Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:9451
2026-04-20
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL24.14468
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Vreemdelingenrecht. Beroep ongegrond. Verblijfsvergunning regulier 'familie en gezin'. Geen vrijstelling mvv-vereiste. Geen inbreuk op artikel 8 van het EVRM (familieleven en privéleven). Mede vanwege gevaar voor de openbare orde (Üner en Boultif-criteria). Terugkeerbesluit rechtmatig opgelegd; opgeschort vanwege uitreisbeperking door strafrechtelijk onderzoek.
Citeert (6)
- ECLI:NL:RVS:2014:4481 Raad van State 03-12-2014
- ECLI:NL:RVS:2022:1722 Raad van State 29-06-2022
- ECLI:NL:RVS:2019:1001 Raad van State 29-03-2019
- ECLI:EU:C:2021:9
- ECLI:EU:C:2026:37
- ECLI:EU:C:2024:748
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (26.784 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.14468
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. P. Scholtes),
en
de minister van Asiel en Migratie
, verweerder
(gemachtigde: mr. S. Kuster).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd met als verblijfsdoel ‘familie en gezin’. Verweerder wijst de aanvraag af omdat eiser niet beschikt over een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en niet in aanmerking komt voor vrijstelling van het mvv-vereiste. Daarnaast wijst verweerder de aanvraag af omdat eiser een gevaar is voor de openbare orde. Verder heeft verweerder een terugkeerbesluit tegen eiser uitgevaardigd, maar de terugkeerprocedure tijdelijk opgeschort vanwege een uitreisbeperking. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag en het terugkeerbesluit. Aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder de aanvraag op goede gronden heeft afgewezen. Eiser krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning met als verblijfsdoel ‘familie en gezin’. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 29 november 2022 afgewezen.
2.1.
Met het bestreden besluit van 6 maart 2024 is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 29 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, [naam] (partner van eiser tevens referente) en de gemachtigde van verweerder.
2.4.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en eiser en verweerder de mogelijkheid geboden om te reageren op de feiten die blijken uit het Uittreksel Justitiële Documentatie van 7 november 2024 dat verweerder ter zitting aan het dossier heeft toegevoegd.
2.5.
Na een schriftelijke uitwisseling van standpunten, hebben partijen desgevraagd niet aangegeven gebruik te willen maken van een nadere zitting, waarop de rechtbank het onderzoek heeft gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiser heeft op 18 maart 2022 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als verblijfsdoel ‘familie en gezin’. Eiser wenst graag bij zijn partner (referente) te verblijven. Zij heeft de Nederlandse nationaliteit en woont in Rotterdam.
3.1.
Verweerder heeft de aanvraag afgewezen. In het bestreden besluit is verweerder bij de afwijzing gebleven. Verweerder wijst de aanvraag af omdat eiser niet beschikt over een mvv en ook niet in aanmerking komt voor vrijstelling van het mvv-vereiste. Daarbij stelt verweerder zich op het standpunt dat de uitzetting van eiser niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM, zodat er geen aanleiding bestaat om eiser op grond daarvan vrij te stellen van het mvv-vereiste. Verder komt eiser geen beroep op de hardheidsclausule toe, omdat geen sprake is van bijzondere, persoonlijke feiten en omstandigheden die het onevenredig bezwarend maken om een mvv aan te vragen. Daarbij geldt dat de uitreisbeperking, die eiser vanwege een strafrechtelijke procedure (als schorsingsvoorwaarde op 24 januari 2022) is opgelegd en die eiser verhindert om Nederland te verlaten, slechts van tijdelijke duur is. Dit betekent dat verweerder geen aanleiding ziet om eiser vrij te stellen van het mvv-vereiste op grond van de hardheidsclausule. Daarnaast wijst verweerder de aanvraag af omdat eiser een gevaar vormt voor de openbare orde. Dit gelet op zijn strafrechtelijke antecedenten, waarvoor hij voor meerdere misdrijven is veroordeeld tot een onvoorwaardelijk gevangenisstraf. De afwijzing van de aanvraag geldt tevens als terugkeerbesluit. Vanwege de uitreisbeperking wordt de terugkeerprocedure tijdelijk opgeschort.
Toetsingskader
4. Een aanvraag om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd kan worden afgewezen als de vreemdeling niet beschikt over een mvv die overeenkomt met het doel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd. Een vreemdeling kan van deze mvv verplichting worden vrijgesteld bijvoorbeeld als diens uitzetting in strijd is met artikel 8 van het EVRM (het recht op familie- of gezinsleven en/of het privéleven). Ook is geen mvv vereist als dit leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard (hardheidsclausule). Daarnaast kan een aanvraag om een verblijfsvergunning regulier worden afgewezen wegens gevaar voor de openbare orde.
4.1.
Het wettelijke kader van deze uitspraak is in de bijlage opgenomen.
Herhaald en ingelast
5. Voor zover eiser ter onderbouwing van zijn beroep heeft verwezen naar de gronden van bezwaar en deze als herhaald en ingelast beschouwt, kan de rechtbank niet afleiden waarom eiser van mening is dat het bestreden besluit onjuist is. Met deze enkele verwijzing heeft eiser immers niet duidelijk gemaakt op welke punten het bestreden besluit onjuist of onvolledig is en waarom. Daarom zal de rechtbank uitsluitend de gronden van beroep, voor zover relevant, bespreken.
Leidt een beroep op artikel 8 van het EVRM tot vrijstelling van het mvv-vereiste?
6. Niet in geschil is dat eiser familieleven heeft met referente en dat sprake is van privéleven. Voor de vraag of uitzetting van eiser in strijd is met zijn familie- en privéleven, en dus of hij in aanmerking komt voor een vrijstelling van het mvv-vereiste, moet een belangenafweging worden gemaakt tussen het belang van eiser bij het kunnen uitoefenen van zijn familie- en privéleven enerzijds en het belang van de Nederlandse staat anderzijds. Daarbij moeten alle voor die belangenafweging van betekenis zijnde feiten en omstandigheden kenbaar worden betrokken. Omdat bij deze belangenafweging openbare ordeaspecten een rol spelen, moeten de in het Boultif- en het Üner-arrest benoemde criteria (guiding principles) bij de belangenafweging worden betrokken. Hiertoe behoren onder meer de aard en ernst van het gepleegde misdrijf, de duur van het verblijf in het gastland, het tijdsverloop sinds het misdrijf en de gedragingen van de betrokken vreemdeling gedurende die tijd, en de hechtheid van de sociale, culturele en familiebanden van de betrokken vreemdeling met het gastland en het land van herkomst. De rechter moet toetsen of verweerder alle relevante feiten en omstandigheden in zijn belangenafweging heeft betrokken en, zo ja, of verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat die afweging heeft geresulteerd in een fair balance.
6.1.
Eiser stelt dat het vasthouden aan het mvv-vereiste in strijd is met artikel 8 van het EVRM. Eiser kan vanwege de uitreisbeperking niet (samen met referente) naar Montenegro om daar te verblijven. Ook is sprake van een certain degree of hardship omdat referente dan haar bedrijfsvoering in Nederland zal moeten beëindigen en daardoor haar coronaschuld in Nederland niet kan betalen. Eiser geeft aan dat de belangen van de Nederlandse staat minder zwaar wegen. Dit gelet op zijn gezinsleven, het feit dat het eiser al is toegestaan om 180 dagen visumvrij in Nederland te verblijven en er ten aanzien van de strafrechtelijke antecedenten sprake is van tijdsverloop. Het laatste strafbare feit dateert uit 2014 en de eerdere ongewenstverklaring is opgeheven. Eiser heeft het plegen van strafbare feiten achter zich gelaten en is inmiddels – zo heeft hij ter zitting nogmaals verklaard – een familieman geworden. Deze gedragsverandering is volgens eiser ten onrechte niet meegenomen in de belangenafweging.
6.2.
De rechtbank overweegt dat verweerder op deze grond geen aanleiding heeft hoeven zien om eiser vrij te stellen van het mvv-vereiste. Verweerder heeft zich niet ten onrechte en voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat de belangenafweging in het nadeel van eiser uitvalt. Daarbij heeft verweerder mogen betrekken dat eiser nooit een verblijfsvergunning heeft gehad, en zijn uitgangspositie daarom minder sterk is. Referente heeft weliswaar de Nederlandse nationaliteit en voldoet aan het middelenvereiste, wat verweerder in het voordeel heeft gewogen, maar verweerder heeft daaraan geen doorslaggevend gewicht hoeven toekennen. Verweerder heeft zwaar in het nadeel van eiser mogen wegen dat hij een ernstige inbreuk op de openbare orde heeft gemaakt. Daarbij heeft verweerder kenbaar getoetst aan de Boultif- en Üner-criteria, zoals beschreven onder 6. Eiser is veroordeeld voor meerdere misdrijven, waaronder diverse malen voor drugs- en wapenhandel, laatstelijk voor dergelijke feiten op 26 september 2014 door de meervoudige kamer van de rechtbank Rotterdam. Dit zijn ernstige vergrijpen die de fundamentele belangen van de samenleving ernstig in gevaar brengen. Nu eiser (niet alleen in het verleden, maar ook recent) is doorgegaan met het plegen van strafbare feiten, heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat sprake is van recidivegevaar en eiser niet heeft kunnen volstaan met de stelling dat sprake is van een positieve gedragsverandering. Daarbij heeft verweerder gewezen op een nog lopende strafrechtelijke procedure waarbij eiser wordt verdacht van diverse misdrijven. Zoals ter zitting is gebleken, is eiser daarvoor veroordeeld. Dat daarbij geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf is opgelegd, doet – anders dan eiser stelt – aan het voorgaande niet af. Verweerder heeft verder betrokken dat eiser nog maar kort in Nederland verblijft, niet is gebleken van een sterke binding met Nederland anders dan dat zijn partner en haar meerderjarige kinderen hier verblijven, en eiser geacht kan worden sterke banden te hebben met Montenegro. Dit nu hij het merendeel van zijn leven daar heeft gewoond, waaronder in zijn vormende jaren. Eiser verblijft nog maar kort in Nederland, hij en referente hebben er zelf voor gekozen familieleven te starten en te intensiveren terwijl – ten tijde van het aangaan van dat familieleven – een ongewenstverklaring gold en eiser geen rechtmatig verblijf had. Dat zowel sprake is van een certain degree of hardship als een objectieve belemmering, zoals eiser heeft gesteld, volgt de rechtbank niet. Het moet daarbij immers respectievelijk gaan om omstandigheden die zijn gelegen in het land van herkomst (Montenegro) die het opbouwen van een nieuw bestaan en het aanpassen aan de nieuwe situatie bemoeilijkt, dan wel een omstandigheid die het onmogelijk maakt om aldaar het gezinsleven uit te oefenen, en daarvan is in dit geval niet gebleken. Niet is gebleken dat het uitoefenen van het gezinsleven in Montenegro onmogelijk is. De partner en kinderen kunnen ervoor kiezen om in Nederland te blijven, dan wel eiser te vergezellen naar Montenegro. Hierbij geldt dat de rechtbank, met verweerder, van oordeel is dat de uitreisbeperking tijdelijk van aard is. Dat eiser een deel van de tijd visumvrij in Nederland kan verblijven, betekent niet dat verweerder reeds daarom, mede in het licht van het voorgaande, de belangenafweging alsnog in het voordeel van eiser had moeten laten uitvallen. Een visumvrije periode maakt het bovendien makkelijker om het familieleven op afstand uit te oefenen, zoals verweerder terecht heeft opgemerkt.
6.3.
Over het privéleven heeft verweerder, in aansluiting op het voorgaande, opgemerkt dat eiser vanaf 6 september 2021 (weer) (zonder verblijfsvergunning) in Nederland verblijft, opgebouwde banden met Nederland in dat kader niet zwaar wegen en de keuze om desondanks banden aan te gaan en te intensiveren voor eisers eigen rekening en risico komen. De banden van eiser met Nederland zijn los daarvan beperkt, terwijl eiser daarentegen kan worden geacht sterke banden met Montenegro te hebben. Verweerder heeft een zwaar belang bij de bescherming van de openbare orde en eisers handelen heeft weinig tot geen blijk van respect gegeven voor de normen en waarden van de Nederlandse samenleving. Verweerder heeft dat evenzo zwaar in het nadeel van eiser kunnen wegen. Daarbij heeft verweerder het economisch belang zwaar kunnen laten wegen, nu eiser met een verblijfsvergunning, anders dan met een visum, aanspraak kan maken op door de overheid betaalde voorzieningen, zoals onderwijs, gezondheidszorg en infrastructuur. De rechtbank acht de door verweerder in dat kader verrichte belangenafweging volledig, voldoende gemotiveerd en navolgbaar.
6.4.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Leidt de uitreisbeperking tot een onbillijkheid van overwegende aard?
7. Uit vaste rechtspraak over de hardheidsclausule volgt dat indien een vreemdeling feiten en omstandigheden aanvoert die op zichzelf genomen niet voldoende zijn om in aanmerking te komen voor een vrijstelling van het mvv-vereiste, verweerder moet beoordelen of het onevenredig bezwarend zou zijn om vast te houden aan het mvv-vereiste als die vreemdeling daarnaast aan alle materiële vereisten zou voldoen. Deze omstandigheden zal verweerder in onderlinge samenhang moeten beoordelen.
7.1.
Eiser stelt zich het standpunt dat de uitreisbeperking, die aan hem is opgelegd vanwege een lopend strafrechtelijk onderzoek, ertoe had moeten leiden dat hij werd vrijgesteld van het mvv-vereiste. Door de uitreisbeperking kon hij ten tijde van het bestreden besluit immers niet uitreizen naar Montenegro om een mvv aan te vragen. Omdat de uitreisbeperking voortduurde, kan geen sprake zijn van een tijdelijke uitreisbeperking. Als gevolg hiervan heeft het leven van eiser twee jaar stil gestaan. Hij kon niet werken, zich niet verzekeren tegen ziektekosten en geen ivf-behandeling ondergaan, waardoor eiser en referente uiteindelijk – zo is ter zitting gebleken – afscheid hebben moeten nemen van hun wens samen een kind te krijgen. Volgens eiser is sprake van bijzondere en persoonlijke feiten die hadden moeten leiden tot vrijstelling van het mvv-vereiste. Eiser verwijst daarbij ook naar de versoepeling van het mvv-vereiste voor mensen die door de coronacrisis niet konden terugkeren. Een vergelijkbare situatie doet zich volgens eiser hier voor.
7.2.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder geen aanleiding heeft hoeven zien om eiser vrij te stellen van het mvv-vereiste op grond van de hardheidsclausule. Verweerder heeft kunnen menen dat geen sprake is van bijzondere, persoonlijke omstandigheden die maken dat het onevenredig zwaar is om van eiser te verwachten dat hij terugkeert naar zijn land van herkomst om een mvv aan te vragen. Dit nu de uitreisbeperking tijdelijk van aard is en eiser na de strafzaak naar Montenegro kan voor het verkrijgen van een mvv. Dat de strafzaak een paar jaar heeft geduurd en eisers leven als (indirect) gevolg daarvan heeft stilgestaan, maakt dat naar het oordeel van de rechtbank niet anders. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat dit in het kader van de onderhavige procedure geen onbillijkheid van overwegende aard oplevert. Van een overmachtssituatie die buiten ieders schuld lag, zoals ten tijde van corona het geval was, is in dit geval geen sprake.
7.3.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Afwijzingsgrond gevaar voor de openbare orde
8. Nu verweerder de aanvraag om een verblijfvergunning regulier voor bepaalde tijd reeds heeft mogen afwijzen vanwege het ontbreken van een geldige mvv, zoals volgt uit hetgeen hiervoor is overwogen, zal de rechtbank de separate afwijzingsgrond ‘gevaar voor de openbare orde’ niet verder beoordelen. Voor zover de beroepsgronden van eiser hierop betrekking hebben, zal deze rechtbank deze dan ook verder buiten bespreking laten.
Leidt de opschorting van het terugkeerbesluit tot een rechtmatig verblijf van eiser?
9. Eiser stelt, onder verwijzing naar het TQ-arrest, dat geen terugkeerbesluit mocht worden uitgevaardigd, omdat het terugkeerbesluit vanwege de uitreisbeperking niet kon worden uitgevoerd. Dat is in strijd met de Terugkeerrichtlijn. Zelfs als wel een terugkeerbesluit mocht worden opgelegd, zou de opschorting er volgens eiser toe leiden dat hij alsnog rechtmatig verblijf heeft.
9.1.
De rechtbank stelt voorop dat, zodra is vastgesteld dat het verblijf illegaal is, zoals in dit geval, in beginsel een terugkeerbesluit dient te worden uitgevaardigd. Dat is in dit geval niet anders. Indien een spoedige verwijdering niet aan de orde is, biedt artikel 9 van de Terugkeerrichtlijn de mogelijkheid om verwijdering uit te stellen. Uit het eerste lid volgt wanneer de verwijdering moet worden uitgesteld, en in het tweede lid is opgenomen wanneer dit kan worden uitgesteld. De rechtbank volgt het standpunt van verweerder dat artikel 9, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn door de toevoeging ‘met name’ geen limitatieve opsomming bevat van omstandigheden op grond waarvan terugkeer kan worden uitgesteld. De rechtbank vindt voor dit oordeel steun in de conclusie van de advocaat-generaal van 22 januari 2026 en het terugkeerhandboek. Dit betekent dat verweerder, gelet op de uitreisbeperking, de terugkeerprocedure kon opschorten voor de duur van die uitreisbeperking.
9.2.
Voor zover eiser (subsidiair) heeft betoogd dat aan hem gelet op de onderhavige opschorting rechtmatig verblijf toekomt, volgt de rechtbank dit evenmin. Er ontstaat immers geen verblijfsrecht bij uitstel van verwijdering.
9.3.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en hij niet wordt vrijgesteld van het mvv-vereiste. Ook blijft het terugkeerbesluit in stand. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.P. Heijne, rechter, in aanwezigheid van E.J. van den Doel, griffier.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Terugkeerrichtlijn
Artikel 6
1. Onverminderd de in de leden 2 tot en met 5 vermelde uitzonderingen, vaardigen de lidstaten een terugkeerbesluit uit tegen de onderdaan van een derde land die illegaal op hun grondgebied verblijft.
Artikel 8
1. De lidstaten nemen de nodige maatregelen om het terugkeerbesluit uit te voeren indien er geen termijn voor vrijwillig vertrek overeenkomstig artikel 7, lid 4, is toegekend of indien de betrokkene niet binnen de volgens artikel 7 toegestane termijn voor vrijwillig vertrek aan de terugkeerverplichting heeft voldaan.
Artikel 9
1. De lidstaten stellen de verwijdering uit:
in geval deze in strijd zou zijn met het beginsel van non refoulement, of
voor de duur van de overeenkomstig artikel 13, lid 2, toe gestane opschorting.
2. De lidstaten kunnen op grond van de specifieke omstandigheden de verwijdering in een individueel geval voor een passende termijn uitstellen. Door de lidstaten wordt met name rekening gehouden met:
de fysieke of mentale gesteldheid van de onderdaan van een derde land;
technische redenen, zoals het ontbreken van vervoermiddelen of het mislukken van de verwijdering wegens onvoldoende identificatie
Vreemdelingenwet
Artikel 16
1. Een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 kan worden afgewezen indien:
a. de vreemdeling niet beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd;
(…)
d. de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid;
Artikel 62
1. Nadat tegen de vreemdeling, niet zijnde gemeenschapsonderdaan, een terugkeerbesluit is uitgevaardigd, dient hij Nederland uit eigen beweging binnen vier weken te verlaten.
Vreemdelingenbesluit 2000
Artikel 3.71
1. De aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd wordt afgewezen, indien de vreemdeling niet beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf.
2. Van het vereiste van een geldige machtiging tot verblijf is, op grond van artikel 17, eerste lid, onder g, van de Wet, vrijgesteld de vreemdeling:
(…)
l. van wie uitzetting in strijd met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden zou zijn;
3. Onze Minister kan het eerste lid buiten toepassing laten, voorzover toepassing daarvan naar zijn oordeel zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
Artikel 3.77
1. De aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd kan op grond van artikel 16, eerste lid, onder d, van de Wet worden afgewezen wegens gevaar voor de openbare orde, indien:
de vreemdeling terzake van een misdrijf is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf of onvoorwaardelijke jeugddetentie, tot een onvoorwaardelijke maatregel als bedoeld in artikel 37a, 38m of 77h, vierde lid, onder a of b, van het Wetboek van Strafrecht, tot een taakstraf of tot een onvoorwaardelijke geldboete, dan wel indien hij terzake van misdrijf een transactieaanbod heeft aanvaard of jegens hem een strafbeschikking is uitgevaardigd.
Artikel 6.1b
1. Ingeval de vreemdeling ingevolge artikel 62, tweede lid, van de Wet onmiddellijk moet vertrekken of niet is vertrokken binnen de voor hem geldende vertrektermijn, kan de uitzetting worden uitgesteld. Bij het uitstel wordt in ieder geval rekening gehouden met de fysieke of mentale gesteldheid van de vreemdeling en technische redenen, zoals het ontbreken van vervoermiddelen of het mislukken van de uitzetting wegens onvoldoende identificatie.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als de minister.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
Dit volgt uit artikel 3.77, eerste lid, aanhef en onder c, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
Dit volgt uit artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) en artikel 3.71, eerste lid, van het Vb.
Dit volgt uit artikel 3.71, tweede lid, aanhef en onder l van het Vb.
Dit volgt uit artikel 3.71, derde lid, van het Vb.
Artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw in samenhang met artikel 3.77 van het Vb.
Uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 2 augustus 2001, nr. 54273/00 (Boultif).
Uitspraak van het EHRM van 18 oktober 2006, nr. 46410/99 (Üner).
Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 3 december 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:4481), onder 2.1.
Uitspraak van de Afdeling van 29 juni 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:1722), onder 5.4.
De ongewenstverklaring is bij besluit van 10 augustus 2022 opgeheven, naar de rechtbank begrijpt vanwege de uitreisbeperking
Uitspraak van de Afdeling van 29 maart 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1001).
De politierechter heeft eiser op 14 oktober 2024 veroordeeld.
Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) van 14 januari 2021, ECLI:EU:C:2021:9.
Richtlijn 2008/115 (Terugkeerrichtlijn).
Dit volgt uit artikel 6, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn.
Zie bijvoorbeeld artikel 8, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn en overweging 80 van het arrest TQ.
Artikel 9 van de Terugkeerrichtlijn is geïmplementeerd in artikel 6.1b van het Vb.
ECLI:EU:C:2026:37, zaak C-877/24, meer in het bijzonder de rechtsoverwegingen 48 tot en met 50 en rechtsoverweging 59.
Aanbeveling (EU) 2017/2338 van de commissie van 16 november 2017 tot vaststelling van een gemeenschappelijk “terugkeerhandboek” voor gebruik door de bevoegde autoriteiten van de lidstaten bij de uitvoering van terugkeergerelateerde taken, p. 38.
Dit volgt bijvoorbeeld uit rechtsoverweging 72 van het arrest van het Hof van 12 september 2024 zaak C-352-23 (Changu), ECLI:EU:C:2024:748, en het terugkeerhandboek, p.38.
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.14468
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. P. Scholtes),
en
de minister van Asiel en Migratie
, verweerder
(gemachtigde: mr. S. Kuster).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd met als verblijfsdoel ‘familie en gezin’. Verweerder wijst de aanvraag af omdat eiser niet beschikt over een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en niet in aanmerking komt voor vrijstelling van het mvv-vereiste. Daarnaast wijst verweerder de aanvraag af omdat eiser een gevaar is voor de openbare orde. Verder heeft verweerder een terugkeerbesluit tegen eiser uitgevaardigd, maar de terugkeerprocedure tijdelijk opgeschort vanwege een uitreisbeperking. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag en het terugkeerbesluit. Aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder de aanvraag op goede gronden heeft afgewezen. Eiser krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning met als verblijfsdoel ‘familie en gezin’. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 29 november 2022 afgewezen.
2.1.
Met het bestreden besluit van 6 maart 2024 is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 29 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, [naam] (partner van eiser tevens referente) en de gemachtigde van verweerder.
2.4.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en eiser en verweerder de mogelijkheid geboden om te reageren op de feiten die blijken uit het Uittreksel Justitiële Documentatie van 7 november 2024 dat verweerder ter zitting aan het dossier heeft toegevoegd.
2.5.
Na een schriftelijke uitwisseling van standpunten, hebben partijen desgevraagd niet aangegeven gebruik te willen maken van een nadere zitting, waarop de rechtbank het onderzoek heeft gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiser heeft op 18 maart 2022 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als verblijfsdoel ‘familie en gezin’. Eiser wenst graag bij zijn partner (referente) te verblijven. Zij heeft de Nederlandse nationaliteit en woont in Rotterdam.
3.1.
Verweerder heeft de aanvraag afgewezen. In het bestreden besluit is verweerder bij de afwijzing gebleven. Verweerder wijst de aanvraag af omdat eiser niet beschikt over een mvv en ook niet in aanmerking komt voor vrijstelling van het mvv-vereiste. Daarbij stelt verweerder zich op het standpunt dat de uitzetting van eiser niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM, zodat er geen aanleiding bestaat om eiser op grond daarvan vrij te stellen van het mvv-vereiste. Verder komt eiser geen beroep op de hardheidsclausule toe, omdat geen sprake is van bijzondere, persoonlijke feiten en omstandigheden die het onevenredig bezwarend maken om een mvv aan te vragen. Daarbij geldt dat de uitreisbeperking, die eiser vanwege een strafrechtelijke procedure (als schorsingsvoorwaarde op 24 januari 2022) is opgelegd en die eiser verhindert om Nederland te verlaten, slechts van tijdelijke duur is. Dit betekent dat verweerder geen aanleiding ziet om eiser vrij te stellen van het mvv-vereiste op grond van de hardheidsclausule. Daarnaast wijst verweerder de aanvraag af omdat eiser een gevaar vormt voor de openbare orde. Dit gelet op zijn strafrechtelijke antecedenten, waarvoor hij voor meerdere misdrijven is veroordeeld tot een onvoorwaardelijk gevangenisstraf. De afwijzing van de aanvraag geldt tevens als terugkeerbesluit. Vanwege de uitreisbeperking wordt de terugkeerprocedure tijdelijk opgeschort.
Toetsingskader
4. Een aanvraag om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd kan worden afgewezen als de vreemdeling niet beschikt over een mvv die overeenkomt met het doel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd. Een vreemdeling kan van deze mvv verplichting worden vrijgesteld bijvoorbeeld als diens uitzetting in strijd is met artikel 8 van het EVRM (het recht op familie- of gezinsleven en/of het privéleven). Ook is geen mvv vereist als dit leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard (hardheidsclausule). Daarnaast kan een aanvraag om een verblijfsvergunning regulier worden afgewezen wegens gevaar voor de openbare orde.
4.1.
Het wettelijke kader van deze uitspraak is in de bijlage opgenomen.
Herhaald en ingelast
5. Voor zover eiser ter onderbouwing van zijn beroep heeft verwezen naar de gronden van bezwaar en deze als herhaald en ingelast beschouwt, kan de rechtbank niet afleiden waarom eiser van mening is dat het bestreden besluit onjuist is. Met deze enkele verwijzing heeft eiser immers niet duidelijk gemaakt op welke punten het bestreden besluit onjuist of onvolledig is en waarom. Daarom zal de rechtbank uitsluitend de gronden van beroep, voor zover relevant, bespreken.
Leidt een beroep op artikel 8 van het EVRM tot vrijstelling van het mvv-vereiste?
6. Niet in geschil is dat eiser familieleven heeft met referente en dat sprake is van privéleven. Voor de vraag of uitzetting van eiser in strijd is met zijn familie- en privéleven, en dus of hij in aanmerking komt voor een vrijstelling van het mvv-vereiste, moet een belangenafweging worden gemaakt tussen het belang van eiser bij het kunnen uitoefenen van zijn familie- en privéleven enerzijds en het belang van de Nederlandse staat anderzijds. Daarbij moeten alle voor die belangenafweging van betekenis zijnde feiten en omstandigheden kenbaar worden betrokken. Omdat bij deze belangenafweging openbare ordeaspecten een rol spelen, moeten de in het Boultif- en het Üner-arrest benoemde criteria (guiding principles) bij de belangenafweging worden betrokken. Hiertoe behoren onder meer de aard en ernst van het gepleegde misdrijf, de duur van het verblijf in het gastland, het tijdsverloop sinds het misdrijf en de gedragingen van de betrokken vreemdeling gedurende die tijd, en de hechtheid van de sociale, culturele en familiebanden van de betrokken vreemdeling met het gastland en het land van herkomst. De rechter moet toetsen of verweerder alle relevante feiten en omstandigheden in zijn belangenafweging heeft betrokken en, zo ja, of verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat die afweging heeft geresulteerd in een fair balance.
6.1.
Eiser stelt dat het vasthouden aan het mvv-vereiste in strijd is met artikel 8 van het EVRM. Eiser kan vanwege de uitreisbeperking niet (samen met referente) naar Montenegro om daar te verblijven. Ook is sprake van een certain degree of hardship omdat referente dan haar bedrijfsvoering in Nederland zal moeten beëindigen en daardoor haar coronaschuld in Nederland niet kan betalen. Eiser geeft aan dat de belangen van de Nederlandse staat minder zwaar wegen. Dit gelet op zijn gezinsleven, het feit dat het eiser al is toegestaan om 180 dagen visumvrij in Nederland te verblijven en er ten aanzien van de strafrechtelijke antecedenten sprake is van tijdsverloop. Het laatste strafbare feit dateert uit 2014 en de eerdere ongewenstverklaring is opgeheven. Eiser heeft het plegen van strafbare feiten achter zich gelaten en is inmiddels – zo heeft hij ter zitting nogmaals verklaard – een familieman geworden. Deze gedragsverandering is volgens eiser ten onrechte niet meegenomen in de belangenafweging.
6.2.
De rechtbank overweegt dat verweerder op deze grond geen aanleiding heeft hoeven zien om eiser vrij te stellen van het mvv-vereiste. Verweerder heeft zich niet ten onrechte en voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat de belangenafweging in het nadeel van eiser uitvalt. Daarbij heeft verweerder mogen betrekken dat eiser nooit een verblijfsvergunning heeft gehad, en zijn uitgangspositie daarom minder sterk is. Referente heeft weliswaar de Nederlandse nationaliteit en voldoet aan het middelenvereiste, wat verweerder in het voordeel heeft gewogen, maar verweerder heeft daaraan geen doorslaggevend gewicht hoeven toekennen. Verweerder heeft zwaar in het nadeel van eiser mogen wegen dat hij een ernstige inbreuk op de openbare orde heeft gemaakt. Daarbij heeft verweerder kenbaar getoetst aan de Boultif- en Üner-criteria, zoals beschreven onder 6. Eiser is veroordeeld voor meerdere misdrijven, waaronder diverse malen voor drugs- en wapenhandel, laatstelijk voor dergelijke feiten op 26 september 2014 door de meervoudige kamer van de rechtbank Rotterdam. Dit zijn ernstige vergrijpen die de fundamentele belangen van de samenleving ernstig in gevaar brengen. Nu eiser (niet alleen in het verleden, maar ook recent) is doorgegaan met het plegen van strafbare feiten, heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat sprake is van recidivegevaar en eiser niet heeft kunnen volstaan met de stelling dat sprake is van een positieve gedragsverandering. Daarbij heeft verweerder gewezen op een nog lopende strafrechtelijke procedure waarbij eiser wordt verdacht van diverse misdrijven. Zoals ter zitting is gebleken, is eiser daarvoor veroordeeld. Dat daarbij geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf is opgelegd, doet – anders dan eiser stelt – aan het voorgaande niet af. Verweerder heeft verder betrokken dat eiser nog maar kort in Nederland verblijft, niet is gebleken van een sterke binding met Nederland anders dan dat zijn partner en haar meerderjarige kinderen hier verblijven, en eiser geacht kan worden sterke banden te hebben met Montenegro. Dit nu hij het merendeel van zijn leven daar heeft gewoond, waaronder in zijn vormende jaren. Eiser verblijft nog maar kort in Nederland, hij en referente hebben er zelf voor gekozen familieleven te starten en te intensiveren terwijl – ten tijde van het aangaan van dat familieleven – een ongewenstverklaring gold en eiser geen rechtmatig verblijf had. Dat zowel sprake is van een certain degree of hardship als een objectieve belemmering, zoals eiser heeft gesteld, volgt de rechtbank niet. Het moet daarbij immers respectievelijk gaan om omstandigheden die zijn gelegen in het land van herkomst (Montenegro) die het opbouwen van een nieuw bestaan en het aanpassen aan de nieuwe situatie bemoeilijkt, dan wel een omstandigheid die het onmogelijk maakt om aldaar het gezinsleven uit te oefenen, en daarvan is in dit geval niet gebleken. Niet is gebleken dat het uitoefenen van het gezinsleven in Montenegro onmogelijk is. De partner en kinderen kunnen ervoor kiezen om in Nederland te blijven, dan wel eiser te vergezellen naar Montenegro. Hierbij geldt dat de rechtbank, met verweerder, van oordeel is dat de uitreisbeperking tijdelijk van aard is. Dat eiser een deel van de tijd visumvrij in Nederland kan verblijven, betekent niet dat verweerder reeds daarom, mede in het licht van het voorgaande, de belangenafweging alsnog in het voordeel van eiser had moeten laten uitvallen. Een visumvrije periode maakt het bovendien makkelijker om het familieleven op afstand uit te oefenen, zoals verweerder terecht heeft opgemerkt.
6.3.
Over het privéleven heeft verweerder, in aansluiting op het voorgaande, opgemerkt dat eiser vanaf 6 september 2021 (weer) (zonder verblijfsvergunning) in Nederland verblijft, opgebouwde banden met Nederland in dat kader niet zwaar wegen en de keuze om desondanks banden aan te gaan en te intensiveren voor eisers eigen rekening en risico komen. De banden van eiser met Nederland zijn los daarvan beperkt, terwijl eiser daarentegen kan worden geacht sterke banden met Montenegro te hebben. Verweerder heeft een zwaar belang bij de bescherming van de openbare orde en eisers handelen heeft weinig tot geen blijk van respect gegeven voor de normen en waarden van de Nederlandse samenleving. Verweerder heeft dat evenzo zwaar in het nadeel van eiser kunnen wegen. Daarbij heeft verweerder het economisch belang zwaar kunnen laten wegen, nu eiser met een verblijfsvergunning, anders dan met een visum, aanspraak kan maken op door de overheid betaalde voorzieningen, zoals onderwijs, gezondheidszorg en infrastructuur. De rechtbank acht de door verweerder in dat kader verrichte belangenafweging volledig, voldoende gemotiveerd en navolgbaar.
6.4.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Leidt de uitreisbeperking tot een onbillijkheid van overwegende aard?
7. Uit vaste rechtspraak over de hardheidsclausule volgt dat indien een vreemdeling feiten en omstandigheden aanvoert die op zichzelf genomen niet voldoende zijn om in aanmerking te komen voor een vrijstelling van het mvv-vereiste, verweerder moet beoordelen of het onevenredig bezwarend zou zijn om vast te houden aan het mvv-vereiste als die vreemdeling daarnaast aan alle materiële vereisten zou voldoen. Deze omstandigheden zal verweerder in onderlinge samenhang moeten beoordelen.
7.1.
Eiser stelt zich het standpunt dat de uitreisbeperking, die aan hem is opgelegd vanwege een lopend strafrechtelijk onderzoek, ertoe had moeten leiden dat hij werd vrijgesteld van het mvv-vereiste. Door de uitreisbeperking kon hij ten tijde van het bestreden besluit immers niet uitreizen naar Montenegro om een mvv aan te vragen. Omdat de uitreisbeperking voortduurde, kan geen sprake zijn van een tijdelijke uitreisbeperking. Als gevolg hiervan heeft het leven van eiser twee jaar stil gestaan. Hij kon niet werken, zich niet verzekeren tegen ziektekosten en geen ivf-behandeling ondergaan, waardoor eiser en referente uiteindelijk – zo is ter zitting gebleken – afscheid hebben moeten nemen van hun wens samen een kind te krijgen. Volgens eiser is sprake van bijzondere en persoonlijke feiten die hadden moeten leiden tot vrijstelling van het mvv-vereiste. Eiser verwijst daarbij ook naar de versoepeling van het mvv-vereiste voor mensen die door de coronacrisis niet konden terugkeren. Een vergelijkbare situatie doet zich volgens eiser hier voor.
7.2.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder geen aanleiding heeft hoeven zien om eiser vrij te stellen van het mvv-vereiste op grond van de hardheidsclausule. Verweerder heeft kunnen menen dat geen sprake is van bijzondere, persoonlijke omstandigheden die maken dat het onevenredig zwaar is om van eiser te verwachten dat hij terugkeert naar zijn land van herkomst om een mvv aan te vragen. Dit nu de uitreisbeperking tijdelijk van aard is en eiser na de strafzaak naar Montenegro kan voor het verkrijgen van een mvv. Dat de strafzaak een paar jaar heeft geduurd en eisers leven als (indirect) gevolg daarvan heeft stilgestaan, maakt dat naar het oordeel van de rechtbank niet anders. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat dit in het kader van de onderhavige procedure geen onbillijkheid van overwegende aard oplevert. Van een overmachtssituatie die buiten ieders schuld lag, zoals ten tijde van corona het geval was, is in dit geval geen sprake.
7.3.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Afwijzingsgrond gevaar voor de openbare orde
8. Nu verweerder de aanvraag om een verblijfvergunning regulier voor bepaalde tijd reeds heeft mogen afwijzen vanwege het ontbreken van een geldige mvv, zoals volgt uit hetgeen hiervoor is overwogen, zal de rechtbank de separate afwijzingsgrond ‘gevaar voor de openbare orde’ niet verder beoordelen. Voor zover de beroepsgronden van eiser hierop betrekking hebben, zal deze rechtbank deze dan ook verder buiten bespreking laten.
Leidt de opschorting van het terugkeerbesluit tot een rechtmatig verblijf van eiser?
9. Eiser stelt, onder verwijzing naar het TQ-arrest, dat geen terugkeerbesluit mocht worden uitgevaardigd, omdat het terugkeerbesluit vanwege de uitreisbeperking niet kon worden uitgevoerd. Dat is in strijd met de Terugkeerrichtlijn. Zelfs als wel een terugkeerbesluit mocht worden opgelegd, zou de opschorting er volgens eiser toe leiden dat hij alsnog rechtmatig verblijf heeft.
9.1.
De rechtbank stelt voorop dat, zodra is vastgesteld dat het verblijf illegaal is, zoals in dit geval, in beginsel een terugkeerbesluit dient te worden uitgevaardigd. Dat is in dit geval niet anders. Indien een spoedige verwijdering niet aan de orde is, biedt artikel 9 van de Terugkeerrichtlijn de mogelijkheid om verwijdering uit te stellen. Uit het eerste lid volgt wanneer de verwijdering moet worden uitgesteld, en in het tweede lid is opgenomen wanneer dit kan worden uitgesteld. De rechtbank volgt het standpunt van verweerder dat artikel 9, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn door de toevoeging ‘met name’ geen limitatieve opsomming bevat van omstandigheden op grond waarvan terugkeer kan worden uitgesteld. De rechtbank vindt voor dit oordeel steun in de conclusie van de advocaat-generaal van 22 januari 2026 en het terugkeerhandboek. Dit betekent dat verweerder, gelet op de uitreisbeperking, de terugkeerprocedure kon opschorten voor de duur van die uitreisbeperking.
9.2.
Voor zover eiser (subsidiair) heeft betoogd dat aan hem gelet op de onderhavige opschorting rechtmatig verblijf toekomt, volgt de rechtbank dit evenmin. Er ontstaat immers geen verblijfsrecht bij uitstel van verwijdering.
9.3.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en hij niet wordt vrijgesteld van het mvv-vereiste. Ook blijft het terugkeerbesluit in stand. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.P. Heijne, rechter, in aanwezigheid van E.J. van den Doel, griffier.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Terugkeerrichtlijn
Artikel 6
1. Onverminderd de in de leden 2 tot en met 5 vermelde uitzonderingen, vaardigen de lidstaten een terugkeerbesluit uit tegen de onderdaan van een derde land die illegaal op hun grondgebied verblijft.
Artikel 8
1. De lidstaten nemen de nodige maatregelen om het terugkeerbesluit uit te voeren indien er geen termijn voor vrijwillig vertrek overeenkomstig artikel 7, lid 4, is toegekend of indien de betrokkene niet binnen de volgens artikel 7 toegestane termijn voor vrijwillig vertrek aan de terugkeerverplichting heeft voldaan.
Artikel 9
1. De lidstaten stellen de verwijdering uit:
in geval deze in strijd zou zijn met het beginsel van non refoulement, of
voor de duur van de overeenkomstig artikel 13, lid 2, toe gestane opschorting.
2. De lidstaten kunnen op grond van de specifieke omstandigheden de verwijdering in een individueel geval voor een passende termijn uitstellen. Door de lidstaten wordt met name rekening gehouden met:
de fysieke of mentale gesteldheid van de onderdaan van een derde land;
technische redenen, zoals het ontbreken van vervoermiddelen of het mislukken van de verwijdering wegens onvoldoende identificatie
Vreemdelingenwet
Artikel 16
1. Een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 kan worden afgewezen indien:
a. de vreemdeling niet beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd;
(…)
d. de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid;
Artikel 62
1. Nadat tegen de vreemdeling, niet zijnde gemeenschapsonderdaan, een terugkeerbesluit is uitgevaardigd, dient hij Nederland uit eigen beweging binnen vier weken te verlaten.
Vreemdelingenbesluit 2000
Artikel 3.71
1. De aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd wordt afgewezen, indien de vreemdeling niet beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf.
2. Van het vereiste van een geldige machtiging tot verblijf is, op grond van artikel 17, eerste lid, onder g, van de Wet, vrijgesteld de vreemdeling:
(…)
l. van wie uitzetting in strijd met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden zou zijn;
3. Onze Minister kan het eerste lid buiten toepassing laten, voorzover toepassing daarvan naar zijn oordeel zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
Artikel 3.77
1. De aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd kan op grond van artikel 16, eerste lid, onder d, van de Wet worden afgewezen wegens gevaar voor de openbare orde, indien:
de vreemdeling terzake van een misdrijf is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf of onvoorwaardelijke jeugddetentie, tot een onvoorwaardelijke maatregel als bedoeld in artikel 37a, 38m of 77h, vierde lid, onder a of b, van het Wetboek van Strafrecht, tot een taakstraf of tot een onvoorwaardelijke geldboete, dan wel indien hij terzake van misdrijf een transactieaanbod heeft aanvaard of jegens hem een strafbeschikking is uitgevaardigd.
Artikel 6.1b
1. Ingeval de vreemdeling ingevolge artikel 62, tweede lid, van de Wet onmiddellijk moet vertrekken of niet is vertrokken binnen de voor hem geldende vertrektermijn, kan de uitzetting worden uitgesteld. Bij het uitstel wordt in ieder geval rekening gehouden met de fysieke of mentale gesteldheid van de vreemdeling en technische redenen, zoals het ontbreken van vervoermiddelen of het mislukken van de uitzetting wegens onvoldoende identificatie.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als de minister.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
Dit volgt uit artikel 3.77, eerste lid, aanhef en onder c, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
Dit volgt uit artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) en artikel 3.71, eerste lid, van het Vb.
Dit volgt uit artikel 3.71, tweede lid, aanhef en onder l van het Vb.
Dit volgt uit artikel 3.71, derde lid, van het Vb.
Artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw in samenhang met artikel 3.77 van het Vb.
Uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 2 augustus 2001, nr. 54273/00 (Boultif).
Uitspraak van het EHRM van 18 oktober 2006, nr. 46410/99 (Üner).
Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 3 december 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:4481), onder 2.1.
Uitspraak van de Afdeling van 29 juni 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:1722), onder 5.4.
De ongewenstverklaring is bij besluit van 10 augustus 2022 opgeheven, naar de rechtbank begrijpt vanwege de uitreisbeperking
Uitspraak van de Afdeling van 29 maart 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1001).
De politierechter heeft eiser op 14 oktober 2024 veroordeeld.
Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) van 14 januari 2021, ECLI:EU:C:2021:9.
Richtlijn 2008/115 (Terugkeerrichtlijn).
Dit volgt uit artikel 6, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn.
Zie bijvoorbeeld artikel 8, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn en overweging 80 van het arrest TQ.
Artikel 9 van de Terugkeerrichtlijn is geïmplementeerd in artikel 6.1b van het Vb.
ECLI:EU:C:2026:37, zaak C-877/24, meer in het bijzonder de rechtsoverwegingen 48 tot en met 50 en rechtsoverweging 59.
Aanbeveling (EU) 2017/2338 van de commissie van 16 november 2017 tot vaststelling van een gemeenschappelijk “terugkeerhandboek” voor gebruik door de bevoegde autoriteiten van de lidstaten bij de uitvoering van terugkeergerelateerde taken, p. 38.
Dit volgt bijvoorbeeld uit rechtsoverweging 72 van het arrest van het Hof van 12 september 2024 zaak C-352-23 (Changu), ECLI:EU:C:2024:748, en het terugkeerhandboek, p.38.