Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:29162
2026-01-28
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL24.10585
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
VK; aanvraag verblijfsvergunning arbeid in loondienst aan boord van een Nederlands zeeschip; ogg; overschrijding redelijke termijn
Citeert (3)
- ECLI:NL:RBDHA:2023:21372 Rechtbank Den Haag 05-12-2023
- ECLI:NL:RVS:2024:2661 Raad van State 01-07-2024
- ECLI:NL:RVS:2022:2668 Raad van State 14-09-2022
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (9.418 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL24.10585
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser]
, V-nummer: [nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. D. Schaap),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. H.J. Metselaar), en
de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid).
Procesverloop
Bij besluit van 13 oktober 2023 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd met als doel ‘arbeid in loondienst aan boord van een Nederlands zeeschip’ afgewezen.
Bij besluit van 9 februari 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 14 januari 2026 op zitting behandeld. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.
Overwegingen
Feiten
1. Eiser is geboren op [geboortedag] 1964 en heeft de Kaapverdische nationaliteit. Hij heeft op 19 mei 2023 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. Met het primaire besluit van 13 oktober 2023 heeft verweerder de aanvraag afgewezen, omdat niet is gebleken dat eiser voldoet aan de voorwaarden.
2. Met het bestreden besluit van 9 februari 2024 heeft verweerder het op 9 november 2023 ontvangen bezwaar van eiser kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Hierover gaat deze uitspraak.
Het bestreden besluit
3. Met het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard, omdat uit het bezwaarschrift niet blijkt waarom eiser het niet eens is met de afwijzing van zijn aanvraag. Verweerder heeft eiser, via zijn gemachtigde, bij brief van 16 november 2023 in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken alsnog de gronden van
het bezwaar in te dienen. Verweerder heeft daarbij aangegeven dat hij het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk kan verklaren indien dit niet gebeurt. Aangezien eiser niet alsnog gronden heeft ingediend, heeft verweerder het bezwaar vervolgens niet-ontvankelijk verklaard.
Beroepsgrond
4. Eiser betoogt dat verweerder het bezwaar van eiser onterecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. In dit verband brengt eiser naar voren dat de secretaresse van gemachtigde contact heeft opgenomen met de Ketenpartnerlijn om uitstel te verzoeken en dat een medewerker haar zou hebben meegedeeld dat dit geen probleem was. Het verzoek om uitstel zou volgens de medewerker worden doorgezet naar iemand die bevoegd is om uitstel te verlenen. Eiser voert daarnaast aan dat artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een kan-bepaling is. Verweerder had de bij het besluit betrokken belangen van eiser dan ook moeten afwegen voordat hij het bezwaar niet-ontvankelijk kon verklaren. Eiser heeft namelijk belang bij een inhoudelijke behandeling van zijn bezwaar zodat deze ook eventueel inhoudelijk kan worden getoetst door een rechter. Op dit moment is deze toegang echter beperkt tot de vraag of het bezwaar al dan niet rechtmatig niet-ontvankelijk is verklaard. Eiser verwijst in dit verband naar de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 5 december 2023 (ECLI:NL:RBDHA:2023:21372). Tot slot voert eiser aan dat verweerder de redenen voor het niet-tijdig indienen van de bezwaargronden had moeten onderzoeken.
5. De rechtbank overweegt als volgt. Uit artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb volgt dat een bezwaarschrift de gronden van bezwaar moet bevatten. Als aan deze voorwaarde niet is voldaan, kan het bezwaar niet-ontvankelijk worden verklaard, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een daarvoor gestelde termijn. Dit volgt uit artikel 6:6, aanhef en onder a, van de Awb.
6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Verweerder heeft eiser met de brief van 16 november 2023 een termijn van twee weken gegeven om het verzuim, namelijk de ontbrekende bezwaargronden, te herstellen. Niet in geschil is dat eiser deze brief heeft ontvangen en dat hij binnen de gestelde termijn geen bezwaargronden heeft ingediend. Gemachtigde van eiser heeft ter zitting toegelicht dat hij twee weken ziek is geweest. De stelling dat verweerder onderzoek had moeten doen naar de redenen voor het niet indienen van de gronden, slaagt niet. Het ligt namelijk op de weg van gemachtigde om verweerder te informeren over de redenen voor het niet tijdig indienen van de gronden. Niet is gebleken dat gemachtigde dit heeft gedaan. De enkele, niet onderbouwde opmerking dat de secretaresse van gemachtigde met de Ketenpartnerlijn heeft gebeld en dat uitstel zou zijn toegezegd, acht de rechtbank
onvoldoende. Het is de rechtbank ook niet gebleken dat gemachtigde, nadat hij weer beter was, alsnog bezwaargronden heeft ingediend zodat kon worden beoordeeld of sprake was van een verschoonbare termijnoverschrijding. De door eiser aangehaalde uitspraak, op grond waarvan verweerder eerst een belangenafweging had moeten maken voordat hij het bezwaarschrift niet-ontvankelijk kon verklaren, treft geen doel. Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 1 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2661, volgt dat hoewel artikel 6:6 van de Awb een discretionaire bevoegdheid bevat, er bij een beslissing om een bezwaarschrift niet-ontvankelijk te verklaren geen ruimte is voor het betrekken van inhoudelijke belangen.
Redelijke termijn
7. Eiser heeft verzocht om toekenning van een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
8. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), zoals de uitspraak van 14 september 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2668, is de redelijke termijn voor de afdoening van bestuursrechtelijke geschillen waarin sprake is van bezwaar en beroep in totaal twee jaar (voor bezwaar een half jaar en voor beroep anderhalf jaar). Wordt deze termijn overschreden, dan moet de overheid € 500,- aan immateriële schadevergoeding betalen voor ieder half jaar overschrijding, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.
9. Verweerder heeft het door eiser gemaakte bezwaar ontvangen op 9 november 2023. Twee jaar daarna, op 9 november 2025, is de redelijke termijn verstreken. Inmiddels is de redelijke termijn dus met ruim twee maanden overschreden. Verweerder heeft binnen de door de Afdeling genoemde termijn van een half jaar een beslissing genomen op het bezwaarschrift van eiser. De procedure bij de rechtbank heeft een jaar en ruim tien maanden geduurd en is daarom niet binnen de door de Afdeling genoemde termijn van anderhalf jaar afgerond. De redelijke termijn is, afgerond naar boven, dus met een half jaar overschreden. Dit betekent dat eiser recht heeft op een schadevergoeding van in totaal € 500,-. Nu de overschrijding van de redelijke termijn aan de rechtbank is toe te rekenen, zal de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) tot het betalen van de schadevergoeding worden veroordeeld.
Conclusie
10. Nu geen van de beroepsgronden slaagt, is het beroep ongegrond.
11. Voor een proceskostenveroordeling in verband met het beroep bestaat geen aanleiding. De rechtbank zal wel de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van € 467,- veroordelen (1 punt voor het indienen van het verzoek om schadevergoeding op grond van het Bpb, met een waarde per punt van € 934,-en wegingsfactor 0,5).
Beslissing
De rechtbank verklaart:
het beroep ongegrond;
veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling van een schadevergoeding van € 500,- aan eiser;
veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 467,-, geheel toe te rekenen aan een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.E.M. Wilbers-Taselaar, rechter, in aanwezigheid van mr. D.M. Abrahams, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.
Zittingsplaats Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL24.10585
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser]
, V-nummer: [nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. D. Schaap),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. H.J. Metselaar), en
de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid).
Procesverloop
Bij besluit van 13 oktober 2023 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd met als doel ‘arbeid in loondienst aan boord van een Nederlands zeeschip’ afgewezen.
Bij besluit van 9 februari 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 14 januari 2026 op zitting behandeld. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.
Overwegingen
Feiten
1. Eiser is geboren op [geboortedag] 1964 en heeft de Kaapverdische nationaliteit. Hij heeft op 19 mei 2023 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. Met het primaire besluit van 13 oktober 2023 heeft verweerder de aanvraag afgewezen, omdat niet is gebleken dat eiser voldoet aan de voorwaarden.
2. Met het bestreden besluit van 9 februari 2024 heeft verweerder het op 9 november 2023 ontvangen bezwaar van eiser kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Hierover gaat deze uitspraak.
Het bestreden besluit
3. Met het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard, omdat uit het bezwaarschrift niet blijkt waarom eiser het niet eens is met de afwijzing van zijn aanvraag. Verweerder heeft eiser, via zijn gemachtigde, bij brief van 16 november 2023 in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken alsnog de gronden van
het bezwaar in te dienen. Verweerder heeft daarbij aangegeven dat hij het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk kan verklaren indien dit niet gebeurt. Aangezien eiser niet alsnog gronden heeft ingediend, heeft verweerder het bezwaar vervolgens niet-ontvankelijk verklaard.
Beroepsgrond
4. Eiser betoogt dat verweerder het bezwaar van eiser onterecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. In dit verband brengt eiser naar voren dat de secretaresse van gemachtigde contact heeft opgenomen met de Ketenpartnerlijn om uitstel te verzoeken en dat een medewerker haar zou hebben meegedeeld dat dit geen probleem was. Het verzoek om uitstel zou volgens de medewerker worden doorgezet naar iemand die bevoegd is om uitstel te verlenen. Eiser voert daarnaast aan dat artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een kan-bepaling is. Verweerder had de bij het besluit betrokken belangen van eiser dan ook moeten afwegen voordat hij het bezwaar niet-ontvankelijk kon verklaren. Eiser heeft namelijk belang bij een inhoudelijke behandeling van zijn bezwaar zodat deze ook eventueel inhoudelijk kan worden getoetst door een rechter. Op dit moment is deze toegang echter beperkt tot de vraag of het bezwaar al dan niet rechtmatig niet-ontvankelijk is verklaard. Eiser verwijst in dit verband naar de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 5 december 2023 (ECLI:NL:RBDHA:2023:21372). Tot slot voert eiser aan dat verweerder de redenen voor het niet-tijdig indienen van de bezwaargronden had moeten onderzoeken.
5. De rechtbank overweegt als volgt. Uit artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb volgt dat een bezwaarschrift de gronden van bezwaar moet bevatten. Als aan deze voorwaarde niet is voldaan, kan het bezwaar niet-ontvankelijk worden verklaard, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een daarvoor gestelde termijn. Dit volgt uit artikel 6:6, aanhef en onder a, van de Awb.
6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Verweerder heeft eiser met de brief van 16 november 2023 een termijn van twee weken gegeven om het verzuim, namelijk de ontbrekende bezwaargronden, te herstellen. Niet in geschil is dat eiser deze brief heeft ontvangen en dat hij binnen de gestelde termijn geen bezwaargronden heeft ingediend. Gemachtigde van eiser heeft ter zitting toegelicht dat hij twee weken ziek is geweest. De stelling dat verweerder onderzoek had moeten doen naar de redenen voor het niet indienen van de gronden, slaagt niet. Het ligt namelijk op de weg van gemachtigde om verweerder te informeren over de redenen voor het niet tijdig indienen van de gronden. Niet is gebleken dat gemachtigde dit heeft gedaan. De enkele, niet onderbouwde opmerking dat de secretaresse van gemachtigde met de Ketenpartnerlijn heeft gebeld en dat uitstel zou zijn toegezegd, acht de rechtbank
onvoldoende. Het is de rechtbank ook niet gebleken dat gemachtigde, nadat hij weer beter was, alsnog bezwaargronden heeft ingediend zodat kon worden beoordeeld of sprake was van een verschoonbare termijnoverschrijding. De door eiser aangehaalde uitspraak, op grond waarvan verweerder eerst een belangenafweging had moeten maken voordat hij het bezwaarschrift niet-ontvankelijk kon verklaren, treft geen doel. Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 1 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2661, volgt dat hoewel artikel 6:6 van de Awb een discretionaire bevoegdheid bevat, er bij een beslissing om een bezwaarschrift niet-ontvankelijk te verklaren geen ruimte is voor het betrekken van inhoudelijke belangen.
Redelijke termijn
7. Eiser heeft verzocht om toekenning van een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
8. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), zoals de uitspraak van 14 september 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2668, is de redelijke termijn voor de afdoening van bestuursrechtelijke geschillen waarin sprake is van bezwaar en beroep in totaal twee jaar (voor bezwaar een half jaar en voor beroep anderhalf jaar). Wordt deze termijn overschreden, dan moet de overheid € 500,- aan immateriële schadevergoeding betalen voor ieder half jaar overschrijding, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.
9. Verweerder heeft het door eiser gemaakte bezwaar ontvangen op 9 november 2023. Twee jaar daarna, op 9 november 2025, is de redelijke termijn verstreken. Inmiddels is de redelijke termijn dus met ruim twee maanden overschreden. Verweerder heeft binnen de door de Afdeling genoemde termijn van een half jaar een beslissing genomen op het bezwaarschrift van eiser. De procedure bij de rechtbank heeft een jaar en ruim tien maanden geduurd en is daarom niet binnen de door de Afdeling genoemde termijn van anderhalf jaar afgerond. De redelijke termijn is, afgerond naar boven, dus met een half jaar overschreden. Dit betekent dat eiser recht heeft op een schadevergoeding van in totaal € 500,-. Nu de overschrijding van de redelijke termijn aan de rechtbank is toe te rekenen, zal de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) tot het betalen van de schadevergoeding worden veroordeeld.
Conclusie
10. Nu geen van de beroepsgronden slaagt, is het beroep ongegrond.
11. Voor een proceskostenveroordeling in verband met het beroep bestaat geen aanleiding. De rechtbank zal wel de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van € 467,- veroordelen (1 punt voor het indienen van het verzoek om schadevergoeding op grond van het Bpb, met een waarde per punt van € 934,-en wegingsfactor 0,5).
Beslissing
De rechtbank verklaart:
het beroep ongegrond;
veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling van een schadevergoeding van € 500,- aan eiser;
veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 467,-, geheel toe te rekenen aan een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.E.M. Wilbers-Taselaar, rechter, in aanwezigheid van mr. D.M. Abrahams, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.