de militaire kamer
De militaire kamer constateert dat uit het procesdossier niet blijkt dat verdachte schriftelijk in kennis is gesteld van het resultaat van het bloedonderzoek en van het recht op tegenonderzoek. Er is dus niet voldaan aan de eis die is neergelegd in artikel 17 van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer. Dat betekent dat geen sprake is van een onderzoek als bedoeld in artikel 8, vijfde lid, van de WVW 1994. Daarom zal de militaire kamer hem vrijspreken van het primair tenlastegelegde.
Op basis van de hiervoor opgegeven bewijsmiddelen stelt de militaire kamer wel vast dat verdachte een personenauto heeft bestuurd, terwijl hij onder zodanige invloed was van cocaïne dat hij niet tot behoorlijk besturen van die auto in staat moest worden geacht, en hij wist of redelijkerwijs moest weten dat het gebruik van cocaïne zijn rijvaardigheid kon verminderen.
Conclusie
De militaire kamer spreekt verdachte vrij van het hem onder 1 en 4 primair tenlastegelegde en acht feiten 1 subsidiair, 2, 3 en 4 subsidiair wettig en overtuigend bewezen.
3De bewezenverklaring
Naar het oordeel van de militaire kamer is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 subsidiair, 2, 3 en 4 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
1. subsidiair
hij op of omstreeks 12 december 2024 op de Kortenbachstraat te Noordwijkerhout, althans in de gemeente Noordwijk, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [aangever 1] (hoofdagent bij de Politie Eenheid Den Haag) opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een door hem, verdachte, bestuurde personenauto met hoge snelheid, althans met aanzienlijke snelheid, op die [aangever 1] is ingereden, althans in de richting van die [aangever 1] is gereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2.
hij op één of meer tijdstippen op of omstreeks 12 december 2024 (omstreeks 02:32 uur) te Noordwijkerhout, gemeente Noordwijk, althans in Nederland, als bestuurder van een personenauto daarmee rijdende over de weg zich opzettelijk zodanig heeft gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate werden geschonden door
- geen gevolg te geven aan door politieambtenaren gegeven verkeersaanwijzingen (middels stoptransparant) zijn voertuig te stoppen,
- meermalen, althans eenmaal, op meerdere wegen in Noordwijkerhout te rijden met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was,
- meermalen, althans eenmaal, meerdere kruisingen en/of rotondes te passeren/over te steken met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was,
- in strijd met artikel 10 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 niet de rijbaan te gebruiken en/of te berijden, maar met het door hem bestuurde voertuig over het trottoir te rijden en/of (vervolgens) over een grasveld om een boom heen te rijden,
- meermalen, althans eenmaal, in strijd met artikel 62 jo. bord D1 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 tegen de verkeersrichting in (linksom) de rotondes Maandagsewetering/Wildlaan, Wildlaan/Schelftweg en/of Schippersvaartweg/Schelftweg over te rijden,
- terwijl verbalisant [aangever 1] in de rijrichting en/of in de directe nabijheid van zijn voertuig stond, (vanuit stilstand) (hard) op te trekken en/of (veel) gas te geven,
- (vervolgens) op die [aangever 1] af te rijden, in te rijden en/of in de richting van die [aangever 1] te rijden en/of
- met het door hem, verdachte, bestuurde voertuig, tegen één of meer (andere) voertuigen en/of een betonnen paaltje aan te rijden en/of te botsen,
door welke verkeersgedraging(en) van verdachte levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor (een) ander(en) te duchten was;
3.
hij, als degene door wiens gedraging(en) meer verkeersongeval(len) was/waren veroorzaakt, welke gedraging(en) hij al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig had verricht en welk verkeersongeval(len) had(den) plaatsgevonden in de gemeente Noordwijkerhout op/aan de Kortenbachstraat en/of in de gemeente Lisse op/aan een perceel (bollenveld) gelegen aan de Leidsevaart, op één of meer tijdstip(pen) op of omstreeks 12 december 2024 de (voornoemde) plaats(en) van vorenbedoeld(e) ongeval(len) heeft verlaten, terwijl bij dat/die ongeval(len), naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander en/of anderen (te weten de Politie-eenheid Den Haag en/of [aangever 2] en/of [aangever 3] en/of [aangever 4]) letsel en/of schade was toegebracht;
4. subsidiair
hij op of omstreeks 12 december 2024 te Noordwijkerhout en/of Lisse, althans in Nederland, als bestuurder van een voertuig, personenauto, dit voertuig heeft bestuurd, terwijl hij verkeerde onder zodanige invloed van een stof, te weten cocaïne, waarvan hij wist of redelijkerwijs moest weten dat het gebruik daarvan - al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof - de rijvaardigheid kon verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4De kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
de meerdaadse samenloop van
feit 1 subsidiair:
poging tot zware mishandeling;
feit 2:
overtreding van artikel 5a van de Wegenverkeerswet 1994;
feit 3:
overtreding van artikel 7, eerste lid, onderdeel b van de Wegenverkeerswet 1994;
feit 4 subsidiair:
overtreding van artikel 8, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.
5De strafbaarheid van de feiten
De feiten zijn strafbaar.
6De strafbaarheid van de verdachte
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de tenlastegelegde feiten enigszins verminderd aan verdachte kunnen worden toegerekend.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft aangevoerd dat in het NIFP-rapport wordt geadviseerd om de tenlastegelegde feiten enigszins verminderd aan verdachte toe te rekenen.
De beoordeling door de militaire kamer
GZ-psycholoog J. Jongerius heeft op 5 mei 2025 een Pro Justitia-rapport over verdachte opgemaakt. Volgens haar is bij verdachte sprake van zwakbegaafdheid en een ernstige stoornis in het gebruik van cocaïne, waaraan enkele kwetsbaarheden in zijn persoonlijkheid ten grondslag liggen, te weten gevoeligheid voor afwijzing van anderen, angst- en stemmingsklachten en impulsiviteit. De stoornissen waren aanwezig ten tijde van het tenlastegelegde en beïnvloedden zijn handelen ten dele.
Verdachte is de gehele duur van het tenlastegelegde onder invloed van geweest van cocaïne. Zijn keuzevrijheid lijkt echter wel in enige mate beperkt geraakt door heftige negatieve emoties als gevolg van tegenslagen voorafgaand aan het tenlastegelegde, die hij probeerde te dempen met cocaïne. Daarbij kwam na het cocaïnegebruik ook de angst voor het verlies van zijn baan bij Defensie, waardoor hij niet meer na kon denken over goede oplossingen en continu wegvluchtte. Met zijn hoofd vol van deze – voor hem moeilijk hanteerbare – emoties en daarbij het ontremmende en angstaanjagende effect van cocaïne is hij met de auto voor de politie op de vlucht geslagen om aan zijn aanhouding te ontkomen. De GZ-psycholoog adviseert daarom om deze feiten in enigszins verminderde mate aan verdachte toe te rekenen.
Conclusie
De militaire kamer neemt het advies van de deskundige over en maakt deze tot de hare. De verdachte is strafbaar, maar de militaire kamer rekent het bewezenverklaarde (enigszins) verminderd aan hem toe. Dit werkt in strafmatigende zin mee bij de strafoplegging.
7De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot:
een gevangenisstraf van 480 dagen, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), waarvan 280 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar en de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden, die dadelijk uitvoerbaar moeten worden verklaard;
een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 18 maanden.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft oplegging van een gevangenisstraf van maximaal 30 dagen bepleit, nu volgens hem slechts feiten 2 tot en met 4 bewezen kunnen worden verklaard.
Indien de militaire kamer alle tenlastegelegde feiten bewezen acht, is de eis van de officier van justitie redelijk, met uitzondering van de door de reclassering geadviseerde opname in een zorginstelling. De verdediging verzoekt de militaire kamer hiervan af te zien, omdat in de ogen van de verdediging een ambulante behandelverplichting voldoende effectief is.
De beoordeling door de militaire kamer
De militaire kamer heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De militaire kamer heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
De ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan meerdere strafbare feiten. Hij heeft meerdere keren cocaïne gebruikt terwijl hij in zijn auto zat en deze vervolgens bestuurd, op tenminste twee momenten op 12 december 2024. Vervolgens is hij tot twee keer weggevlucht voor de politie, omdat hij bang was dat hij zou worden aangehouden. De politie heeft vervolgens de achtervolging ingezet. Hij heeft in een dollemansrit meerdere ernstige verkeersovertredingen gemaakt, waaronder het negeren van de stoptekens van de politie, veel te hard rijden en daardoor met veel te hoge snelheden kruisingen en rotondes op rijden, over de stoep en een stuk gras rijden en rotondes tegen de richting in nemen. Er mag van geluk worden gesproken dat (onder andere) de kruisingen en rotondes toevallig leeg waren, anders had het veel erger af kunnen lopen. Het rijgedrag van verdachte was bijzonder gevaarlijk.
Toen verdachte zichzelf eenmaal klem had gereden, weigerde hij nog steeds om zichzelf over te geven. In plaats daarvan heeft hij zijn gaspedaal vol ingetrapt en is hij met piepende banden en hoge toeren recht in de richting van één van de agenten gereden. De agent kon gelukkig op het nippertje wegspringen. Het is enkel aan diens reactievermogen te danken dat hij een aanrijding heeft kunnen voorkomen. Daarna is verdachte uiteindelijk ontkomen. Uit de schriftelijke slachtofferverklaring en de toelichting op zijn vordering benadeelde partij blijkt hoeveel impact het handelen van verdachte op deze agent heeft gehad en nog steeds heeft. Verdachte heeft hier geen enkele verantwoordelijkheid voor genomen, maar is blijven vasthouden aan zijn verklaring dat het heel anders is gegaan.
Maar zelfs het in de richting rijden van een agent deed verdachte niet stoppen. Hij heeft zowel het dienstvoertuig van de agenten als meerdere andere auto’s geraakt, waaraan hij schade heeft veroorzaakt. Verdachte heeft zijn identiteit niet kenbaar gemaakt, maar is doorgereden. Vele politiemensen hebben in de uren daarna geprobeerd om verdachte op te sporen en aan te houden, maar verdachte hield zich verborgen of probeerde de politie af te schudden. Meer dan een halve dag later lukte het eindelijk om verdachte aan te houden, vooral omdat hij – eerst nadat hij nog dwars door een weiland met bloembollen is gereden en bijna in de Haarlemmer Trekvaart belandde met zijn auto – wederom in een poging de politie te ontvluchten. Dat hij niet te water is geraakt, is enkel te danken aan een meerpaal waartegen zijn auto schuin terecht is gekomen.
De persoon en persoonlijke omstandigheden van verdachte
Uit het strafblad van verdachte van 15 mei 2025 blijkt dat hij voorafgaand aan onderhavige feiten meermaals is veroordeeld wegens het overtreden van de Wegenverkeerswet 1994.
Verdachte is naar aanleiding van deze zaak per 1 april 2025 ontslagen bij Defensie wegens wangedrag.
Uit het Pro Justitia-rapport dat GZ-psycholoog J. Jongerius op 5 mei 2025 over verdachte heeft opgemaakt, blijkt dat het risico op recidive van geweld wordt ingeschat als matig. Verdachte heeft geen geschiedenis van antisociaal gedrag of antisociale gedachten, maar het risico wordt verhoogd door de ernst van zijn cocaïneverslaving, de tot op heden beperkte behandelresultaten, de onderliggende kwetsbaarheden in zijn persoonlijkheid en de kans op overvraging vanwege zijn disharmonische intelligentieprofiel. Doordat verdachte de ernst van zijn verslaving onderschat, negatieve emoties niet goed kan hanteren en onvoldoende copingsstrategieën heeft, vervalt hij terug in cocaïnegebruik bij een toename in stress, onduidelijkheid of verantwoordelijkheden. Er zijn verschillende beschermende factoren die een positief effect op hem hebben, zoals zijn motivatie voor behandeling, positieve levensdoelen en zijn pro-sociale en ondersteunende netwerk.
De GZ-psycholoog adviseert een verplichte klinische opname van vermoedelijk een half jaar in een reguliere verslavingskliniek, gevolgd door ambulante behandeling gericht op het aanpakken van zijn verslaving door middel van het aanleren van effectieve copingsstrategieën, het verwerken van traumatische ervaringen en behandeling van zijn angst- en somberheidsklachten. Het is van belang dat er tijdens de behandeling rekening wordt gehouden met zijn verminderde cognitieve vermogens en het risico op overvraging. Daarnaast is het van belang dat er een omgeving (o.a. werk en vrijetijdsbesteding) wordt gecreëerd die duidelijk, voorspelbaar en gestructureerd is en dat verdachte daarbij ondersteund wordt. Een passende werkplek, waar hij het gevoel heeft van betekenis te zijn, nu hij niet meer bij Defensie terecht kan, lijkt eveneens van belang om terugval te voorkomen. Verder is het van belang dat het netwerk van verdachte niet in een controlerende rol komt. In het verleden versterkte dit zijn gevoelens van eenzaamheid, waardoor verdachte steeds meer stiekem ging doen. Aangezien gevoelens van eenzaamheid luxerend zijn voor het cocaïnegebruik is het van belang dat zijn netwerk vooral een steunende rol heeft. Er wordt dan ook geadviseerd om reclasseringstoezicht op te leggen naast de behandeling.
Inforsa heeft op 12 juni 2025 een reclasseringsadvies over verdachte uitgebracht. Volgens de reclassering liggen het cocaïnegebruik en het sociaal functioneren van verdachte ten grondslag aan het vermeende delictgedrag. Verdachte is meermaals klinisch opgenomen voor zijn cocaïneverslaving, maar viel (telkens) terug in gebruik. De risico’s op recidive en letsel worden ingeschat als gemiddeld. Het risico op onttrekken aan voorwaarden wordt ingeschat als laag-gemiddeld. De reclassering sluit zich aan bij het advies van het NIFP, maar adviseert om een opname in een zorginstelling op te leggen voor de duur van maximaal 12 maanden of zoveel korter als de reclassering nodig acht. Dit is de periode die de reclassering standaard hanteert, zodat er ruimte is voor eventuele uitloop. Omdat de verslavingsproblematiek en zijn psychosociaal functioneren met elkaar samenhangen, adviseert de reclassering opname in een forensische kliniek.
De reclassering adviseert een (deels) voorwaardelijke straf met de volgende bijzondere voorwaarden:
meldplicht bij de reclassering;
opname in een zorginstelling;
ambulante behandeling met mogelijkheid tot kortdurende klinische opname;
meewerken aan middelencontrole en
inspanningsverplichting voor het verkrijgen en behouden van dagbesteding.
De reclassering adviseert de dadelijke uitvoerbaarheid van de voorwaarden en het toezicht, omdat zonder interventies de kans op een misdrijf met schade voor verdachte zelf of andere personen groot is.
Conclusie
De militaire kamer is gelet op de ernst van de feiten en de gevolgen daarvan voor het slachtoffer van oordeel dat enkel een gevangenisstraf van langere duur passend en geboden is. Tegelijkertijd acht de militaire kamer van belang dat verdachte zo snel mogelijk kan starten met het aanpakken van zijn verslavingsproblematiek en zijn psychosociale problematiek, zodat de rechtbank het gelet daarop niet wenselijk vindt dat verdachte nog langer vast blijft zitten.
Hoewel de militaire kamer feit 1 subsidiair bewezen heeft verklaard, terwijl de officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van feit 1 primair, vindt de militaire kamer de eis van de officier van justitie desalniettemin (kijkend naar vergelijkbare zaken) passend bij deze bewezenverklaring.
Daarom zal de militaire kamer hem, conform de eis van de officier van justitie, veroordelen tot
een gevangenisstraf van 480 dagen, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), waarvan 280 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar en de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden, die dadelijk uitvoerbaar worden verklaard;
een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 18 maanden.
De verdediging heeft de militaire kamer verzocht om enkel de ambulante behandelverplichting op te leggen en af te zien van opname in een zorginstelling. De militaire kamer constateert dat verdachte meerdere pogingen heeft gedaan om af te kicken in een kliniek, maar dat hij telkens terug is gevallen in zijn cocaïnegebruik. Daarom adviseren zowel het NIFP als de reclassering opname in een zorginstelling. De militaire kamer sluit zich hierbij aan en acht een ambulante behandelverplichting dan ook onvoldoende voor het aanpakken van de verslaving en psychosociale problematiek van verdachte.
De rechtbank zal het bevel tot voorlopige hechtenis opheffen.
8De beoordeling van de civiele vorderingen
De vordering van de benadeelde partij [aangever 4]
De benadeelde partij [aangever 4] heeft in verband met feit 3 een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 2.500,- aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering, gelet op de door hem bepleite vrijspraak voor dit onderdeel van de tenlastelegging.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering, omdat deze niet is onderbouwd.
De beoordeling door de militaire kamer
Verdachte wordt vrijgesproken van het hem onder feit 3 tenlastegelegde, voor zover dit ziet op het bollenveld van de benadeelde partij. Daarom zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering.
De vordering van de benadeelde partij [aangever 2]
De benadeelde partij [aangever 2] heeft in verband met feit 3 een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 1.000,- aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering, omdat deze niet is onderbouwd.
De beoordeling door de militaire kamer
De schade is niet onderbouwd. Daarom zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering.
De vordering van de benadeelde partij [aangever 1]
De benadeelde partij [aangever 1] heeft in verband met feit 1 een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 20,79 aan materiële schade en € 5.000,- aan smartengeld, telkens vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen tot een bedrag van € 3.020,70, bestaande uit € 20,79 aan materiële schade en € 3.000,- aan smartengeld, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Voor het overige deel aan smartengeld heeft de officier van justitie verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering, gelet op de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de verdediging aangevoerd dat de materiële schade kan worden toegewezen, maar dat het smartengeld moet worden gematigd.
De beoordeling door de militaire kamer
Materiële schade
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden.
De militaire kamer overweegt dat deze schadepost niet inhoudelijk is betwist. Deze schadepost is verder voldoende onderbouwd en komt redelijk voor.
Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Daarom is de militaire kamer van oordeel dat de vordering voor wat betreft de materiële schade kan worden toegewezen.
Smartengeld
Op basis van de genoemde bewijsmiddelen en wat ter zitting over de vordering is besproken, stelt de militaire kamer vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde schade heeft geleden die binnen één van de categorieën van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek valt.
Door feit 1 subsidiair heeft de benadeelde immers geestelijk letsel in de vorm van een posttraumatische stressstoornis opgelopen. Dit is aan verdachte toe te rekenen. De militaire kamer houdt rekening met de aard en de ernst van het feit en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. Naar maatstaven van billijkheid zal zij het smartengeld op een bedrag van € 2.000,- vaststellen, in overeenstemming met bedragen die in vergelijkbare zaken worden toegekend.
De militaire kamer zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
De wettelijke rente
Verdachte is vanaf 12 december 2024 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd.
De schadevergoedingsmaatregel
De militaire kamer ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.
9De beoordeling van het beslag
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de inbeslaggenomen auto verbeurd moet worden verklaard, omdat de feiten 1 tot en met 3 hiermee zijn begaan.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de inbeslaggenomen auto moet worden teruggegeven.
De beoordeling door de militaire kamer
De militaire kamer zal de Peugeot 207 met kenteken [kenteken] , met behulp waarvan feiten 1 subsidiair, 2 en 3 zijn begaan, verbeurd verklaren.
De militaire kamer heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.
10De toegepaste wettelijke bepalingen
De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen:
- 14 a, 14b, 14c, 33, 33a, 36f, 45, 57 en 302 van het Wetboek van Strafrecht;
- 5 a, 7, 8, 176 en 179a van de Wegenverkeerswet 1994;
11De beslissing
De militaire kamer:
spreekt verdachte vrij van de onder 1 primair en 4 primair ten laste gelegde feiten;
verklaart bewezen dat verdachte de overige ten laste gelegde feiten, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 480 dagen;
bepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf, te weten 280 dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van drie jaren niet heeft gehouden aan de volgende voorwaarden:
stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
stelt als bijzondere voorwaarden dat:
- verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt verdachte zich binnen 3 dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Reclassering Fivoor op het adres Witte Singel 8 in Leiden;
- verdachte zich tijdens de proeftijd voor een jaar of zoveel korter als de reclassering nodig vindt, laat opnemen in en behandelen door de Piet Roordakliniek in Zutphen of een soortgelijke zorginstelling, te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie. De opname start zo spoedig mogelijk nadat de proeftijd is gestart en zodra de plaatsing mogelijk is. De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op verslavings- en onderliggende problematiek van verdachte. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken. Verdachte houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen van de zorginstelling en de behandelaren. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg of verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang nodig vindt, werkt verdachte mee aan de indicatiestelling en plaatsing;
- verdachte zich, na beëindiging van de opname in een zorginstelling, gedurende de proeftijd laat behandelen door een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op de verslavings- en onderliggende problematiek van verdachte. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken.
- Indien er sprake is van een terugval in middelengebruik en/of een zodanige verslechtering van de psychische toestand van verdachte dat een kortdurende klinische opname voor detoxificatie/stabilisatie/observatie/diagnostiek/crisisbehandeling noodzakelijk is, kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een dergelijke kortdurende klinische opname voor de duur van maximaal 7 weken. Indien de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, nadat dit door de rechter is bevolen, laat verdachte zich opnemen in een zorginstelling te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing;
- verdachte gedurende de proeftijd meewerkt aan controles op het gebruik van drugs om het middelengebruik te beheersen. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek en ademonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;
- verdachte zich binnen de proeftijd inspant voor het vinden en behouden van (on)betaald werk met een vaste structuur;
geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.
Hierbij gelden als voorwaarden dat verdachte:
meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;
meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
beveelt dat de gestelde voorwaarden en het uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn;
beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
ontzegt verdachte ten aanzien van het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 18 maanden;
verklaart de benadeelde partij [aangever 4] niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schade;
verklaart de benadeelde partij [aangever 2] niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schade;
veroordeelt verdachte in verband met feit 1 subsidiair tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [aangever 1] van € 20,79 aan materiële schade en € 2.000,- aan smartengeld, telkens vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 december 2024 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;
veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;
verklaart de benadeelde partij [aangever 1] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot smartengeld;
legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [aangever 1] , een bedrag te betalen van € 20,79 aan materiële schade en € 2.000,-smartengeld. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 december 2024 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 30 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;
bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd;
verklaart verbeurd de Peugeot 207 met kenteken [kenteken] ;
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door mr. Y.H.M. Marijs (voorzitter) en mr. S. Jansen, rechters, en Kapitein-ter-Zee (LD) mr. J.L. Wesstra, in tegenwoordigheid van mr. M.M. Aalbers, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 30 juni 2025.
Mr. Jansen, mr. Wesstra en mr. Aalbers zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door wachtmeester der 1e klasse [verbalisant 2] van de Koninklijke Marechaussee, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer 27CAD240014 (onderzoek 27EDINBURGH), gesloten op 21 februari 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
Proces-verbaal van bevindingen, p. 20-22; proces-verbaal van aangifte door [aangever 1] , p. 31 en proces-verbaal van verhoor getuige [aangever 1] , p. 185-186 en 188.
Proces-verbaal van bevindingen, p. 26-27.
Verklaring van verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 16 juni 2025.