Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Gelderland

ECLI:NL:RBGEL:2025:122

2025-01-08 Civiel recht 11080244
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Gelderland
Uitspraakdatum
2025-01-08
Publicatiedatum
2025-01-14
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
11080244
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Ambtshalve toetsing. Onvoldoende onderbouwd dat voldaan is aan de kredietwaardigheidstoets.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (7.961 tekens)
RECHTBANK
GELDERLAND



Civiel recht
Kantonrechter



Zittingsplaats Arnhem



Zaaknummer: 11080244 \ CV EXPL 24-3779




Vonnis van 8 januari 2025




in de zaak van




DE VENNOOTSCHAP NAAR BUITENLANDS RECHT HOIST FINANCE AB,
te Stockholm (Zweden),
eisende partij,
gemachtigde: NDA Incasso B.V.,



tegen





[gedaagde]
,
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
niet verschenen.





1Het procesverloop


1.1.
De zaak is aanhangig gemaakt bij de aan dit vonnis gehechte en daarvan deel uitmakende (kopie) dagvaarding van 4 april 2024 met het hiervoor genoemde zaaknummer.



1.2.
De eisende partij heeft veroordeling gevorderd van de gedaagde partij overeenkomstig het gestelde in de dagvaarding. De gedaagde partij is niet verschenen.



1.3.
Daarna is vonnis bepaald.





2De beoordeling


2.1.
Omdat de voorgeschreven termijnen en formaliteiten in acht zijn genomen, wordt tegen de gedaagde partij verstek verleend.



2.2.
Omdat één van partijen haar woonplaats in het buitenland heeft, zal ambtshalve worden beoordeeld of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft en welk recht op het voorliggende geschil van toepassing is.



2.3.
De gedaagde partij heeft zijn woonplaats in Nederland. Nederland is lidstaat van de Europese Unie. Op grond van de EEX Verordening (EU) Nr. 1215/2012 wordt de gedaagde partij in beginsel opgeroepen voor een gerecht van de lidstaat waarin hij woont. Een grondslag voor afwijking van deze hoofdregel is niet gesteld of gebleken. Dat betekent dat de Nederlandse rechter in dit geval rechtsmacht heeft. Gelet op de woonplaats van de gedaagde partij is de Rechtbank Gelderland, team kanton en handelsrecht, zittingsplaats Arnhem bevoegd van de vordering kennis te nemen.



2.4.
Niet gesteld of gebleken is dat partijen een rechtskeuze hebben gedaan. Er is sprake van een internationale cessie waarop artikel 14 van de Verordening (EG) Nr. 593/2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I) van toepassing is. Daarin is bepaald dat de betrekking tussen de cessionaris en de schuldenaar wordt beheerst door het recht dat op de gecedeerde vordering van toepassing is. In dit geval is dat Nederlands recht.



2.5.
Aan de hand van het gestelde in de dagvaarding is de vordering getoetst aan de dwingende bepalingen van het Europees consumentenrecht. Daaromtrent wordt het volgende overwogen.



2.6.
Op 21 februari 2018 heeft [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1] ) met de gedaagde partij een niet doorlopende kredietovereenkomst (goederenkrediet) gesloten op grond waarvan [bedrijf 1] aan de gedaagde partij een krediet heeft verstrekt. Bij het sluiten van de overeenkomst handelde [bedrijf 1] in de uitoefening van haar bedrijf en was de gedaagde partij een consument. De eisende partij moet onderbouwen dat voldaan is aan de kredietwaardigheidstoets (art. 4:34 Wft). Dat heeft de eisende partij onvoldoende gedaan. De eisende partij heeft de financiële situatie van de kredietnemer niet onderbouwd met stukken over inkomsten en uitgaven (bijvoorbeeld loonstroken).



2.7.
Vanwege de ontoereikende onderbouwing gaat de kantonrechter er van uit dat [bedrijf 1] de verplichtingen van art. 4:34 Wft in dit geval niet heeft nageleefd. Dat betekent dat niet is voldaan aan een regel van openbare orde. Nationale consument-beschermende bepalingen die voortvloeien uit (een omzetting van) Europese richtlijnen moeten namelijk gelijkgesteld worden aan regels die naar nationaal recht van openbare orde zijn. De kantonrechter vernietigt daarom ambtshalve de kredietovereenkomst op grond van art. 3:40 lid 2 BW. Het voorgaande heeft tot gevolg dat geen vordering kan worden gegrond op de kredietovereenkomst en dat de primaire vordering van de eisende partij niet toewijsbaar is.



2.8.
Subsidiair heeft de eisende partij gesteld dat mocht de kantonrechter de kredietovereenkomst vernietigen, zij haar vordering grondt op de wet (onverschuldigde betaling - art. 6:230 BW). Deze vordering komt niet onrechtmatig of ongegrond voor en kan daarom worden toegewezen. Dat betekent dat de gedaagde partij de kredietsom moet terugbetalen voor zover dat bedrag niet al terugbetaald is. Verder geldt dat de gedaagde partij geen rente en kosten op grond van de (nietige) overeenkomst verschuldigd is (geworden). Voor zover al bedragen aan rente en kosten betaald zijn, strekken zij in mindering op de terug te betalen kredietsom.



2.9.
Gelet op het vorenstaande en het gestelde in de dagvaarding resteert een bedrag van € 930,45 dat door de gedaagde partij moet worden terugbetaald. De gedaagde partij wordt veroordeeld tot deze betaling, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van de dagvaarding.


2.10.
Gezien de uitkomst van deze procedure wordt de gedaagde partij veroordeeld in de proceskosten (inclusief nakosten). Nu de vordering wordt toegewezen tot een bedrag van € 930,45 blijft een deel van het griffierecht voor rekening van de eisende partij. Het salaris voor de gemachtigde zal worden toegekend op basis van het toegewezen bedrag. De proceskosten van de eisende partij worden daarom begroot op:









- kosten van de dagvaarding


€


137,39







- griffierecht


€


328,00







- salaris gemachtigde


€


135,00


(1 punt × € 135,00)




- nakosten


€


67,50


(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)




totaal


€


667,89













3De beslissing


De kantonrechter



3.1.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van € 930,45, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 april 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening,



3.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 667,89, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,



3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,



3.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.


Dit vonnis is gewezen door mr. D. Vergunst en in het openbaar uitgesproken op 8 januari 2025.










676 \ 40141