Rechtbank Gelderland
ECLI:NL:RBGEL:2020:2646
2020-05-15
Bestuursrecht
AWB - 20 _ 1697
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Conflict in bevoegdheidstoedeling; Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is in een dergelijke situatie bevoegd in eerste en enige aanleg kennis te nemen van het verzoek; voorzieningenrechter onbevoegd.
Citeert (3)
- ECLI:NL:RVS:2015:1458 Raad van State 06-05-2015
- ECLI:NL:RVS:2016:1065 Raad van State 20-04-2016
- ECLI:NL:RVS:2020:993 Raad van State 08-04-2020
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (4.529 tekens)
RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Zutphen
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 20/1697
uitspraak van de voorzieningenrechter van 15 mei 2020
op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
[Verzoeker A] , te [A] , verzoeker
(gemachtigde: mr. C.C.J.M. Weijers),
en
het college van burgemeester en wethouders van Arnhem, verweerder
(gemachtigde: mr. F.A. Pommer).
Procesverloop
Bij besluit van 9 januari 2020 heeft verweerder aan verzoeker een last onder dwangsom opgelegd.
Verzoeker heeft tegen het besluit bezwaar gemaakt. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Het onderzoek ter zitting heeft via videoverbinding plaatsgevonden op 14 mei 2020. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Verzoeker verkoopt in een nachtwinkel en een groothandel distikstofmonoxide (lachgas) voor inhalatie. Verweerder heeft een last opgelegd die inhoudt dat verzoeker vanuit zijn twee bedrijven geen lachgas meer ter beschikking stelt aan een ander met de doelstelling om dit te (laten) inhaleren, dan wel lachgas daartoe aanwezig te hebben. Als verzoeker zich hier niet aan houdt verbeurt hij een dwangsom van € 5.000,- per geconstateerde overtreding, met een maximum van € 15.000,- per bedrijf.
2. Verweerder heeft aan de last onder dwangsom overtreding van artikel 9.2.1.2 van de Wet milieubeheer en artikel 2.1, eerste en tweede lid, onder e, van het Activiteitenbesluit ten grondslag gelegd.
De voorzieningenrecht constateert dat in geval van handhaving op grond van de Wet milieubeheer de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) in eerste en enige aanleg rechtsmacht heeft. De voorzieningenrechter is wel bevoegd om te oordelen over handhaving op grond van het Activiteitenbesluit. Verder is van belang dat handhaving is gebaseerd op één feitelijke situatie: de terbeschikkingstelling van lachgas. De last is niet splitsbaar in een deel waarop de Wet milieubeheer ziet en een deel waarop het Activiteitenbesluit ziet. Dat betekent dat in dit geval sprake is van een conflict in de bevoegdheidstoedeling.
Zoals de Afdeling eerder in vergelijkbare gevallen heeft geoordeeld is de Afdeling in een dergelijke situatie bevoegd in eerste en enige aanleg kennis te nemen van het verzoek. De voorzieningenrechter is, gelet hierop, niet bevoegd uitspraak te doen op het verzoek.
3. Om die reden verklaart de voorzieningenrechter zich onbevoegd en zal hij het verzoek doorzenden naar de Afdeling, voor een spoedige behandeling.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- verklaart zich onbevoegd.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J.H. van Breda, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. M.H.Y Snoeren-Bos, griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 15 mei 2020.
De griffier is verhinderd om te tekenen
griffier
De voorzieningenrechter is verhinderd om te tekenen
voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Zie de uitspraken van 6 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1458, van 20 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1065 en van 8 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:993.
Zittingsplaats Zutphen
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 20/1697
uitspraak van de voorzieningenrechter van 15 mei 2020
op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
[Verzoeker A] , te [A] , verzoeker
(gemachtigde: mr. C.C.J.M. Weijers),
en
het college van burgemeester en wethouders van Arnhem, verweerder
(gemachtigde: mr. F.A. Pommer).
Procesverloop
Bij besluit van 9 januari 2020 heeft verweerder aan verzoeker een last onder dwangsom opgelegd.
Verzoeker heeft tegen het besluit bezwaar gemaakt. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Het onderzoek ter zitting heeft via videoverbinding plaatsgevonden op 14 mei 2020. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Verzoeker verkoopt in een nachtwinkel en een groothandel distikstofmonoxide (lachgas) voor inhalatie. Verweerder heeft een last opgelegd die inhoudt dat verzoeker vanuit zijn twee bedrijven geen lachgas meer ter beschikking stelt aan een ander met de doelstelling om dit te (laten) inhaleren, dan wel lachgas daartoe aanwezig te hebben. Als verzoeker zich hier niet aan houdt verbeurt hij een dwangsom van € 5.000,- per geconstateerde overtreding, met een maximum van € 15.000,- per bedrijf.
2. Verweerder heeft aan de last onder dwangsom overtreding van artikel 9.2.1.2 van de Wet milieubeheer en artikel 2.1, eerste en tweede lid, onder e, van het Activiteitenbesluit ten grondslag gelegd.
De voorzieningenrecht constateert dat in geval van handhaving op grond van de Wet milieubeheer de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) in eerste en enige aanleg rechtsmacht heeft. De voorzieningenrechter is wel bevoegd om te oordelen over handhaving op grond van het Activiteitenbesluit. Verder is van belang dat handhaving is gebaseerd op één feitelijke situatie: de terbeschikkingstelling van lachgas. De last is niet splitsbaar in een deel waarop de Wet milieubeheer ziet en een deel waarop het Activiteitenbesluit ziet. Dat betekent dat in dit geval sprake is van een conflict in de bevoegdheidstoedeling.
Zoals de Afdeling eerder in vergelijkbare gevallen heeft geoordeeld is de Afdeling in een dergelijke situatie bevoegd in eerste en enige aanleg kennis te nemen van het verzoek. De voorzieningenrechter is, gelet hierop, niet bevoegd uitspraak te doen op het verzoek.
3. Om die reden verklaart de voorzieningenrechter zich onbevoegd en zal hij het verzoek doorzenden naar de Afdeling, voor een spoedige behandeling.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- verklaart zich onbevoegd.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J.H. van Breda, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. M.H.Y Snoeren-Bos, griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 15 mei 2020.
De griffier is verhinderd om te tekenen
griffier
De voorzieningenrechter is verhinderd om te tekenen
voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Zie de uitspraken van 6 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1458, van 20 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1065 en van 8 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:993.