Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:8759

2026-03-13 Civiel recht; Personen- en familierecht C/09/685294 / FA RK 25-3637
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-03-13
Publicatiedatum
2026-04-13
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
C/09/685294 / FA RK 25-3637
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Voogdij

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (7.124 tekens)
Rechtbank DEN HAAG


Enkelvoudige kamer


Rekestnummer: FA RK 25-3637
Zaaknummer: C/09/685294
Datum beschikking: 13 maart 2026


Voorziening in de voogdij ex artikel 1:295 BW



Beschikking op het op 8 mei 2025 ingekomen verzoekschrift van:



de Raad voor de Kinderbescherming, Regio Haaglanden,
hierna: de Raad.


Als belanghebbenden worden aangemerkt:




Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering, Regio [plaats],
de voogdes,



Jeugdbescherming Noord en Veilig Thuis [plaats],
de beoogd voogdes,


en





[minderjarige] (hierna: [minderjarige]),
geboren op [geboortedatum] 2010 te [geboorteland].



Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:


het pro forma verzoekschrift van 8 mei 2025;


de e-mail van [minderjarige] van 31 januari 2026;


het verzoekschrift van 10 februari 2026, inclusief bijlagen, waaronder het rapport van de Raad met kenmerk KZ-1-68YWN64 van 9 februari 2026.




Op 23 februari 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen [naam 1] namens de Raad en [naam 2] en [naam 3] namens de voogdes. De beoogd voogdes is – hoewel behoorlijk opgeroepen – niet ter zitting verschenen.



De [minderjarige] heeft haar mening schriftelijk kenbaar gemaakt en heeft zich op 6 maart 2026 ook in een gesprek met de rechter (via een videoverbinding) uitgelaten over het verzoek.




Feiten



[minderjarige] verblijft sinds 10 februari 2025 in Nederland.


Bij beschikkingen van deze rechtbank van 7 februari 2025 en 20 februari 2025 is de voogdes belast met de voorlopige voogdij over [minderjarige]. Omdat de Raad in de onderhavige zaak op 8 mei 2025 een verzoek tot voorziening in de voogdij heeft ingediend, loopt deze voogdij door totdat op dit verzoek is beslist.


Bij beschikking van 3 november 2025 heeft de rechtbank Noord-Nederland de voogdes een machtiging verleend om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 3 november 2025 tot 3 februari 2026.


Bij beschikking van 28 januari 2026 heeft de rechtbank Noord-Nederland de voogdes een machtiging verleend om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 28 januari 2026 tot 28 april 2026.



[minderjarige] verblijft sinds 10 februari 2025 in Nederland en zij verblijft op dit moment in een accommodatie voor gesloten jeugdhulp van [instantie] in [plaats].





Verzoek
De Raad verzoekt de rechtbank in het kader van artikel 1:295 van het Burgerlijk Wetboek (BW) de beoogd voogdes (Stichting Jeugdbescherming Noord en Veilig Thuis [plaats]) tot voogd te benoemen over [minderjarige].



Beoordeling


Rechtsmacht en toepasselijk recht

Naar het oordeel van de rechtbank is zij bevoegd om kennis te nemen van het verzoek op grond van artikel 5 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Dit artikel bepaalt dat de dat de Nederlandse rechter onverminderd artikel 1 Rv in zaken betreffende ouderlijke verantwoordelijkheid geen rechtsmacht heeft indien het kind zijn gewone verblijfplaats niet in Nederland heeft, tenzij in een uitzonderlijk geval, wegens de verbondenheid van de zaak met de rechtssfeer van Nederland, waarin hij zich in staat acht het belang van het kind naar behoren te beoordelen. Daarvoor is vereist dat de zaak zodanige aanknopingspunten met de rechtssfeer van Nederland heeft, dat het belang van het kind, dat zijn gewone verblijfplaats buiten Nederland heeft, het noodzakelijk maakt dat de Nederlandse rechter zich bevoegd verklaart.



Uit het verzoekschrift en hetgeen ter zitting is besproken volgt dat [minderjarige] in een accommodatie voor gesloten jeugdhulp in Nederland verblijft en dat het noodzakelijk is dat zij de cognitieve gedragsbehandeling die zij hier nu volgt, kan afronden en kan opvolgen met de benodigde traumabehandeling. Op basis hiervan is de Nederlandse rechter bevoegd om kennis te nemen van het verzoek.



Nu op grond van de artikelen 262-268 Rv geen bevoegde rechter in Nederland wordt aangewezen, is de rechter in Den Haag bevoegd om kennis te nemen van het verzoek op grond van artikel 269 Rv. Daarop zal de rechter Nederlands recht toepassen.




Inhoudelijke beoordeling

Uit de stukken en hetgeen op de zitting is besproken is gebleken dat de moeder van [minderjarige], die woonachtig is in [land], geen ouderlijke gezag meer heeft. Op dit moment voert de voogdes de voorlopige voogdij uit, maar de voogdes wenst de uitvoering van de voogdij niet voort te zetten. Het is de rechtbank gebleken dat de voornaamste reden hiervoor is dat de voogdes als organisatie en de [landelijke] Voogdijraad van mening verschillen over het perspectief van [minderjarige]. Naar het oordeel van de rechtbank maakt het voorgaande dat er niet duurzaam in het gezag van [minderjarige] is voorzien en dat er een voorziening in het gezag noodzakelijk is, ook om te waarborgen dat de huidige cognitieve gedragsbehandeling van [minderjarige] gecontinueerd kan worden en er daarna kan worden gestart met traumabehandeling.



De beoogd voogdes (Jeugdbescherming Noord en Veilig Thuis [plaats]) heeft zich schriftelijk bereid verklaard om de voogdij over [minderjarige] te aanvaarden.



Naar het oordeel van de rechtbank verzet het belang van [minderjarige] zich niet tegen de verzochte voorziening in de voogdij. [minderjarige] heeft in haar brief en het gesprek met de kinderrechter aangegeven dat zij graag in Nederland wil blijven zodat zij haar behandeling en begeleiding kan voortzetten en naar school kan blijven gaan in een veilige omgeving. Hoewel zij blij is met haar huidige voogden van het Leger des Heils, geeft [minderjarige] aan dat zij – gelet op de omstandigheden – begrijpt dat voortaan Jeugdbescherming Noord met de voogdij wordt belast.



Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het verzoek van de Raad als gegrond op de wet toewijzen en de beoogd voogdes belasten met het gezag over [minderjarige].




Beslissing
De rechtbank:


*
benoemt Stichting Jeugdbescherming Noord en Veilig Thuis [plaats] tot voogdes over de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2010 te [geboorteland];



*
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.










Deze beschikking is gegeven door mr. A.S. Perniciaro, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. A.J. Klootwijk als griffier en uitgesproken op de openbare zitting van 13 maart 2026.