Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:7091
2026-04-01
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
25/1846
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Beroep niet-ontvankelijk. Geen procesbelang.
Citeert (1)
- ECLI:NL:CRVB:2024:2444 Centrale Raad van Beroep 03-12-2024
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (7.461 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/1846
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 april 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
en
de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (Uwv),
verweerder
(gemachtigde: R. Roos).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de beslissing van het Uwv om de uitkering voor het betaald ouderschapsverlof uit te betalen aan de werkgever van eiser. Eiser is het daar niet mee eens. Hij vindt dat op grond van het Ziekengeldreglement 2017 de uitkering aan hem uitbetaald had moeten worden en niet aan zijn werkgever.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eiser geen procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. De werkgever van eiser heeft op 8 augustus 2024 een aanvraag voor een uitkering betaald ouderschapsverlof ingediend bij het Uwv. Met het primaire besluit van 15 augustus 2024 is aan eiser per 1 mei 2024 een uitkering betaald ouderschapsverlof toegekend, welke uitkering is betaald aan de werkgever van eiser. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
2.1.
Met het bestreden besluit van 7 februari 2025 heeft het Uwv het primaire besluit gehandhaafd en het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
2.2.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.
Gronden eiser
3. Eiser voert aan dat volgens het Ziekengeldreglement 2017 de uitkering aan de werknemer moet worden uitbetaald als de werknemer zich verzet tegen uitbetaling aan de werkgever. Het Uwv gaat eraan voorbij dat een werkgever het aanvraagformulier kan indienen zonder overleg met of instemming van de werknemer. Eiser geeft verder aan dat zijn beroep niet is gericht op enige vorm van financieel voordeel. Als het beroep zou slagen levert hem dat geen financieel voordeel op, het gaat hem om het principe.
Standpunt verweerder
4. Het Uwv stelt zich op het standpunt dat uit artikel 6:3a van de Wet arbeid en zorg (WAZO) volgt dat de werknemer die in aanmerking wenst te komen voor een uitkering, daartoe een aanvraag indient door tussenkomst van de werkgever bij het Uwv. Hieruit volgt dat de werkgever in overleg met de werknemer de aanvraag indient. Eiser had toen al bij zijn werkgever kunnen aangeven dat hij de uitkering zelf wil ontvangen. Verder stelt het Uwv zich op het standpunt dat eiser geen procesbelang heeft nu eiser enkel een principieel belang heeft.
Beoordeling door de rechtbank
5. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of eiser een procesbelang heeft bij de beoordeling van het beroep.
5.1.
Volgens vaste rechtspraak is pas sprake van procesbelang als het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het instellen van (hoger) beroep nastreeft, daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Dat betekent dat er aanleiding is om een (hoger) beroep inhoudelijk te beoordelen indien de indiener daarbij een actueel en reëel belang heeft. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van procesbelang. Als sprake is van een reeds verstreken periode, blijft procesbelang aanwezig als een inhoudelijk oordeel over het bestreden besluit van belang kan zijn voor een toekomstige periode.
5.2.
Van procesbelang in deze zin is bij eiser geen sprake. Hiervoor is het volgende van belang.
5.2.1.
Eiser geeft in zijn beroepschrift aan dat het beroep niet gericht is op enige vorm van financieel voordeel en het hem gaat om het principe. Hieruit volgt dat het beroep voor eiser niet tot een gunstiger resultaat kan leiden. Het hebben van een principieel belang is onvoldoende om procesbelang aan te nemen.
5.2.2.
Het geschil gaat daarnaast over de uitbetaling van de uitkering voor het betaald ouderschapsverlof over een periode die is verstreken. Niet is gebleken dat een inhoudelijk oordeel over het bestreden besluit nog van belang kan zijn voor een toekomstige periode. Eiser heeft naar voren gebracht dat zijn belang er ook in is gelegen dat hij, voor een eventuele volgende aanvraag om betaald ouderschapsverlof, weet dat die uitkering moet worden aangevraagd door zijn werkgever en in beginsel aan zijn werkgever wordt uitbetaald, maar dat hij het vooraf aan zijn werkgever kan doorgeven als hij wil dat de uitkering aan hemzelf wordt uitbetaald. Ook dat levert hem echter geen procesbelang op. Eiser is er inmiddels immers van op de hoogte dat hij het bij zijn werkgever zal moeten aankaarten als hij wil dat een eventuele volgende uitkering betaald ouderschapsverlof aan hemzelf wordt uitbetaald. Ook op dat punt kan hij dus niet beter worden van deze procedure.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.A. Oudenaarden, rechter, in aanwezigheid van
mr. S. Cakir, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 1 april 2026 zijn
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Zie onder meer de uitspraak van 3 december 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2444.
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/1846
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 april 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
en
de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (Uwv),
verweerder
(gemachtigde: R. Roos).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de beslissing van het Uwv om de uitkering voor het betaald ouderschapsverlof uit te betalen aan de werkgever van eiser. Eiser is het daar niet mee eens. Hij vindt dat op grond van het Ziekengeldreglement 2017 de uitkering aan hem uitbetaald had moeten worden en niet aan zijn werkgever.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eiser geen procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. De werkgever van eiser heeft op 8 augustus 2024 een aanvraag voor een uitkering betaald ouderschapsverlof ingediend bij het Uwv. Met het primaire besluit van 15 augustus 2024 is aan eiser per 1 mei 2024 een uitkering betaald ouderschapsverlof toegekend, welke uitkering is betaald aan de werkgever van eiser. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
2.1.
Met het bestreden besluit van 7 februari 2025 heeft het Uwv het primaire besluit gehandhaafd en het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
2.2.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.
Gronden eiser
3. Eiser voert aan dat volgens het Ziekengeldreglement 2017 de uitkering aan de werknemer moet worden uitbetaald als de werknemer zich verzet tegen uitbetaling aan de werkgever. Het Uwv gaat eraan voorbij dat een werkgever het aanvraagformulier kan indienen zonder overleg met of instemming van de werknemer. Eiser geeft verder aan dat zijn beroep niet is gericht op enige vorm van financieel voordeel. Als het beroep zou slagen levert hem dat geen financieel voordeel op, het gaat hem om het principe.
Standpunt verweerder
4. Het Uwv stelt zich op het standpunt dat uit artikel 6:3a van de Wet arbeid en zorg (WAZO) volgt dat de werknemer die in aanmerking wenst te komen voor een uitkering, daartoe een aanvraag indient door tussenkomst van de werkgever bij het Uwv. Hieruit volgt dat de werkgever in overleg met de werknemer de aanvraag indient. Eiser had toen al bij zijn werkgever kunnen aangeven dat hij de uitkering zelf wil ontvangen. Verder stelt het Uwv zich op het standpunt dat eiser geen procesbelang heeft nu eiser enkel een principieel belang heeft.
Beoordeling door de rechtbank
5. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of eiser een procesbelang heeft bij de beoordeling van het beroep.
5.1.
Volgens vaste rechtspraak is pas sprake van procesbelang als het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het instellen van (hoger) beroep nastreeft, daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Dat betekent dat er aanleiding is om een (hoger) beroep inhoudelijk te beoordelen indien de indiener daarbij een actueel en reëel belang heeft. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van procesbelang. Als sprake is van een reeds verstreken periode, blijft procesbelang aanwezig als een inhoudelijk oordeel over het bestreden besluit van belang kan zijn voor een toekomstige periode.
5.2.
Van procesbelang in deze zin is bij eiser geen sprake. Hiervoor is het volgende van belang.
5.2.1.
Eiser geeft in zijn beroepschrift aan dat het beroep niet gericht is op enige vorm van financieel voordeel en het hem gaat om het principe. Hieruit volgt dat het beroep voor eiser niet tot een gunstiger resultaat kan leiden. Het hebben van een principieel belang is onvoldoende om procesbelang aan te nemen.
5.2.2.
Het geschil gaat daarnaast over de uitbetaling van de uitkering voor het betaald ouderschapsverlof over een periode die is verstreken. Niet is gebleken dat een inhoudelijk oordeel over het bestreden besluit nog van belang kan zijn voor een toekomstige periode. Eiser heeft naar voren gebracht dat zijn belang er ook in is gelegen dat hij, voor een eventuele volgende aanvraag om betaald ouderschapsverlof, weet dat die uitkering moet worden aangevraagd door zijn werkgever en in beginsel aan zijn werkgever wordt uitbetaald, maar dat hij het vooraf aan zijn werkgever kan doorgeven als hij wil dat de uitkering aan hemzelf wordt uitbetaald. Ook dat levert hem echter geen procesbelang op. Eiser is er inmiddels immers van op de hoogte dat hij het bij zijn werkgever zal moeten aankaarten als hij wil dat een eventuele volgende uitkering betaald ouderschapsverlof aan hemzelf wordt uitbetaald. Ook op dat punt kan hij dus niet beter worden van deze procedure.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.A. Oudenaarden, rechter, in aanwezigheid van
mr. S. Cakir, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 1 april 2026 zijn
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Zie onder meer de uitspraak van 3 december 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2444.