Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:9603

2026-04-07 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL26.16737
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-04-07
Publicatiedatum
2026-04-21
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL26.16737
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Bewaring, vervolgberoep, zicht op uitzetting, belangenafweging en lichter middel, ongegrond.

Citeert (6)

Geciteerd door (1)

Volledige tekst

Volledige tekst (6.693 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Arnhem



Bestuursrecht



zaaknummer: NL26.16737


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 april 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. N. den Ouden),


en


de minister van Asiel en Migratie,




Procesverloop


1. De minister heeft op 4 januari 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd. De minister heeft de rechtbank op 24 maart 2026 van het voortduren van de bewaring in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep tegen het voortduren van de maatregel.



1.1.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.



1.2.
De rechtbank heeft deze maatregel van bewaring eerder getoetst. Op het eerste beroep heeft zij beslist met haar uitspraak van 19 januari 2026.



1.3.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.



1.4.
De rechtbank heeft het vooronderzoek gesloten en bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.




Overwegingen

2. De rechtbank beoordeelt of het voortduren van de maatregel van bewaring rechtmatig is.

3. Het beroep is ongegrond. Het voortduren van de maatregel van bewaring is niet onrechtmatig. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.



Toetsingskader


4. Als de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, dan verklaart zij het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.

5. Uit de uitspraak van 19 januari 2026 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom beoordeelt de rechtbank nu alleen of de maatregel van bewaring sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek (13 januari 2026) rechtmatig is.



Bestaat zicht op uitzetting?


6. Eiser voert aan dat er geen zicht is op uitzetting, omdat er nog geen enkele reactie is gekomen van de Marokkaanse autoriteiten op zijn lp-aanvraag. Eiser verblijft inmiddels bijna drie maanden in bewaring.


6.1.

De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt voorop dat zicht op uitzetting naar Marokko in het algemeen niet ontbreekt. Maar ook in de situatie van eiser is de rechtbank van oordeel dat zicht op uitzetting naar Marokko bestaat. Uit de voortgangsrapportage van 23 maart 2026 blijkt dat het onderzoek bij de Marokkaanse autoriteiten nog steeds loopt. De minister heeft meerdere malen gerappelleerd bij de Marokkaanse autoriteiten, namelijk op 29 januari 2026, 19 februari 2026 en 12 maart 2026. De enkele omstandigheid dat de Marokkaanse autoriteiten nog geen laissez-passer hebben verstrekt, maakt niet dat het zicht op uitzetting ontbreekt. Uit de beschikbare stukken blijkt niet dat de Marokkaanse autoriteiten op voorhand te kennen hebben gegeven geen laissez-passer ten behoeve van eiser te zullen verstrekken. Bovendien moet aan de Marokkaanse autoriteiten tijd worden gegund om de lp-aanvraag te behandelen.
Daarnaast zijn er vertrekgesprekken gevoerd op 3 februari 2026 en 6 maart 2026. De rechtbank is van oordeel dat er onder deze omstandigheden geen aanleiding is voor het oordeel dat het zicht op uitzetting ontbreekt. De rechtbank wijst er in dit verband op dat op eiser de verplichting rust om volledig en actief mee te werken aan zijn uitzetting en lp-traject. Niet is gebleken dat eiser dat voldoende doet. Deze beroepsgrond slaagt niet.




Had de minister een belangenafweging in het voordeel van eiser moeten maken en/of een lichter middel moeten opleggen?

7. Eiser voert aan dat de minister moet volstaan met een lichter middel of dat een belangenafweging in zijn voordeel moet uitvallen. Bewaring valt eiser namelijk zwaar, hij voelt zich depressief en ervaart veel stress tijdens de detentie. Hij wil graag in vrijheid worden gesteld zodat hij ook beschikbaar is voor zijn procedure in Spanje.




7.1.
De beroepsgrond slaagt niet. Dat eiser stelt dat hij depressief is en stress heeft is geen reden om de bewaring op te heffen of een lichter middel op te leggen. De medische zorg in het detentiecentrum staat gelijk aan de medische zorg in de vrije maatschappij. Eiser kan een arts bezoeken voor zijn klachten. Verder zijn er geen zwaarwegende belangen naar voren gebracht die maken dat een lichter middel opgelegd had moeten worden.



Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?


8. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor het voortduren van deze maatregel niet is voldaan.

9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.






Beslissing


De rechtbank:




verklaart het beroep ongegrond;


wijst het verzoek om schadevergoeding af.




Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.H. Dijkman, griffier.



De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:





Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.




Rb. Den Haag, zp. Arnhem, 19 januari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:898.


Dat staat in artikel 96, derde lid, van de Vw 2000.


Zie ABRvS 14 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3269 en van 27 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:219.


Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 (C, B en X), HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (Adrar) en ABRvS 12 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:329.